In Moskou,
zo vertelde de verbannen
Russische journalist Michaïl Zygar op CNN,
vergelijken ze de VS van nu
met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989.
Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden:
mensen geloven niet meer in het officiële verhaal.
Ze zijn cynisch geworden.
En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde,
stortte het systeem in.

De vraag is nu:
zien we iets vergelijkbaars in het Westen?
Gaat hier echt iets fundamenteels kapot?
En zo ja, wat precies?

Als je naar Europa en de VS kijkt,
zie je een politieke cultuur
die steeds harder wordt.
Radicale en autoritaire partijen winnen terrein,
democratische regels worden opgerekt of genegeerd,
en veel mensen voelen zich
niet meer vertegenwoordigd.
Tegelijk groeit de polarisatie.
Mensen zijn somber, boos en wantrouwig.
Het gevoel dat ‘het systeem’
er niet meer voor hen is, zit diep.

Daarbovenop komt een hele reeks
andere problemen:
online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat,
steeds minder respect voor zorgverleners
en andere publieke beroepen.
Mensen leven in bubbels,
de onderlinge verbondenheid brokkelt af.
De sociale lijm laat los.

Dat is zorgwekkend,
want de westerse democratie
is eigenlijk een vrij nieuw experiment.
Het idee dat iedereen dezelfde rechten,
kansen en waardigheid heeft,
komt voort uit de Verlichting
en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm
in democratische rechtsstaten.
Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie.
Toen die instortte, dacht het Westen:
zie je wel, wij hebben gewonnen.

Maar zo simpel was het niet.
De liberale democratie bleek
geen eindpunt van de geschiedenis.
China liet zien dat kapitalisme
prima kan zonder democratie.
Oorlogen brachten geen democratie.
En zelfs binnen het Westen
begonnen landen afstand te nemen
van liberale waarden.
Ook in de VS staat de democratie onder druk.

Langzaam veranderde daardoor
de houding tegenover democratie zelf.
Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen
in instellingen en kiezen vaker
voor het idee van een ‘sterke leider’.
Media, rechters, universiteiten en parlementariërs
worden verdacht gemaakt.
Populisten zetten ‘gewone mensen’
tegenover elites, migranten
en kosmopolieten.

Ironisch genoeg kwam dat juist
na een periode van zelfgenoegzaamheid.
Liberale samenlevingen
gingen geloven
dat hun succes bewijs was
van morele superioriteit.
Die overmoed maakte blind
voor wat er ondertussen veranderde.

Globalisering haalde industrie weg,
de arbeidersbeweging verzwakte,
en links richtte zich steeds meer
op identiteit en cultuur.
Veel traditionele kiezers
voelden zich achtergelaten.
Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin,
maar wel in perspectief.
Sociale migratie stokte.
De meerderheid gelooft inmiddels
dat hun kinderen
het slechter zullen hebben.

Daarbovenop kwam
een groeiende kloof tussen
hoogopgeleide, stedelijke elites
en mensen die minder mobiel zijn,
vaker op het platteland wonen
en traditioneler denken.
Hun waarden werden weggezet
als achterlijk of fout.
Maar groepen die zich
structureel vernederd voelen,
accepteren dat niet eindeloos.
Economisch gebeurde iets soortgelijks.
Winsten en macht kwamen
steeds meer terecht bij een kleine groep,
vooral in de techsector.
Die bedrijven beschikken nu
over ongekende invloed en technologie.
Democratische controle loopt
daar ver achteraan.
Het risico is dat we afglijden
naar een vorm van digitaal feodalisme:
veel controle, weinig inspraak,
alles verpakt in gemak en entertainment.

Dat is geen sciencefiction.
Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.

De kern van het probleem lijkt dezelfde
als in de late Sovjet-Unie:
mensen zijn het geloof kwijtgeraakt.
Niet in één leider of partij,
maar in het idee
zelf van een liberale democratie.
Dat systeem kan alleen werken
als er minimaal vertrouwen is,
als mensen de spelregels accepteren
en elkaar als legitieme tegenstanders zien.

Als grote groepen dat niet meer doen,
houden ze op met meespelen.
Dan zoeken ze iemand
die belooft het hele spel kapot te maken.

Is dit dan het einde van het Westen?
Ja, misschien het einde van een tijdperk.
Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af
in economie of geopolitiek.
Ze speelt zich af in onze hoofden.
Of zoals Hemingway schreef:
eerst geleidelijk, en dan… INEENS.

De vraag is nu of de idealen
van vrijheid, gelijkheid en solidariteit
sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden.
Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt.
Maar zonder dat gedeelde verhaal
blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over.
En dat weten we in Europa maar al te goed.

 

Zo rond de jaarwisseling van Oud- naar Nieuwjaar
wordt er vaak door mensen achteruit én vooruit gekeken.
Het is een tijd voor afrekening en goede voornemens.
Misschien zoude niet alleen mensen
maar ook landen baat kunnen hebben
bij zo’n jaarlijkse afrekening met zichzelf.

Stel dat we in het leven altijd willen streven
naar een soort Aristotelische ‘gulden middenweg’,
dus tussen roekeloosheid en lafheid,
dan geldt dat ook voor staten en naties.
Veel landen, immers, zijn ten onder gegaan
door de overdaad aan misplaatste verlangens
en verkeerd geordende verlangens:
demagogen die het volk ophitsen;
oligarchen die de res publica – de ‘publieke zaak’ –
tot hun eigen persoonlijke leengoed willen maken.
Revoluties, corruptie en publieke lusteloosheid
zijn het loon van dergelijke zonden.
Uiteindelijk eindigt het in de dood van de staat zelf:
de ineenstorting van alle legitieme autoriteit in strijdende bendes,
terwijl vluchtelingen, als ze kunnen, naar de grenzen vluchten.

Veel landen daarentegen leven hun leven
in angstvallige lafheid,
totdat ze eindigen in een oude dag vol spijt,
omdat ze nooit hun volledige potentieel hebben bereikt.
Deze naties storten niet per se in,
maar gaan langzaam achteruit –
blijken niet in staat zichzelf te hervormen,
gevangen in een visie op hun verleden
die beter was dan hun heden
of welke denkbare toekomst dan ook.

Ook Nederland loopt het risico op beide gevaren.
Enerzijds een roekeloos reactionair populisme,
ter rechter en linkerzijde van het politiek spectrum,
dat lang sluimerend heeft geleefd,
maar inmiddels in volle hevigheid is losgebarsten.
Het dreigt alle voorzichtigheid te laten varen
en alle terughoudendheid omver te werpen,
de ambtenarij en de rechtbanken aan te vallen,
de mensenrechten te verwerpen,
het maatschappelijk debat te ondermijnen
en alle procedurele correctheid opzij te zetten,
totdat we uiteindelijk doorweekt raken
in de goot van despotisme.
Enerzijds staat een hardnekkig
constitutioneel conservatisme
de noodzakelijke, langverwachte hervormingen
in de weg die een oud, vermoeid land
nieuw leven en vitaliteit zouden geven
en onze instellingen de kracht zouden geven
om dergelijke destructieve krachten te weerstaan.

Naties kunnen dan , net als mensen,
beslissende momenten ervaren
van wat we berouw zouden kunnen noemen.
Wanneer ze wakker worden in de goot
– de hoofdstad gebombardeerd, het leger ontbonden,
de bevolking uitgehongerd –
kunnen ze zich afkeren van de paden
die hen daarheen hebben geleid
en een nieuw leven vinden,
een nieuwe hoop,
belichaamd in een nieuwe constitutionele orde.
Dit is wat bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Japan na 1945 deden.
Ze kunnen ook een soort bekering ervaren,
weg van valse principes naar waarachtigere houding,
zoals een groot deel van Centraal-Europa deed
na de val van de Berlijnse Muur.

Disclaimer: in deze webpost gebruik ik theologische taal
om louter burgerlijke en politieke opvattingen te beschrijven,
wat natuurlijk altijd gevaarlijk is.
Het zou een verkeerde interpretatie van mijn bedoeling zijn
als men zou concluderen
dat ik een welgeordende staatsvorm verwar met de Hemelse Stad (Augustinus).

Niettemin is een goed geconstitueerde staatsvorm,
waarin vrijheid en rechtvaardigheid,
vrede en het algemeen belang niet alleen worden gekoesterd,
maar ook – in zekere zin – daadwerkelijk worden bereikt,
een onschatbare zegen.
We moeten ernaar streven dit te bereiken.

Een goed geconstitueerde staatsvorm is gebaseerd
op het principe van ‘openbaar bestuur’.
De staat is een publieke entiteit,
die toebehoort aan het publiek,
waarin het openbaar ambt
een publiek mandaat is dat voor publieke doeleinden wordt gebruikt,
en waarin burgers in het openbare leven
trouwe rentmeesters moeten zijn van het algemeen belang,
waarvoor zij verantwoording verschuldigd zijn aan het publiek.

Democratie is ons contract voor deze regeling,
hoewel het een nogal onhandige term is.
Democratie is, goed begrepen,
geen onbeperkte heerschappij van de meerderheid,
noch de onbeperkte heerschappij
van de door de meerderheid gekozen persoon.
Het is veeleer een complex politiek systeem
dat representatief en verantwoordelijk bestuur
combineert met burgerlijke vrijheden en de rechtsstaat.

Populisme daarentegen is een karikatuur van democratie.
Populisten proberen de barrières te ondermijnen
die machtsmisbruik tegengaan.
Hun pogingen om de rechterlijke macht
en het ambtenarenapparaat te verzwakken,
degenen die het niet met hen eens zijn
buitenspel te zetten,
fundamentele rechten te schenden,
macht te centraliseren
en publieke dissidentie te beperken,
moeten daarom worden gezien
als aanvallen op de democratie.
Ze leggen willekeurige macht
in de handen van bepaalde personen.

Nederland is in de steek gelaten door een mislukte ideologie,
die van het neoliberale kapitalisme,
dat, zo wordt gesteld, net zo rigide en doctrinair is
als de officiële marxistische ideologie
van de voormalige communistische staten.
Nederland is eveneens in de steek gelaten
door decennia van incompetent,
kortzichtig en onzorgvuldig bestuur.
De symptomen van wanbestuur zijn terug te vinden
in Nederlandse economische prestaties, de sociale problemen,
de afbrokkelende infrastructuur
en de overbelaste publieke diensten.
Het land benut zijn potentieel niet.

Dit zou ons moeten aanzetten
tot het overwegen van de zwakte van de Nederlandse democratie.
Zoals die nu is, faalt de staat er vaak in het algemeen belang te dienen.
Wij Nederlanders leven niet
in een stevig geconstitueerd staatsbestel
met ‘publiek bestuur’ als fundament,
maar in een leenstaat die is ingekrompen, geprivatiseerd
en gedereguleerd tot bijna in de vergetelheid.

Als het slechts een kwestie was
van specifieke individuen, of van één partij,
zou het probleem gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Maar het land is niet alleen in de steek gelaten
door deze of gene regering,
door deze of gene partij of premier.
Het is het regeringssysteem,
de constitutionele orde als geheel,
die ons in de steek heeft gelaten.

Het herstellen van Neerlands hoop voor de toekomst,
zijn welvaart en zijn levenskwaliteit
moet dus beginnen
met de verbetering van de Nederlandse democratie,
en dat met een herfundering van zijn grondwet.

Want de ironie is dat degenen
die zich het meest op hun gemak voelen
met onze democratie,
ook degenen zijn die het meest bijdragen
aan de vernietiging van het openbaar bestuur in eigen land.
Want terwijl ze ‘Het (fictieve) Nederlands Verleden’ verheerlijken,
verwerpt het populistische rechts
de principes en waarden waarop dat verleden berustte.
Net zoals ze een pastiche
van het Nederlandse karakter van de jaren vijftig nastreven
(zonder sterke arbeidsrechten, sterke vakbonden,
zonder verzorgingshuizen, publieke nutsbedrijven en diensten),
zo proberen ze ook een pastiche van de Nederlandse Grondwet
van de jaren vijftig te creëren,
zonder de zelfbeheersing, gematigdheid,
het ethos van openbare dienstverlening
en de hoge mate van sociaal vertrouwen
en cohesie die dat systeem
van complexe ongeschreven regels lieten werken.

Zoals we kunnen zien,
van elke wachtlijst voor de jeugdzorg
tot elke krakkemikkige brug of tunnel,
functioneert de Nederlandse staat niet meer zo goed.
Het heeft alle ondeugden uit het verleden,
maar weinig van zijn deugden.
Een terugkeer naar de status quo
van een gefantaseerd ooit is onmogelijk.
Parlementair absolutisme,
getemperd door de ‘goede mensen’-theorie,
is geen haalbare optie meer.
Of we moeten een onaangetast absolutisme accepteren
– wat de agenda is van het reactionaire populistische rechts –
of we moeten de constitutionele hervorming verdiepen
en tot een nieuwe constitutionele regeling komen
voor een Nederlandse natiestaat,
die écht gericht is op het algemeen belang
van de gewone Nederlandse bevolking,
nu nodig is.

Dan is de vraag:
hoe zou een Nederlandse grondwet eruit kunnen zien,
en welke waarden en principes
zouden daaraan ten grondslag kunnen liggen?

Bij het beantwoorden van deze vraag
heeft de christelijke traditie
veel toe te voegen aan het gesprek.
Want christelijke theologen en politieke filosofen
hebben de afgelopen twee millennia
veel inkt gebruikt aan kwesties van goed bestuur,
de relatie tussen kerk en staat,
en wat het betekent
om christen én burger van een aardse staat te zijn.

Er lijkt een veronderstelling te bestaan
– zowel onder voor- als tegenstanders van geschreven grondwetten –
dat een geschreven grondwet
gebaseerd moet zijn op seculiere waarden.
De grondwetten van de Verenigde Staten en Frankrijk
zijn misschien strikt seculier,
maar andere versies van een grondwet
kunnen gebaseerd zijn
op principes die de suprematie van God erkennen,
of expliciet respect hebben voor christelijke principes.

Dit is geen poging tot theocratie.
Een grondwet voor Nederland zou moeten erkennen
dat zij een samenleving is met vele en geen enkele religie.
Het is echter een erkenning dat het christendom
niet alleen onze instellingen heeft gevormd en gesmeed,
maar ook onze opvattingen over goed en kwaad.
Het opgeven van dat alles
zou een ethisch vacuüm in de samenleving creëren,
dat alleen zal worden opgevuld
met steeds grotere vormen van uitbuiting.

Het belangrijkste ethische principe
van de constitutionele democratie
is de erkenning van de menselijke waardigheid.
Aan de oorsprong en grondslag van alle instellingen,
wetten en normen
moeten we ons vastklampen
aan het fundamentele gebod dat christenen de Gulden Regel noemen:
‘Behandel anderen zoals je wilt dat anderen jou behandelen.’
Als we dat principe van menselijke waardigheid loslaten,
is er geen solide basis meer
om een fatsoenlijke, goed geordende, democratische staatsvorm op te bouwen.
Misschien kunnen we dan een nieuw en beter Nederland bouwen.

de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971 

 

Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa.
Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich,
terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait.
Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen.
En jongeren – maar zij niet alleen –
verliezen hun vertrouwen in de democratie.

Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis,
of zelfs een politieke of een identiteit of etnische.
Het is eerder een spirituele crisis.
En als je er met deze bril op naar kijkt,
zie je overal de tekenen ervan.

Zoals afgelopen zomer
toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken,
een nationale militaire opbouw aankondigde,
met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera.
Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd
door de algemene Noord-Europese angst
voor het expansionistische Rusland.
Kort daarna sprak ze een groep studenten
van de Universiteit van Aalborg toe
waar ze iedereen verraste door te zeggen:

‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben
die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’

Ze sprak over het onderscheidingsvermogen
dat nodig is om waarheid van onwaarheid
te onderscheiden in een wereld
waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn
en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist,
niet meer technologie.
Herinvoering van de dienstplicht is één ding,
maar mensen overtuigen om te vechten
en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders.
Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken.
Waarom zou Generatie Z vechten
voor een economisch systeem
dat niet in hun voordeel lijkt te werken,
hen geen uitzicht biedt
op een eigen huis of een vaste baan,
en weinig te bieden heeft
om tot heldendom te inspireren?
John Lennon stelde zich een wereld voor
met ‘niets om voor te doden of te sterven’.
Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven,
is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.

De oproep van Frederiksen
is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa.
Een ander is de opkomst
van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd.
Elites mogen dan neerkijken
op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen,
maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen
die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert
en die het verlies betreuren
van het culturele en breed christelijke kader
dat, in de herinnering van vorige generaties,
eeuwenlang het besturingssysteem
van het Nederlandse leven vormde.
Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig
en het gebrek aan iets om het te vervangen,
vormen een probleem.
Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme,
gericht op het vernietigen van het geloof,
maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.

Een andere is wat wel de Stille Opwekking wordt genoemd:
tekenen van hernieuwd kerkbezoek
onder (vooral) jonge mensen.
Oplevingen van religie vinden meestal plaats
wanneer een gemeenschap voelt
dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd.
In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels,
naar beschikbare bronnen
van wijsheid en geruststelling.
Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’,
maar het is veeleer een teken
van een verlangen
naar een spirituele betekenis,
naar iets heiligs,
iets dat niet voor geld te koop is
en een waarde heeft
die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.

Dus, terug naar verrassende oproep
tot spirituele vernieuwing
van Mette Frederiksen,
in haar eigen land.
Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa,
Nee, Frederiksen staat niet bekend
als een regelmatige kerkganger
en haar sociaaldemocratische partij
is de afgelopen decennia
stond over het algemeen
lauw tegenover religie.
Toch was ze eerlijk genoeg
om het probleem te erkennen.
Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden
dat de waarheid niet bestaat,
is het niet verwonderlijk
dat we het moeilijk vinden
om waarheid van onwaarheid te onderscheiden.
Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd
dat de belangrijkste stem
om naar te luisteren
onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ –
is het niet verwonderlijk
dat we geen idealen meer hebben
om ergens voor te leven of te sterven.
Jongeren gaan misschien de straat op
vanwege klimaatverandering of Palestina,
maar zijn ze bereid
hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs,
dat dat alles te boven gaat,
zelfs als het hun beschaving
al generaties lang in stand houdt?

Waarschijnlijk niet.
En er is geen reden om te denken
dat Denemarken anders is
dan welk ander Europees land dan ook.
Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland,
ook al zijn onze politici
niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen
in het signaleren van het probleem.

Dus waar is het antwoord te vinden?
Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:

Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken,
omdat die een natuurlijke gemeenschap
en een nationale basis biedt…
Als ik de Kerk was, zou ik nu denken:
hoe kunnen we zowel een spiritueel
als een fysiek raamwerk zijn
voor wat de Denen doormaken?

Maar daarin schuilt nu juist het probleem.
De Deense Kerk,
één van de lutherse kerken in Noord-Europa,
verkeert niet bepaald in een goede gezondheid:
70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk,
maar slechts 2,4 procent van hen
komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk
– wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers
in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.

Filosoof John Gray
is vernietigend over de gevangenschap
van de westerse kerken in de tijdgeest.
Hij beschouwt ze als
een weerspiegeling van de verwarring
van de tijdgeest
in plaats van een coherent alternatief te bieden…
dit soort christendom
is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’

Dat is misschien wel het probleem,
maar het is ook de kans.
Het christendom is de standaard spirituele traditie
van het Westen.
Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit.
Anderen komen en gaan,
maar dit geloof zit in onze aderen,
in ons landschap, onze kunst en ons geheugen.
Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen,
heeft het talloze mensen geïnspireerd
tot een leven van onbaatzuchtige toewijding.
Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk
verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk,
toen een nieuwe middeleeuwse,
gekerstende beschaving ontstond
uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen,
of tijdens de hervormingsbewegingen
van de zestiende en zeventiende eeuw,
of tijdens de missionaire bewegingen
van de negentiende eeuw.
Keer op keer is het een katalysator gebleken
voor wijsheid om de uitdagingen
van de crisis het hoofd te bieden,
voor individuele zelfopoffering,
culturele vernieuwing
en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling:
iets om voor te leven en te sterven.

En dat is nog steeds zo.
Je hoeft alleen maar terug te denken
aan de 21 Libische martelaren
– voornamelijk gewone Koptische christenen
uit een eenvoudig dorp
die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen
en die een gruwelijke dood verkozen
in plaats van hun geloof
in de liefde van Christus te verloochenen,
om te laten zien
hoe het christelijk geloof 
iets biedt niet om voor te doden,
maar wel om voor te sterven.

Ik twijfel er niet aan
dat het christendom dat opnieuw kan bieden.
Niet als een terugkeer
naar iets uit het verleden,
maar in een nieuwe vorm
die trouw blijft aan zijn wortels,
maar op een manier
die er nieuw uitziet;
misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.

Kunnen christenen,
zoals John Gray het verwoordde,
een coherent alternatief bieden
voor de verwarring van de tijdgeest
in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?

De toekomst,
niet alleen van het Europese christendom,
maar ook van Europa,
hangt er mogelijk van af.

 

We kennen zo langzamerhand
allemaal wel het christelijk nationalisme
uit de Verenigde Staten van Amerika:
De beelden van een knielende Donald Trump
die vlak na zijn inauguratie gezegend werd
door een behoorlijk aantal voorgangers.
Voorgangers en christenen
die ‘hun’ Trump te vuur en te zwaard verdedigden
en zijn radicale plannen ondersteunen,
al was het alleen maar
om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen.
We deden het vaak af als een typisch Amerikaans iets.

Maar wat schetste mijn verbazing
toen ik laatst bij de Malieveldrellen in Den Haag
een houten kruis tussen de prinsenvlaggen en fakkels ontwaarde.
Onderzoekers hadden echter al eerder gewaarschuwd:
ook in Nederland wordt de christelijke symboliek
door radicaal- en extreemrechtse bewegingen
vaker ingezet om de ‘strijd’ tussen ‘goed’ en ‘kwaad’
een diepere lading te geven.

Vanaf het podium op het Malieveld
klonk tijdens de gewelddadige demonstratie een Bijbeltekst.
Els Noort, beter bekend als ‘Els Rechts’,
zwaait met een vlag waarop
de vermoorde Pim Fortuyn
en Charlie Kirk zijn afgebeeld.
Ondertussen leest ze voor uit Psalm 4:
In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen,
want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.
De 26-jarige Noort noemt het
‘een tekst die troost geeft in deze donkere tijd’.

Wat is de link tussen
uiterst rechts gedachtegoed en het christelijke geloof?
En is christelijk nationalisme
dat geweld niet schuwt een gevaar voor Nederland?

De Zoetermeerse Noort maakt er op sociale media
geen geheim van dat ze christen is.
Ze is gedoopt,
ging naar een reformatorische school
en deed drie jaar geleden belijdenis van haar geloof.
‘Ik kies volledig voor Hem en wil Hem dienen in mijn leven.’
Ze dankt God op X niet alleen
dat Hij haar zonden heeft vergeven,
maar ook: dat ze ‘geen linkse mening’ heeft.
‘God is goed, Geert wordt groot.’
stond er op een kruis te lezen.

Het kruis met ‘God is goed, Geert is groot.’ – beeld: YouTube

Noort gebruikt haar geloof ook om anderen aan te vallen.
Over oud-minister Hugo de Jonge zegt ze dat ze hoopt
dat hij zich straks kan verantwoorden tegenover God.
Oud-ChristenUnie-leider Gert Jan Segers noemt ze een ‘nepchristen’.
Mensen waar ze het niet mee eens is, noemt ze regelmatig ‘demonen’.

In London liepen eerder nog enkele anti-migratiedemonstranten
met kruizen en vlaggen door de straten.
Sommigen kwamen in een kruisvaarderskostuum.
Volgens de AIVD speelt daarbij het christendom en fluïde rol:
het kan gebruikt worden
om anderen het label van ‘het kwaad’ op te plakken,
om een witte, christelijke beschaving te claimen,
en soms om bruggen te bouwen naar conservatieve christenen.

Kort na deze demonstratie namen 36 Britse kerkleiders
uit conservatieve en progressieve stromingen
in een verklaring afstand van het gebruik
van die christelijke symbolen.
‘Jezus roept ons op om onze vijand
en onze naaste lief te hebben.
Het is onacceptabel dat het christelijk geloof
wordt misbruikt om anderen buiten te sluiten’,
schrijven zij.

Zo’n verklaring zou in Nederland ook een goed idee zijn,
zegt onderzoeker Marietta van der Tol van de Cambridge University.
‘In landen waar kerken zich duidelijk hebben uitgesproken
tegen misbruik van het geloof
door radicaal-rechtse groepen,
zoals in Noorwegen en Duitsland,
zwakken radicaal-rechtse groepen
hun claim op het christendom af.’

maar Van der Tol wijst wel
op de Amerikaanse invloed
op Nederlandse christenen,
bijvoorbeeld in de muziek, de liturgie,
of geestelijke literatuur.
‘De Amerikaanse samenleving is aan het radicaliseren
en dat zie je steeds meer in kerken en in de theologie terug.
Het zou goed zijn als gelovigen en kerken hier
nadenken over de vraag hoe welkom
die tendensen van radicalisering
zouden zijn in Nederland,
en of dat bij ons past.’

Het probleem zit ook bij het begrip ‘christelijk nationalisme’.
Voor de één betekent het iets anders dan voor de ander.
Christelijk nationalisme kan worden gedefinieerd als
‘liefde voor je natie, identificatie ermee
en speciale zorg voor haar welzijn’
Zo gelezen is er vanuit christelijk oogpunt
niets verkeerds aan.
Maar de term wordt tegenwoordig
ook anders ingevuld..
Dan duidt het eerder op een ideologie
die politieke macht nastreeft
om de christelijke identiteit
te verenigen met de nationale identiteit.
Met andere woorden,
het zou betekenen dat christenen
christelijke waarden willen opleggen
aan álle burgers van een natie
door middel van de wet.

Maar voor veel christenen zit juist hier
een addertje onder het gras.
‘Christelijke waarden’ omvatten
namelijk niet het dwingen van mensen
die zich niet als christen identificeren
om een christelijke levensstijl te leiden.
Christelijke waarden zijn gebaseerd
op de leer en het voorbeeld van Jezus,
en Hij was nooit dwingend.
Hij richtte zich op de harten van mensen
en streefde naar vrijwillige,
in plaats van afgedwongen gehoorzaamheid.
Zijn doel was dat mensen
Hem zouden volgen
en naar Zijn leer zouden leven
omdat ze dat meer dan wat ook ter wereld wilden,
niet omdat ze anders gevangen zouden worden gezet
of benadeeld zouden worden als ze dat niet deden.
Het evangelie is een uitnodiging
tot het meest lonende en vervullende leven
dat je je kunt voorstellen,
geen bevel dat uit angst
moet worden opgevolgd.

Jezus leerde expliciet dat christelijke politiek
anders zou moeten zijn
dan alles wat de wereld ooit heeft gezien:

‘Jullie weten’ zei Hij
‘dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn.’ (Marcus 10,42-43)

Met deze woorden zette Jezus
een politieke agenda
voor zijn volgelingen neer
die radicaal verschilde van
elke andere beweging, religie,
instelling of natie.

Waar anderen altijd macht hebben gebruikt
om te domineren, te controleren
en gehoorzaamheid af te dwingen,
moeten christenen macht gebruiken
om degenen die onder hen staan
te dienen en hun bloei na te streven.
Met zijn eigen leven liet Jezus zien hoe dit eruitziet.
Veel mensen verwachtten dat de Messias
een groot militair leider zou zijn
die een leger onder zijn banier zou verzamelen,
dat hij de Romeinse onderdrukking zou afschudden,
Israël als natie zou vestigen
en het met absolute macht en gezag zou regeren.
In plaats daarvan, in plaats van geweld te plegen,
onderwierp hij zich aan de dood
door toedoen van de Romeinse onderdrukkers.

Nee, Jezus bedoelde niet dat zijn volgelingen
geen macht en invloed
in de wereld zouden moeten nastreven,
of dat ze zich zouden moeten neerleggen
en zich als een voetveeg
zouden moeten laten vertrappen.
Het ‘christelijke verschil’
is niet dat het apolitiek is,
zich terugtrekkend
van alle betrokkenheid bij wereldse zaken,
alsof God zich niet bekommert
om wat er in de wereld gebeurt.

Het christelijke verschil is tweeledig:

(1) nooit de macht grijpen of behouden
door middel van geweld, dwang, leugens,
manipulatie of welke middelen dan ook
die zogenaamd het doel rechtvaardigen,

en (2) macht gebruiken
(wanneer die ons vrijwillig wordt gegeven)
in dienst van iedereen,
ongeacht hun geloof of levensstijl,
en vooral van de machtelozen.

Nee. christenen hebben zeker niet altijd
op deze manier politiek bedreven.
In de eeuwen sinds Jezus op aarde rondwandelde,
zijn ze vaak bezweken voor de verleiding
om politiek te bedrijven
zoals de rest van de wereld:
grepen ze naar autoriteit
om er zich vervolgens
met alle mogelijke middelen aan vast te houden,
het gebruiken om jezelf
en de eigen agenda te bevoordelen
op manieren die anderen te schaden en te onderdrukken.
De behandeling van Joden
in de late middeleeuwen
is een ontnuchterend
en afgrijselijk voorbeeld:
Joden werden gedwongen in getto’s te leven
en kegelvormige hoeden te dragen.
Het was hun verboden openbare ambten te bekleden,
synagogen te bouwen
die hoger waren dan welke kerk dan ook,
of op zondag over straat te lopen.
Uiteindelijk werden ze met geweld
uit verschillende Europese landen verdreven
om geen belemmering meer te laten
voor de vorming
van een waarlijk ‘christelijke natie’,
oftewel een natie met alléén christenen.

Tegenwoordig zetten veel christenen
in westerse landen zich in
om zich te verzetten tegen wereldbeelden
waarvan zij vinden dat ze hen binnendringen
zoals secularisme, islam en liberalisme.
Ze willen het christendom opnieuw
als de dominante culturele kracht bevestigen.
Het lijkt mij dat deze inspanningen
grotendeels worden ingegeven
door angst, veroorzaakt
door de afnemende christelijke invloed.
Er is een sterke drang tot zelfbehoud
wanneer iemand zich steeds meer gemarginaliseerd voelt.
Men heeft het gevoel dat als men de macht niet terugkrijgt,
alle waarden en de levensstijl
die men koesterde, zullen worden weggevaagd.
Je moet je dan zelf beschermen en proberen
de christelijke waarden met alle mogelijke middelen te behouden.
Je dient de controle terug te nemen
en financieel, politiek en cultureel kapitaal
in te zetten om het bestuur te herwinnen
en de christelijke wetten in ‘ons land’ te herstellen.

Toch is angst nimmer een goede drijfveer geweest
voor wijs, rechtvaardig en rechtschapen handelen.
Angst leidt onze aandacht af van de armen en behoeftigen
en richt zich op onze eigen benarde situatie.
Angst zorgt ervoor dat we terugslaan
met een instinctieve zelfbescherming.
Wanneer we bang zijn,
voelen we ons gerechtvaardigd
om onze eigen behoeften
en prioriteiten voorop te stellen.
Gewelddadig gedrag wordt bestempeld
als ‘zelfverdediging’,
het korten op hulpbudgetten
wordt bestempeld
als voorzichtigheid,
en het weigeren van toegang
aan vluchtelingen die alles verloren hebben
en op de vlucht zijn voor vervolging,
wordt gezien als de enige verstandige handelwijze
in een wereld met eindige middelen.
Angst drijft ons ertoe ons eigen voordeel te zoeken,
iets wat Jezus zelf nooit deed.
Misschien wist Jezus
dat angst de grootste kracht kan zijn
die ons ervan weerhoudt
een christelijk leven van dienstbaarheid te leiden.
Misschien is het geen toeval dat
“wees niet bang”
de meest voorkomende zin in de Bijbel is.

Voor christenen, zoals ik,
zijn er betere drijfveren
voor politieke actie:
dingen zoals
wijsheid, rechtvaardigheid en vrede.
(Durf ik te zeggen: liefde
Of is dat te controversieel?)
Maar de allerbeste motivatie
is de wens om Jezus’ leer en voorbeeld te volgen,
niet alleen als we eenmaal macht hebben verworven,
maar ook in de manier waarop we die zoeken en vasthouden.

Er is op zich niets mis met het idee van een ‘christelijke’ natie,
als dat in ieder geval een natie betekent
die zich gedraagt tegenover mensen
– zowel burgers als niet-burgers –
zoals Jezus deed
(en ervan uitgaande dat de natie
in de eerste plaats
niet door geweld is gevormd
– maar dat is een ander verhaal).
Een werkelijk ‘christelijke’ natie
zou nooit proberen christelijk gedrag
van wie dan ook af te dwingen.
Het zou de vrijheid van mensen respecteren
om te leven en te geloven wat ze willen,
en zou gelijke kansen, gelijke voordelen
en gelijke rechten bieden
aan christenen, moslims, atheïsten en joden.
Het zou zijn macht gebruiken
om alle mensen te dienen,
met name de meest kwetsbaren
en de minsten
die voor zichzelf kunnen zorgen.
Het zou elke buitenlander
verwelkomen en beschermen
die daarheen vluchtte
om zijn leven of vrijheid te redden,
nadat hij thuis alles verloren had.

Zo’n natie zou niet gekenmerkt worden
door angst om haar macht te verliezen.
Het zou er niet naar streven
haar invloed te behouden
door niet-christenen
het burgerschap
of posities in de regering te ontzeggen.
Als het tij zich tegen haar zou keren,
zou ze nederig afstand doen
van de macht
in plaats van dwang te gebruiken
om die te behouden,
net zoals Jezus nederig naar het kruis ging
in plaats van geweld te gebruiken
tegen zijn onderdrukkers.

Dat brengt me bij het primaire probleem
dat volgens mij het christelijk nationalisme vormt.
Ik heb geprobeerd de sociale en historische realiteit ervan
te verbinden met de huidige politieke macht.
Maar de grootste fout lijkt mij de opmars naar suprematie.
Jezus’ afwijzing van politieke macht in de woestijn
en zijn verzet tegen politieke macht door het kruis
gaan verloren in de opkomende vloedgolf van christelijk nationalisme.
Christenen hebben geen natuurlijke of goddelijke aanspraak
op gezag over anderen op basis van hun geloof.
De kerk heeft altijd een ‘ja’ en een ‘nee’ tegen de staat gezegd.
We moeten meer nadenken over
wat het ‘ja’ en ‘nee’ van de kerk zou moeten zijn.

 

Afgelopen weekend werd Nederland opgeschrikt door de rellen op het Malieveld.
Maar kwamen deze rellen zomaar uit de lucht vallen?
Daar wil ik in deze webpost over nadenken.

Want al in 2004 (sic) schreef Thomas von der Dunk zijn boek
met de titel: Buiten is het koud en guur.
Von der Dunk ontleedt in zijn boek de onrust en onzekerheid
die de boventoon voert bij groepen Nederlanders
na de moord op Pim Fortuyn in 2002.
Hij stelt zich de vraag of de revolutie van Fortuyn
werkelijk ten einde is of smeult onder de oppervlakte nog onrust.

Ik denk dat je na goed 20 jaar van de publicatie van dit boek,
wel kunt stellen de gevoelens van onrust en onzekerheid
zeker niet tot rust zijn gekomen maar eerder zijn toegenomen.

En die gevoelens komen niet alleen tot uiting in de kroeg
waar sommige mensen steeds meer en ongenuanceerdere woorden gebruiken.
Helaas is dit woordgebruik ook doorgedrongen tot in de politiek.
Want als je je in de politieke arena niet kunt gedragen,
kun je dat in de samenleving terugzien.
We moeten wel op onze woorden passen, want woorden doen ertoe.
We zien dat politici met jerrycans vol benzine rondsjouwen
en het gevoel van onrust en onzekerheid
met halve waarheden en hele leugens extra oppoken.
Vervolgens roepen ze dan wel moord en brand
als de gevoelens die ze hebben aangewakkerd
door sommige groepen worden aangevat om te gaan rellen.

Afgelopen weekend zagen we dat in Nederland met de rellen op het Malieveld.
Ik vond het bijvoorbeeld verbazingwekkend
hoe organisator Els Noort (a.k.a. Els Rechts)
van het Project Elsfest
zich meteen uitsprak over de relschoppers en zei
dat ze ‘echt gechoqueerd’ te zijn door deze gewelddadigheden.
Ze had in al haar ‘naïviteit’
gedacht dat haar bijeenkomst tegen het
asiel- en immigratiebeleid van de overheid
– ondanks aangekondigde rellen –
geweldloos zou verlopen.
‘Dat is absoluut nooit mijn bedoeling geweest.’
Ze wilde een vreedzaam protest tegen het in haar ogen falend asielbeleid.
Ze vindt het geweld van de relschoppers tegen de politie echt vreselijk.
‘Ik walg er echt van.’
Ze liep echter eerder zelf met een kannetje benzine rond
om het vuurtje van onrust eens flink op te stoken
door ‘linkse mensen als de grootste fascisten’ te betitelen
en wanneer CDA-leider Henri Bontenbal
zich kritisch uitlaat over de door haar bewonderde Wilders
hem een ‘randdebiel die allesbehalve christelijk is’ noemt.
Ook omschrijft ze Bontenbal
als een ‘wolf in schaapskleren’
en doopt ze de letters CDA om in ‘Christenen Dienen Allah’.
Waarschijnlijk had ze goed geluisterd
naar haar grote voorbeeld Geert Wilders
die NSC omdoopte tot ‘Nederlandse Sabotage Club’.

Maar goed, terug naar de problemen in Nederland.
Woede die nauwelijks gehoord en slecht verwoord worden.
In Nederland ontstaan er rellen op straat
en lopen mensen met de zogenaamde Prinsenvlag,
teken van verzet tegen onderdrukking. Woede

In Amerika versmalt de onrust zich tot kogels.
Dit zijn echter geen op zichzelf staande incidenten,
maar variaties op dezelfde westerse breuklijn:
woede die niet gehoord wordt en klontert tot ze explodeert.

Woede is in essentie een natuurlijke passie,
een het opvlammen van de ziel bij onrecht of onrecht.
Ze kan rechtvaardig zijn
wanneer ze beheerst wordt door liefde,
zoals zelfs Christus boos was op verharde harten.
Maar woede die zich verhardt verword tot ondeugd.
De Bijbel noemt het dan zowel het vuur van Gods oordeel
als, in de mensheid, een doodzonde.

Woede die niet meer geneest verword
tot littekenweefsel dat altijd blijft schrijnen.
En de woede die ten grondslag ligt aan de rellen
van afgelopen weekend is dit soort woede.

Het geeft uiting aan het gevoelen verhaal van teloorgang.
Voor groepen uit de maatschappij
is het Nederland dat men zich herinnert of verbeeld, is verdwenen.
Verbeeld, want er wordt een zwart sprookjesverleden geschetst
waarin Nederlanders hun maatschappij hebben vormgegeven.
Feit is dat veel soldaten die vochten
in de afhankelijkheidsstrijd van Nederland – de 80-jarige oorlog –
vaak buitenlanders waren.
Ook de bemanning van de VOC-schepen
waren vaak buitenlanders.
En de rijkdom van de ‘Gouden Eeuw’ hebben we
voor een groot deel te danken aan
gevluchte Belgen die met hun kennis en kapitaal
neerstreken in de Noordelijke Nederlanden.
Maar de angst tegen wat buitenlands, vreemd is
is voor groepen mensen voelbaar.
Voor hen is hun bekende omgeving ingeruild voor een samenleving
die niet meer herkend wordt:
multicultureel, politiek gevoelig, zich losmakend van het verleden.
Een kop in een krant schreef ooit:
‘de voornaam Henk is op weg naar het uitsterven’,
terwijl Muhammad,
in al zijn spellingsvarianten,
de meest voorkomende babynaam was geworden.

En daarmee wordt gesproken over immigratie
Beelden van massa’s mensen in Ter Apel
die over het beeldscherm rolden:
meer verandering waar men geen controle over heeft.
Huisvesting waar men geen vat op heeft.
De weigering om ooit nog te stemmen
is dan eerder een gebaar van berusting.
Omdat ‘ze’ toch niets om hem geven.

Zo onthullen deze mensen met hun woede
een politiek die hen in de steek heeft gelaten,
een economie die geen hoop biedt
en een cultuur die hen
tot vreemdelingen in hun eigen land maakt.
Nee, ‘tuurlijk, rellen zijn geen remedie;
ze scheuren wonden open zonder te helen.
Maar de reactie daarop is verhelderend:
want meteen wordt er gewezen naar de ander
en volgt er weinig tot geen zelfreflectie.
Van je af wijzen in plaats van luisteren.
Dat verscherpte de bitterheid.

Maar woede fluistert hier niet en wacht niet.
Het relt.

En misschien hadden veel van relschoppers
nog nooit eerder van Charlie Kirk gehoord,
maar Kirks retoriek kanaliseerde precies de angsten
die deze mensen kenmerken
– over verlies, ontheemding en verwaarlozing.
Deze resonantie verklaart mede
hoe zijn stem zo wijdverspreid was.

En eerlijk gezegd: ik heb Charlie Kirk ook niet gevolgd.
Zijn filmpjes verschenen op Instagram of YouTube,
maar het was niet mijn algoritme dat ze vastgreep.
Maar toen ik het nieuws zag, verraste mijn reactie me.
Het was vreemde reactie voor iemand die nooit
zo’n belangrijke rol in mijn leven had gespeeld.
Ik voelde me bijkans misselijk.
Omdat hij dood was.
Omdat hij geen politicus achter glas
of generaal achter medailles was.
Hij was weliswaar een publiek figuur,
maar ook vreemd normaal.
Met een vrouw en jonge kinderen.

En hij had het lef om met mensen te praten.
Hoeveel van ons kunnen zeggen
dat we net zo luidkeels recht in de ogen van anderen
zeggen wat we geloven
als we wel dapper genoeg zijn
om dat op sociale media te doen?
Charlie Kirk was zichtbaar.
Toegankelijk.
Hij was van vlees en bloed, niet alleen in pixels.
Ik zag op Facebook mensen van zijn generatie
een eerbetoon plaatsen.
Voor hen was zijn verdediging geen woede, maar dialoog.

En toen het fatale schot.

De moordenaar haalde de trekker over.
Woede was versmald tot enkele, precieze kogels met slogans erop.
Maar dit was geen gerechtigheid, zelfs geen protest.
Het was woede die verworden was tot moord; een executie.

Woede veroorzaakt hier geen opstand.
Het wordt versmalt tot kogels.
Het verandert in kannibalisme.

Want wat zal dit vergoten bloed
teweegbrengen in hen die luisteren, kijken en geloven?

In Amerika zijn vlaggen meubilair.
Ze staan op elke veranda, bij elke school, in elk stadion.
Maar hier in Nederland,
wanneer Nederlandse vlaggen worden omgekeerd
of de Prinsenvlag wordt geheven
voelt dat niet gewoon aan.
Ze zijn een uiting van verzet, van opstand.
Ze voelen onheilspellend aan.

Nee, de vlaggen schreeuwen niet; ze fluisteren.
Elke dag.
Een langzaam, koppig signaal van verbondenheid en verzet.
Niet de opstand van de mensen. Niet de kogel voor Charlie.
Maar iets stillers, op de een of andere manier blijvenders.
Woede in stof genaaid, wortel schietend in stilte.
Volharding echoot de wrok.
De stille volharding is op de een of andere manier
verontrustender dan de kogels die Charlie troffen.
En wanneer ze op bepaalde plaatsen duidelijker worden,
wanneer ze zich opstapelen en clusteren, vormen ze een bepaalde sfeer.

De omgekeerde vlaggen, de prinsenvlaggen betekenen
voor de één trots en voor de ander bedreiging.
En voor de meesten misschien helemaal niets.
Maar als de vlag van de mast worden afgescheurd
blijft er een rafelige naad over,
een bungelende strook gescheurde stof
die nog steeds aan het rechtopstaande metaal vastzit.
Dat voelt nog onheilspellender.
Niet als zomaar een teken van verdeeldheid, maar van reactie.
En merk je op dat ze,
waar ze slechts zo hoog hangen als een ladder reikt,
ze er bijna uitzien als vlaggen halfstok?
Alsof er onder de weerstand een onbewust verdriet schuilt.

En dus blijft de vraag: wat zal er van dit alles terechtkomen?
Deze woede kwam niet zomaar uit de lucht vallen,
maar gistte al heel lang in de samenleving.

Welke toekomst hebben we voor ogen?
Woede veroorzaakt hier geen opstand of vernauwing.
Het schiet wortel en woekert verder.

Hoe zou Christus spreken?
En hoe kan woede, die niet gehoord wordt
voordat ze zich tot toorn verhardt,
met de stem van Christus spreken?

Ik was boos, en jij noemde me achterlijk.
Ik was boos, en jij noemde me woke.
Ik was boos, en jij hoorde alleen je politiek,
niet mijn pijn.

Ik was boos, en jij maakte ruzie over stammen en partijen.
Ik was boos, en jij beoordeelde mij als stem, als bedreiging, als oorzaak.
Ik was boos, en jij luisterde niet echt naar mij.

Voorwaar, ik zeg je:

toen je de bozen zag
en hen alleen maar naar links of rechts riep,
begreep je er niets van.

Je kende mij niet.

En die boosheid – nog steeds ongehoord – zal nooit weggaan,

hun woede groeit in de schaduwen, wachtend om uit te barsten.

Geert Wilders in Zwolle; 7 juli 2025

 

Na het bezoek van Wilders aan Zwolle
om het debat over de komst van een azc
te kapen in zijn eigen voordeel,
vaak met slaan op de trommel
van het verlies van óns Nederland;
wil ik deze zaak eens verder uitdiepen.

Want…
Moeten de grenzen voor vreemdelingen nou dicht?
En vooral: wat moeten we met de vreemdelingen
binnen onze grenzen doen?
Kortom, immigratie, immigranten
hoe gaan we daarmee om
Het zijn dus vragen die
– geïnstigeerd door vooral populistische bewegingen –
het debat voorafgaand aan de verkiezingen in Nederland
op welke manier dan ook, gijzelen.

Wat mij interesseert, is de rol
die het christendom speelt in dit debat,
zoals het aan beide kanten
van het debat wordt aangehaald.

Rechts gaat het argument als volgt:
Nederland is (of was) een christelijk land.
Het dreigt nu overspoeld te worden
door mensen die dat geloof niet delen,
of de waarden die in het christendom geworteld zijn.
Daarom moeten we snel een einde maken
aan de excessieve immigratie,
met name migranten
uit conservatieve islamitische landen.
Als we dat niet doen,
zullen we Nederland ingrijpend zien veranderen
en zijn uitgesproken christelijke identiteit verliezen.

“De ‘Joods-christelijke waarden’
die de basis vormen van ‘alles’ in Nederland.
Deze waarden waren:
‘het gezin is belangrijk, de gemeenschap is belangrijk,
de samenwerking is belangrijk, het land is belangrijk.

‘Het christendom heeft het karakter van Nederland
door de eeuwen heen gevormd.
En er heerst ongetwijfeld op veel plaatsen,
vooral in de meer achtergestelde gebieden,
een gevoel dat gemeenschappen zijn veranderd
en onherkenbaar worden ten opzichte van wat ze waren.’”
Dat is het mantra.

Toch is het moeilijk om dit alles
als uitgesproken christelijk te bestempelen.
Veel moslims zouden vrijwel hetzelfde beweren,
en het zou moeilijk zijn om zijn lijst te beschrijven
als een adequate samenvatting van de boodschap van Jezus.
‘Joods-christelijke waarden’ worden rechts vaak gelijkgesteld
aan ‘Nederlandse waarden’, die worden gedefinieerd
als ‘democratie, de rechtsstaat, individuele vrijheid
en wederzijds respect en tolerantie
voor mensen met een ander geloof en andere overtuigingen’.
Het is moeilijk voor te stellen dat iemand gekruisigd
zou worden omdat hij dat predikte.

Toch wordt het christendom ook links gebruikt.
Regelmatig klinken woorden als:
‘Jezus zou oproepen om migranten te verwelkomen.
De vluchtelingencrisis is een morele test.
Jezus leerde ons vluchtelingen te respecteren.
Hijzelf zei: ‘Verwelkom de vreemdeling…’
En de Bijbel zegt:
‘De vreemdeling die onder u verblijft, moet behandeld worden als een autochtoon’.

Het is zeker een betere weergave van de leer van Jezus dan die rechts bezigt.
Maar links maakt het verwelkomen van de vluchteling
vaak deel uit van een bredere en diepere waarde
van ‘diversiteit’ als een op zichzelf staand goed.
Multiculturalisme, de caleidoscoop van culturen
die je in veel winkelstraten vindt met
Indiase, Thaise, Italiaanse en Marokkaanse restaurants,
of het beeld van kinderen uit verschillende landen
en religies die vrolijk rondrennen op een schoolplein,
is een geliefd cliché van seculiere progressieve mensen.

Het probleem is dat het voor velen
in delen van de samenleving niet zo voelt.
Sommige mensen kunnen multiculturalisme omarmen
omdat het hun manier van leven
niet fundamenteel bedreigt. van het leven.
Vreemden omarmen is makkelijker
als je een vaste plek hebt om ze te verwelkomen.
Een thuis waar het gezin goed met elkaar overweg kan,
waar de ouders eensgezind zijn
en de kinderen tevreden,
zal veel eerder in staat zijn
om onbekende gasten te verwelkomen
met de nodige nieuwsgierigheid
om van hen te leren.

Maar een gezin vol spanning en gekibbel
zal de vreemdeling waarschijnlijk
helemaal niet verwelkomen,
omdat de nieuwkomer
de bestaande spanningen nog verder zal aanwakkeren.

Maar een samenleving die een gevoel
van gedeelde, brede en sterke identiteit verliest,
is niet in staat een vreemdeling te verwelkomen.
Wat ons anders maakt, is alleen verrijkend
zolang we ons er allemaal van bewust zijn
dat we iets hebben dat ons verenigt.
Bij gebrek aan een verbindende band
blijkt verschil bedreigend te zijn.

De visie van links;
van diversiteit als een doel op zich,
alleen bijeengehouden
door een vaag idee van tolerantie of seculariteit
waar niemand het leven voor waard vindt –
dreigt de banden die ons binden te ondermijnen,
omdat het geen duidelijke kern biedt
die ons bij elkaar kan houden.

Het christendom biedt geen immigratiebeleid.
Zowel links als rechts kunnen aanspraak maken
op enige legitimiteit in het christelijke verhaal.
Wat het christendom echter wél biedt,
is een gemeenschap die een morele scholing biedt
die draait om Jezus,
als degene die ons de ware vorm
van het menselijk leven laat zien,
de noodzaak van zelfopoffering,
niet van zelfgenoegzaamheid
als sleutel tot een functionerend gemeenschapsleven,
en de heilige waarde van ieder mens;
overtuigingen die op hun beurt
de vreemdeling kunnen verwelkomen
in een veilig en zelfverzekerd thuis.

Deze zaken zijn door de eeuwen heen
vanuit hun intense kern
in de christelijke kerk
naar de bredere samenleving doorgedrongen.
Ironisch genoeg worden ze vandaag de dag
meer uitgehold door het secularisme dan door de islam.

Het werkelijke probleem van onze tijd
is niet de massale immigratie (zoals rechts het wil)
of het onvermogen om de grenzen
volledig open te stellen (voor links).
Het is de wijdverbreide uitholling van het christelijk geloof.

De verdwijning van het christendom
wordt bijna zonder slag of stoot geaccepteerd.
Het wegebben van het geloof wordt als vaststaande feit begroet.
Dit is misschien grotendeels de schuld van de kerk zelf,
een gebrek aan moed om haar eigen boodschap te uiten
en zich te presenteren
als een zoveelste maatschappelijke lobbygroep
voor diverse doelen in plaats van een gemeenschap
die draait om Jezus.
Maar het is ook te wijten aan de grote groepen
hoogopgeleide mensen uit de middenklasse
die graag de naam van Jezus claimen
wanneer het hen uitkomt,
en die teren op het culturele erfgoed van het christendom
zonder te investeren in de toekomst ervan
door ook maar in de buurt van een kerk te komen.

Een goed immigratiebeleid vereist
de compassie die de kwetsbare vreemdeling verwelkomt.
Maar het vereist ook een sterke, verenigde gemeenschap
met gedeelde waarden om hen te verwelkomen.

Een vernieuwd christendom
zou de redding kunnen betekenen
voor zowel rechts als links,
of op zijn minst een dieper en rijker verhaal
kunnen bieden dan elk van beide afzonderlijk kan bieden.
Een verhaal dat een sterke kern biedt
die een samenleving bij elkaar houdt,
maar dat tegelijkertijd de vreemdeling verwelkomt
als een geschenk en niet als een bedreiging.

 

In de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen
heb ik me wat meer verdiept in ‘toolbox’ 
van nationalisten en vooral populisten
Eén van de middelen waar vooral populistische politici gebruikmaken
is het middel van de zondebokideologie:
je framed een zaak die veel mensen bezighoudt,
je roept het uit tot ‘crisis’
en vervolgens probeer je een groep daarvoor
tot zondebok te maken.
In Nederland zie je bijvoorbeeld dat migranten
zo’n ‘status’ krijgen.

in Amerika zie je eenzelfde reflex:
J.D. Vance, de beoogd vice-president naast Donald Trump,
probeert dat bijvoorbeeld.
En daarbij tracht hij ook christelijke theologie
en christelijke waarden en normen
hiermee in verband te brengen.
Veel Amerikaanse politieke journalisten
moesten hun lezers een spoedcursus geven
in enkele van de meest controversiële ideeën in de moderne theologie.
In een recent artikel in Politico valt dat op
omdat het niet alleen een nietsvermoedend publiek kennis liet maken
met een filosoof, maar het hen (ons) ook vertelde
over de tegenstrijdige manieren waarop men die theoloog zou kunnen lezen.
En toch dwingen deze tegenstrijdigheden ons
om een moeilijkheid onder ogen te zien
waarmee iedereen die zich bezighoudt met democratisch debat te maken krijgt.

In het artikel wordt namelijk de impact van René Girards zondebokmechanisme
op Vance te onderzocht.
Daarmee wordt de invloed van Girards ideeën
in de intellectuele kringen rond J.D. Vance onderstreept.

Girard, een Amerikaans-Franse filosoof die in 2015 overleed,
wordt vooral herinnerd om zijn analyse
van de relatie tussen verlangen en conflict.
Girard stelt dat verlangen ‘memetisch’ is,
dat wil zeggen, het imiteert: ik wil wat ik zie dat anderen willen.
Dit leidt vanzelfsprekend tot conflict,
een conflict dat alleen kan worden opgelost door een zondebok.
Het identificeren van een zondebok, een out-group,
is een kracht die krachtig genoeg is om een gevoel
van solidariteit te creëren tussen degenen
die anders in conflict zouden zijn over gedeelde verlangens.

Politico liet zien hoe Vances lezing van Girard
zich zou kunnen verhouden tot Vances verdediging
van de valse suggestie van deze running mate
dat Haïtiaanse immigranten
de huisdieren van hun buren in Springfield, Ohio opeten.
Het ging zelfs zo ver om te suggereren dat
– in plaats van een verwerping van Girards analyse –
Vance begrepen zou kunnen worden
door het toepassen van een pragmatische lezing van Girard:

‘Hoewel Girard dat nooit ronduit heeft gezegd,
hebben sommige van zijn interpretatoren betoogd
dat Girards idee van de christelijke ethiek
– die in theorie een alternatief biedt
voor ritueel geweld als basis voor sociale cohesie –
in de praktijk niet kan dienen als basis voor een grote,
complexe en moderne samenleving.

Zondebok zijn is onvermijdelijk, gebruik het in je voordeel.
We kunnen niet precies weten
hoe deze of welke lezing van René Girard
dan ook een rol speelt in zijn politieke tactieken.
Wat we wel kunnen weten,
is dat Vances publieke fascinatie voor grote ideeën hem blootstelt
aan een beschuldiging waarop een gezonde democratie berust:
hypocrisie.

Daarentegen is er vaak een verrassende transparantie
in Trumps beroep op eigenbelang.
In juli sprak Trump een publiek toe en verklaarde:

‘Christenen, ga stemmen, alleen deze keer.
Jullie hoeven het niet meer te doen.
Nog vier jaar, weet je wat, het zal worden opgelost,
het zal goedkomen,
jullie hoeven niet meer te stemmen,
mijn mooie christenen.’

Hoezeer Vance en anderen ook proberen dit te veranderen,
er zit weinig ideologische inhoud,
geen substantie achter ‘Make America Great Again
voor zover Trump het vertelt.
Het is politiek op zijn meest transactioneel
en wat Trump zijn aanhangers biedt, mooi of niet,
is zo vaak een zondebok.
Trump is hier doorgaans vrij open over en,
hoe lelijk dit soort politiek ook is,
er zit een vreemd soort eerlijkheid in.
Maar Vance is anders.
Hij heeft ‘grote ideeën’.
En hoe vreemd u deze ideeën ook vindt,
en hoeveel spanning er ook lijkt te zijn
tussen zijn liefde voor René Girard
en zijn zondebok-zijn van Haïtiaanse immigranten,
democratie is beter voor die spanning.
Constructief democratisch debat is in zekere zin afhankelijk van hypocrisie.
Zonder hypocrisie zou democratie
niets meer zijn dan een onderhandeling over puur eigenbelang.

De eerste generaties christenen liepen tegen een soortgelijk probleem aan.
De wet waarvan ze geloofden dat ze die van God hadden gekregen,
toonde hun een visie voor het goede leven,
net zoals het alle manieren waarop ze tekortschoten onthulde.
Zoals de vroege kerkleider Paulus schreef:
door de wet komt de kennis van zonde.’
We kunnen eraan toevoegen
dat door politieke ideologie
of aspiratie de kennis van politieke hypocrisie komt.

Als Vance nooit publiekelijk de theorie van Girard had onderzocht,
als hij alleen maar een opportunist was geweest,
meer zoals Trump,
dan hadden we één middel minder gehad om hem ter verantwoording te roepen.
Elke politicus zal tekortschieten als hij wordt beoordeeld
op zijn publieke ideologische aspiraties.
En hoe meer ideologische aspiraties,
hoe groter de beschuldiging van hypocrisie.
Hypocrisie zal altijd worden aangetroffen
waar we mensen vinden die debatteren
en streven naar ideeën die perfecter zijn dan zijzelf.
Ik verdedig geen enkele individuele hypocrisie;
de inwoners van Springfield, Ohio en nieuwkomers in de VS
verdienen zoveel beter.
Hypocrisie is altijd teleurstellend,
maar minder teleurstellend dan de alternatieven:
ofwel een naakte jacht op eigenbelang
of een naïeve verwachting van ideologische zuiverheid.

De vraag voor ieder van ons in een democratie is
hoe we met hypocrisie kunnen leven,
het verwachten en tegelijkertijd meer verwachten
van degenen die ons in een openbaar ambt willen dienen.
En een moment van introspectie onthult dat het een last is
waarmee ieder van ons ook geconfronteerd wordt:
de schandelijke kloof
tussen mijn aspiraties voor mijn leven en de realiteit.
De vraag hoe we met deze hypocriete politici leven,
is eigenlijk de vraag hoe we met onszelf leven?

Daarmee keren we terug naar Girard.
Hij beweerde dat Jezus Christus
vrijwillig een doorzichtig onschuldige zondebok werd
en daarmee het mechanisme ondermijnde.
In het Politico-artikel wordt Vance als volgt geciteerd:

‘In Christus zien we onze pogingen om de schuld
en onze eigen tekortkomingen op een slachtoffer te schuiven
voor wat ze zijn:
een moreel falen, gewelddadig geprojecteerd op iemand anders.
Christus is de zondebok
die onze onvolkomenheden onthult
en ons dwingt om naar onze eigen tekortkomingen te kijken
in plaats van de schuld te geven
aan de door onze maatschappij gekozen slachtoffers.

De veeleisende logica van de kruisiging voorkomt
dat we zelfs de zondebokken van politici tot zondebok maken.

Maar Jezus’ dood is meer dan een belichaamde sociale kritiek.
Door naar ons toe te komen en te sterven
in de persoon van Jezus,
toonde God zijn liefde voor onvolmaakte mensen
die worstelen onder het gewicht van perfecte ideeën.
Hij kwam om het een thuis en de veiligheid te geven
die we allemaal wensen, vrij aangeboden aan hypocrieten.
Het punt van Christus’ dood is niet, althans in eerste instantie,
om mij te inspireren om anderen beter te behandelen.
Het is Gods onvoorwaardelijke aanbod
aan de gebroken en hypocriete,
als de gebroken en hypocriete,
niet zoals hij zou willen dat we zijn.

Paulus zegt het zo:
God bewijst zijn eigen liefde voor ons hierin:
toen wij nog zondaars waren, stierf Christus voor ons.
Ja, Gods genade is te dramatisch,
te sterk om ons niet te provoceren en ons op te roepen
om te veranderen,
maar zijn liefde komt tot ons vóór welke verandering dan ook.
Het komt tot ons zoals we zijn,
wij die onze hooivorken koesteren
en dat zelfingenomen gevoel
dat het allemaal de schuld van iemand anders is.

Als we de politiek instappen met het gevoel
dat dingen beter zouden kunnen,
kunnen we snel hypocriet worden.
Maar we mogen deze hypocrisie niet goedpraten;
we moeten onszelf en onze leiders ter verantwoording roepen.
En toch kunnen we dat dankbaar doen,
en dankbaar vastgehouden worden
door een God die voor hypocrieten op aarde kwam.