Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Het is de tijd voor het avondgebed.
Dat avondgebed begint deze dag
– in verband met de viering van het Pascha –
om drie uur in plaats van om vier uur.
Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden,
hardop de woorden van het avondgebed:
‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden.
In uw hand beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)

Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op.
En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem:
‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46)
Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed.
Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht.
De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij.
Gods toorn is gestild.
De gemeenschap met God is hersteld.
De verlossing is aangebroken!
Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen.
Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan.
Het werk is volbracht!

Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader
geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God.
“Vader!” “Pater!”
In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten
die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt.
En met zijn liefde spreekt Hij
ook zijn vertrouwen uit.
Jezus sterft niet in wanhoop,
maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is.
Laten die handen nu doen wat goed is.
Als straks machteloze mensenhanden
zijn lichaam van het kruis zullen halen,
dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen.
‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46)
Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af.
Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen:
‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef
het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen
– dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)

Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus.
Hij heeft gezien Wie Jezus was:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47)
Hij looft God.
En dan wordt het stil op Golgotha.
De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken
en alles van dichtbij hebben meegemaakt,
keren terug naar hun huizen in de stad.
Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst.
Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord?
Er is haast geboden.
Om zes uur breekt de sabbat aan.
In elk gezin wordt vanavond opnieuw
het feest van de bevrijding gevierd: Pascha.
Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.

En wij?

Eigenlijk wordt in Jezus’ dood
het begin van zijn overwinning al zichtbaar.
Kijk maar: de aarde begint te scheuren,
graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53).
Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen.
De dood als laatste vijand is verslagen.
‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14,
heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.
Zo heeft Hij allen die slaaf waren
van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’
Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood
dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter.
Er zit al iets van de overwinning in.

Leg je geest, je ziel, je diepste zelf
maar in de handen van Gods vaderliefde.
Je zult zien wat een rust je dat geeft.
Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd
omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest.
De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan:
‘Ik heb je verlost!’

Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!

 

In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken
met het evangelie naar Mattheüs.
Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs .
Een evangelist met een rafelrand.
Hij was ooit tollenaar van beroep.
Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt.
Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen.
Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen.
In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus,
neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen
een eenzame plek in in de marge.
Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd
en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden.
Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie
Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’.
Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.

Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie
dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste.
Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen.
In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer
die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien.
Het is niet keurig uit elkaar te houden.
Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond.
Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid.
De boer moet dealen met beiden.
Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.

In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV).
Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben.
Zij die het niet gemaakt hebben in het leven.
Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:

Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen.
we zijn een stille wanorde, ontregelde boel
we hebben het niet op een rijtje
we falen bij de vleet dat is een voldongen feit
vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk
geen verschil in behandeling tussen jou en mij
je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.

we zijn de kerk van brokkenpiloten
gezegend zijn zij die het verkloten
zalig zijn zij die proberen maar mislukken
Christus laat zich vinden te midden van brokstukken
niet om te oordelen maar om te redden
wat er te redden valt tussen schip en wal
we zijn onvolmaakt en verre van af

Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap.
Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof.
Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas.
Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen.
Hij speelde een belangrijke rol in het theater.
Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid.
Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.

Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs
zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan.
‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10)
Uitschot of schuim is volgens het woordenboek
‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’
Een beetje als te kleine, magere visjes
die na de vangst weer worden teruggeworpen.
Onder de maat. Niks mee te beginnen.
Overboord ermee.
Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak.
The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits
en vertaalt uitschot en uitvaagsel met:
‘garbage, the leftovers that nobody wants.’

Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs
natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof
in een gekruisigde Jood als redder van de wereld.
Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven
dat dat handjevol gelovigen in Korinthe
nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving.
Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen.
Mensen uit de onderste laag van de samenleving,
het klootjesvolk zeg maar.
Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag
dat Paulus ziet bij deze gelovigen.
Het is nogal een zooitje ongeregeld
waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires,
echtscheidingen, geruzie en jaloezie
ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken,
haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie,
slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal.
Rommeligheid is hier echt een understatement.

En in deze brief komt dit allemaal ter sprake.
Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt.
En toch begint juist deze brief
aan deze specifieke rommelige gelovigen
met woorden van genade.
‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3).
En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord:
‘De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)

Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken
kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen.
Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige.
En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken.
Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben.
En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.

Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie.
Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus.
En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past
bij het beeld van zijn eerste werk.
Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door
is verweven met allerlei rommelige levens.
Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham,
David en de ballingschap. Abraham en David
mannen van God vol geloof en moed.
Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar.
En de ballingschap is het trieste dieptepunt
van het collectieve morele falen van een heel volk.
Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd
die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden.
Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol.
Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee,
Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse.
Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens.
Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen
in het geslachtsregister van Jezus.

Door de generaties heen is er een wonderlijke God
aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt.
Een rode draad van genade die uitloopt op de man
die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan
maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven.
Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken.
In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten.
Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort.
Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest
ondanks alles toch ook in mij doet wonen.
En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden
van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)

Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing.
Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen
die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken.
Verlost te worden van de constante stroom aan berichten
over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens,
maatregelen en overtredingen.
Verlost te worden van de eenzaamheid.
Verlost te worden van het afstand houden.
Verlost te worden van een kerk
waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen.
Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen.
Vatbaar voor berichten over nepverlossing.
Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk.
Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben
en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering,
op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan.
Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.

Maar wat is de boodschap die verlost?
Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst:
hoe gaan we Kerst vieren?
Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner?
De gesprekken domineren persconferenties en talkshows.
En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend,
nog meer dan vorige jaren.
Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent.
Oftewel: we willen snel doorspoelen,
fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding.
Misschien omdat we denken
dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving.
Toch wordt het geen Kerst zonder Advent.
Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer,
en vergeving vragen voor wat scheef zit.

In het begin van de coronacrisis las ik een reactie
op de situatie waar we in verkeren.
Bisschop Steven Charleston schreef:
‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid.
Nu is het moment dat we alles wat we geloven,
kunnen inzetten. (..)
we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid.
We hebben ons leven gewijd aan het geloof
dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte.
We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest.
Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven.
Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie.
Precies de dingen waar wij voor zijn getraind.
Wij zijn de kalmte middenin de storm.
Dus laat je licht schijnen
zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’
Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi.
Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend.
En dat hebben we nodig, juist nu.

Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd.
Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis.
Zacharias behoorde tot de priesterorde.
Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God.
Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken
naar dit moment om dient te doen in de tempel,
en het reukoffer te brengen.
Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was.
Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven.
Hij wordt met stomheid geslagen.
En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven.
Na het moment van het reukoffer brengen,
het andere moment suprême van zijn tempeldienst.
Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel.
En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.

Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis,
dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen.
Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak.
Ik vraag het me af of het waar is.
Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft,
hij al die jaren voor klaargestoomd was.
En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie.
Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt.
Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt:
de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.

naar aanleiding van psalm 30

In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.

HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!