In 1959 zong Pete Seeger het legendarische lied
Turn! Turn! Turn!
met de iconische zin uit de Bijbel
‘To every thing there is a season,
and a time to every purpose under the heaven.’
(Prediker 3)

Omdat komend weekend Nederland
de wisseling maakt van zomer- naar wintertijd
leek het mij toepasselijk om een webpost te wijden
aan de wisseling van zomer naar herfst.

Want het begin van de herfst kan twee verschillende emoties aanboren.
Je kunt je somber worden gaan voelen naarmate de nachten lengen
en het ’s ochtends killer begint te worden,
of je wordt juist vrolijk en wijst naar de kleurende bladeren
en de schoonheid van een vroege avondlucht bewonder.

Voor mij is er iets betoverends aan de herfst,
het voelt zelfs meer als een ‘nieuw jaar’ dan januari,
maar voor anderen is het slechts een teken
dat de winter nabij is
en de zomervakantie een verre droom.

We hebben allemaal onze voorkeuren,
maar voor sommigen kan het begin van een nieuw seizoen
ziekte veroorzaken,
zoals in het geval van een seizoensgebonden stemmingsstoornis,
die, hoewel meestal in de wintermaanden,
mensen juist ook in de zomermaanden kan treffen.

Uiteindelijk brengt elk seizoen
zijn eigen unieke vreugde en verdriet met zich mee,
waarvan sommigen genieten en anderen het maar doorstaan,
het belangrijkste is dat we deze verschillen accepteren
en een manier vinden
om door de veranderingen heen
verbinding te maken.

Het is iets wat we ook zien in de manier waarop de kerk door het jaar reist.
Soms ook wel het liturgische jaar genoemd,
waarbij de seizoenen veranderen
en de focus ligt op een ander deel
van het verhaal uit de Schrift.

De herfst is de tijd waarin de oogst wordt gevierd,
waarin we onze dankbaarheid uiten
voor de natuur
en hoe deze voorziet in alles wat leeft.

Of het nu meteorologisch of theologisch is,
het volgen van het ritme van de seizoenen
geeft ons de mogelijkheid om niet alleen samen te vieren,
maar ook om te leren hoe we goed kunnen lijden
en samen kunnen rouwen.

In het kerkelijk jaar worden de periodes van viering,
zoals Kerst en Pasen,
voorafgegaan door periodes van bezinning en rouw.
Advent wordt gekenmerkt
door het wachten van Gods volk
op het licht van de wereld d
at door de duisternis heen breekt,
terwijl de vastentijd de gelegenheid biedt
om vergeving te zoeken en te rouwen
om alles wat er mis is in de wereld en in onszelf.
Deze seizoenen volgen
het verhaal van Jezus’ leven, dood en opstanding ;
soms resonerend met onze eigen levensfasen
en soms pijnlijk contrasterend.

In de Bijbel staat een boek genaamd Prediker,
geschreven door een onbekende persoon
die Kohelet of ‘leraar’ wordt genoemd.
Hij spreekt over ‘een tijd voor alles onder de zon;
er een tijd is om geboren te worden
en een tijd om te sterven…
een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen.’

Het herinnert ons eraan,
terwijl we de seizoenen volgen,
dat er in het menselijk leven en geloof
ruimte is voor al onze emoties.
We zien het in de verscheidenheid
aan emoties die niet alleen in
bijvoorbeeld de Psalmen tot uiting komen,
maar ook in Jezus’ eigen leven.

En het vermogen om samen te komen
en deze seizoenen voor God te markeren,
zelfs als ze verschillen
van wat we persoonlijk ervaren,
is iets wat ons samenbrengt.
Het herinnert ons eraan dat,
ondanks alle maalstroom
van emoties en veranderingen
die het leven met zich meebrengt,
er een soort cadans door elk seizoen klinkt:
we zijn geliefd door God
en vanuit diezelfde liefde
hebben we elkaar lief.

De wisseling van de seizoenen
kan een veelheid aan herinneringen
en emoties oproepen,
maar als we het toelaten,
kan het ook dienen als een oproep
om samen te komen
en ons door liefde te laten leiden.
We kunnen leren doen
wat de apostel Paulus de vroege kerk in Rome opdroeg:
‘Wees blij met wie zich verblijdt,
heb verdriet met wie verdriet heeft.’
(Romeinen 12)

 

Pasen is een feest om bij te zingen.
We vieren de opstanding van Christus.
Dat is een feest, een groot feest en bij feesten hoort muziek.
De verkondiging van de opstanding van Christus
is ook iets wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat.
Dat maakt het tegelijkertijd moeilijker om het vieren,
maar juist dan komt het op zingen aan.
‘We zingen het geloof naar binnen’, zei de dichter Ad den Besten ooit.
We zingen niet alleen omdat we geloven, maar ook opdat we geloven.
En juist het hoge feit van de overwinning van Christus op de dood
is iets dat bij uitstek bezongen moet worden.

Maar zijn de psalmen daarvoor geschikt?
De uittocht van Israël uit Egypte, dat wordt gevierd met het Pascha,
wordt wel uitgebreid bezongen in de psalmen.
Het is het feest van bevrijding uit de slavernij
en van die bevrijding verhalen veel psalmen.
En tijdens dit feest van Pesach,
vindt de gevangenneming van Jezus, Zijn lijden en sterven plaats.
De bevrijding die dit brengt is nauw verbonden
met de bevrijding die met Pesach gevierd wordt.
In dood en opstanding van Jezus gaat het om de bevrijding uit de macht van het kwaad
en de dood voor heel de mensheid.
In Handelingen 4 getuigt Petrus voor het Sanhedrin,
die eerder Jezus veroordeeld heeft, van Jezus, lijden,
dood en opstanding en dat doet hij met een psalm, met psalm 118:

Deze Jezus is de steen die door u, de bouwers, veracht werd, maar Die de hoeksteen geworden is.

Deze psalm hoort bij het Hallel die op Pesach gezongen wordt,
wordt hier door Petrus op Jezus betrokken.
Voor Petrus verkondigt deze psalm de opstanding van Jezus.
In de Evangeliën betrekt Jezus dit psalmvers ook op zichzelf.
Aan het kruis citeert Jezus psalm 22 en 31.
Als we psalm 22 lezen is het verwonderlijk
hoe sterk wij daar het lijden van Jezus in herkennen.
Jezus leefde de psalmen en geeft ze nieuwe betekenis.
Het lijden van Jezus weerspiegelt het vele lijden van de psalmen
en de opstanding van Jezus vormt de vervulling
van het reddend handelen van God waarvan de psalmen getuigen.

Door Jezus, die niet alleen aan Pesach,
maar ook aan de psalmen een nieuwe dimensie geeft.
Psalm 118 zingt van het handelen van God.
In de bevrijding van Egypte,
maar ook van de bevrijding van het kwaad en de dood,
door de hoeksteen door bouwers afgekeurd, door God zelf ten hoeksteen gelegd.

 

Het lezen van reacties op Donald Trumps verkiezingsoverwinning
in verschillende nieuwsmedia de afgelopen dagen
was een les in het hedendaagse politieke landschap:

Voor linksgeoriënteerde media ziet de toekomst er somber uit.
Men klaagt dat
‘we moeten leren leven met een Amerika
waar een overweldigend aantal van burgers
een president heeft gekozen die de meest fundamentele waarden en tradities
van de democratie, de grondwet en zelfs het leger met minachting aanhangt.’
Of het wordt ‘een buitengewoon, verwoestend moment
in de geschiedenis van de Verenigde Staten’ genoemd.
Het lijkt wel een seculiere versie van de preek ‘Wee ons, het einde is nabij’.

Maar als je de rechtse media bekijkt, zie je een mengeling van gejuich
– ‘Trumps triomf is een ramp voor de egocentrische, deugdzame elites!’-
en optimisme dat er een nieuwe dag aanbreekt.
Trump zelf prees de komst van een ‘gouden eeuw’ voor het Amerikaanse volk.
Een welkom stukje goed nieuws voor degenen aan de rechterkant.

Aan beide kanten is de apocalyptische noot moeilijk te missen:
‘2024 is het echte werk, een revolutionair moment,
een herinrichting en heroriëntatie van de Amerikaanse
en westerse politiek rond nieuwe principes.’
‘er niets dan slecht nieuws is voor Europa
in de Amerikaanse verkiezingsoverwinning van Donald Trump.
De enige vraag is hoe erg het zal worden.’

Direct na zulke verkiezingen is er altijd
een beetje van deze apocalyptische toon te horen:
wie herinnert zich nog hoe George W. Bush een rampzalige campagne voerde
voor een machtswisseling in het Midden-Oosten.
Of hoe Barack Obama begon met grote hoop,
een tweede termijn won,
maar de wapenwetten niet veranderde
en over algemeen werd beschouwd als degene die de VS verzwakte
door een mislukt buitenlands beleid.
En ook Joe Biden zou hebben gefaald omdat hij de inflatie liet toenemen
en de Amerikaanse grenzen te poreus liet worden.

Ja, ook Donald Trump zal falen.
Hij kan, zoals hij beloofde, een verbeterde economie opleveren.
Hij kan illegale immigratie tegengaan.
Dat is tenslotte de reden waarom velen op hem stemden.
Maar uiteindelijk zal hij teleurstellen.
Dat zou Kamala Harris ook hebben gedaan als zij had gewonnen.
En dat is niet om deze specifieke leiders te bekritiseren.

Het is altijd verleidelijk om in tijden als deze naar apocalyptische taal te grijpen.
Maar de echte betekenis van ‘apocalyps’ is ‘openbaring’ of ‘onthulling’.
Als we het op langere termijn bekijken,
is het echte apocalyptische moment in tijden
als deze misschien wel de onthulling van de ware plaats van politiek
als belangrijk, maar niet hét belangrijkst.
Deze momenten onthullen de ontoereikendheid
van alle menselijke koninkrijken,
en ons verlangen naar een ander koninkrijk,
een koninkrijk van ‘rechtvaardigheid,
vrede en vreugde in de Heilige Geest’ zoals de Bijbel het zegt,
dingen die geen enkele regering of verkiezingsuitslag ooit kan leveren.

Politiek is belangrijk omdat we het in de samenleven belangrijk vínden.
Maar wat politiek op zijn best kan bieden
– een goed functionerende economie, wet en orde,
het beheren van goede internationale relaties –
gaat maar tot op zekere hoogte om een bloeiend leven mogelijk te maken.
Net als terugkeren naar een bekende verlangen
waarvan we denken dat we er eens en voor altijd gelukkig van kunnen worden.
Ondanks de talloze keren dat het eerder is mislukt,
geloven we op de een of andere manier steeds weer
dat politiek al onze problemen kan oplossen.
Trump will fix it, Trump zal het oplossen’, zeiden de spandoeken
– hoewel dat in feite is wat elke politicus belooft.
Maar Jezus waarschuwde al:
‘Velen zullen in mijn naam komen en zeggen “Ik ben het”,
en veel mensen op een dwaalspoor brengen.’ (Mattheüs 24,5)

Waarschijnlijk zal Donald Trump niet zo slecht zijn als velen vrezen,
en niet zo goed als velen hopen.
Want politiek is nooit het laatste woord.
Zoals de Amerikaanse theoloog Matthew Burdette het onlangs verwoordde:
‘De oplossing voor onze politiek is geen politieke oplossing.
Stemmen op de juiste of de verkeerde kandidaat
zal de situatie niet veranderen:
de duivel is onpartijdig, zolang politiek onze afgod is.
Nee, wat nodig is, is fundamenteel en grondig spiritueel.
Alleen als we met de profeet Jesaja kunnen zeggen
dat “de volken zijn als een druppel uit een emmer,
en worden gerekend als stof op de weegschaal,” (Jesaja 40,15-17)
En
“ Vertrouw niet op mensen met macht,
op een sterveling bij wie geen redding is.
Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde,
op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder.” (Psalm 146,3-4)
dat wil zeggen, alleen als we tegen de horizon
van het ultieme kunnen zien hoe klein onze zorgen zijn,
zullen deze relatieve, voorlaatste dingen zoals politiek
worden rechtgezet en hun ware betekenis in ons leven krijgen.’

Jezus sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen.
‘Eens – zo begon Hij – ging een zaaier uit om te zaaien.’
Mattheüs 13,3

Wie is de zaaier en waarom deze opmerkelijke voorstelling van zaken?
In Psalm 126 is de zaaier ieder mens en verbeeldt het zaaien en oogsten
de gang van een mensenleven.
‘Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich.
Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich,
dragen de volle schoven.’
Voor deze gelijkenis lijkt iets soortgelijks te gelden, hij brengt ons menselijk leven in beeld.
Zij houdt ons een spiegel voor en laat ons zien hoe wijzelf vaak in ons leven reageren.                        Kleine tegenvallers maken vaak grote indruk op ons.
Zij nemen onze aandacht in beslag en bederven onze levensvreugde.
Maar ze horen er eigenlijk gewoon bij, zonder lichte tegenslagen kom je niet door het leven.
In zeker zin zijn het niet meer dan bijverschijnselen, maar zo ervaar je het niet.
En terwijl je je druk maakt over de kleine tegenvallers,
heb je nauwelijks oog voor de zaken die goed lopen
en voor de overvloed die het leven ondanks die geringe tegenspoed biedt.

naar aanleiding van psalm 145

(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)

Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn.
Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen.
Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.

En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept.
Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog.
En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a)
Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden.
Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld.
De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer.
Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen 
God opent zijn handen door mensen die hun handen openen.
In een Joods midrasj – uitleg –  wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil….
En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan:
aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen.
Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij.
In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen.
Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper.
Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven.
Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God,
zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn,
dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet
en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan.
En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven
steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader.
Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet.
Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is.
Wachten is in de Bijbel nooit afwachten.
Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God.
En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven.
Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk.
Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn.
We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen.
We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen.
Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer.
In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt.
In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen.
Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.

naar aanleiding van psalm 30

In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.

HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!

Psalm-84-vers-12naar aanleiding van psalm 84

Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.

naar aanleiding van psalm 27

David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.

Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.

naar aanleiding van psalm 103

Nu het er op lijkt dat de Covid-19 pandemie een beetje over zijn (eerste?) hoogtepunt heen lijkt
wil ik toch eens het volgende bespreken.
Want wij mensen hebben de neiging om het waardevolle, het positieve te vergeten.
Namelijk dat velen van ons gespaard zijn.
Want niet alleen bij mensen individueel maar ook bij een hele gemeenschap, een heel volk.
Er is zoiets als collectieve vergeetachtigheid.
Al vanouds. In Bijbelse tijden riep profeet na profeet zijn tijdgenoten op
om vooral niet te vergeten welke wonderen die Heer in vroeger tijden heeft gedaan.
Welke beloften en geboden Hij meegaf aan eerdere generaties.
En ook in de psalmen kom je steeds de aansporing tegen
om niet te vergeten maar te blijven gedenken.
Zo ook psalm 103 die inzet met een krachtige oproep:
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
De Naardense Bijbel vertaalt deze zin nog wat preciezer:
Zegen mijn ziel, de Ene, en vergeet nooit al wat Hij volbrengt.
Vergeten, dat heeft iets van verwaarlozing, vervlakking.
Van een gebrek aan verwondering en dankbaarheid.
En tegenover dat vergeten staat in verderop in vers 18 de aansporing om:
zijn verbond in acht nemen zijn bevelen gedenken om ze te doen.
Dat gedenken gaat dus om meer dan alleen je geheugen.
Het gaat er om je leven te laten bepalen door de genade en geboden van God.
Daarvan leven, daar verwonderd over zijn. Daar Hem voor zegenen, loven en prijzen.
Prijs de Heer, mijn ziel, en vergeet niet één van zijn weldaden.

Prijs de Heer, dat zijn meestal niet de eerste woorden waarmee wij ’s morgens onze dag beginnen. Misschien voel je je wel wat overvraagd met deze inzet.
Zo lekker zit je misschien niet in je vel; maak je je zorgen, heb je vragen, voel je je eenzaam, je pijn. Ben je gestrest,ben je onrust, boos of geïrriteerd. Of gewoon je vlakheid, lauwheid, je sleur.
Dat kan je dan behoorlijk in de weg zitten. En wat moet je dan met dit: ‘prijs de Heer’.
Wat kun je dan met deze psalm? Is dat niet wat te uitbundig, te hoog gegrepen.

Nou, dat kon nog wel eens iets meevallen.
Want dit ‘prijs de Heer’ is niet de jubel van iemand voor wie zomaar vanzelf spreekt.
Hier is niet iemand aan het woord die het geloof altijd op zak heeft.
Je proeft in dit lied het besef dat het leven fragiel is.
Zo vergankelijk, zo tijdelijk, zo vluchtig, zo eindig.
In vers 15-16 lezen we:
de mens, zijn dagen zijn als het gras, hij is als een bloem die bloeit op het veld en verdwijnt
zodra de wind hem verzengt. De plek waar hij stond, kent hem niet meer.

En de mens is niet alleen zwak, maar ook schuldig.
Hij schiet tekort, hij laat steken vallen, hij valt zichzelf en anderen vaak tegen.
Hij komt niet tot zijn bestemming, mist zijn doel.
Dat is niet echt de taal van ‘te hoog gegrepen’ toch?
Dat is niet taal van iemand die het goed met zichzelf heeft getroffen.
In deze psalm ontmoeten we iemand die zich realiseert:
Mijn bestaan is gebroken, begrensd, zwak en zondig.

Prijs de Heer, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam.
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
Want wij mensen zijn nogal vergeetachtige wezens.
En we onthouden gemakkelijker ellende en narigheid dan dat we onze zegeningen tellen.
Het zijn woorden waarmee ik mezelf aanspreek. Mijn ziel en al wat in mij is.
Dat is mijn hele bestaan met heel mijn wezen. Mijn verstand, mijn gevoel, mijn wil.
Mijn bestaan vol idealen, verlangens en dromen. Maar ook een met breuklijnen, littekens en wonden

Maar wat deze psalmist heeft ontdekt is dit. Ik ben in dat alles niet alleen.
Er is iemand die mij kent zoals ik ben. Vers 14: Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd. Ik wordt niet overvraagd, ik wordt gekend.
Juist in mijn begrensde, fragiele en gebroken bestaan. Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd. Dat wij slechts leven op de adem van zijn stem.

naar aanleiding van psalm 34

Schuilen, dat doen we allemaal wel eens: tegen de regen, of het onweer.
Als het echt gevaarlijk wordt, ga je rennen: naar waar je veilig denkt te zijn.
Zoveel mensen, met uiteenlopende ellende of angst of andere omstandigheden hebben behoefte aan plekken en aan mensen bij wie ze kunnen schuilen; het was de aanleiding voor het populair geworden en vaak gezongen liedje ‘Mag ik dan bij jou’, het werd ook gezongen tijdens The Passion 2015 in Enschede.
Nee, het ging niet over God, maar misschien juist meer dan op wat ook past
bij geloof en vertrouwen op God (ik maak van ‘jij’ en ‘jou’ U):
Mag ik bij U schuilen, als het nergens anders kan?
en als ik moet huilen, droogt U m’n tranen dan?

Het zijn moderne woorden voor waar de Bijbel en vooral de psalmen vol van zijn.
Zeker uit de mond van David horen we in allerlei toonaarden en vanuit allerlei situaties de roep om hulp: Heer, mag ik bij U schuilen, verberg me in uw tent, onder uw vleugels, of hoog op een rots, waar mijn vijanden niet bij mij kunnen.
Het was precies waar David op had gehoopt en op uit was: wegwezen hier, snel!
Om terug in eigen land zich te verstoppen in de grotten bij Adullam.

Naast het feit dat de vlucht natuurlijk een afgang en reputatieschade was voor David
was het tegelijkertijd een gevoelige les die David hier kreeg van God zelf:
dat hij geen hulp moest zoeken buiten God om, bij de tegenstanders van zijn volk.
Het is ook de les van een andere psalm, psalm 118:
‘Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mannen met macht’
Ooit is uitgerekend dat dit het middelste vers van heel de Bijbel zou zijn.
In elk geval is het een kerntekst voor wat geloven is: schuilen bij de Heere.
Deze psalm getuigt er ook van dat David zijn redding niet toeschrijft aan eigen slimheid,
want wat was hij bang en in paniek, maar aan de macht en de genade van de Heer:
‘ik zocht de Heer en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd…
in mijn verdrukking riep ik tot de Heer, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.’
Ja, en dat is precies zoals David de Heere had leren kennen
en wat hem steeds toch weer moed en vertrouwen gaf:
‘de Engel van de Heere waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’
En daarom: ‘gelukkig de mens die bij Hem schuilt’.

Kijk, en dan komt het ineens veel dichter naar ons toe, ons leven binnen.
God komt zo ook zelf veel dichter naar ons toe, letterlijk ons eigen leven binnen.
In het Oude Testament wordt de naam ‘Engel’ vaak gebruikt en meestal in één adem met ‘van de Heer’, dus meer dan zomaar een engel.
Dat wijst op God die naar mensen toe komt, reddend, helpend, waakzaam, zoals hier: ‘De Engel van de Heer waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’.
Vanuit het Nieuwe Testament kennen we de Heer ook in de persoon van Jezus Christus,
door wie God met ons en bij ons wil zijn, reddend, helpend.
Jezus die heel vaak tegen zijn leerlingen zei en ook tegen ons zegt:
wees niet bang, want Ik ben bij je en Ik ga met je mee, en kom maar bij Mij, dan geef Ik je rust.

‘Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig als je bij Hem schuilt’.