Een tijdje geleden
las ik een interview met Vincent Bijlo,
cabaretier en blind.
Hij zat met vrienden in een restaurant
toen ineens het licht uitviel.
Paniek alom.
Mensen tastten in het donker,
konden hun zaklamp op de telefoon niet vinden.

En Vincent?
Met hem was niets aan de hand.
Toen het licht weer aanging,
kwamen mensen geschrokken naar hem toe:
hij zal toch ook wel bang zijn geweest?
Maar nee.
Voor hem was er niets veranderd.
En juist hém noemen wij dan “beperkt”.

Vincent zei iets wat bleef hangen:
als je echt inclusief wilt zijn,
moet je je verdiepen in de wereld van de ander.
Voor zienden is donker
iets wat alleen bestaat
bij de gratie van licht.
Maar voor iemand
die nooit licht heeft gezien,
is het niet “donker”.
Het is gewoon zijn wereld.

In het verhaal van de blindgeborene gebeurd precies hetzelfde.
En let op hoe snel we alweer invullen.
“De blindgeborene”…
we praten óver hem, niet mét hem.
Net als de leerlingen,
die meteen willen weten:
wie heeft hier gezondigd?
Hijzelf? Zijn ouders?
Jezus kapt dat af. Verkeerde vraag.

Jezus houdt geen betoog. Hij doet iets.
Hij ziet hem staan,
dat is het eerste wat er staat.
Hij spuugt, maakt modder,
strijkt die over zijn ogen
en stuurt hem naar Siloam.
Ga je wassen.

En dan gebeurt het: hij ziet.

Maar wat volgt is geen jubelverhaal.
Het wordt ingewikkeld.
Buren geloven het niet.
Farizeeën raken geïrriteerd.
Ouders houden zich op de vlakte.
Iedereen praat, discussieert, verdenkt.
Maar niemand lijkt echt blij.

En de man zelf? Die blijft opvallend nuchter.
Geen groot verhaal.
Geen vrome taal.
Hij zegt steeds hetzelfde:
“Ik was blind en nu kan ik zien.”
Meer weet hij niet.
Meer heeft hij niet nodig.

Pas aan het eind,
als Jezus hem weer opzoekt,
komt het tot een persoonlijke ontmoeting.
“Geloof je in de Mensenzoon?” vraagt Jezus.
“Wie is dat dan?” zegt hij.
En als Jezus zegt:
“Je ziet hem. Hij staat voor je,”
knielt de man neer en zegt:
“Ik geloof, Heer.”

Dat is de veertigdagentijd ten voeten uit.
Minder praten, meer zien.
Minder verklaren, meer ontmoeten.
Niet alles dichttimmeren met meningen,
maar je laten raken.
Jezus gaat voorbij, ziet mensen, en brengt licht.
Juist daar waar wij het al hadden opgegeven.

Dat is geen theorie. Dat moet je zien.

 

We zijn doelgerichte wezens.
Altijd ergens op uit.

Geluk. Succes. Betekenis.

En als dat doel wordt geblokkeerd?
Dan knapt er iets.
Dan worden we moe,
cynisch, verbitterd.

Dat geldt voor gewone mensen.
Maar misschien nog wel sterker
voor mensen met een missie.
Activisten. Bewegingen. Revolutionairen.

Op papier vechten ze vóór iets groots:
vrijheid, recht, een beter klimaat, een zuivere samenleving.

Maar ergens onderweg
kan het zomaar kantelen.

Dan wordt de strijd vóór iets
een strijd tégen iemand.

Tegen de staat.
Tegen “het systeem”.
Tegen Israël. Tegen het Westen.
Tegen wie er maar tegenover hen staat.

En daar begint de ontsporing.

Want zodra je kompas
niet meer “het goede” is
maar “de vijand”,
verschuift alles.
Dan wordt vernederen belangrijker
dan verbeteren, veranderen.
Dan wordt winnen
belangrijker dan recht doen.

De geschiedenis kent genoeg voorbeelden.
Zoals de Rote Armee Fraktion,
die begon met het ideaal
van een rechtvaardiger Duitsland.
Maar onder leiding
van Andreas Baader werd het:
vernietig wat jou vernietigt.
Bevrijding maakte plaats
voor vergelding.

Of Hamas en PLO
waar je ziet
hoe een gezamenlijk doel
ontaardt in rivaliteit:
wie slaat harder toe?

Bij Hezbollah verschoof
ook de focus
van bevrijding
naar machtsbehoud.

Leuk al deze voorbeelden;
Maar laten we eerlijk zijn:
dit gaat niet alleen over hen.
Dit gaat ook over ons.

Paulus schrijft in Romeinen 12:2:
“Word niet gelijkvormig aan deze wereld,
maar word vernieuwd in uw denken.”

Dat is pijnlijk concreet.
Want de wereld denkt in kampen.
In wij en zij.
In terugpakken
wat je is aangedaan.
En als we niet oppassen,
denken wij precies zo.

Maar de Veertigdagentijd
is geen periode
van religieuze cosmetica.
Het is een mentale verbouwing.
Een vernieuwd denken.
Een ander kompas.

En dat andere kompas
hoor je in Romeinen 12:20-21:
“Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten.
Als hij dorst heeft, geef hem te drinken.
Laat u niet overwinnen door het kwade,
maar overwin het kwade door het goede.”

Dat is geen zachte optie.
Dat is frontale botsing
met onze instincten.

Wij willen het kwade overwinnen
door sterker te zijn.
Sneller. Harder.
Maar Paulus zegt: pas op.
Het kwaad wil maar één ding:
dat jij gaat lijken
op wat je bestrijdt.

Wraak voelt krachtig.
Maar het (ver)vormt je.
Het maakt je voorspelbaar.
Het maakt je hard.

Vernieuwd denken is iets anders.
Dat vraagt dat je je trots inslikt.
Dat je niet automatisch terugslaat.
Dat je weigert
om je identiteit te bouwen
op je vijand.

Dat is geestelijke discipline.

Kijk naar leiders
die de cirkel van wraak
durfden doorbreken,
zoals Anwar Sadat, Menachem Begin
en Jimmy Carter.
Ze maakten geen makkelijke keuzes.
Maar ze kozen
voor doorbreken
in plaats van doorslaan.

Misschien is dat de echte toetssteen,
ook in jouw leven.
Niet:
heb je grote idealen?
Maar:
hoe reageer je als je wordt tegengewerkt?

Word je gelijkvormig aan de wereld?
Of wordt je denken vernieuwd?

God vraagt geen spectaculaire revolutie.
Hij vraagt een vernieuwd hart.

Niet: vernietig je vijand.
Maar: voed hem als hij honger heeft.

Niet: win de strijd.
Maar: overwin het kwade door het goede.

Dat is minder luid. Minder zichtbaar.
Maar het maakt de wereld lichter.

En het begint
— ongemakkelijk genoeg —
bij jezelf.

 

Een goed gesprek. Daar knapt een mens van op.
De meeste gesprekken die we voeren,
gaan over alledaagse dingen.
Over het weer. Over werk.
Over voetbal of wat je hebt gegeten.
Dat is helemaal niet verkeerd.
Dat hoort erbij.
Het is een beetje zoals apen elkaar vlooien:
maar wij doen dat met woorden.
Het schept vertrouwen, het houdt ons bij elkaar.

Maar soms gebeurt er iets anders.
Soms kom je in een gesprek dat dieper gaat.
Dan gaat het niet meer over koetjes en kalfjes,
maar over wat jou bezighoudt.
Over wat pijn doet.
Over waar je naar verlangt.
Over wie je bent.
In zo’n gesprek is er ruimte en veiligheid.
De ander luistert echt,
zonder meteen met een eigen verhaal te komen.
Je mag je hart laten spreken.

De veertigdagentijd is precies zo’n tijd.
Een tijd om even stil te staan.
Om niet alleen maar door te hollen,
maar om eerlijk te kijken:
wat leeft er in mij?
Waar heb ik dorst naar?

Het verhaal van Jezus en de vrouw bij de bron
is zo’n echt gesprek.
In eerste instantie lijkt het
alsof ze elkaar niet begrijpen.
Zij heeft het over gewoon water.
Jezus over levend water.
Zij denkt praktisch:
“Mooi, dan hoef ik niet meer elke dag naar die put.”
Maar Jezus schuift het gesprek een andere kant op.
Over haar leven. Over haar relaties. Over wie zij is.

En toch gebeurt er iets wezenlijks.
Dit gesprek verandert haar.
En het verandert ook Jezus.
Dat is misschien wel het kenmerk
van een echt gesprek:
je komt er anders uit dan je erin ging.
Er is van alles bijzonder aan deze ontmoeting.
Jezus reist door Samaria.
Dat deed je eigenlijk niet.
En Hij spreekt een vrouw aan.
En dan ook nog midden op de dag,
bij de bron,
op een moment dat je liever niet gezien wordt.
En toch gaat hij met haar in gesprek.
Zonder oordeel. Zonder haast.

In dit verhaal zitten allerlei lagen.
Het gaat over water dat je dorst lest,
maar ook over een diepere dorst.
Over de bron waar jij uit leeft.
Is dat een put met stilstaand water?
Of een bron waar het water blijft stromen?
De vrouw begint te begrijpen
dat Jezus meer is dan een gewone man.
Ze noemt hem een profeet.

En dan zegt Jezus iets heel bijzonders:
“Ik ben het, die met u spreekt.”
Voor het eerst zegt hij zo openlijk wie Hij is.
Juist tegen haar. In een gesprek. Van mens tot mens.

Dat maakt dit verhaal zo passend voor de veertigdagentijd.
Het is een tijd van eerlijke gesprekken.
Met jezelf.
Met God.
Misschien met een ander.
Gesprekken waarin je niet hoeft te doen alsof alles klopt.
Waarin je mag zeggen wat er werkelijk speelt.
De vrouw zegt later in haar dorp:
“Kom mee, ik heb iemand ontmoet die alles van mij weet.”
Dat klinkt misschien spannend, maar het is vooral bevrijdend.
Gekend worden, zonder veroordeeld te worden.
Dat is wat Jezus doet.
God aanbidden in geest en waarheid betekent:
eerlijk zijn. Jezelf niet mooier maken dan je bent.
Je hart openen.

En nog iets.
Dit gesprek overbrugt verschillen.
Tussen man en vrouw.
Tussen Jood en Samaritaan.
Tussen verschillende manieren van geloven.
Jezus zoekt niet naar gelijk krijgen,
maar naar verbinding.
Dat is ook voor ons een opdracht.
Zeker in deze tijd.
Een echt gesprek brengt je niet verder in je eigen gelijk,
maar opent je voor de ander.

Dus de vraag voor deze veertigdagentijd is:
waar put jij uit? Wat lest jouw dorst?
Is het genoeg om vast te houden aan wat altijd zo was?
Of durf je te zoeken naar levend water?
Want stilstaand water droogt op.
Levend water blijft stromen.

 

Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

 

Moet je eigenlijk heel slim zijn om in God te geloven?
Of juist een beetje dom?

Vraag het op een universiteit en je weet het antwoord al.
Evolutie regelt het leven. Natuurkunde regelt het heelal.
Psychologie regelt ons hoofd.
God? Overbodig. Oud idee.
Geloof is iets voor wie het allemaal niet zo scherp ziet.

En toch hoor ik in de kerk juist het omgekeerde.
Niet: “Wat is geloven makkelijk.”
Maar: “Ik vind het zo ingewikkeld.”
Die dikke Bijbel.
Zonde, verlossing, kruis, opstanding, eeuwig leven.
Onzichtbaar. Ongrijpbaar.
Tweeduizend jaar oud. Dat geloof je toch niet zomaar?

Welkom in de veertigdagentijd!
De tijd waarin het christelijk geloof ook níét probeert makkelijk te zijn.
Geen paashaas, geen halleluja. Maar stilte. Schuren. Het kruis.

Paulus wist daar alles van.
In Korinthe liep hij niet te scoren met slimme praatjes.
Dat was nou juist dé stad van slimme praatjes.
Filosofen, denkers, debaters.
Maar Paulus deed niet mee.
Geen mooie woorden. Geen logische bewijzen.
Hij kwam met één boodschap:
Jezus Christus – en die gekruisigd.

Dat was ongeveer het domste wat je daar kon zeggen.

Een God die mens wordt?
Een God die sterft?
Aan een kruis nog wel?

Dat paste totaal niet in hun wereldbeeld.
Net zo min als het vandaag past in het onze.
Wij geloven in vooruitgang, zelfontplooiing en controle.
En dan komt die veertigdagentijd ineens
met een God die verliest, lijdt en zwijgt.
Dat botst.
Logisch dat je gaat twijfelen.

Twijfel is geen teken dat je niet gelooft.
Twijfel is vaak juist een teken dat je wakker bent.

Paulus zelf was bang en onzeker.
Hij zegt het gewoon: zwak, bevend, geen succesverhaal.
In anderhalf jaar tijd vijftig mensen overtuigd.
Dat is geen TED Talk. Geen bestseller.

Maar hij hield vol.
Niet omdat hij alles begreep.
Niet omdat hij slimmer was dan de rest.
Maar omdat hij Jezus ontmoet had.
Dat ene moment had
zijn hele wereldbeeld omgegooid.
Alsof hij ineens ontdekte
dat de aarde niet plat was, maar rond.

En dát is misschien wel de kern van de veertigdagentijd.
Niet: alles zeker weten.
Maar durven loslaten wat vanzelfsprekend voelt.
Durven luisteren naar een verhaal dat niet lekker ligt.
Dat schuurt met wat iedereen zegt.

De vraag is dus niet: ben je slim of dom?
De vraag is: waar luister je naar?

Naar het lawaai van meningen, nieuws en tijdlijnen?
Of naar die stille Man aan het kruis,
die zegt dat liefde sterker is dan macht?

De veertigdagentijd vraagt geen bewijsdrang.
Ze vraagt eerlijkheid.
En misschien ook moed.

Want voor die liefde aan het kruis
is niemand te slim.
En niemand te dom.

 

Ik las het laatst en ik schrok me rot:
als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar
ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon.
Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.

En dan heb ik het niet eens over Generatie Z,
die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit.
Zes uur.
Dat is geen bijzaak meer.
Dat is een levensstijl.
Dat is liturgie.

We lachen erom.
“Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.”
Maar intussen pakken we ’m op
zonder dat we het doorhebben.
Bij elk piepje. Bij elke stilte.
Bij elke seconde verveling.
“Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst.
Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.

En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.

We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’
– pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.

En dan:
Aswoensdag.
Stof ben je.
Zes weken oefenen in minder.
Minder eten. Minder luxe. Minder ruis.
Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.

Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?

Ja, ik weet het.
Werk.
Appjes.
Agenda.
Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig?
En hoeveel is gewoon gewoonte?
We hebben onszelf getraind in afleiding.
Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel:
pakken, kijken, scrollen.
Ons hart volgt onze handen.
En onze handen grijpen
steeds naar glas en licht.

We zeggen dat we verbonden zijn.
Maar wat voor verbinding is dit?
We worden gebombardeerd
met meningen, rampen,
perfecte lichamen en perfecte levens.
En ondertussen missen we de mensen
die letterlijk tegenover ons zitten.
“Sociaal” is het allang niet meer.
Het is lawaai.

Misschien is het tijd voor iets radicaals.
Iets ouds. Iets analoogs.

Een gewoon horloge. Een echt boek.
Een notitieboekje
in plaats van meteen googelen.
Een wandeling zonder podcast.
Ongemakkelijk?
Absoluut.
Inefficiënt?
Zeker.
Maar dat is nou juist het punt.

Want het analoge leven gaat over drie dingen
die we aan het kwijtraken zijn:
gemeenschap, creativiteit en rust.

Gemeenschap:
niet duizenden volgers,
maar één mens aan je keukentafel.
Iemand aankijken
zonder dat je scherm ertussen zit.

Creativiteit:
niet alleen consumeren, maar maken.
Iets met je handen doen.
Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken.
We zeggen dat we “geen tijd” hebben.
Onzin.
We hebben tijd zat.
We geven ’m alleen weg.

En dan rust. Echte rust.
Niet “even Netflixen om bij te komen”.
Maar stoppen.
Een sabbat. Een dag zonder moeten.
Zonder presteren. Zonder scrollen.
Gewoon zijn.
Verveling toelaten.
Want juist in die leegte gebeurt er iets.
Daar geneest je verbeelding.
Daar hoor je weer wat er in je leeft.
Daar kan God eindelijk tussenkomen
zonder dat Hij moet concurreren
met je notificaties.

Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen.
Het is een oproep tot bekering.
Ja, dat woord.
Omkeren.
Je tijd opnieuw ordenen.
Je verlangens opnieuw richten.

Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.

Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid,
maar om terug te keren naar wat echt is.

Want de vraag is niet hoeveel schermtijd je hebt.

De vraag is: wie word je ervan?

 

Half februari.

De goede voornemens liggen al bij het grofvuil.
We zouden toch gezonder, fitter, rustiger, beter worden.
Twee weken later zaten we alsnog met chips op de bank.
We knikten zelfs braaf bij Blue Monday
– zogenaamd de somberste dag van het jaar –
alsof we een officiële stempel nodig hebben
voor dat knagende gevoel
dat het allemaal wat minder glanst dan gehoopt.

Maar misschien zit de echte somberte niet in het weer. Misschien zit ’ie dieper.

Kijk om je heen.
Twee derde van de wereld leeft inmiddels in landen
waar te weinig kinderen worden geboren
om de bevolking op peil te houden.
Voor stabiliteit heb je gemiddeld 2,1 kind per vrouw nodig.
In Nederland is dat 1,43.
In grote delen van Europa is het niet veel beter.
Dat is geen dipje. Dat is een trend.

En natuurlijk: we noemen het Vrijheid,
Keuze, Zelfbeschikking.
We plannen ons leven zorgvuldig.
We optimaliseren, vergelijken, berekenen.
Alles moet kloppen. Het huis. De baan. De planeet.
Onszelf.

Maar onder al dat plannen ligt een stillere laag.
Twijfel. Uitstel. Wachten op betere tijden.
Tot de hypotheek betaalbaar is.
Tot de politiek rustiger wordt.
Tot het klimaat stabieler voelt. Tot we zelf ‘klaar’ zijn.

Alleen: dat moment komt zelden.

Misschien is dat wel de kern van onze tijd.
Niet egoïsme. Niet onwil.
Maar een te broos vertrouwen in de toekomst.
Want we zijn opgegroeid met het idee dat alles groter,
beter en rijker zou worden dan gisteren.
Die belofte kraakt.
Oorlog. Klimaatstress. Polarisatie.
Het voelt soms alsof we leven
in een wereld die haar glans verloren heeft.

En toch.

En juist nu schuift de christelijke kalender
de veertigdagentijd binnen.
Na het uitbundige van Vastenavond volgt Aswoensdag.
Een zwart kruis op je voorhoofd,
met de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent.’
Geen marketingpraatje.
Geen maakbaarheidsmantra.
Gewoon een reality check:
je bent eindig. Kwetsbaar. Beperkt.

Dat klinkt somber. Maar misschien is het bevrijdend.

Want we zijn moe van het idee
dat grenzen er zijn om te doorbreken.
Dat plafonds altijd hoger te kunnen.
Dat groei vanzelfsprekend is.
Wat als volwassen worden betekent
dat je leert leven mét grenzen,
in plaats van ertegen te vechten?
Wat als hoop niet ontstaat
uit onbeperkte mogelijkheden,
maar juist uit eerlijkheid over wat breekbaar is?

Het askruis zegt niet:
geef het op.
Het zegt: kijk eerlijk.
Het leven is kwetsbaar. Jij ook.
En precies daar kan iets nieuws groeien.

Hoop is geen optimisme dat alles goed komt.
Hoop is het vertrouwen
dat betekenis niet afhankelijk is
van perfecte omstandigheden.
Dat zelfs in een tijd van dalende cijfers
en stijgende zorgen,
de toekomst niet gesloten is.

Half februari.

De regen tikt tegen het raam.
De voornemens zijn gesneuveld.
Maar misschien is dat geen nederlaag.
Misschien is het een uitnodiging om kleiner te denken
en groter te verwachten.
Niet van onszelf, maar van wat ons draagt.

Misschien begint hoop precies hier.
Niet in glans. Maar in eerlijkheid.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

Morgen begint de Stille week, de Goede week, de Lijdensweek,
kortom de week voorafgaand aan de herdenking van het lijden,
sterven en opstanding van Jezus Christus.

Bovenstaand een handige ‘routekaart’
die we de komende week kunnen gebruiken.
http://www.luthersekerkhaarlem.nl

De komende week wil ik elke dag een meditatie publiceren
aan de hand van de zogenaamde kruiswoorden van Christus:
De woorden die Hij volgens de Bijbel sprak toen hij aan het kruis hing.
In de vier Evangeliën wordt de kruisdood van Jezus
vanuit interpretaties door vier verschillende personen besproken.

De titel van deze blog komt van “Jesu Leiden, Pein und Tod” (Het lijden, de pijn en de dood van Jezus) is een Duitse lutherse hymne van Paul Stockmann gepubliceerd in 1633. Johann Sebastian Bach gebruikte gedeeltes als koralen in zijn Johannes-Passion. De afbeelding stelt een zogenaamde Pietà voor. De Pietà is een specifieke vorm van de Bewening van Christus, waarbij Jezus alleen door de Maria wordt beweend.

In één van zijn boeken vertelt Adrian Plass
over een bezoek dat hij met z’n gezin
aan een kerk bracht, tijdens de vakantie.
Hij schrijft dan:
‘Opeens waren we Katy, ons dochtertje van vier, kwijt.
We vonden haar bij een pietà,
een beeld van Maria, de moeder van Jezus,
die het dode lichaam van haar Zoon in haar armen hield.
Katy draaide zich om en zei:
‘Papa, waarom heeft Jezus een gat in z’n zij?’
Moeizaam legde ik uit dat een Romeinse speer
daarvoor verantwoordelijk was.
Katy vond het afschuwelijk.
Ze keek weer naar het beeld.
‘Papa, Hij heeft gaten in z’n voeten.
Waarom heeft Hij gaten in z’n voeten?’
‘Kijk’, wees ik naar een klein kruisbeeld aan de muur boven ons.
‘Ze hebben zijn voeten aan een stuk hout vastgespijkerd,
aan een kruis, en dat zijn de gaten
waar die spijkers hebben gezeten.’
‘Z’n voeten vastgespijkerd?’
Ze keek opnieuw naar de stenen figuren achter zich.
Haar stem klonk schor toen ze weer wat zei.
‘Papa, Hij heeft ook gaten in z’n handen.
Hebben ze z’n handen dan ook vastgespijkerd, nee toch?’
Verdrietig legde ik het uit. Katy ging dichter bij het beeld staan,
sloeg haar arm om Jezus heen en legde haar gezicht op zijn knie.
Opeens verlangde ik terug naar de tijd
dat ik voor de eerste keer besefte
dat Jezus voor mij gestorven is,
en dat het echt pijn deed,
voordat ik mijn geloof verpakte
in woorden en in zorgen.
Ik wou weer worden als een kind…’

Ja, je weer zo ontvankelijk weten als een kind.
Je geloof weer zo beleven als Katy,
die zich écht aan de voeten van Jezus vlijt.

Weet u naast haar, beter: aan Jezus’ voeten is nog plaats.
Is niet juist de lijdenstijd, de veertigdagentijd,
hier niet voor bedoeld?
Om te knielen bij Jezus, aan zijn voeten te komen,
je opnieuw aan Hem toe te vertrouwen,
om alles
– ook dat waar je het misschien nooit met anderen over hebt –
om alles aan zijn voeten uit te storten.
En je te laten vullen met zijn liefde, met zijn genade,
met zijn vergeving en vernieuwing.
Om je opnieuw aan Hem toe te wijden,
opnieuw met Hem de afspraak te maken,
Hem te volgen,
zijn weg te gaan.