Ik las het laatst en ik schrok me rot:
als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar
ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon.
Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.

En dan heb ik het niet eens over Generatie Z,
die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit.
Zes uur.
Dat is geen bijzaak meer.
Dat is een levensstijl.
Dat is liturgie.

We lachen erom.
“Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.”
Maar intussen pakken we ’m op
zonder dat we het doorhebben.
Bij elk piepje. Bij elke stilte.
Bij elke seconde verveling.
“Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst.
Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.

En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.

We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’
– pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.

En dan:
Aswoensdag.
Stof ben je.
Zes weken oefenen in minder.
Minder eten. Minder luxe. Minder ruis.
Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.

Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?

Ja, ik weet het.
Werk.
Appjes.
Agenda.
Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig?
En hoeveel is gewoon gewoonte?
We hebben onszelf getraind in afleiding.
Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel:
pakken, kijken, scrollen.
Ons hart volgt onze handen.
En onze handen grijpen
steeds naar glas en licht.

We zeggen dat we verbonden zijn.
Maar wat voor verbinding is dit?
We worden gebombardeerd
met meningen, rampen,
perfecte lichamen en perfecte levens.
En ondertussen missen we de mensen
die letterlijk tegenover ons zitten.
“Sociaal” is het allang niet meer.
Het is lawaai.

Misschien is het tijd voor iets radicaals.
Iets ouds. Iets analoogs.

Een gewoon horloge. Een echt boek.
Een notitieboekje
in plaats van meteen googelen.
Een wandeling zonder podcast.
Ongemakkelijk?
Absoluut.
Inefficiënt?
Zeker.
Maar dat is nou juist het punt.

Want het analoge leven gaat over drie dingen
die we aan het kwijtraken zijn:
gemeenschap, creativiteit en rust.

Gemeenschap:
niet duizenden volgers,
maar één mens aan je keukentafel.
Iemand aankijken
zonder dat je scherm ertussen zit.

Creativiteit:
niet alleen consumeren, maar maken.
Iets met je handen doen.
Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken.
We zeggen dat we “geen tijd” hebben.
Onzin.
We hebben tijd zat.
We geven ’m alleen weg.

En dan rust. Echte rust.
Niet “even Netflixen om bij te komen”.
Maar stoppen.
Een sabbat. Een dag zonder moeten.
Zonder presteren. Zonder scrollen.
Gewoon zijn.
Verveling toelaten.
Want juist in die leegte gebeurt er iets.
Daar geneest je verbeelding.
Daar hoor je weer wat er in je leeft.
Daar kan God eindelijk tussenkomen
zonder dat Hij moet concurreren
met je notificaties.

Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen.
Het is een oproep tot bekering.
Ja, dat woord.
Omkeren.
Je tijd opnieuw ordenen.
Je verlangens opnieuw richten.

Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.

Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid,
maar om terug te keren naar wat echt is.

Want de vraag is niet hoeveel schermtijd je hebt.

De vraag is: wie word je ervan?

 

Half februari.

De goede voornemens liggen al bij het grofvuil.
We zouden toch gezonder, fitter, rustiger, beter worden.
Twee weken later zaten we alsnog met chips op de bank.
We knikten zelfs braaf bij Blue Monday
– zogenaamd de somberste dag van het jaar –
alsof we een officiële stempel nodig hebben
voor dat knagende gevoel
dat het allemaal wat minder glanst dan gehoopt.

Maar misschien zit de echte somberte niet in het weer. Misschien zit ’ie dieper.

Kijk om je heen.
Twee derde van de wereld leeft inmiddels in landen
waar te weinig kinderen worden geboren
om de bevolking op peil te houden.
Voor stabiliteit heb je gemiddeld 2,1 kind per vrouw nodig.
In Nederland is dat 1,43.
In grote delen van Europa is het niet veel beter.
Dat is geen dipje. Dat is een trend.

En natuurlijk: we noemen het Vrijheid,
Keuze, Zelfbeschikking.
We plannen ons leven zorgvuldig.
We optimaliseren, vergelijken, berekenen.
Alles moet kloppen. Het huis. De baan. De planeet.
Onszelf.

Maar onder al dat plannen ligt een stillere laag.
Twijfel. Uitstel. Wachten op betere tijden.
Tot de hypotheek betaalbaar is.
Tot de politiek rustiger wordt.
Tot het klimaat stabieler voelt. Tot we zelf ‘klaar’ zijn.

Alleen: dat moment komt zelden.

Misschien is dat wel de kern van onze tijd.
Niet egoïsme. Niet onwil.
Maar een te broos vertrouwen in de toekomst.
Want we zijn opgegroeid met het idee dat alles groter,
beter en rijker zou worden dan gisteren.
Die belofte kraakt.
Oorlog. Klimaatstress. Polarisatie.
Het voelt soms alsof we leven
in een wereld die haar glans verloren heeft.

En toch.

En juist nu schuift de christelijke kalender
de veertigdagentijd binnen.
Na het uitbundige van Vastenavond volgt Aswoensdag.
Een zwart kruis op je voorhoofd,
met de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent.’
Geen marketingpraatje.
Geen maakbaarheidsmantra.
Gewoon een reality check:
je bent eindig. Kwetsbaar. Beperkt.

Dat klinkt somber. Maar misschien is het bevrijdend.

Want we zijn moe van het idee
dat grenzen er zijn om te doorbreken.
Dat plafonds altijd hoger te kunnen.
Dat groei vanzelfsprekend is.
Wat als volwassen worden betekent
dat je leert leven mét grenzen,
in plaats van ertegen te vechten?
Wat als hoop niet ontstaat
uit onbeperkte mogelijkheden,
maar juist uit eerlijkheid over wat breekbaar is?

Het askruis zegt niet:
geef het op.
Het zegt: kijk eerlijk.
Het leven is kwetsbaar. Jij ook.
En precies daar kan iets nieuws groeien.

Hoop is geen optimisme dat alles goed komt.
Hoop is het vertrouwen
dat betekenis niet afhankelijk is
van perfecte omstandigheden.
Dat zelfs in een tijd van dalende cijfers
en stijgende zorgen,
de toekomst niet gesloten is.

Half februari.

De regen tikt tegen het raam.
De voornemens zijn gesneuveld.
Maar misschien is dat geen nederlaag.
Misschien is het een uitnodiging om kleiner te denken
en groter te verwachten.
Niet van onszelf, maar van wat ons draagt.

Misschien begint hoop precies hier.
Niet in glans. Maar in eerlijkheid.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

 

‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ … ‘Echt ik ken die man niet!’
De dienstmeisjes van de hogepriester hebben
Petrus, leerling van rabbi Jezus uit Galilea in een hoek gedreven.
Petrus kan geen kant meer uit.
Om zijn hachje je redden ontkent hij drie keer
dat hij ook maar iets met Jezus heeft te maken.
In de vroege ochtendschemering kraait een haan.

Zijn eigenlijke naam is Simon Barjona. Simon, zoon van Johannes. Visser uit Betsaïda.
Zijn netten, zijn vissersboot, zijn gezin – kortom zijn hele vroegere bestaan –
heeft Simon achter zich gelaten. En hij is Jezus gevolgd.
Drie jaar lang is hij met rabbi Jezus en zijn leerlingen \
door het hele land van Judea en Galilea getrokken.
Vanaf het begin is Simon erbij geweest.
Getrokken, geboeid, geroepen door deze bijzondere rabbi uit Nazareth.
Rotsvast is zijn geloof in Jezus, om jaloers op te worden:
‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’.
Ja, Simon – die van Jezus de bijnaam Petrus, Rots krijgt –
weet het zeker: deze Leraar is de langverwachte Bevrijder van Israël.
Het Koninkrijk van God is aanstaande.
De Romeinen zullen binnenkort hun biezen moeten pakken.
Maar hoe anders is het gelopen, deze laatste dagen in Jeruzalem.
Het begon allemaal zo indrukwekkend.
Op een ezel daalt Jezus de Olijfberg af.
De geestelijke leiders van het volk voeren intussen hun duivels plan uit.
De agenten van de tempelpolitie nemen rabbi Jezus gevangen.
Hij wordt hardhandig afgevoerd naar het paleis van Kajafas, de hogepriester.
Monddood zullen ze Hem maken, die o zo populaire rabbi uit Galilea.

En dan gebeurt het. Het onverwachte, het onvermijdelijke.
Een dienstmeisje meent hem te herkennen als een leerling van rabbi Jezus:
‘Jij hoorde ook bij die Jezus uit Galilea!’

Petrus schrikt zich rot. Hij vlucht in de ontkenning.
Maar daardoor verwijdert Petrus zich radicaal van Jezus.
Elke band met de Meester snijdt de leerling door.
En dat terwijl Jezus juist hém daarvoor had gewaarschuwd.

Simon Petrus, een mens als u en jij en ik.
Hij wordt door Jezus geroepen om leerling van Hem te zijn.
Rotsvast is zijn geloof.
Hij verloochent zijn Meester.
Maar ook voor hem is er vergeving en verzoening.
Ook voor hem is er – na Pasen – een nieuw begin mogelijk.
Voor hem … en voor ons!

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

Op Witte Donderdag gedenken we hoe Jezus
voor de laatste keer met zijn leerlingen bijeen was.
Hoe hij met hen die maaltijd vierde die zo’n bijzondere betekenis kreeg. Want het was de laatste maaltijd en tegelijk niet de laatste.
De Heer maakte tijdens de maaltijd duidelijk
dat ze deze maaltijd moesten blijven houden:
‘doet dit tot mijn gedachtenis’.
Juist deze maaltijd moest voor hen en alle gelovigen
het teken zijn dat hij zelf in hun midden was.
Zij zouden hem steeds weer mogen herkennen
‘in het breken van het brood’.
In deze maaltijd schenkt Jezus zichzelf aan ons
voor ons leven als gelovige mensen:
‘Dit is mijn lichaam’ zegt hij bij het breken van het brood
en het uitdelen ervan. Het is heel belangrijk dat we dit voor ogen houden. Niet wíj zeggen bij het breken van het brood ‘we denken aan Jezus’
alsof wíj betekenis geven aan het brood.
Het is de Heer zelf die zegt: ‘dit is mijn lichaam’. Hij ís het zelf.
Wat hij zegt dat is hij. En wat hij is dat zegt hij.
Het is deze liefde voor de blijvende tegenwoordigheid van Christus
in brood en wijn die ons telkens van zijn nabijheid in ons leven
mag vervullen.
En hij voegt eraan toe dat wat hij gedaan heeft
in de voetwassing een voorbeeld is voor allemaal.
Respect en liefde voor de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer
in ons midden kan niet zonder liefde en respect voor elkaar.
We moeten waardevol en kostbaar zijn in elkaar ogen.
Elkaars zwakheden verdragen, fouten vergeven,
en elkaars talenten herkennen en stimuleren,
en in elkaars noden zo mogelijk voorzien.
Dat is elkaar de voeten wassen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan
en opgedragen, nog voor de maaltijd.
Met het offer van zijn leven door zijn lijden
en sterven aan het kruis dat we in deze dagen gedenken,
heeft Jezus ons de voeten gewassen,
onze zonden vergeven en tot nieuwe mensen gemaakt, mensen van God.

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.

Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle,
maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid.
Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen
en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt.
Is controle over de manier waarop het leven gaat,
niet vrijwel altijd een illusie?
Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden?
Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt,
dat je je verbindt met anderen.
Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is
van jouw bestaan.
Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft
binnen het schema van een individualistisch mensbeeld,
treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe
als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…

Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon.
Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop,
de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken.
En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting,
omdat Isaak de enige was
die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan,
maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting.
Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat.
Hij was zijn houvast, zijn onderpand,
dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had.
Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham,
nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent,
weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft.
Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem?
Waar blijft onze verwachting op de Heer?
Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag
of wij alles voor God over hebben,
maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen.
En dat werkelijk in de praktijk van ons leven.
Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden.
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij,
zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben,
in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden
om die in plaats van zijn zoon te offeren’
maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’
omdat hij daar net die ram gevonden had.
Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is,
waar het in heel het verhaal om ging:
de Heer stelde Abraham op de proef
of hij inderdaad leefde uit die verwachting,
dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde.
En daaruit had hij inderdaad geleefd.
God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon.
Dat is werkelijk godvrezend zijn,
niet maar de plichten van je geloof afwerken,
God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan,
niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt,
maar er verder geen handen en voeten aan geven,
maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten.
Alles? Ja. Alles.

Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.

Als christenen leven we momenteel in veertigdagentijd.
De veertigdagentijd (ook wel vastentijd of lijdenstijd)
is voor christenen een periode van vasten
en bezinnen op de feitelijke christelijke levenspraktijk
als voorbereiding op Pasen.
Momenteel vind ik het interessant om me eens te bezinnen op het kerkzijn, en dan vooral het kerkzijn na coronatijd.
De kerk vond zichzelf misschien zelfs tot voor kort nog redelijk belangrijk. Maar toen volgende de wereldwijde pandemie.
We moeten onszelf – denk ik – misschien als kerk
opnieuw gaan uitvinden.
Want het lijkt er op dat dat we na een jaar – en misschien langer –
niet meer op reguliere basis bij elkaar komen
en moeten we wellicht omgaan met een heel ander kerkelijk landschap
als het ‘nieuwe normaal’ zich weer aandient.
In de voorgaande blogberichten ben ik ingegaan
op de 5 fasen van rouw van Kübler-Ross
en ik heb dat proberen te verknopen aan de christelijke levensstijl.
Eerlijk gezegd denk ik dat de meesten van ons nog niet
in de laatste fase zijn aanbeland, namelijk het aanvaarden.
Naar aanleiding van een door mij gehouden preek werd ik stilgezet
bij het zesentwintigste vers uit 1 Korinthe 1:
Broeders en zusters, God heeft jullie uitgekozen.
Denk eens terug aan het moment dat jullie gingen geloven.
Jullie waren toen geen belangrijke mensen.
Jullie vielen niet op door jullie wijsheid,
en jullie waren ook niet machtig of rijk.

Van het weekend las ik een artikel
waarin de Franse wetenschapper Olivier Roy
het had over Europa waar volgens hem de kerken
‘zichzelf hebben geseculariseerd.’
Volgens Roy is de de vrijheid van meningsuiting
in de maatschappij onbegrensd, behalve die van godsdienst.
Je kunt als gelovig christen en kerk niet meer
tegen abortus en homohuwelijk zijn.
In de liberale staat geeft dat geen pas.
In deze liberale opvatting gingen de kerken en christenen ook zelf mee. Roy noemt dit dan ‘ethische’ zelf-secularisatie.
Politiek – in zijn mening – zijn kerken en officiële geloofsopvattingen allang onderhorig aan de overheid,
die strijd is in de zestiende eeuw beslecht.
Maar omdat staat, kerk en burgermaatschappij
tot en met de jaren vijftig
ongeveer dezelfde ethische opvattingen aanhingen,
merkte je daar niet zoveel van.
Maar de jaren zestig waren dé grote spelbreker.
Toen koos de maatschappij massaal en zeer snel
voor totale vrijheid en een libertair gedachtegoed.
De overheid paste zich aan
en nam met die maatschappij het liberalisme als norm.
Die werd ook de maatstaf voor anderen, inclusief de kerk.
En dus pasten de kerken zich massaal aan het heersende klimaat aan.
En nu verheft de kerk haar stem nog wel inzake bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij maar de slagkracht van de kerk is
na zoveel aanpassing tragisch miniem geworden,
het maakte geen enkele indruk meer.
Na zoveel negativisme kwam ik dus met die tekst
uit de eerste Korinthebrief.
Ik leg het zo uit: beste mensen, weet wie je bent.
Je bent niet uitgekozen vanwege je belang of je wijsheid.
Ja, misschien zijn we als christenen
te veel bezig geweest met zelf-secularisatie
en hebben we ons te veel neergelegd bij de normen en waarden
van ‘de maatschappij’.
Weet dan wie je bent en waar voor je staat en volg Jezus Christus, misschien wel door de tekst uit Micha 6 echt in praktijk te brengen:
De Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt.
Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit:
Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw.
En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.