Eén van de kersttradities die wij thuis hebben
is het kijken van 1 of meerdere delen
van Home Alone.
We leven elke keer weer mee met Kevin McAllister;
de jongen die ongewild in z’n eentje Kerst viert
en samen met een inbrekersduo
in allerlei avonturen belandt

Is hij gewoon een jongen?
In de Bijbel is dat zeker de indruk die we krijgen
– de enige indruk – van Jezus
tussen de kindertijd en de volwassenheid.
Er is weinig geschreven over de jonge Jezus
en dan vrijwel alleen in de apocriefe geschriften.
en er zijn ook overeenkomsten van Kevin McAllister van Home Alone
met Lucas’ verslag van Jezus in de tempel op twaalfjarige leeftijd.

Toegegeven, er waren geen ‘sticky bandits’,
noch een John Williams-soundtrack;
maar denk eens aan Jezus’ ouders
die hun zoon achterlieten tijdens een feest.
Toen ze terugkwamen uit Jeruzalem
voor het feest van Pesach, zoals ze elk jaar deden,
realiseerden ze zich dat ze de Messias kwijt waren.

Oeps!

Stel je voor dat Maria de naam van haar zoon schreeuwde,
en de ongemakkelijke driedaagse tocht
om erachter te komen waar hij was.
Ze vinden hem uiteindelijk in de tempel,
en licht geïrriteerd vragen
ze hem waarom hij daar was.
Hij was gehoorzaam aan hen
(het vermelden waard)
en vertrok naar huis.

Maar zijn antwoord op die vraag
laat zien hoe Jezus thuis begrijpt,
terwijl het idee van
‘thuis zijn voor de feestdagen’
voor ons omstreden kan zijn.
Hij antwoordde:
‘Wist je niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn’,
of ‘bezig moest zijn met de zaken van mijn Vader?’
Dit is echt sterk. Wat een lef.
Niet alleen dat hij twaalf jaar oud is
als hij met zijn ouders praat,
maar niemand zou God ‘mijn Vader’ noemen.
Het is buiten deze plek,
of beter gezegd deze relatie,
waar Jezus ‘[groeit] in wijsheid en gestalte, en in gunst bij God en de mens.’

Thuis is waar we onszelf kunnen zijn,
maar ook onze hoede kunnen laten varen,
vragen kunnen stellen
en het vertrouwen hebben
om de wereld in te gaan,
zeker van wie we zijn.

En omdat dit het enige inzicht is van een groeiende Jezus,
die leert, studeert en vragen stelt,
is er misschien ook inzicht in
hoe we als mensen kunnen groeien,
wat we onder thuis verstaan
en hoe we ons tot God kunnen verhouden.
In veel opzichten zou Jezus’ volwassen leven nomadisch zijn,
maar zijn gevoel van thuis ging niet over geografie,
maar over een relatie met zijn Vader,
waarin hij vrij kon zijn om nieuwsgierig te zijn.

In tegenstelling tot Macaulay Culkin (Kevin McAllister),
is onze blijvende indruk van Jezus
misschien niet die van een jongen.
En de tijd (advent) die zijn komst aankondigt,
is een tijd geworden om ons te verdiepen
in onze roots en om naar de toekomst te kijken.
Maar misschien nog wel meer dan we ons realiseren,
geeft de jonge Jezus
ons een hint dat er geen plek is als ‘thuis voor de feestdagen’.

 

Tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen
in de tempel van Jeruzalem hangt een gordijn.
Het is een heel bijzonder gordijn.
Een handbreedte dik, negen meter lang en negen meter breed.
Twee afbeeldingen van engelen zijn op het gordijn geborduurd.
Dat gordijn sluit het Heilige der Heiligen voor mensen af.
Want achter dat gordijn woont God.
In het aardedonker.
De Heilige van Israël.
In de tempel van Jeruzalem,
de plaats die God heeft uitgekozen om onder zijn volk te wonen.
Eén keer in het jaar gaat de hogepriester door dit gordijn naar binnen.
Met een gouden schaal met het bloed van een offerdier.
Om zo verzoening te doen voor de schuld van heel het volk van Israël.

Het is dan Grote Verzoendag!
Om drie uur ’s middags wanneer vanaf het kruis de woorden klinken:
‘Het is volbracht!’
scheurt dat bijzondere gordijn in de tempel.
Van boven naar beneden!
De hemel zelf grijpt in.
De toegang tot God, die door dit gordijn werd afgesloten,
is voortaan voor iedereen open.
Jezus’ verzoenend sterven aan het kruis op Golgotha
baant de toegang tot Gods liefdevol hart.

‘Het is volbracht!’
Eigenlijk betekenen die woorden:
tot een einde brengen, tot een doel brengen.
Er zit iets definitiefs in.
Maar wát heeft Jezus dan volbracht?
Wat heeft Hij tot een definitief einde gebracht?
Het is de opdracht van de Vader
waarover Jezus spreekt in zijn gebed als Hogepriester (Johannes 17):
‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond
door het werk te volbrengen dat U Mij opgedragen hebt’ (vers 4).
‘Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb
aan hen doorgegeven,
zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben,
en ze geloven dat U Mij hebt gezonden” (vers 8).
Jezus is naar deze aarde gekomen
om de grootheid van God de Vader te tonen aan de mensen.
Dat is de opdracht die Hem vanuit de hemel is meegegeven.
Dat de mensen op aarde God zullen erkennen als Koning over alle dingen.

Daarom vertelt Jezus de mensen
over het Koninkrijk van God, het nieuwe paradijs.
Daarom laat Hij – door de wonderen die Hij doet –
zien hoe het leven er op de nieuwe aarde zal zijn.
Alle lijnen van het kruis lopen immers terug naar het begin.
Naar het begin van Gods goede schepping.
De mens, die God in de hof van Eden,
een plaats om te leven heeft gegeven,
is er om er voor God te zijn.
Om God als Schepper te erkennen van alle dingen.
Om Hem te dienen. Om Hem lief te hebben.

Maar toen ging het mis, in dat prachtige paradijs.
Want de mens wilde zélf als God zijn.
De mens wil zélf als koning heersen over alle dingen.
De mens wil zélf beslissen over wat goed en wat kwaad is.
Ongehoorzaamheid, opstand, zonde tegen God.
Jezus is naar de aarde gekomen
om de mensen te vertellen wat Gods bedoeling is met hun leven.
Hij heeft hun dat leven voorgeleefd. Zijn leven was een voorbeeldig leven.
Luisterend naar de stem van de Vader.
De woorden van de Vader doorgevend
opdat mensen weer in die woorden zullen gaan geloven.
Beloften van vergeving en van verzoening.
Van een herstelde verhouding en een vernieuwd leven met Hem.
Zo heeft Jezus de Schrift in vervulling laten gaan.
Zijn werk op aarde is volbracht! Het doel is bereikt.
De kloof tussen God en mensen is door Hem overbrugd.
God en mensen kunnen weer direct contact met elkaar hebben.
Er is geen offerbloed, geen hogepriester,
geen gordijn en geen tempel meer nodig.

‘Het is volbracht!’

En wij?

Jezus’ sterven aan het kruis betekent voor ons een nieuw begin.
Wat wij mensen niet konden bereiken heeft Hij bereikt.
Wat wij mensen niet konden volbrengen heeft Hij volbracht.
Vaak denken wij dat ook wij eerst offers moeten brengen
om met God weer in het reine te kunnen komen.
Plaatsvervangend heeft Jezus zijn leven voor ons opgeofferd.
Uniek. Eenmalig.
Wij mogen weer leven zoals God het heeft bedoeld
toen Hij de mens op aarde een plaats heeft gegeven.
Een leven in liefde, in afhankelijkheid en in dankbaarheid.
Een leven in liefde voor God, onze Schepper.
Een leven in liefde voor elkaar en de schepping.

Dat is het geheim van dit bewogen zesde kruiswoord!

 

De eerste man die ik in deze Adventstijd voorstel is een priester:
een man van gebed dus,
geroepen om het volk voor te gaan in de offerdienst.
Zijn naam betekent: bij de HERE is gedachtenis.
Want God is zijn volk niet vergeten
en werkt ‘achter de schermen’ aan de verlossing.
Samen met Elisabeth heeft hij maar één verlangen:
God de Here met een volkomen toegewijd hart dienen.
Ze zijn te oud om nog kinderen te krijgen.
In Zacharias en Elisabeth ontmoeten we mensen
die ‘model staan’ voor de gelovige Rest van Gods volk
in een tijd van onderdrukking.

Twee weken per jaar doet Zacharias dienst in de tempel.
Slechts één keer in je leven mag je als priester in het heilige komen
om het reukoffer te brengen.
Dit is dus de gelukkigste dag uit zijn leven.
En dan verschijnt er ook nog een engel!
Zacharias staat hier overigens niet als privépersoon:
hij is ambtsdrager, buiten staat het volk te bidden,
de engel verschijnt niet bij hem thuis,
de te geven naam is geen familienaam.
Tegelijk worden we wel deelgenoot gemaakt
van Zacharias’ emotionele reactie (ontroering en angst),
kondigt de engel blijdschap en vreugde voor hem persoonlijk aan
en horen we Zacharias’ persoonlijke reactie:
‘Dit kan toch niet waar zijn?’
En we kunnen het nog wel begrijpen ook…
Mocht je van deze oude man niet veel meer geloof verwachten?
De Bijbel doorbreekt hier ons vaak wat stereotype denken over oud en jong:
‘Ouderen zijn wijzer en geloviger; jongeren moeten vooral nog veel leren.’
Maar hier blijkt dat oud-zijn niet per definitie betekent:
verder zijn op de weg met God.
Straks komt Maria in beeld, een kind nog eigenlijk.
En zij gelooft met hart en ziel.

naar aanleiding van psalm 27

David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.

Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.