Still uit de serie House of David

We hebben het christendom al zo vaak begraven
dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden.
In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten:
het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes
en dorpskerken die naar vocht ruiken.
Zeker in het Westen zou het geloof
z’n langste tijd gehad hebben.
De Verlichting had gewonnen,
Netflix had het met plat entertainment overgenomen.

En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.

Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden
dat God met pensioen was gestuurd,
begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage
– zonder de kramp van oude ruzies –
opnieuw vragen te stellen.
Geen cynische vragen, maar existentiële.
Wie ben ik? Wat doe ik hier?
Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder?
Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen,
maar ze kloppen wel aan.
Openminded. Nieuwsgierig.
Soms zelfs geestelijk hongerig.

En kijk naar onze schermen.
House of David, Mary, The Chosen;
met honderden miljoenen kijkers wereldwijd.
In een oververhitte streamingmarkt,
waar elke seconde aandacht geld is,
blijken Bijbelse verhalen ineens
geen stoffige relieken
maar winstgevende titels.
Het christelijke entertainment is,
zo kopte een artikel, ‘opgestaan’.
Ironischer wordt het niet.

Begrijp me goed:
het is niet allemaal goud wat er blinkt.
Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig.
Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid.
En ja, we herinneren ons nog
Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004
dat bij velen vooral misselijkheid opriep.

Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.

Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?

Misschien omdat de wereld donkerder voelt
dan we willen toegeven.
Niet objectief per se want statistieken zijn grillig,
maar existentieel.
Het nieuws is een eindeloze stoet van crises.
Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst.
Economische onzekerheid.
Zoveel mensen zijn afgehaakt,
niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming.
Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.

In zo’n klimaat klinkt de zin
van een studiobaas bijna profetisch:
mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’.
Dat is geen marketingtruc.
Dat is een noodkreet.

Christelijke verhalen
– wanneer ze goed verteld worden –
bieden geen suikerlaagje over de realiteit.
Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood.
Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn:
een verlossend einde denken.
Vergeving boven wraak.
Nederigheid boven trots.
Wonden die genezen.
Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis.
Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.

Misschien verlangen we daar niet naar
omdat we zo religieus zijn,
maar omdat we zo moe zijn.

Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem,
dat zij en haar man weer naar de kerk gingen.
Niet uit traditie.
Niet uit overtuiging.
Maar omdat ze net een baby hadden gekregen
en het leven hen overspoelde.
‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze.
‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’

Dat is het.

Hoop is geen luxeartikel voor optimisten.
Het is zuurstof voor mensen
op een slagveld van verantwoordelijkheden,
verwachtingen en angsten.
We proberen allemaal te overleven
in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is.
De oude vraag blijft:
hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?

Misschien is het momentum
van christelijk entertainment
geen cultureel ongelukje, maar een spiegel.
Een teken dat onder onze cynische buitenlaag
een koppig verlangen leeft.
Naar betekenis.
Naar vertrouwen.
Naar een God die niet is weggevaagd
door onze scepsis.

We hebben Netflix misschien
niet nodig om te overleven.

Maar verhalen van geloof en hoop?
Die wel.
Zonder die verhalen redden we het niet.
Met hen – hoe gebrekkig ook verteld –
durven we tenminste te geloven
dat het licht nog steeds
sterker is dan het donker.

 

Bijna iedereen herkent het wel.
Een kind vraagt iets, je zegt nee,
en je krijgt dat onverwoestbare argument terug:
‘Maar ik wil het gewoon hebben.’
Onderhandelen, compromissen sluiten,
snappen dat de wereld niet om jou draait;
dat leer je meestal pas later. Tenminste, dat is de bedoeling.

Maar sommige mensen groeien daar nooit overheen.
En laten we eerlijk zijn:
dat is vooral pijnlijk om te zien
als het volwassenen betreft.
Nog pijnlijker als ze rijk, machtig en invloedrijk zijn.
En ja, daar komen we onvermijdelijk uit bij Donald Trump.

Trump wilde een Nobelprijs voor de Vrede
voor de ‘8+ oorlogen’
die hij wel of niet heeft beëindigd.
Die kreeg hij niet.
Nu wil hij Groenland.
Niet omdat het nodig is, niet omdat het logisch is,
maar omdat hij het gewoon wil hebben.
En dat terwijl de Verenigde Staten als sinds 1951
het wettelijke recht hebben
om op Groenland defensie-infrastructuur te bouwen
en het te gebruiken
ter verdediging van zowel Groenland als zichzelf.
Er is dus geen probleem dat opgelost moet worden.
Behalve dan zijn frustratie.

Trump is eigenlijk een fascinerend studieobject
voor de ontwikkelingspsychologie.
Aan de ene kant denk je:
stuur hem naar zijn kamer.
Aan de andere kant
is dit geen kinderachtig incident,
maar een geopolitieke dreiging
die de NAVO en daarmee de wereldvrede raakt.
En dat maakt het ineens bloedserieus.

Misschien is dat wel het moment
om opnieuw na te denken
over wat vrede eigenlijk is.
In de simpelste vorm:
de afwezigheid van oorlog.
Maar vrede is meer dan dat.
Het is de zekerheid
dat je in waardigheid kunt leven,
met zelfbeschikking,
zonder permanente dreiging.

Dat is precies het soort ‘zachte macht’
waar Trump niets mee heeft.
Voor hem is vrede geen waarde,
maar een product, een commodity.
Noorwegen heeft hem geen Nobelprijs gegeven
— alsof ze dat ooit kunnen doen —
dus laat hij vrede vallen als een slechte deal.
In plaats daarvan dreigt hij met strafheffingen
tegen Nederland en andere Europese landen
als zij Denemarken niet dwingen Groenland af te staan.
Wat dat precies betekent?
In zijn hoofd waarschijnlijk: slim onderhandeld.

Maar vrede is geen handelswaar.
Voor christenen is het een genadegave.
En ook voor veel niet-gelovigen
is het nog steeds iets fundamenteel menselijks,
iets dat je koestert en beschermt.
Hoe dan ook:
vrede is een absolute waarde.
En dus een object
dat je verkoopt aan de hoogste bieder.

Vrede is geen transactie, maar een geschenk.
En alles wat kostbaar is, moet worden bewaakt.
Een ander woord voor bewaken is defensie.
Daarom hebben landen defensiebudgetten.
Niet om te roven,
maar om te beschermen wat kwetsbaar is.
Daarom bestaat de NAVO.
Omdat we samen sterker staan
in het bewaren van vrede.

Trump houdt wel van kracht,
maar alleen van de kracht van de pestkop.
Zijn favoriete mantra ‘vrede door kracht’
lijkt verdacht veel op de Pax Romana:
ik bepaal de vrede, want ik ben sterker dan jij.
In die logica kan hij Groenland opeisen
omdat Denemarken en zijn bondgenoten kleiner zijn.

Wat hij compleet negeert,
is het idee van zwakte.
In zijn wereld is zwakte iets om te verachten.

Wijzere mensen weten beter.
Paulus schreef al dat kracht juist in zwakte kan schuilen.
Ingenieurs snappen dat intuïtief:
een constructie is maar zo sterk
als haar zwakste punt.
Wie de zwakken beschermt,
erkent de collectieve kracht van het geheel.

Leiderschap in de vrije wereld
betekent niet dat je zwakkere landen opslokt,
maar dat je ze bijstaat,
zeker wanneer ze onder druk staan
van minder welwillende spelers.
Zwakte is geen uitnodiging tot overname,
maar tot solidariteit.
Dáár hangt vrede van af.

Het is een klassieke denkfout
om te geloven dat omdat je de grootste bent
dat iedereen dus maar naar jou moet luisteren.
Er komt altijd iemand die groter is.
Altijd.
Memento mori:
herinner dat je sterfelijk bent.

Maar dat besef vraagt nederigheid.
De erkenning dat je,
hoe machtig je jezelf ook waant,
altijd aan iemand verantwoording schuldig bent.
En precies daar, in die nederigheid, ontstaat vrede.

De uitspraak van Jezus ‘Mijn vrede geef ik u’ is een gewaagde belofte.
Maar we worden wel uitgenodigd haar serieus te nemen.
Niet alleen Trump, die het niet lijkt te snappen,
maar voor ons allemaal.
Want eerlijk is eerlijk:
het is een vrede die ons verstand te boven gaat.

kerstverlichting in Zwolle

 

In zijn jaarlijkse persconferentie met het volk van dit jaar
schetst Vladimir Poetin zich als een zelfverzekerde wereldspeler,
terwijl ondertussen het feit is dat Rusland steeds dieper vastzit
in de oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan.

Eerder in 2025 stond Poetin op 
een belangrijk Russisch debatpodium.
Daar werd hij bijna neergezet
als de grote architect van een nieuwe wereldorde.
Poetin zelf deed alsof hij bescheiden was,
maar benadrukte wel dat de wereld
in een radicale overgangsfase zit
en dat de inzet extreem hoog is.
Voor de mensen in Oekraïne is dat geen theorie:
zij leven al bijna vier jaar met oorlog,
met doden, onzekerheid en wisselende steun uit het Westen.

Poetin voert de druk ondertussen op.
Aan het einde van het jaar kwam hij met steeds agressievere taal.
Hij beweerde dat Rusland
grote successen boekt in Oekraïne
en gaf Europa en Kyiv opnieuw de schuld van het conflict.
Europese leiders noemde hij zelfs ‘biggetjes’
en hij dreigde meer Oekraïens grondgebied
met geweld in te nemen
als er geen vredesgesprekken komen.

Wat opvallend is:
ondanks zware sancties en militaire blunders
is Rusland overeind gebleven.
Het land wist sancties te omzeilen,
de wapenindustrie weer op gang te krijgen
en tegenstanders het zwijgen op te leggen.
Daarbij kreeg Poetin onverwachte steun uit de VS.
De wispelturige houding van de Amerikaanse president Donald Trump
werkt in het voordeel van Moskou,
omdat het verdeeldheid zaait tussen bondgenoten.
Ondertussen beschuldigt Rusland Europa ervan
dat zij de Amerikaanse vredespogingen proberen te saboteren.

Oekraïners vragen zich ondertussen af
wat een mogelijk akkoord waard is.
Ze vrezen dat Poetin vanuit bezet gebied
gewoon verder zal werken
aan de vernietiging van hun land.
Andere Russische leiders
blijven bovendien waarschuwen
voor een zogenaamd agressief Europa
en NAVO-plannen voor een toekomstig conflict.

Een belangrijk strijdpunt is het Russische geld
dat in Europa is bevroren.
Europa besloot dat geld niet direct
aan Oekraïne te geven,
maar Kyiv via de EU-begroting te steunen.
Rusland ziet dat als winst en dreigt met rechtszaken,
onder andere tegen Euroclear in België.
Er zijn zelfs aanwijzingen
dat Russische en Amerikaanse inlichtingendiensten
Europese politici en medewerkers onder druk zetten met dreigementen.
Tegelijk klinken er in Moskou ook zachtere geluiden:
sommige bronnen zeggen
dat het Kremlin onder strenge voorwaarden
openstaat voor het inzetten van een deel
van dat geld voor wederopbouw.

Binnen Rusland houdt Poetin het beeld van succes stevig vast.
Tijdens de jaarlijkse live toespraak sprak hij
alleen over militaire winst
en noemde hij het gebruik van Russische tegoeden ‘roof’.
Slecht nieuws, zoals Oekraïense aanvallen, werd genegeerd.
Toch maken veel Russen zich vooral zorgen over de economie.

Die zorgen zijn niet onterecht.
De oorlogseconomie draait,
maar gewone sectoren zitten in de problemen.
Inflatie is hoog, rentes stijgen, banen worden schaarser
en de olieprijs – cruciaal voor Rusland –
staat op een dieptepunt.
Analisten zeggen dat Rusland leeft op een ‘geleende toekomst’.
Toch zal Poetin de oorlog niet stoppen om economische redenen.
De kosten worden simpelweg
doorgeschoven naar de bevolking:
hogere belastingen, lagere lonen en minder subsidies.

Ook politiek wordt de greep in Rusland steeds strakker.
Oppositie is vrijwel uitgeschakeld,
kritische partijen worden aangepakt
en populaire apps en platforms verdwijnen.
Richting de parlementsverkiezingen van 2026
wordt vooral ingezet op thema’s
als stabiliteit en nationalisme,
niet op de oorlog.

Om alles te verhullen, zijn Russische steden dit jaar extra feestelijk verlicht.
Dat staat in schril contrast met arme regio’s
zonder basisvoorzieningen.
Russische woordvoerders beweren ondertussen
dat Europa in ‘duisternis’ leeft,
maar Europese steden reageerden
met foto’s van uitbundig verlichte straten.
Het symboliseert het grotere verhaal:
Rusland probeert kracht uit te stralen,
terwijl de scheuren onder de oppervlakte steeds zichtbaarder worden.

De titel van deze post is gebaseerd op het effect bekend uit de politicologie genaamd het ‘rally ‘round the flag’: pas tijdens een crisis zien we dat burgers van een land zich massaal achter hun leider(s) scharen. Ik pas het in deze post natuurlijk letterlijk toe als ‘rondom de vlag’.

 

In de aflopen campagne
voor de Tweede Kamerverkiezingen
nam de Nederlandse vlag ineens een prominente plaats in
toen Rob Jetten de vlag als teken
van nationale eenheid en identiteit ging inzetten.
Hij zei:
‘Ik vertel daarin waarom we de Nederlandse vlag
niet mogen overlaten aan de PVV.
Want die vlag is niet van één partij.
Ze is van ons allemaal.’

Een vlag symboliseert die eenheid binnen een natie.
Maar de afgelopen tijd werden vlaggen in het Nederland
minder een bron van saamhorigheid
en meer een brandpunt van verdeeldheid.
Rechtse partijen en groeperingen
zetten de vlag doelbewust daarvoor in.
We hoeven alleen maar te kijken
naar de pins met de Nederlandse vlag
op de kleding van Kamerleden,
of de Nederlandse en geuzevlaggen
die meegevoerd werden met diverse demonstraties.

Eerder verschenen deze vlaggen
– vaak ondersteboven –
In dorpen en steden,
op bruggen,
lantaarnpalen en gebouwen
door het hele land.
De motieven van degenen die de vlaggen hijsen waren divers,
maar de manier waarop verschillende groepen mensen
deze vlaggen ervaren,
draagt een alarmerende boodschap uit
over de groeiende kloof die nu in onze natie bestaat.

Mensen met racistische motieven eisen de natie van hen ‘terug’,
want zij voelen dat zij stateloos achterblijven
en nergens meer bij horen.
Maar voor hen die zich in het centrum of links
van het politieke spectrum bevinden,
voelen de vlaggen daarentegen
als een regelrechte machtsclaim van extreemrechts
en een teken van de groeiende populariteit
van hun beleid en retoriek.
Voor deze mensen zijn de vlaggen sinister
en roepen een diep gevoel van dreiging op. 
De vlaggen dragen een intimiderende boodschap uit.

Maar er speelt nog een ander verhaal mee.
Want terwijl de vlaggen blijven wapperen in de herfstbries,
is iets wat voor de ene groep mensen een symbool van angst is,
voor de andere groep een welkom teken van hoop:
de vlaggen staan voor het herwinnen
van een zelfverzekerde Nederlandse identiteit,
die verloren was gegaan
door een mislukt experiment
in multiculturalisme
dat de eigen gemeenschap diep angstig heeft gemaakt.
En beide groepen hebben zo lijkt geen mogelijkheid meer
om elkaar te verstaan.

Ik denk dat ‘de kerk’ hierbij een essentiële taak heeft
om de verschillende groepen
weer met elkaar in gesprek te brengen.
Geloofsgemeenschappen zijn als geen ander staat om
in een cultuur van echokamers en algoritmen,
om elke kant van een conflict te begrijpen.

Want aan de ene kant moeten we ons bewust zijn
van de duistere kant van het vlagfenomeen.
Maar we dienen ook te begrijpen
wat de behoeften en angsten zijn
van de mensen voor wie de vlaggen welkom zijn.

En de grens tussen mensen is soms heel dubbel.
Het kan bijvoorbeeld best zo zijn
dat een vrijwilliger
die in haar kerk meehelpt met projecten
voor kwetsbaren
en goed bevriend is met asielzoekers in haar gemeente,
toch nog steeds een vlag laat wapperen
omdat ze vindt dat de immigratie ‘te ver is gegaan’.

Want de vlaggen kunnen fungeren
als een uitlaatklep voor de intense frustratie
van mensen die zich achtergesteld en genegeerd voelen
of leven met de chronische desillusie
over een politiek systeem
dat hen in de steek heeft gelaten.
Vlaggen wapperen soms als uiting
van een wanhopige roep
om een land dat beter voor hen zou zorgen.
Een beetje zoals een verwaarloosd kind
dat iedereen eraan probeert te herinneren
dat ook hij deel uitmaakt van de familie.
Anderen voelen zich gefrustreerd
omdat hun instellingen bereid lijken
om veel verschillende vlaggen te voeren
– de Oekraïense vlag of de LGBTQI+-vlag –
maar zij vinden dat diezelfde instellingen
zich schamen voor de vlag van hun eigen land.

Uiteindelijk zijn veel mensen
oprecht trots op de vlaggen
die boven hun gemeenschap wapperen,
omdat het hen de kans geeft om hun trots te uiten
voor een land dat zich vaak overdreven verontschuldigt
voor zijn verleden en zich schaamt voor patriottisme.

Voor veel groepen is de globalisering
en het transnationalisme,
die door degenen die de macht hebben
als de weg naar meer welvaart worden gezien,
slecht nieuws geweest.
Het heeft banen uitbesteed, lonen verlaagd,
waardoor veel werkenden
nog steeds afhankelijk zijn van uitkeringen,
en het heeft geleid
tot grote demografische veranderingen
in gemeenschappen
waarbij de lokale bevolking
geen inspraak had.

Dit gecombineerd met jaren van slopende bezuinigingen
en een politieke klasse die snel belooft maar traag levert,
heerst er een krachtige en intense woede
in veel groepen mensen
en voor hen zijn de vlaggen
een bliksemafleider geworden.

Het lijkt erop dat één vlag
nu twee naties symboliseert.
En wat zo alarmerend is,
is dat de ene kant de andere nauwelijks begrijpt.

Hoe moeten christenen reageren?
Want een verdeelde natie
wil dat de kerk partij kiest
en ziet ons zelfs
als zwak en wankelmoedig
als we dat niet doen.
Maar de taak van een christen is niet
om in elk binair debat
de ene of de andere kant te kiezen.
De opdracht is om aan de kant van de Heer te staan.
En in deze context denk ik
dat dat een tweeledig antwoord betekent.

Het betekent aandachtig luisteren naar iedereen.
We moeten de angsten horen
van hen voor wie vlaggen
een teken zijn van groeiende intolerantie
en daarom racisme en haat veroordelen.
Maar even belangrijk is dat we,
zelfs als we het niet met elkaar eens zijn,
de woede van mensen moeten begrijpen
en er een stem aan moeten geven.
Want zij vrezen dat de natie die ze liefhebben,
hen wordt afgenomen.
Als die stem niet gehoord en begrepen wordt,
zal extreemrechts maar al te graag
het vacuüm opvullen dat ontstaat.
In een verdeelde natie
is het een deel van de roeping van de kerk
om de ene kant te helpen de andere te begrijpen.

Het betekent ook om
op de plek van conflict woorden
van christelijke vrede te spreken.
We mogen wijzen
op het verlossende werk van Jezus Christus,
waardoor we verzoend worden
met de Vader en zo met elkaar.
Laten we luisteren en begrijpen,
maar bovenal het kruis hoog houden,
want in dat symbool schuilt
de enige ware en blijvende bron van eenheid.

 

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Daar valt toch niet echt tegenin te gaan?
Het is een universeel erkende waarheid,
die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.

Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is,
en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.

Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’,
een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen
en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’.
Vrede is iets goeds.
We verlangen ernaar, we omarmen het
en we eren degenen die het mogelijk maken.

Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen
waar het allemaal om draait.
Of is het allemaal een beetje duister
als je onder de oppervlakte graaft.

De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten
vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders
tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten,
het buitensluiten van mensen
met wie we het oneens zijn
in identiteitspolitiek
en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen:
het is allemaal erg heftig en veel.
Veel mensen hebben dan ook besloten
het nieuws niet meer te volgen.
Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute
naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.

Ik verlang naar doorbraken
op het gebied van vredesbemiddeling.

Toen werd mijn aandacht getrokken
door een artikel op een nieuwsplatform.
De kop luidde:
‘Trumps diepe obsessie:
Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.

Ik had al een vage herinnering dat president Trump
tijdens zijn eerste ambtstermijn
een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama
de prijs had ontvangen,
terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen.
Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.

Verder wordt er geschreven
dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is
door het winnen van deze prijs
en dat zijn huidige regering
‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’.
Er wordt zelfs gesuggereerd
dat dit ook de onderliggende boodschap was
van de ruzie in het Witte Huis
met de Oekraïense president Zelensky.

President Trump is sinds 2016
al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs,
waarbij parlementsleden uit de VS,
maar ook uit Scandinavië en Australië
zijn naam daar inbrachten.

Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend.
Dr. Martin Luther King jr.,
Nelson Mandela
en Moeder Teresa
lijken misschien de belichaming van zo’n prijs,
maar er zijn ook vaak controverses geweest.

Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend
aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin,
Shimon Peres en Yasser Arafat;
die waren bijzonder controversieel.
Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973
werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte,
waardoor twee van de vijf leden
van de selectiecommissie uit protest aftraden
en de toekenning door de pers werd gehoond.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen?
Wat hoorde de menigte hem zeggen?

Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde
dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint
vooral bestemd zijn voor degenen
die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden:
‘de armen van geest … zij die treuren …
de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’.
Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters
die door iedereen geprezen zouden moeten worden?
Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen.
Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden,
waarom hebben zij een speciale zegen nodig?

Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde,
tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden:
‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’,
vrede is de kern van Jezus’ boodschap.
Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken,
‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’,
ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.

Natuurlijk is dit voor Jezus shalom,
of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama.
Hoewel het een alledaagse begroeting is,
is de gedachte die in het woord besloten ligt
veel dieper en rijker:
het gaat over heelheid, welzijn en harmonie.
In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict,
heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.

Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.

Want het is interessant dat Jezus niet zegt
‘gezegend de vredelievende mensen’
zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren.
Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’:
zij die de grenzen bewaken.
Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’,
als degenen die hun mouwen opstropen
en actief een omgeving van heelheid,
welzijn en harmonie creëren.

Geen probleem toch?
Wie is er nou niet een voorstander
van heelheid, welzijn en harmonie?
Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk,
totdat we stuiten op wat Jezus later
zegt:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is:
‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
Maar Ik zeg jullie:
heb je vijanden lief
en bid voor hen die jullie vervolgen,
opdat jullie kinderen mogen zijn
van jullie Vader in de hemel.

Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om
heelheid, welzijn en harmonie,
en de reikwijdte ervan reikt tot,
en omvat,
zelfs onze vijanden.
En waarom, omdat God het zo doet:

‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

Dit is de maatstaf
voor de vorm van vredeshandhaving
waar Jezus het over heeft.

Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling
een generatieproces is.
Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven;
als individu, in buurten of zelfs internationaal,
waar we dit soort principes belichamen en vormgeven.
Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.

We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op
waarin we in de loop der tijd floreren.
Ik ben omdat we zijn.
Het welzijn van ieder van ons
is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal.
Dit is een manier van leven,
geen kant-en-klare remedie.

Maar hoe zit het met vredesbemiddeling
te midden van een conflict?

Dit is waar het vredesproces troebel wordt,
vooral als je onder de oppervlakte graaft.
Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen
in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.

Om dus zelfs maar te kunnen denken
aan een authentiek vredesproces,
moeten beide partijen in een conflict het willen.
Als dit niet het geval is,
zal de vredestichter ofwel falen
ofwel het risico lopen
als marionet in de handen
van kwaadwillenden
te worden gemanipuleerd.

Om daadwerkelijk het punt te bereiken
waarop een vredesproces kan worden gestart,
moeten de betrokken partijen
tot het besef zijn gekomen
dat de kosten van het voortzetten van hun conflict
de realistische voordelen
die ze kunnen behalen, overstijgen.

Vredesvoering moet altijd beginnen
met de bestaande situatie.
Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was.
Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken
waar men van droomt.
Het gaat om een koude, harde confrontatie
met hoe de situatie werkelijk is.

Daarom is het impopulair,
vooral bij degenen
die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven,
hun doelen bereiken
en de overwinning nastreven in plaats van vrede.
De vredestichter is een actuele
en ongewenste herinnering aan hun falen.

Wanneer de vredesbemiddeling
vervolgens op gang komt,
kan degene die in het midden staat,
de vredestichter, geen partij kiezen.
Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk
als partijdig beschouwen,
omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen
worden afgewogen.
Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan
als verzoeners
of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.

Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten.
Het gaat erom de huidige situatie te accepteren
en zorgen opzij te zetten
om de best haalbare balans te bereiken.
Wolfgang Münchau schreef onlangs
over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:

‘Het doel van vredesbesprekingen
is om de gaten op te vullen.
Beide partijen kunnen het ene stuk land
tegen het andere ruilen.
Met geld koop je dingen.
Maar vredesakkoorden gaan nooit over
wie gelijk heeft en wie ongelijk.
Ze gaan niet over historische claims.’

Pragmatisch in plaats van principieel,
een compromis wordt al snel afgeschilderd
als een vies woord.
Vredestichters lijken karakterloos,
zwak en moreel gebrekkig
en lopen het risico
door alle partijen
verkeerd begrepen
en verkeerd voorgesteld te worden.

Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel,
die zich specialiseerde
in de studie van oorlog en collectief geweld
met het oog op de oplossing
daarvan, is het een vergissing te denken
dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat
aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject.
Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt,
is het misplaatst te geloven
dat vrede centraal gepland
en geconstrueerd kan worden.

Vrede ‘ontstaat’ eerder
wanneer er een evenwicht ontstaat
tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven,
daadwerkelijk willen
en werkelijk kunnen bereiken.
Deze wederzijdse zelfkennis
kan niet door een externe derde partij
in kaart worden gebracht
en kan slechts gedeeltelijk
door henzelf worden begrepen.

De kunst van de vredestichter
is het mogelijk maken
van een evoluerend proces
van wederzijdse aanpassingen.
Onderweg moeten ze ervoor zorgen
dat hernieuwde evenwichtige relaties
worden ondersteund
door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen,
capaciteiten en wilskracht’.
Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren;
het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen.
Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen
die moeten weten
wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen
en uit de weg moeten gaan.

Rummel concludeert:

‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract.
Het zal alleen worden nageleefd
als de partijen, om welke reden dan ook,
het in al hun overlappende belangen,
mogelijkheden
en wil vinden om dit te doen.’

Een moeizaam verworven vrede
kan buitengewoon fragiel blijven.

Ja, wie zou een vredestichter zijn?
Wie zou zich vrijwillig openstellen
voor manipulatie door kwaadwillenden?
Wie zou zich onderwerpen
aan de afwijzing van ongewenst, impopulair,
verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld
of afgeschilderd te worden
als verraders
van de rechtvaardigheid?

Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen
en begrijpen dat hun beste inspanningen
alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden,
als er al enig resultaat is.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd
voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025.
Onder hen is wijlen paus Franciscus,

‘… voor zijn onstuitbare bijdrage
aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede
en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’

Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar
naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.

 

Het is nu twee jaar geleden dat Hamas
een meedogenloze aanval uitvoerde
op Israëlische burgers tijdens het Nova-muziekfestival.
Twee jaar later ligt een groot deel van Gaza in puin,
zijn er bijna 70.000 mensen omgekomen
en zet Israël zijn campagne voort om zich voor eens en altijd
te ontdoen van Hamas, een vijandige buur.
Het spook van het antisemitisme steekt opnieuw de kop
op in de straten van Nederlandse steden.
Ondertussen wacht de wereld af
of het vredesplan van Trump een kans van slagen heeft.

De wereld is ook diep verdeeld
over de vraag wie hier de schuld draagt.
Is het, zoals de Israëli’s zeggen, de schuld van Hamas,
het resultaat van een fanatieke islamistische groep,
gesponsord door Iran, die vastbesloten is
om de militante moslimcontrole over het Midden-Oosten in het algemeen
en Israël in het bijzonder uit te breiden?
Of, zoals de pro-Palestijnse menigte scandeert,
zijn we getuige van een genocide
die het onvermijdelijke gevolg is
van de voortdurende Israëlische bezetting
van de Westelijke Jordaanoever en Gaza?
Iedereen wordt onder druk gezet om een beslissing te nemen.
Aan welke kant staan we?

Maar wat als we dit conflict eens in een ander licht zouden bekijken;
niet zozeer in termen van schuld, maar van pijn?

Natuurlijk is dit niet de eerste keer dat er oorlog is
tussen het volk Israël en hun vijanden aan de kust van Gaza.

Het boek Richtere in de Bijbel
beschrijft een reeks confrontaties
van ongeveer 3400 jaar geleden tussen de Israëlieten en de Filistijnen,
die de Hebreeuwse stammen lastigvielen
en uitdaagden in hun strijd om zich in het land Kanaän te vestigen.
(NB: de Filistijnen zijn niet de etnische voorouders
van de moderne Palestijnen, ondanks de naamsgelijkenis.
De Romeinen, deels om de Joden te sarren,
besloten simpelweg
de naam van de regio te veranderen van Judea naar Palestina.)

Een van die oude verhalen vertelt over Simson,
een immens sterke Israëlitische strijder,
die talloze Filistijnen doodt
in een jarenlange golf van geweld. (Richteren 13-16)
Simson trouwt uiteindelijk met een Filistijnse vrouw, Delila,
die hem verraadt en aan zijn vijanden overlevert.
Hij wordt gevangengenomen en zijn ogen worden uitgestoken.
In een laatste gewelddaad
laat hij het dak van de Filistijnse tempel instorten
tijdens het hoogtepunt van een religieus feest,
waarbij hij zowel zichzelf als meer vijanden doodt
dan hij in zijn leven heeft gedood.

Maar naast een tragedie is dit ook een trauma.
De wortels van het trauma liggen diep verborgen
in de geschiedenis tussen Israël
en de verschillende stammen die hen omringen.
Simson is een van de velen die worden meegesleurd
in een geschiedenis van oog-om-oog geweld
die eindigt in deze scène van dood en verwoesting.
In het Bijbelverhaal raakt hij verstrikt
in een lange geschiedenis van menselijk onrecht
– als slachtoffer én dader –
die teruggaat tot Adam en Eva in het paradijs.
Het resultaat is dat Simson en zijn vijanden
allemaal dood liggen in het puin
van een ingestort gebouw in het hart van Gaza.

Dit conflict is zowel een tragedie als een trauma.
Dat klinkt somber. Toch kan dit perspectief,
ondanks de schijnbare somberheid,
een sprankje hoop bieden.

Tragedie en trauma vermijden de schuldvraag niet,
maar ze beginnen daar niet.
Ze beginnen met een houding van empathie.
Tragedie zorgt ervoor dat we even stilstaan
voordat we morele oordelen vellen
en in plaats daarvan simpelweg het verdriet,
de rouw ervan,
opmerken en ons erin verdiepen.
Wanneer we het verhaal van Simson, bekijken,
worden we simpelweg in stilte gelaten.
We overhaasten ons oordeel niet,
maar erkennen simpelweg het hartverscheurende verdriet
dat de gewone mensen ervaren die hierin verstrikt raken.
Tragedie staat naast het verdriet en de duisternis
en grijpt niet meteen naar de schuld,
omdat we beseffen dat het echte leven
meestal complexer is
en de oorzaken van conflicten ondoorzichtiger.

Tegelijkertijd dwingt het begrijpen hiervan
als trauma ons om de pijn
die aan het conflict ten grondslag ligt, te doorgronden.
Simson wordt geboren in traumatische tijden,
waarin zijn volk wordt aangevallen,
en uiteindelijk leeft hij het trauma
dat hij heeft ervaren door brute wraak op zijn vijanden.
Op dezelfde manier vinden we vandaag de dag
in dit ene kleine stukje land twee volkeren
die het trauma
van wat hen in het verleden is overkomen, beleven.
En zonder een nieuwe aanpak
zal het resultaat hetzelfde zijn:
vernietiging en verwoesting.

Het Joodse volk van vandaag, met name in Israël,
blijft diep getraumatiseerd
door de geschiedenis van antisemitisme,
die culmineerde in de Holocaust van de jaren 30 en 40.
Een vastberaden poging van een verfijnde,
moderne Europese natie
om systematisch ieder lid van het Joodse ras uit te roeien,
is niet alleen een historische gebeurtenis,
maar een waarvan de rimpelingen,
of misschien beter gezegd, stormachtige golven,
ons vandaag de dag bereiken.
Daarnaast is er de verdrijving van Joden in de 20e eeuw
uit moslimlanden zoals Syrië, Irak, Jemen,
Algerije, Tunesië en Libië.
Voor degenen onder ons die niet Joods zijn,
is de impact van zo’n realiteit moeilijk voor te stellen,
niet alleen als een historisch feit,
maar ook als een reëel gevaar in de toekomst.
Immers, als het één keer gebeurt,
kan het opnieuw gebeuren.
Het verklaart waarom Israël altijd weinig aandacht heeft besteed
aan de internationale opinie
en de resoluties van de VN
voor een staakt-het-vuren,
zoals die waartoe onlangs werd opgeroepen.

Of, zoals de Joodse schrijver Daniel Finkelstein het verwoordde:

De oorsprong van de staat Israël is niet religie of nationalisme,
maar de ervaring van onderdrukking en moord,
de angst voor totale vernietiging
en de bittere conclusie dat er niet op de wereldopinie
kon worden vertrouwd om de Joden te beschermen.
Dus wanneer Israël wordt aangespoord
om de wereldopinie te respecteren
en zijn vertrouwen te stellen
in de internationale gemeenschap,
wordt het punt gemist.
Het idee van Israël zelf is een verwerping van deze optie.
Israël bestaat alleen omdat Joden zich niet veilig voelen
als beschermelingen van de wereldopinie.
Zionisme, dat woord dat zo misbruikt en verguisd wordt,
is gebaseerd op de vastberadenheid
dat de Joden uiteindelijk op de een of andere manier
zichzelf en hun mede-Joden
zullen verdedigen tegen vernietiging.
Als de wereldopinie voldoende was, zou er geen Israël zijn.

Met zo’n trauma achter de rug
is het dan ook niet verwonderlijk
dat wanneer een moslim Joden doodt,
wanneer raketten neerregenen op Israëlische steden,
of wanneer Hamas-terroristen
door kibboetsen razen
en mensen neerschieten
alleen maar omdat ze Joods zijn,
dit precies de herinnering oproept
aan het trauma dat zij als volk hebben doorgemaakt.
Wat Palestijnen beschouwen als verzet
tegen de bezetting van hun land,
wordt door Israëliërs ervaren
als een echo van de wens
om het hele Joodse volk uit te roeien,
op een manier die rillingen over de rug doet lopen
bij iedereen die dit verhaal heeft meegemaakt.

Toch heeft het Palestijnse volk ook een eigen trauma.
In 1948, ten tijde van de oprichting van de staat Israël,
werden honderdduizenden Palestijnen
dakloos en staatloos gemaakt,
van hun huizen en land beroofd,
vaak onder bedreiging met een geweer,
en velen werden gedood door zionistische strijders.
De Arabische landen deden weinig om te helpen,
ze waren alleen geïnteresseerd
in hun eigen belangen.
De Europese landen keken toe.
Amerika bleef Israël financieren,
waardoor hun leger
elk ander leger in de regio ruimschoots overtreft,
en zeker genoeg om de stenen, messen en bommen
van verschillende intifada’s te vermorzelen.
Hun diepe gevoel van onrecht
laat ook een litteken achter,
een litteken dat door groepen zoals Hamas
nog steeds voor hun eigen doeleinden
kan worden gebruikt.

En dus, wanneer de inwoners van Gaza
vandaag de dag hun steden tot stof zien vergaan,
wanneer Palestijnen in de rij moeten staan
bij controleposten
om van de ene naar de andere plaats te reizen,
wanneer land wordt afgenomen
door de bouw van een veiligheidsmuur,
en Israëlische nederzettingen vergunningen blijven krijgen
om te bouwen op Arabisch grondgebied,
terwijl het voor Palestijnen veel moeilijker is
om een bouwvergunning te krijgen
voor de bouw van een nieuw huis,
roept dit alles de herinnering op
aan wat Palestijnen de Nakhba of de ramp noemen.
Wat Israëliërs zien als legitieme zelfverdediging,
veiligheidsmaatregelen om terroristen
op afstand te houden
en hun bevolking te beschermen,
ervaren Palestijnen als een echo
van hun eigen trauma van onteigening uit het verleden.

Het resultaat is dat beide partijen
opnieuw gevangen zitten in een cyclus van geweld,
net als Simson en zijn vijanden.
Oog om oog leidt ertoe
dat beide partijen oogloos eindigen in Gaza.

Natuurlijk kunnen we discussiëren
over welk trauma het zwaarst weegt.
We kunnen debatteren over de zwaarte van elk moreel geval,
of over waar de werkelijke schuld ligt.
Maar trauma werkt niet zo.
Trauma huist in de geest en het lichaam
en verspreidt zich, waardoor elk vermogen
om normaal te handelen
en met gevoel voor verhoudingen
en evenwicht te reageren,
wordt overschaduwd.
De effecten van trauma zijn niet opzettelijk
of logisch, maar onvrijwillig.
Reacties op trauma zijn notoir complex
en verschillen per individu.
Trauma blijft jarenlang bij individuen
en generaties lang bij gemeenschappen.

Het begrijpen van dit conflict
niet zozeer door de lens van schuld,
maar door die van pijn,
kan ons helpen dit conflict anders te begrijpen.
Natuurlijk ontwijkt het de schuldvraag niet,
want hier zijn vreselijke dingen gebeurd.
Het ontkent ook niet het recht van Israël
om zich met legitiem geweld te verdedigen
tegen de aanval van Hamas.
De meesten van ons neigen
naar de ene of de andere kant van het conflict.
Toch legt deze benadering
misschien de verantwoordelijkheid op ons,
die toekijken, om te proberen
de pijn van de andere kant te ervaren.
En wanneer het stof van de strijd neerdaalt,
belooft dat misschien een betere manier
om de cyclus van geweld in de toekomst te doorbreken.

Door dit conflict te begrijpen als zowel tragedie als trauma,
kunnen we het in een nieuw licht zien.
En misschien geeft het ons een sprankje hoop op een uitweg.
De herinnering verdwijnt nooit,
maar traumaslachtoffers kunnen manieren vinden
om de herinnering aan wat hen is overkomen
op verschillende manieren te benaderen.

Het verhaal van Simson eindigt
met vernietiging en zijn begrafenis in het familiegraf.
Het eindigt met de dood.
Binnen het lange verhaal van de Bijbel
wordt de chaotische periode van de Richteren
echter vervangen door de monarchie
– de koningen van Israël, van wie koning David de beste is –
een heerser met gebreken,
maar beschreven als ‘een man naar Gods hart’.
Daarnaast wijst het verhaal van David
op een latere heerser,
eveneens geboren in Bethlehem,
wiens heerschappij niet inhield
dat hij zijn vijanden haatte en doodde,
maar dat hij hen liefhad tot het punt
dat hij voor hen stierf,
en zo uiteindelijk vrede bracht.

Het is dat soort Jezus-achtige,
zelfopofferende, radicale leiderschap
voor beide kanten
dat een uitweg kan bieden
uit de cyclus van geweld en haat
die er was in de tijd van Simson,
en die er vandaag de dag nog steeds is.

Alleen leiders die er niet op uit zijn
om alles te doen wat nodig is
om aan de macht te blijven,
noch bereid zijn anderen op te offeren
voor hun eigen doeleinden,
die zich niets aantrekken
van hun persoonlijke reputatie,
maar bereid zijn om de riskante weg
van verzoening te bewandelen,
alleen dit soort leiderschap
kan ons voorbij de tragedie
en het trauma van het verleden
naar een hoopvollere toekomst leiden.

Het laatste woord komt misschien van Audeh Rantisi,
een Palestijn die in 1948 uit zijn huis in Lydda werd gezet.
Hij werd later Anglicaans priester
en activist voor verzoening
tussen Joden en Arabieren
voor de noodzaak voor beiden
om de littekens en de menselijkheid
van de ander te erkennen.
Hij zei:

Ik draag nog steeds
de emotionele littekens van de zionistische invasie.
Toch zie ik als volwassene
wat ik toen niet helemaal begreep:
dat de Joden ook mensen zijn,
zelf gedreven door angst,
slachtoffer van de ergste gruweldaden
uit de geschiedenis,
fanatiek, soms bijna gedachteloos op zoek naar veiligheid.
Vier jaar na onze vlucht uit Lydda
wijdde ik mijn leven
aan de dienst van Jezus Christus.
Net als ik en mijn medevluchtelingen
had Jezus in barre omstandigheden geleefd,
vaak met slechts een steen als kussen.
Net als zijn mede-Joden tweeduizend jaar geleden
en de Palestijnen vandaag de dag,
beheerste een externe macht
zijn thuisland – mijn thuisland.
Ze martelden en vermoordden
hem in Jeruzalem,
op slechts vijftien kilometer van Ramallah,
mijn nieuwe thuis.
Hij was het slachtoffer van vreselijke vernederingen.
Niettemin bad Jezus
voor degenen die zijn dood bewerkstelligden:
“Vader, vergeef hun…”

Kan ik minder doen?

 

Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren,
niet alleen van de zonen van Israel,
maar ook van twee dappere vrouwen,
verzetsstrijders: Sifra en Pua.
Ze staan op tegen de kwade macht
die dood wil.

Deze kwade macht is naamloos.
Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet.
Wel zien we duistere trekken
die dit volk maar al te goed herkent:
van slavenarbeid, tot genocide.
Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger,
de woonplaatsen langzaam
zijn verandert tot werkkampen.
Het kwaad mag dan geen naam hebben,
we kijken hier de dood recht in de ogen.

Is het verhaal hier afgelopen?
Is dit de moraal van het verhaal?
Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?

Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken,
en het stoere beeld wat ik ervan heb,
is ongetwijfeld geromantiseerd.
Maar de werkelijkheid was rauwer;
het gaat op leven en dood.
En misschien wel meer van dat laatste:
de dood.

Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je.
Een Stolpersteen,
een steen waarover je struikelt.
Van hen herinneren we ons de namen.
Maar zo’n struikel-steen laat ook zien:
We vertillen ons snel aan het kwaad.
Het botst, het schuurt.
Blijkbaar lukt het ons als mensen niet,
om nee te zeggen tegen kwaad:
Het is zo groot, en zo universeel.

Wat zou jij doen?
Zou ik de moed hebben om op te staan?
Of is mijn gebrek aan lef nu precies
hoe diep het kwaad in de wereld zit?

Zelfs al heeft iemand de moed
om in verzet te komen,
vaak lijkt het zinloos.
Je kunt het zien het aan die laatste regel:
Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel
om alle Hebreeuwse jongens
die geboren werden in de Nijl te gooien;
de meisjes mochten in leven blijven.
Die twee kraamvrouwen, heldinnen,
hadden zich verzet.
maar het kwaad neemt alleen maar toe.
De kinderen die zij hebben gekregen,
je hoopt maar, dat het meisjes waren;
zouden ze het anders hebben overleefd?

Maar toch; verzet denkt niet na over zin.
Die vrouwen, Sifra en Pua,
gaan niet berekenen,
of hun lef levens zal kosten.
Net zomin als dat je afwoog
of het wel verantwoord was,
om een kind
illegale kranten te laten rondbrengen.
Verzet kost je soms alles,
en toch doe je het.

En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel,
dat intense verlangen naar bevrijding.
Opkomen voor dat Godgegeven leven,
waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt,
ja, ontzag voor de Heer zelf.

Het Wilhelmus zingt eerst:
‘den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.’
Verzet is nooit de basis;
de uitgangspositie.
En doorgaans,
is gehoorzaamheid iets goeds.
We proberen het aan te zien,
tot het echt niet langer gaat.
Of moeten tot onze schaamte erkennen
dat we gewoon het lef niet hebben.
Maar als je doorzingt,
komt toch echt de bede:
‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven,
die mij mijn hart doorwondt.’
Dat is verzet.
En dan raakt het me dat deze regel
wordt voorafgegaan door de wens:
‘dat ik toch vroom mag blijven.’
Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet:
het ontzag voor God.

Het boek Exodus
laat ons de namen herinneren
van deze Sifra en Pua.
Het boek gaat verder,
want bij verzet kan het niet blijven.
Exodus is een boek van bevrijding.
Vol ontzag uitkijkend
naar het werk dat de Bevrijder verzet.

 

De Veertigdagentijd of Lijdenstijd in aanloop naar Pasen
is voor christenen de periode die in het teken staat van
soberheid, inkeer en bezinning op je eigen christenzijn.
Christenen geloven dat ieder mens geschapen is
naar Gods beeld en leven in alle volheid verdient.
Tragisch genoeg leven we in een wereld van
gebroken relaties waar onrecht, ongelijkheid, corruptie
en rampen miljoenen mensen van hun toekomst beroven.
Een christen wordt opgeroepen
om de onvoorwaardelijke liefde van Christus weerspiegelen
door hun leven, hun daden en woorden.
Het geven van hoop, herstel en vernieuwing voor de wereld
zijn daar een onderdeel van.
Ontwikkelingshulp in allerlei vorm is daar ook uiting van.
Hieraan moest ik denken toen hoorde over het onderstaande.

Want in veel landen worden de gelden voor ontwikkelingshulp drastisch verlaagd.
Niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk
en wie weet niet van de aankondiging in de Verenigde Staten
om het budget van USAID
– dat internationaal veel hulp overeind houdt –
zeer drastisch te verlagen.
In het Verenigd Koninkrijk heeft de afkondiging
tot verlaging van het budget op ontwikkelingshulp
zelfs geleid tot het aftreden van de minister
voor Internationale Ontwikkeling Anneliese Dodds.
Ze schreef in haar ontslagbrief:

Uiteindelijk zullen deze bezuinigingen voedsel en gezondheidszorg wegnemen
van kwetsbare mensen.

De forse vermindering van ons internationale hulpbudget
brengt inderdaad levens in gevaar over de hele wereld.
De stap ondermijnt echter ook de eigen nationale veiligheid.
Een sterke aanwezigheid op het wereldtoneel
komt niet primair tot stand door militaire kracht,
maar juist door diplomatie en gerichte ontwikkelingsfinanciering.

Dodds:

In de rest van de wereld is het teleurstellend dat we waarschijnlijk
het internationale ontwikkelingsbudget gaan plunderen,
omdat de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld
vaak voortkomt uit een combinatie van onze harde macht en onze zachte macht,
onze diplomatie en onze ontwikkelingsfondsen.

Zo zien we ook in Nederland dat minister Klever
van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
projecten stopt op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid,
beroepsonderwijs en hoger onderwijs, sport en cultuur.
En ook op hulp op het gebied van klimaat, maatschappelijk middenveld
en multilaterale samenwerking wordt flink bezuinigd.
Onder dat laatste valt bijvoorbeeld Unicef;
de VN-kinderrechtenorganisatie wordt door Klever met 50 procent gekort.

Internationale hulp is bewezen
een van de meest effectieve manieren
om welvaart en vrede te creëren.
Het is een strategische investering
in nationale en internationale veiligheid,
en is ook aantoonbaar
nuttiger en kosteneffectiever
dan militaire defensie-uitgaven.

Het verlagen van hulpbudgetten kan op korte termijn geld vrijmaken,
maar in werkelijkheid verzwakt het de invloed van de donorlanden,
ondermijnt het de wereldwijde stabiliteit
en vergroot het de veiligheidsrisico’s.
Het is niet alleen een valse zuinigheid,
maar ook een potentieel gevaarlijke
en contraproductieve beleidswijziging.

Hier zijn tien redenen waarom internationale hulp
zo’n cruciale investering in veiligheid is:

1. Het aanpakken van de grondoorzaken vermindert terrorisme.

Buitenlandse hulp helpt vrede te bevorderen,
armoede te verminderen en ontwikkeling te ondersteunen
in de meest kwetsbare regio’s.
Wanneer landen stabiel zijn,
is de kans kleiner dat ze in chaos vervallen
of broedplaatsen worden voor terrorisme en extremisme.
Door Nederland gefinancierde onderwijsinitiatieven
hebben meer dan 1,5 miljoen gemarginaliseerde meisjes onderwijs geboden,
waardoor de kwetsbaarheid van jongeren
voor extremistische rekrutering is verminderd.
Door de aantrekkingskracht van radicalisering te verminderen,
heeft deze investering bijgedragen
aan het verlagen van de langetermijndreiging van terrorisme
tegen Nederlandse burgers in binnen- en buitenland.

2. Investeren in wereldwijde gezondheid vermindert pandemierisico’s.

Virussen houden zich niet aan grenzen.
Financiering voor de ebola-respons
heeft geholpen wereldwijde uitbraken te voorkomen,
waardoor het risico op dodelijke ziekten
die zich naar Nederland verspreiden, is verminderd.
Op dezelfde manier is door te investeren in vaccinaties
tegen nieuwe stammen van Covid over de hele wereld,
is de eigen pandemieparaatheid versterkt
en de volksgezondheid in eigen land beschermd.

3. Sterkere relaties tussen landen verminderen conflicten.

Steun aan en hulp bij het trainen van politie en overheidsfunctionarissen,
versterkte de diplomatieke banden op de lange termijn
en voorkwam een terugkeer naar instabiliteit
die zich mogelijk over het hele continent had verspreid.
Dit heeft ook geholpen Nederland te positioneren
als een vertrouwde diplomatieke partner,
wat heeft geleid tot handelsovereenkomsten
en politieke allianties die de wereldwijde belangen
van Nederland ten goede komen.

4. Ondersteuning van stabiliteit vermindert gedwongen migratie.

Het wordt nu erkend dat het bouwen van ankers, en niet muren,
de beste strategie is om migratie in te dammen.
Het ontwikkelingshulpprogramma
heeft economische en sociale steun geboden
in landen als Syrië, Libanon en Afghanistan,
waardoor gedwongen ontheemding werd verminderd
en de druk op de Nederlandse grensbeveiliging werd verlaagd.
Door regio’s te stabiliseren die door conflicten zijn getroffen,
is ook Nederland in staat geweest
illegale migratie en de bijbehorende kosten
van grenshandhaving, asielverwerking en noodhuisvesting
te verminderen.

5. Het bevorderen van duurzaamheid
vermindert de schaarste aan hulpbronnen
als gevolg van klimaatverandering.

Ondersteuning van duurzame landbouw- en schone energieprojecten
in Afrika en Azië, waardoor de concurrentie
om afnemende hulpbronnen wordt verminderd
en klimaatgerelateerde conflicten worden voorkomen
die hebben bijgedragen aan het turbulenter maken van de wereld.
Dit heeft niet alleen de wereldwijde stabiliteit verbeterd,
maar ook kansen gecreëerd voor Nederlandse bedrijven
in de sectoren groene energie en duurzame ontwikkeling.

6. Veerkracht opbouwen vermindert internationale criminaliteit en instabiliteit.

Financiering is bijvoorbeeld instrumenteel geweest
bij het stabiliseren van landen,
door hun bestuur te verbeteren,
wetshandhaving op te leiden en criminaliteit en piraterij te verminderen
die niet alleen de internationale scheepvaart
maar ook het toerisme bedreigen.
Als gevolg hiervan hebben Nederlandse rederijen en toeristen
die in de regio reizen minder veiligheidsrisico’s ondervonden,
wat het vertrouwen in door het Nederland
geleide handel en reizen heeft vergroot.

7. Hongersnood en ondervoeding voorkomen vermindert politieke instabiliteit.

Financiering van projecten heeft geholpen
voedselcrises in Oost-Afrika te voorkomen,
waardoor de kans op massale migratie
en conflicten over hulpbronnen is verminderd.
Zonder die investering zou ook Nederland
waarschijnlijk veel meer hebben uitgegeven
aan humanitaire noodhulp en crisismanagement,
wat de kosteneffectiviteit van preventieve hulp aantoont.

8. Sterkere economieën in het buitenland opbouwen creëert kansen.

Handelsgerichte hulp heeft Afrikaanse landen geholpen
stabiele economieën te ontwikkelen,
waardoor handelsmogelijkheden voor Nederland zijn gecreëerd
en de afhankelijkheid van fragiele staten is verminderd.
Sterkere economieën in partnerlanden
betekenen een grotere vraag naar Nederlandse export,
wat ook ten goede komt aan Nederlandse bedrijven en werkgelegenheid.

9. Humanitaire hulp versterkt de wereldwijde invloed van een land.

Het ondersteunen van humanitaire hulp
is belangrijk om de positie van Nederland
als wereldwijde humanitaire leider te versterken
en heeft geleid tot een soft power-voordeel op het wereldtoneel.
Deze goodwill heeft geleid tot sterkere diplomatieke relaties
met belangrijke bondgenoten,
wat de Nederlandse belangen op het gebied
van handel, veiligheid en regionale stabiliteit ondersteunt.

10. Rampenbestrijding bouwt goodwill en strategische partnerschappen op.

Na de aardbeving in Haïti in 2010 heeft Nederland noodhulp verstrekt,
wat de banden met Caribische landen heeft versterkt
en het wereldwijde leiderschap van Nederland
op het gebied van crisisbestrijding heeft laten zien.
Deze inspanningen hebben de rol van Nederland
als betrouwbare partner in tijden van crisis versterkt,
wat heeft geleid tot nauwere
economische en diplomatieke relaties
met landen in het Caribisch gebied.

Kortom:
Als het Westen de hulpfinanciering opzegt,
ontstaat er een zeer significant vacuüm
waarin andere landen zullen stappen.
Rusland heeft bijvoorbeeld al Wagner-huurlingen gestuurd
om te patrouilleren
in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali.
Dit is niet alleen slecht voor de burgers van die gebieden,
maar ook vanuit het perspectief
van de nationale veiligheid van Nederland.
Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn
als Rusland in staat zou zijn
om een brede basis van invloed
en soft power op te bouwen in het mondiale Zuiden.

Met een steeds kwetsbaardere wereld
is dit het instrument dat op dit moment het meest nuttig is
voor de nationale veiligheid internationale hulp.
De toename van conflicten, migratie,
terrorisme en andere vooroorlogse omstandigheden
is direct te wijten aan de impact van armoede
– die nu 44 procent van de wereldbevolking treft, concentratie van rijkdom –
die de kans op financiële crises vergroot, verzwakte handelsroutes
– bijvoorbeeld vanwege de oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten,
en nieuwe handelspolitiek in de VS, en klimaatverandering –
die al die spanningen verergert.
Als Nederland in deze turbulente tijden
een effectieve verdedigingsstrategie wil,
moeten we heroverwegen om onze internationale hulpverplichtingen te verdubbelen,
en ze niet op te geven.

De Veertigdagentijd.
Als christen staat deze periode in het teken
van bezinning op je eigen christenzijn.
Ze staat in het teken van mededogen,
liefde en barmhartigheid delen
en bereid zijn om samen te werken
om het leven van mensen te veranderen.
Hulp aan een medemens is,
die ook geschapen is naar Gods beeld.
Wederkerigheid in ontwikkelingshulp
vindt zijn basis in de ontvankelijkheid
die wij leren van de liefde.
Concreet betekent dit dat wij, gevers,
allereerst zelf leren,
namelijk leren te ontvangen in het geven.
Alleen dan is er werkelijk sprake van wederkerigheid.
Een les in deze Veertigdagentijd.

Pontius Pilatus wast zijn handen in onschuld, olie op hout, 107 x 122 cm,
Vlaamse School, eerste helft 16de eeuw (naar Vilmos Tátrai)

 

Hoe reageer je op figuren als Trump?

In aanloop naar Pasen en terwijl ik mijzelf ook voorbereid op preek voor Pasen,
vallen mij enkele lijnen op vanuit het passie evangelie naar de huidige tijd.
Het begon met de schandelijke vleierijen van president Macron en premier Starmer
om president Donald Trump in de Oval Office in het Witte Huis te pleasen.

Het begon te lijken op de dertig zilverlingen.
Werd Oekraïne hier verraden voor de snuisterijen en snuisterijen,
alleen maar om in de gunst te blijven bij de machtigste man ter wereld?

Nu we net met de eerste volle week van de Veertigdagentijd bezig zijn,
krijgen deze gedachten een fellere focus
nu de personages uit de Passietijd van Pasen
hun plaats lijken in te nemen in onze wereldpolitiek.

Lijkt de Amerikaanse vicepresident J.D. Vance
een beetje op de hogepriester van de tempel van Jeruzalem, Kajafas,
als hij retorisch eist:
‘Het is beter voor u dat één man sterft voor het volk
dan dat de hele natie ten onder gaat’?
Is de prijs van het ten val brengen van Zelensky
en het sussen van de Russische Vladimir Poetin
het niet waard voor vrede in Oekraïne?

Het zou gebruikelijk kunnen zijn
in een column als deze
om kenmerken van de cast
van de Passie van Christus
toe te schrijven aan de leiders van de huidige grootmachten.
Maar dat is te gemakkelijk en werkt niet echt.
Macron en Starmer zijn geen Judas.
Hun hoffelijke vleierij van Trump
ging vooraf aan de poging tot vernedering
van Zelensky in Washington,
waar op 28 februari met de mores van vastgoedmaffiosi
en een dosis emotioneel incontinentie Trump en Vance
president Volodymyr Zelensky het Witte Huis uit brulden.

Nee, Macron en Starmer
zijn geen verraders van Zelensky, integendeel.
En hoe dan ook, door hun in die rol te casten,
riskeer je de heiligschennis van het vergoddelijken van Zelensky,
die absoluut niet de Messias is.
Je hoeft inderdaad geen toegewijde Trump-fan te zijn
om op te merken dat zijn optreden voor Trump en Vance niet messiaans was,
maar eerder dat van een heel ondeugende jongen.

Maar zulke vergelijkingen gaan ons niet ver brengen.
Misschien is het beter om ze andersom te draaien.
Van grotere waarde is misschien om de machtsspelletjes
die we zojuist op ons wereldtoneel hebben gezien
beter te gebruiken om het spel te begrijpen
dat we binnenkort in Jeruzalem
van een paar millennia geleden zullen herdenken.

Door dat te doen, kunnen we misschien
zelfs een kijkje nemen in een aantal inzichten
die elke zaak ontkrachten dat de historische gebeurtenissen
van de Passietijd vandaag de dag niet relevant zijn.
En dit gaat niet alleen over politiek,
het gaat over ons menselijk vermogen tot machtsmisbruik.

Neem die scène in het Oval Office toen Zelensky werd gepest
door de twee machtigste figuren
(met uitzondering van Elon Musk)
in het nieuwe Amerikaanse regime.
Het is een klassiek wapen in elke huiselijke geweldsrelatie
om het slachtoffer de schuld te geven.
Zo waren Trump/Vance er als de kippen bij
Zelensky de schuld te geven voor zijn onderdrukking door Rusland.

En zo was het ook toen de Nazarener voor Pontius Pilatus stond,
de woordvoerder van de machtigste man op aarde van zijn tijd,
de keizer van Rome, Tiberius.
De overeenkomsten tussen de twee situaties zijn opvallend.
En niet alleen omdat je er redelijkerwijs aan kunt twijfelen
dat Jezus van Nazareth die dag ook een pak droeg.

De laatste, een mishandelde ambachtsman en rabbi
uit de provincieheuvels
en een man ‘zonder zonde’,
is een klassiek onderwerp van slachtofferbeschuldiging.
Net als Trump wilde Pilatus gewoon een deal sluiten
om de vrede te bewaren.
Net als Trump vertelde hij Jezus dat Hij niet genoeg waardering had
voor wat hij voor Hem probeerde te doen.
Net als Trump vertelde Hij hem dat hij absolute macht had over zijn lot.
En net als Trump is hij er zeker van dat waarheid alles is
wat hij wenst dat het is op het moment dat hij minachtend vraagt:
‘Wat is waarheid?’

De intrigerende vraag is hoe dit ons vertelt te reageren
op de Trumps en Pilatus van deze wereld.
In de directe omstandigheden van verhoor
in zowel het Oval Office als het praetorium,
lijkt het antwoord deels stilte te zijn.
Christus kiest het;
Zelensky krijgt het opgedrongen
door de dwingende controle van zijn gesprekspartners.

Nogmaals, ik doe geen aanspraak op een Christus-achtige Zelensky.
Maar stilte als menselijk antwoord
vindt steevast zijn oorsprong in nederigheid.
In de meest wereldse zin is dat nu heel duidelijk
in de verzoenende woorden van de Oekraïense president
richting zijn pestkop,
die zijn leiderschap ‘sterk’ noemt,
spijt heeft van hoe de vergadering is verlopen
en bereidheid uitdrukt om terug te keren
naar de onderhandelingstafel.

Nederigheid is geen zwakte.
Het brengt de kracht van vrede
en maakt de triomf van liefde mogelijk.
Dat is de les van tweeduizend jaar geleden.
En de les is ook dat er niets goeds kan voortkomen
uit een totaal gebrek daaraan,
net als voor Trump en Pilatus.