In Moskou, zo vertelde de verbannen Russische journalist Michaïl Zygar op CNN, vergelijken ze de VS van nu met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989. Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden: mensen geloven niet meer in het officiële verhaal. Ze zijn cynisch geworden. En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde, stortte het systeem in.
De vraag is nu: zien we iets vergelijkbaars in het Westen? Gaat hier echt iets fundamenteels kapot? En zo ja, wat precies?
Als je naar Europa en de VS kijkt, zie je een politieke cultuur die steeds harder wordt. Radicale en autoritaire partijen winnen terrein, democratische regels worden opgerekt of genegeerd, en veel mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd. Tegelijk groeit de polarisatie. Mensen zijn somber, boos en wantrouwig. Het gevoel dat ‘het systeem’ er niet meer voor hen is, zit diep.
Daarbovenop komt een hele reeks andere problemen: online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat, steeds minder respect voor zorgverleners en andere publieke beroepen. Mensen leven in bubbels, de onderlinge verbondenheid brokkelt af. De sociale lijm laat los.
Dat is zorgwekkend, want de westerse democratie is eigenlijk een vrij nieuw experiment. Het idee dat iedereen dezelfde rechten, kansen en waardigheid heeft, komt voort uit de Verlichting en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm in democratische rechtsstaten. Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie. Toen die instortte, dacht het Westen: zie je wel, wij hebben gewonnen.
Maar zo simpel was het niet. De liberale democratie bleek geen eindpunt van de geschiedenis. China liet zien dat kapitalisme prima kan zonder democratie. Oorlogen brachten geen democratie. En zelfs binnen het Westen begonnen landen afstand te nemen van liberale waarden. Ook in de VS staat de democratie onder druk.
Langzaam veranderde daardoor de houding tegenover democratie zelf. Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen in instellingen en kiezen vaker voor het idee van een ‘sterke leider’. Media, rechters, universiteiten en parlementariërs worden verdacht gemaakt. Populisten zetten ‘gewone mensen’ tegenover elites, migranten en kosmopolieten.
Ironisch genoeg kwam dat juist na een periode van zelfgenoegzaamheid. Liberale samenlevingen gingen geloven dat hun succes bewijs was van morele superioriteit. Die overmoed maakte blind voor wat er ondertussen veranderde.
Globalisering haalde industrie weg, de arbeidersbeweging verzwakte, en links richtte zich steeds meer op identiteit en cultuur. Veel traditionele kiezers voelden zich achtergelaten. Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin, maar wel in perspectief. Sociale migratie stokte. De meerderheid gelooft inmiddels dat hun kinderen het slechter zullen hebben.
Daarbovenop kwam een groeiende kloof tussen hoogopgeleide, stedelijke elites en mensen die minder mobiel zijn, vaker op het platteland wonen en traditioneler denken. Hun waarden werden weggezet als achterlijk of fout. Maar groepen die zich structureel vernederd voelen, accepteren dat niet eindeloos. Economisch gebeurde iets soortgelijks. Winsten en macht kwamen steeds meer terecht bij een kleine groep, vooral in de techsector. Die bedrijven beschikken nu over ongekende invloed en technologie. Democratische controle loopt daar ver achteraan. Het risico is dat we afglijden naar een vorm van digitaal feodalisme: veel controle, weinig inspraak, alles verpakt in gemak en entertainment.
Dat is geen sciencefiction. Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.
De kern van het probleem lijkt dezelfde als in de late Sovjet-Unie: mensen zijn het geloof kwijtgeraakt. Niet in één leider of partij, maar in het idee zelf van een liberale democratie. Dat systeem kan alleen werken als er minimaal vertrouwen is, als mensen de spelregels accepteren en elkaar als legitieme tegenstanders zien.
Als grote groepen dat niet meer doen, houden ze op met meespelen. Dan zoeken ze iemand die belooft het hele spel kapot te maken.
Is dit dan het einde van het Westen? Ja, misschien het einde van een tijdperk. Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af in economie of geopolitiek. Ze speelt zich af in onze hoofden. Of zoals Hemingway schreef: eerst geleidelijk, en dan… INEENS.
De vraag is nu of de idealen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden. Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt. Maar zonder dat gedeelde verhaal blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over. En dat weten we in Europa maar al te goed.
Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start. Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop. Maar wees eens eerlijk? Zo voelt het nu niet echt. Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker dan ze in lange tijd is geweest, zeker vanuit westers perspectief.
Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’: mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen, gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk. Hun gevoel voor realiteit is verstoord. Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld door berichten over oorlog, corruptie en rampen, is het toch knap lastig om níét somber te worden. Denk aan drones en moderne oorlogsvoering, schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid, cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks, en AI die we steeds minder lijken te begrijpen. En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering, torenhoge kosten van levensonderhoud en toenemende polarisatie.
Optimistisch? Niet bepaald.
Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart, is hoe waarheid en verantwoordelijkheid lijken te verdwijnen uit het publieke debat. Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid. In plaats van gesprek is er geschreeuw. Macht wint het van argumenten. Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief, maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt hoe het kan dat mensen wegkomen met overduidelijke leugens, of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’. Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?
In die stemming raakte ik diep getroffen door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942. Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’: mensen met goede bedoelingen die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld wel weer recht kunt trekken. Ze willen recht doen aan alle kanten, maar worden vermalen tussen botsende krachten. Teleurgesteld trekken ze zich terug, of worden slachtoffer van hardere spelers.
En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag: wie houdt het dan wél vol? Volgens hem alleen degene die bereid is zijn eigen rede, principes en zekerheden los te laten wanneer hij geroepen wordt tot verantwoord handelen — niet vanuit eigen gelijk, maar vanuit gehoorzaamheid aan iets dat groter is dan hijzelf. Ja, waar zijn die mensen?
Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings. Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad, en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’. Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer. Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen: een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan; een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog. Maar beiden waren gevormd door de verschrikkingen van oorlog. Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en had geen romantische ideeën meer over de mensheid. En toch gaf hij de hoop niet op.
Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment. Galadriel, de elfenkoningin, zegt dat zij en haar volk al eeuwenlang die lange nederlaag strijden. Dat roept een vreemde vraag op: waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?
Het verhaal laat zien waarom. Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier. Zelfs Frodo, die de Ring draagt, bezwijkt op het allerlaatste moment. Hij kán de Ring niet vernietigen. Toch wordt het kwaad verslagen — niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval: Gollem valt in de afgrond. Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke maar eerlijke boodschap duidelijk: zelfs de besten onder ons falen. En tóch kan het goede winnen, op een manier die niemand gepland had.
Dat betekent overigens niet dat Frodo faalt als persoon. Immers, zonder zijn inzet was de Ring nooit op die plek gekomen. Tolkien schreef zelfs dat niemand, uitgeput en gekweld zoals Frodo, weerstand had kunnen bieden.
De vraag blijft dus: waarom blijven vechten? Omdat niet vechten erger is. In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad. De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is, maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten. En tóch zijn ze noodzakelijk.
Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei: ‘De boog van het morele universum is lang, maar hij buigt naar rechtvaardigheid.’ Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt door onze plannen. Integendeel: mensen falen voortdurend, zelfs met de beste bedoelingen. Maar het wijst op een hoger doel dat niet afhankelijk is van onze perfectie.
Hoop komt dan niet uit systemen, vooruitgang of natuurwetten — die lopen uiteindelijk allemaal vast. Hoop komt voort uit vertrouwen: dat er Iemand is die door chaos, toeval en zelfs menselijk falen heen werkt. Tolkien geloofde dat ook. Hij noemde het ‘eucatastrofe’: precies wanneer alles verloren lijkt, gebeurt er iets onverwachts dat het hele verhaal laat kantelen.
Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken. De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag. Het betekent dat onze pogingen om vrede, recht en genezing te brengen in een gebroken wereld – wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt – nooit compleet zullen zijn, misschien zelfs gedoemd zijn onvolledig of zelfs te mislukken — maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.
Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen. Niet omdat we denken dat we de wereld redden, maar omdat het goed is om het goede te doen. Dat is misschien geen grote overwinning, maar wel een voorzichtige hoop. En soms zijn onze daden korte momenten waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.
‘Correlatie is niet hetzelfde als oorzakelijkheid.’
We hebben deze uitspraken waarschijnlijk al zo vaak gehoord dat ze in ons geheugen gebeiteld zitten. Als dat zo was, zou misinformatie nooit een poot aan de grond krijgen.. Maar er zijn voorbeelden te over van misinformatie die zich razendsnel verspreidt.
Dit komt doordat onze interne, vaak onbewuste, vooroordelen ervoor zorgen dat we onjuiste beweringen voor waar aannemen. Een van de boosdoeners is een bevestigingsvooroordeel of confirmation bias: de verleiding om bewijs kritiekloos te accepteren als het bevestigt wat we graag waar zouden willen zien, en een bewering meteen te verwerpen als het botst met ons wereldbeeld. Deze vooroordelen kunnen heel subtiel ons denken binnensluipen; nee, ze beperken zich niet tot onderwerpen zoals immigratie of wapenbeheersing, waarbij de emoties hoog op kunnen lopen. Voorbeeld: Er wordt vaak beweerd dat borstvoeding het IQ van kinderen verhoogt, hoewel correlatie geen causaliteit is. Maar omdat velen van ons natuurlijke moedermelk zouden vertrouwen boven flesvoeding, slikken we deze bewering.
Confirmation bias is moeilijk te doorbreken. In een onderzoek namen drie neurowetenschappers studenten met liberale politieke opvattingen en sloten ze hen aan op een functionele MRI-scanner. De onderzoekers lazen uitspraken voor waarmee de deelnemers eerder hadden gezegd het eens te zijn, ze gaven vervolgens tegenstrijdig bewijs en maten de hersenactiviteit van de studenten. Er was geen effect wanneer niet-politieke beweringen werden aangevochten, maar het tegenspreken van politieke standpunten activeerde hun amygdala: Dat is hetzelfde deel van de hersenen dat wordt geactiveerd wanneer een tijger je aanvalt, wat dus een ‘vecht-of-vlucht’-reactie opwekt.
Confirmation bias speelt dus een grote rol bij kwesties waar we al een mening over hebben. Maar over veel onderwerpen hebben we geen vooroordeel. Als er niets te bevestigen valt, is er geen confirmation bias, dus we hopen dat we deze kwesties met een heldere blik kunnen benaderen.
Maar helaas kan er ook een andere bias de kop opsteken: zwart-witdenken. Deze bias houdt in dat we de wereld in zwart-wit bekijken: iets is altijd goed of altijd slecht, zonder grijstinten.
Het bestverkochte afslankboek ooit, Dr. Atkins’ Nieuwe Dieet Revolutie, profiteerde van deze vooringenomenheid. Vóór Atkins hadden mensen misschien geen sterke mening over de vraag of koolhydraten goed of slecht waren. Maar zolang ze denken dat het het een of het ander moet zijn, zonder een middenweg, zullen ze vasthouden aan een eenzijdige aanbeveling. Dat is wat het Atkinsdieet deed: Het had één regel: vermijd alle koolhydraten. Niet alleen geraffineerde suiker, niet alleen simpele koolhydraten, maar alle koolhydraten. Je kunt beslissen of je iets eet door te kijken naar de ‘koolhydraten’-regel op het voedingsetiket, zonder je zorgen te maken of de koolhydraten complex of simpel, natuurlijk of bewerkt zijn. Deze simpele regel speelde in op het zwart-witdenken en maakte hem gemakkelijk te volgen.
Om een bestseller te schrijven, hoefde Atkins dus niet gelijk te hebben. Hij hoefde alleen maar extreem te zijn.
Dus, wat doen we eraan?
De eerste stap is het erkennen van onze eigen vooroordelen. Als een bewering onze emoties aanwakkert en we staan te popelen om die te delen of te verwerpen, of als het extreem is en een universeel recept geeft, moeten we voorzichtig te werk gaan.
De tweede stap is het stellen van vragen, vooral als het een bewering is die we graag accepteren. Eerst is het zaak om ‘het tegenovergestelde te overwegen’. Als een onderzoek tot de tegenovergestelde conclusie was gekomen, welke gaten zou je er dan in prikken? Vraag jezelf vervolgens af of deze bedenkingen nog steeds van toepassing zijn, ook al levert het de resultaten op die je wilt.
Neem de overvloed aan onderzoeken die beweren dat duurzaamheid de bedrijfsprestaties verbetert. Wat als een artikel had aangetoond dat duurzaamheid de prestaties verslechtert? Voorstanders van duurzaamheid zouden een heleboel bezwaren opwerpen. Ten eerste, hoe hebben de onderzoekers duurzaamheid gemeten? Waren het de duurzaamheidsclaims van een bedrijf in plaats van de daadwerkelijke uitvoering ervan? Ten tweede, hoe groot was de steekproef die ze analyseerden? Als het een handvol bedrijven betrof door slechts één jaar heen, zou de tegenvallende prestatie te wijten kunnen zijn aan willekeur; er zijn onvoldoende gegevens om sterke conclusies te trekken. Ten derde, is er sprake van oorzakelijkheid of slechts correlatie? Misschien is hoge duurzaamheid niet de oorzaak van lage prestaties, maar is er iets anders, zoals strenge regelgeving, dat beide veroorzaakt. Nu je je ogen hebt geopend voor potentiële problemen, vraag jezelf dan af of ze een bedreiging vormen voor het onderzoek dat je graag wilt aanprijzen.
Een tweede vraag is om je af te vragen wie de auteurs zijn. Denk na over wie het onderzoek heeft geschreven en wat hun motieven zijn om de bewering te doen die ze hebben gedaan. Veel rapporten worden geproduceerd door organisaties die zich richten op belangenbehartiging in plaats van wetenschappelijk onderzoek. Vraag je dan af: ‘Zouden de auteurs het artikel hebben gepubliceerd als het tegenovergestelde resultaat was gevonden?’ Zo niet, dan hebben ze mogelijk selectief gekozen voor hun gegevens of methodologie.
Naast vooringenomenheid is een andere belangrijke eigenschap de expertise van de auteurs in het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Vooraanstaande CEO’s en investeerders hebben aanzienlijke ervaring, en er is niemand beter gekwalificeerd om een verslag te schrijven over de bedrijven die ze hebben geleid of de investeringen die ze hebben gedaan. Sommigen gaan echter verder dan het vertellen van oorlogsverhalen en verkondigen een universele set regels voor succes; maar zonder wetenschappelijk onderzoek weten we niet of deze principes in het algemeen werken. Een simpele vraag is: ‘Als dezelfde studie door dezelfde auteurs was geschreven, met dezelfde referenties, maar de tegenovergestelde resultaten zou vinden, zou je het dan nog steeds geloven?’
Tegenwoordig kan iedereen een bewering doen, een complottheorie lanceren of een statistiek publiceren. Als mensen willen dat het waar is, gaat het viraal. Maar we hebben de middelen om dit te bestrijden. We weten hoe we onderscheidingsvermogen moeten tonen, vragen moeten stellen en eventuele negatieve gevolgen van bedrijfsactiviteiten moeten uitvoeren als een bevinding ons niet bevalt. De truc is om onze vooroordelen te beteugelen en dezelfde kritische blik te gebruiken wanneer we iets zien dat we graag willen accepteren.
de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971
Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa. Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich, terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait. Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen. En jongeren – maar zij niet alleen – verliezen hun vertrouwen in de democratie.
Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis, of zelfs een politieke of een identiteit of etnische. Het is eerder een spirituele crisis. En als je er met deze bril op naar kijkt, zie je overal de tekenen ervan.
Zoals afgelopen zomer toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken, een nationale militaire opbouw aankondigde, met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera. Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd door de algemene Noord-Europese angst voor het expansionistische Rusland. Kort daarna sprak ze een groep studenten van de Universiteit van Aalborg toe waar ze iedereen verraste door te zeggen:
‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’
Ze sprak over het onderscheidingsvermogen dat nodig is om waarheid van onwaarheid te onderscheiden in een wereld waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist, niet meer technologie. Herinvoering van de dienstplicht is één ding, maar mensen overtuigen om te vechten en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders. Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken. Waarom zou Generatie Z vechten voor een economisch systeem dat niet in hun voordeel lijkt te werken, hen geen uitzicht biedt op een eigen huis of een vaste baan, en weinig te bieden heeft om tot heldendom te inspireren? John Lennon stelde zich een wereld voor met ‘niets om voor te doden of te sterven’. Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven, is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.
De oproep van Frederiksen is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa. Een ander is de opkomst van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd. Elites mogen dan neerkijken op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen, maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert en die het verlies betreuren van het culturele en breed christelijke kader dat, in de herinnering van vorige generaties, eeuwenlang het besturingssysteem van het Nederlandse leven vormde. Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig en het gebrek aan iets om het te vervangen, vormen een probleem. Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme, gericht op het vernietigen van het geloof, maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.
Een andere is wat wel de ‘Stille Opwekking‘ wordt genoemd: tekenen van hernieuwd kerkbezoek onder (vooral) jonge mensen. Oplevingen van religie vinden meestal plaats wanneer een gemeenschap voelt dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd. In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels, naar beschikbare bronnen van wijsheid en geruststelling. Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’, maar het is veeleer een teken van een verlangen naar een spirituele betekenis, naar iets heiligs, iets dat niet voor geld te koop is en een waarde heeft die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.
Dus, terug naar verrassende oproep tot spirituele vernieuwing van Mette Frederiksen, in haar eigen land. Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa, Nee, Frederiksen staat niet bekend als een regelmatige kerkganger en haar sociaaldemocratische partij is de afgelopen decennia stond over het algemeen lauw tegenover religie. Toch was ze eerlijk genoeg om het probleem te erkennen. Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden dat de waarheid niet bestaat, is het niet verwonderlijk dat we het moeilijk vinden om waarheid van onwaarheid te onderscheiden. Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd dat de belangrijkste stem om naar te luisteren onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ – is het niet verwonderlijk dat we geen idealen meer hebben om ergens voor te leven of te sterven. Jongeren gaan misschien de straat op vanwege klimaatverandering of Palestina, maar zijn ze bereid hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs, dat dat alles te boven gaat, zelfs als het hun beschaving al generaties lang in stand houdt?
Waarschijnlijk niet. En er is geen reden om te denken dat Denemarken anders is dan welk ander Europees land dan ook. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland, ook al zijn onze politici niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen in het signaleren van het probleem.
Dus waar is het antwoord te vinden? Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:
‘Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken, omdat die een natuurlijke gemeenschap en een nationale basis biedt… Als ik de Kerk was, zou ik nu denken: hoe kunnen we zowel een spiritueel als een fysiek raamwerk zijn voor wat de Denen doormaken?’
Maar daarin schuilt nu juist het probleem. De Deense Kerk, één van de lutherse kerken in Noord-Europa, verkeert niet bepaald in een goede gezondheid: 70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk, maar slechts 2,4 procent van hen komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk – wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.
Filosoof John Gray is vernietigend over de gevangenschap van de westerse kerken in de tijdgeest. Hij beschouwt ze als ‘een weerspiegeling van de verwarring van de tijdgeest in plaats van een coherent alternatief te bieden… dit soort christendom is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’
Dat is misschien wel het probleem, maar het is ook de kans. Het christendom is de standaard spirituele traditie van het Westen. Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit. Anderen komen en gaan, maar dit geloof zit in onze aderen, in ons landschap, onze kunst en ons geheugen. Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen, heeft het talloze mensen geïnspireerd tot een leven van onbaatzuchtige toewijding. Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk, toen een nieuwe middeleeuwse, gekerstende beschaving ontstond uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen, of tijdens de hervormingsbewegingen van de zestiende en zeventiende eeuw, of tijdens de missionaire bewegingen van de negentiende eeuw. Keer op keer is het een katalysator gebleken voor wijsheid om de uitdagingen van de crisis het hoofd te bieden, voor individuele zelfopoffering, culturele vernieuwing en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling: iets om voor te leven en te sterven.
En dat is nog steeds zo. Je hoeft alleen maar terug te denken aan de 21 Libische martelaren – voornamelijk gewone Koptische christenen uit een eenvoudig dorp die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen en die een gruwelijke dood verkozen in plaats van hun geloof in de liefde van Christus te verloochenen, om te laten zien hoe het christelijk geloof iets biedt niet om voor te doden, maar wel om voor te sterven.
Ik twijfel er niet aan dat het christendom dat opnieuw kan bieden. Niet als een terugkeer naar iets uit het verleden, maar in een nieuwe vorm die trouw blijft aan zijn wortels, maar op een manier die er nieuw uitziet; misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.
Kunnen christenen, zoals John Gray het verwoordde, een coherent alternatief bieden voor de verwarring van de tijdgeest in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?
De toekomst, niet alleen van het Europese christendom, maar ook van Europa, hangt er mogelijk van af.
Ja, wat zeggen we dat tegenwoordig vaak tegen elkaar: onze maatschappij is meer gepolariseerd dan ooit tevoren. Maar we hebben het mis. Misschien ervaart de VS nu een bijzonder scherpe tweedeling, maar ze hebben in het verleden hun eigen, veel heftigere problemen gehad. En ook in Europa weten we aardig wat over cultuuroorlogen die oorlogen waren.
Voor de Nederlanden hoeven we maar te denken aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) met de daarbij behorende Beeldenstorm (1566) waarin wij elkaar letterlijk vermoordden over religie en politiek. De Fransen deden iets soortgelijks en nog veel wreedaardiger, een paar eeuwen later. Dát is pas echte polarisatie. Hoe wrokkig de discussies op een X of andere sociale media ook mogen worden, ik denk niet dat Dick Schoof in zijn bed ligt te trillen met het idee dat ze hem binnenkort terecht zullen stellen voor verraad.
Dus misschien heeft onze geschiedenis ons iets te leren over hoe we omgaan met cultuuroorlogen.
Ooit werd er over onze tijd geschreven:
‘de wereld is dienovereenkomstig verdeeld tussen degenen die te veel geloven en degenen die te weinig geloven. Terwijl sommigen alle overtuiging missen, zijn anderen vol van gepassioneerde intensiteit.’
We denken vaak dat onze hedendaagse kloof tussen links en rechts, progressieven en conservatieven iets nieuws is. Maar we kunnen echo’s hiervan vinden in eerdere tijden.
Een voorbeeld hiervan was het midden van de 17e eeuw, de tijd van vele andere omwentelingen in Europa. Een deel van de koortsachtige sfeer van die tijd zag felle discussies tussen rationalisten en sceptici.
Er waren destijds twee brede stromingen in het denken over het mensdom Aan de ene kant waren er de ‘Dogmatici’ die er zeker van waren dat ze alles wisten door gebruik te maken van de rede of de toepassing van filosofische of wetenschappelijke methoden (zoals René Descartes). Aan de andere kant waren er de ‘Sceptici’ die dachten dat alles willekeurig was, of gewoonte, en dat er geen definitieve Waarheid te vinden was (zoals Michel de Montaigne, iemand uit de eeuw daarvoor).
Natuurlijk heeft onze eigen tijd een behoorlijk aantal mensen met een overweldigend vertrouwen in de kracht van menselijke kennis, en met name de natuurwetenschappen, om de geheimen van het leven, het universum en alles te ontsluiten. Het ‘nieuwe atheïstische’ project van Richard Dawkins en vrienden had een enorm vertrouwen in de rede en haar vermogen om ons alles te vertellen wat we moeten weten, waardoor religie in de prullenbak van de geschiedenis belandde en in plaats daarvan een onwrikbaar geloof in de empirische methoden van de wetenschap werd geplaatst. Het had – en heeft – duidelijke overeenkomsten met dit beeld van menselijke kennis.
Maar aan de andere kant hebben we in het progressieve postmoderne project ook degenen die elke vorm van onderliggende rationaliteit of heilige orde, boven of onder ons, verwerpen. Voor hen is er geen onderliggende Waarheid te ontdekken en ze scheppen er genoegen in om de instabiliteit en illusoire aard van elke claim op waarheid te onthullen. Het klinkt heel erg als de cultuuroorlogen van onze tijd.
Blaise Pascal, een homo universalis uit de 17e eeuw bracht een uitweg uit dit dilemma in kaart. Toen hij naar de cultuuroorlog van zijn eeuw keek, dacht hij dat beide kanten een punt hadden. Dan is er, merkte hij op…
‘…open oorlog tussen mensen aan de gang waarin iedereen verplicht is partij te kiezen, hetzij voor de dogmatici, hetzij voor de sceptici, omdat iedereen die denkt neutraal te kunnen blijven, een scepticus bij uitstek is…. Wie zal zo’n kluwen ontwarren? Dit gaat zeker verder dan dogmatisme en scepticisme, verder dan alle menselijke filosofie. De mensheid overstijgt de mensheid. Laten we de sceptici dan toegeven wat ze zo vaak hebben verkondigd, dat de waarheid buiten ons bereik ligt en een onbereikbare prooi is, dat ze geen aardse bewoner is, maar thuis in de hemel, liggend in de schoot van God, om alleen te worden gekend voor zover het hem behaagt haar te openbaren.’
Tot zover, zegt hij, hebben de sceptici, zoals Montaigne, gelijk. De waarheid ligt buiten ons bereik, ze bevindt zich niet hier op aarde, openlijk en klaar om gevonden te worden. Als ze bestaat, dan bestaat ze in een wereld boven ons, buiten ons bereik. Hoe weten we überhaupt of we slapen of wakker zijn, aangezien we er bij dromen net zo van overtuigd zijn dat we wakker zijn als wanneer we echt wakker zijn?
En dus genieten moderne progressieven, die de veronderstelde resultaten van eerdere inzichten willen ontmantelen, vanwege het inherente koloniale, patriarchale of misbruikende verleden, ervan om te laten zien hoe willekeurig en willekeurig zoveel is van wat we als vanzelfsprekend beschouwen uit het verleden. En, zou Pascal toevoegen, ze hebben een punt. Veel van onze juridische, politieke en culturele aannames zijn puur cultureel en willekeurig, en dienen soms gewoon in het voordeel van de rijken en machtigen in plaats van de armen en gemarginaliseerden.
Maar aan de andere kant hebben de ‘dogmatici’, zoals Descartes, hun sterke punt, namelijk dat we natuurlijke principes niet in twijfel kunnen trekken. De zuren van deconstructie kunnen je maar tot op zekere hoogte brengen. De meest sceptische filosoof zet nog steeds de waterkoker aan in de veronderstelling dat het water kookt om een kop thee te zetten. Ze staat ’s ochtends op in de veronderstelling dat de zon aan het eind van de dag opkomt en weer ondergaat. Ondanks de ontwrichtende effecten van scepticisme, schreef Pascal:
“Ik beweer dat er nooit een volkomen oprechte scepticus heeft bestaan. De natuur ondersteunt de hulpeloze rede en voorkomt dat deze zo ongecontroleerd op het verkeerde pad raakt.”
Ondanks al onze twijfels leven we nog steeds in een wereld met orde en voorspelbaarheid. Scepticisme blijft botsen met de realiteit.
Moderne conservatieven wijzen dus op een diepere ‘gegevenheid’ van dingen, een orde binnen de natuurlijke wereld die we niet hebben gecreëerd, en toch, op mysterieuze wijze, lijkt te zijn geregeld voordat we hier kwamen. Wetenschappelijk onderzoek is zinvol. Er is een regelmaat in de natuur waar we op kunnen, en moeten, vertrouwen. We zijn niet helemaal vrij om de natuurlijke orde van dingen te negeren, er is een dieper ritme in de natuur en haar vermogen tot vernieuwing waar we alleen op eigen risico aan sleutelen, zoals klimaatverandering ons heeft geleerd. Als gevolg hiervan zal de eeuwenoude strijd tussen rationalisten en sceptici, progressieven en conservatieven, nooit worden opgelost, aangezien de discussies op en neer gaan.
Het christelijk geloof omvat zowel progressieve als conservatieve impulsen. Christenen zijn zich bewust van de gebrokenheid van de wereld en verlangen er daarom naar dat deze verandert. Het progressieve ongeduld met de manier waarop dingen zijn én het verlangen naar een betere wereld hebben hun wortels in het christelijk geloof.
Tegelijkertijd onderscheidt het christendom een Goddelijk geschapen orde in de wereld, een ritme in de natuurlijke wereld, dat niet kan worden verbroken en gerespecteerd moet worden. Daarom is een inherent conservatisme ook onderdeel van het christelijk geloof. Met andere woorden, het christelijke verhaal kan beide verklaren en een groter beeld bieden dan beide.
Voor Pascal biedt het christendom een diagnose voor dit mysterie van de mensheid, de complexe mix van grootsheid en ellende, oneindigheid en niets, scepticus en rationalist, in het eenvoudige, maar eindeloos generatieve idee dat wij mensen glorieus geschapen zijn, diep gevallen en toch verlossing aangeboden krijgen door Jezus Christus. Ons verdriet is heroïsch en tragisch. In Pascals suggestieve beeld is het ‘de ellende van een grote Heer, de ellende van een onteigende koning.’
‘We tonen onze grootsheid’, zegt Pascal, ‘niet door aan het ene uiterste te staan, maar door beide tegelijk aan te raken en alle ruimte ertussen in te nemen.’ Voor hem wijst het bestaan van zulke cultuuroorlogen op de waarheid van de christelijke diagnose van de menselijke conditie.
Pascal biedt ons een manier om te navigeren tussen de Scylla van het progressivisme en de Charybdis van het conservatisme, of misschien beter, om het beste van beide te omarmen. In cultuuroorlogen is het lastig te navigeren. Toch kunnen ze een oplossing vinden als we ze ons laten wijzen op een diepere realiteit, onze vreemde mix van grootsheid en verdriet. En zonder beide kanten van deze blijvende waarheid uit het oog te verliezen.
The Old Chapel at Rame Head in Cornwall (één van de filmlocaties van Het Zoutpad)
De waarheid achter het boek en de feelgoodfilm van de zomer 2025 The Salt Path (Het Zoutpad) werd kortgeleden in twijfel getrokken. Waarschijnlijk ook gedreven door de komkommertijd, was het verhaal niet uit de media te slaan. Er rezen serieuze vragen over de eerlijkheid van The Salt Path. Kritiek op het verhaal van Raynor Winn over haar wandeling langs de kust van het zuidwesten samen met haar zieke echtgenoot Moth, was de afgelopen tijd zeer fel. Onderzoeken die de echte namen van het duo, hun financiële geschiedenis en de medische onwaarschijnlijkheid van de omkeer in Moths degeneratieve aandoening – zoals beschreven in het boek – onthulden, brachten duizenden lezers tot woede en teleurstelling over het feit dat ze bedrogen waren. Maar erin trappen en ervan leren hoort bij het mens-zijn: een les in hoe je verstandiger kunt vertrouwen, in plaats van helemaal niet te vertrouwen.
Dit soort reacties nodigen ons ook uit om te verklaren hoe sommige van de twee miljoen lezers van The Salt Path het verraad dat sommige voelden. Zij investeerden emotie en empathie in het opbeurende verhaal van een door nood getroffen stel dat troost vindt in de natuur. Want de identificatie met het doorsnee duo op middelbare leeftijd in de verhalen en de overtuiging dat een lange tocht door het zuidwesten een wondermiddel is tegen dakloosheid, financiële problemen en een degeneratieve medische aandoening, maakt de voormalige fans van The Salt Path niet zielig, maar juist prachtig menselijk.
De reputatie van auteur Raynor Winn ligt aan flarden, verscheurd door de onthullingen die aan het licht zijn gekomen door meedogenloze onderzoeksjournalistiek.
Het hartverwarmende verhaal over hoe een stel te maken krijgt met financiële ondergang, dakloosheid en een terminale ziekte tijdens een wandeling over het South West Coast Path, is een inspiratiebron geweest voor velen die het boek hebben gelezen of de film hebben gezien, of allebei. Het verhaal werkt omdat het ons een leven laat zien dat we kennen, de levens die we leiden.
Maar nu moet het in een heel ander licht worden gezien.
Zeker, het artikel onder de kop in The Observer was grondig onderzocht, zorgvuldig opgebouwd en compromisloos in de beweringen die de ontdekkingen, observaties en commentaren op het verhaal impliceerden.
‘… niet haar echte naam
‘… ze was een dief… verduisterde het geld’
‘… gearresteerd en verhoord door de politie’
‘… vijf vonnissen van de rechtbank’
‘… ze bezaten land in Frankrijk’
‘… negen neurologen… waren sceptisch’
Punt voor punt wordt het verhaal achter Het Zoutpad uit elkaar gehaald.
Ten eerste zijn Raynor en Moth Winn niet de ‘echte’ namen van Sally en Tim Walker.
Ten tweede onthulde The Observer dat het echtpaar financiële problemen had om andere redenen dan de mislukte zakelijke investering die ze beweerden te hebben. Als parttime boekhouder voor een makelaar en taxateur werd Sally ervan beschuldigd £64.000 van de rekeningen van het bedrijf te hebben weggesluisd. Hierover werd gemeld dat ze door de politie was gearresteerd en verhoord.
Ten derde waren het de oplopende schulden die ze hadden door de schikking met haar voormalige werkgever, naast andere schulden, die er feitelijk toe leidden dat hun huis in beslag werd genomen en ze dakloos werden. Dus niet de mislukte zakelijke investering.
Ten vierde waren ze niet echt dakloos, aangezien ze een woning bezaten in Frankrijk, in de buurt van Bordeaux. Hoewel deze in vervallen staat en onbewoonbaar was, hadden ze eerder ter plaatse in een caravan gewoond.
En dan ten slotte, in een onthulling die de kern van het verhaal van hun gezamenlijke reis ondermijnde, merkten medische experts op dat het uiterst twijfelachtig was dat Moth al 18 jaar aan corticobasale degeneratie (CBD) leed. De journalist had met negen neurologen contact gehad, en dit was de de consensus. Niet alleen waren Moths symptomen niet wat verwacht werd, de normale levensverwachting met de aandoening was ook tragisch kort: zes tot acht jaar.
The Observer, dat verschillende onderdelen van het onderzoek samenvoegende, legt de lat hoog wat betreft het belang van ‘waarheid’: Het is onacceptabel dat er een idee van waarheid wordt aangepraat wanneer belangrijke passages in het boek verzonnen zijn. Er zijn zowel ‘…zonden van nalatigheid als van nalaten’:
‘Het verhaal bevat ongetwijfeld elementen van waarheid, maar het geeft ook een verkeerd beeld van wie ze waren, hoe ze aan hun reis begonnen en de financiële omstandigheden die de achtergrond vormden.’
Maar denk ik dan: het leven is echter ingewikkeld en er zijn altijd twee kanten aan een verhaal.
In een reactie op haar website beantwoordt Raynor Winn elk van de beschuldigingen één voor één. Te midden van de storm van venijn en bedreigingen die online door het artikel werd ontketend, protesteert ze dat ‘… [het] grotesk oneerlijk en zeer misleidend is en erop gericht is mijn leven systematisch te ontleden.’
Het meest verontrustend is hoe Moth getraumatiseerd is door de suggestie dat zijn diagnose verzonnen is. Naast haar verklaring online heeft Winn brieven van de neurologen die Moth behandelen geplaatst, die zijn diagnose en het verhaal in het boek bevestigen.
Wat betreft de beschuldigingen van verduistering, geeft ze toe dat er problemen waren met een voormalige werkgever. Er werden beschuldigingen ingediend bij de politie en ze werd erover ondervraagd. Er werd echter geen aanklacht ingediend en er werd een schikking getroffen, waaronder het terugbetalen van geld.
‘Alle fouten die ik in de loop der jaren op dat kantoor heb gemaakt, betreur ik ten zeerste, en het spijt me oprecht.’ zegt Raynor Winn
Dit was echter niet de mislukte zakelijke deal die aan de basis lag van hun financiële problemen en die hun dakloosheid en zo het Salt Path-verhaal in gang zette.
Winn meldt dat het pand in Frankrijk een eigen, losstaand verhaal. Toen ze op het dieptepunt van hun problemen overwogen het te verkopen, schatte een lokale Franse makelaar het als vrijwel waardeloos en vond het zinloos om het op de markt te zetten.
Uiteindelijk kozen ze ervoor om zichzelf niet failliet te laten verklaren en hun schulden kwijt te schelden. In plaats daarvan sloten ze een overeenkomst met hun schuldeisers voor minimale aflossingen. Het succes van het boek heeft ervoor gezorgd dat al hun schulden zijn kwijtgescholden.
Wat resteert is de impliciete beschuldiging dat ze niet zijn wie ze beweerden te zijn, dat ze zich verschuilen achter pseudoniemen en niet hun ‘echte’ namen gebruikten. Ze legt uit dat de reden waarom Sally Ann en Tim Walker Raynor en Moth Winn heten, eigenlijk heel eenvoudig is.
In de beginjaren van hun relatie vertelde ze Moth hoezeer ze het niet prettig vond om Sally Ann genoemd te worden en dat ze liever de achternaam Raynor had gehad. Moth noemde haar vanaf dat moment Ray. Winn is haar meisjesnaam. En wat Moth betreft, zijn naam is Timothy dus Moth is op TiMOTHy te herleiden.
Nadat ik het boek had gelezen en de film eerder deze zomer had gezien, was ik vooral onder de indruk van The Salt Path. De menselijkheid van hun verhaal, de reis die ze hadden gemaakt en de inzichten in een goed geleefd leven die het bood.
Toen de bom van The Observer barstte, zakte mijn hart in mijn schoenen. Moraalridders klommen hoog te paard en Raynor Winn werd publiekelijk aan de schandpaal genageld.
Ze trok zich vervolgens terug uit haar aanstaande Saltlines-tournee, waarbij ze tijdens een reeks evenementen voor zou lezen uit haar boeken. Uitgeverij Penguin werd ook opgeroepen om de publicatie van haar volgende boek, dat in oktober zou verschijnen, te annuleren.
Echter, terugkijkend op de onthullingen over het Salt Path-verhaal, vind ik het verhaal nog beter. En om precies dezelfde redenen als voorheen. Omdat het ons het leven weerspiegelt zoals we dat kennen, zoals de levens die we leiden.
Om te beginnen is het leven rommelig. Soms is het zelfs troebel, vol misverstanden, verkeerde interpretaties en geconstrueerde verhalen. Ja, wie van ons heeft nog nooit een fout gemaakt, een verkeerde beslissing genomen of een verkeerde keuze gemaakt, ‘uit zwakte, uit onwetendheid of door onze eigen opzettelijke schuld’? Lijken in vele kasten hebben we allemaal, toch?
En vervolgens, op basis daarvan, creëren we allemaal ons eigen levensverhaal. Of het nu gaat om het samenstellen van onze online aanwezigheid met de afbeeldingen die we op sociale media plaatsen, of de anekdotes die we delen en het gezicht dat we laten zien aan degenen die deel uitmaken van ons dagelijks leven. De aantrekkingskracht is altijd gericht op een versie die ons in het beste daglicht stelt.
Sterker nog, het kan zelfs gaan om de verhalen die we over onszelf vertellen, over onszelf. De interpretatie van wat ons is overkomen en waarom. Interpreteren hoeveel van onze ervaring te danken is aan wat ons is aangedaan of het resultaat is van onze eigen verantwoordelijkheid.
Wanneer we dus de verleiding voelen om iemand af te schrijven vanwege wat hij of zij heeft gedaan, doen we er goed aan om te reflecteren op onze eigen ervaring. Dan zijn we misschien wel dankbaar dat we niet zijn afgeschreven vanwege onze eerdere misstappen. Dit verhaal houdt onszelf dus ook een spiegel voor. Want ondanks het feit dat ze decennialang in kleine, landelijke gemeenschappen hebben gewoond, heeft niemand tijdens de hele controverse rond The Salt Path bijvoorbeeld gezegd dat de Winns of de Walkers misschien wel goede buren waren. Hierover spreken zou zomaar hun volgende avontuur of weer een bestseller kunnen worden.
Verder denk ik aan hoe Jezus zich in zulke omstandigheden gedroeg. Toen een zelfingenomen groep mensen in de Bijbel in Johannes 8 snel een oordeel wilde vellen over de gebrekkige seksuele keuzes van een vrouw, moedigde Jezus degenen die geen schuld hadden aan om als eersten in actie te komen. Langzaamaan beseften ze allemaal wat hij zei en dropen af.
Ik heb het onderstaan gebed van boetedoening altijd enorm nuttig gevonden. Het houdt ons gegrond in de realiteit van onze eigen ervaring en zou ons moeten waarschuwen om anderen niet af te schrijven:
‘Almachtige God, onze hemelse Vader, wij hebben tegen U gezondigd en tegen onze naaste in gedachten, woorden en daden, door nalatigheid, door zwakheid, door onze eigen opzettelijke fout. Het spijt ons oprecht en we berouwen al onze zonden. Omwille van uw Zoon Jezus Christus, die voor ons gestorven is, vergeef ons al het verleden en geef dat wij U mogen dienen in een nieuw leven tot eer van uw naam. Amen.’
Voor al onze lijken in al die kasten is er vergeving.
Voor wat voor ons ligt, hebben we de mogelijkheid om opnieuw te beginnen.
Waar staat ‘de wereld’ als het gaat om het uitleggen van wat zíj gelooft? ‘Zijn we seculier, christelijk of heidens?’, werd bijvoorbeeld na een analyse van de Olympische Spelen in Parijs gevraagd. Staat één manier van denken over onszelf op het punt te worden overschaduwd? Wat is dan secularisme?
De filosoof Charles Taylor maakt onderscheid tussen drie soorten secularisme. Eén daarvan houdt in dat de religieuze aanwezigheid in het openbare leven wordt weggevaagd. De output van veel omroepen weerspiegelt deze tendens. Ten tweede kan secularisme ook worden gezien in een afname van persoonlijke religieuze praktijken, vaak gelijktijdig met een terugtrekking uit de gemeenschap naar het individualisme. Taylors derde vorm van secularisme berust op de teloorgang van kerken en andere geloofsgemeenschappen als bronnen van normen die persoonlijk gedrag bepalen.
Dat christenen last hebben van alle drie de vormen is duidelijk genoeg. Zij zouden ook hun deel van de schuld op zich moeten nemen. De kerk heeft duidelijk soms desillusie of scepsis gevoed. Maar alternatieve visies zouden ook kritisch bekeken moeten worden.
‘Type één’ secularisme komt erop neer dat mensen van geloof wordt verteld dat ze vrij zijn om te geloven en te praktiseren als ze dat willen, maar dat hun overtuigingen volledig transcendent moeten zijn en helemaal niet immanent. Met andere woorden, religie is acceptabel als een excentrieke privéhobby omdat zowel type één als type twee secularisme inhoudt dat gemeenschappen van spirituele overtuiging in deze betuttelende termen worden gezien.
Wat betreft de vraag hoe secularisme het uitgeholde publieke plein vult: tegenstanders van ‘publieke’ religie hebben weinig aansluiting bij Taylors derde categorie. Dit betekent dat hun standpunt zowel zelf-tegenstrijdig als in wezen negatief kan lijken. Zeggen ‘niemand mag beweren dat zijn opvattingen normatief zijn’ is op zichzelf een normatieve uitspraak doen.
Bij nadere beschouwing lijken de zaken dus nog duisterder. Hoewel het zichzelf presenteert als een gunstig negatief groot verhaal, bevindt seculier rationalisme zich in een ongemakkelijke en onopgeloste relatie met postmodernisme, waarvan exponenten gevaarlijk en/of vervelend ‘alternatieve’ feiten of ‘mijn waarheid’ (Donald Trump) beweert. Als zelfs een atheïstische vaandeldrager als Friedrich Nietzsche al voorspelde dat de dood van God nihilisme en totalitarisme zou voortbrengen, dan is de westerse samenleving wellicht in veel groter gevaar dan algemeen wordt aangenomen. Misschien – zoals rabbijn Jonathan Sacks waarschuwde – zou zo’n ‘spirituele klimaatverandering’ op één lijn moeten worden gesteld met de milieucrisis.
Het is dan ook geen wonder dat deze ‘punten’ van het christendom vanwege de sociale zegeningen die het met zich meebrengt regelmatig worden onderschreven door zowel de niet-gelovigen als de gelovigen.
Toch nóg een post naar aanleiding van de geloofsbelijdenis van Nicea Ditmaal meer over belijdenissen in z’n algemeenheid.
zoals ik al eerder schreef markeert 2025 de 1700e verjaardag van het opstellen van deze geloofsbelijdenis. Een belijdenis is vorm die de Kerk tot op de dag van vandaag blijft zeggen om haar geloof te belijden en uit te leggen. Overal ter wereld reageren christelijke gemeenschappen op deze mijlpaal door opnieuw na te denken over de inhoud van die verklaring, de waarheid en ook over de vorm ervan: een geloofsbelijdenis.
Maar de Kerk is geen bron van waarheid. De Kerk kan belijden wat waar is, maar waarheid is niet haar bezit om ermee te doen wat ze wil. Voortkomend uit Jezus’ opmerkingen in Johannes 14 vers 6 heeft de christelijke traditie over de waarheid nagedacht. Als waarheid primair verband houdt met de persoon van Jezus Christus, dan is waarheid iets fundamentelers dan de Kerk. De Kerk heeft haar basis in de waarheid in plaats van dat de waarheid haar basis heeft in de Kerk.
Een geloofsbelijdenis is een uitdrukking van het geloof dat dit de stand van zaken is. Meer dan dat, het is een verklaring van de toewijding van jezelf aan deze stand van zaken. Het uitspreken van een geloofsbelijdenis is een existentiële daad, een beslissing, hiervoor. Het is een beslissing voor datgene wat we niet hebben gecreëerd en waar we geen controle over hebben. En zelfs daarbuiten is het een beslissing die we niet eens hebben genomen! Het was een beslissing die door christenen vóór ons werd genomen die dit en niet dat bepaalden.
Het is moeilijk om een daad te bedenken die minder in overeenstemming is met een ‘moderne’ menselijke geest. Als Immanuel Kant gelijk had dat Verlichting de ‘ontstaan van de mensheid uit zijn [sic] zelfveroorzaakte onvolwassenheid’ is, waarbij deze onvolwassenheid wordt gedefinieerd als ‘het onvermogen om je eigen begrip te gebruiken zonder de begeleiding van een ander’, dan staat de praktijk van het belijden van een waarheid die we niet persoonlijk hebben bepaald gelijk aan het in ons denken zelf niet verder komen dan de een kinderwagen.
Dichter bij huis spreken de geloofsbelijdenissen op een manier die niet altijd overeenkomt met onze ervaring. Er is een waarheid die zelfs fundamenteler is dan wat ik tot waarheid verleid Geloofsbelijdenissen zijn hulpmiddelen om een gemeenschappelijke opvatting te vestigen over landgrenzen en talen heen. Een gemeenschappelijke afhankelijkheid aan de waarheid die fundamenteel en universeel is, ongeacht de bijzonderheid van de ervaring.
Daarnaast worden de uitspraken die in geloofsbelijdenissen worden gedaan mogelijk niet als waar gezien. De ervaring kan in feite een andere richting inslaan. De wereld met al haar problemen en pijnen lijkt misschien niet de schepping van een almachtige en welwillende Heer. De Geest die Heer en gever van leven is, lijkt misschien niet de nieuwe vitaliteit van het tijdperk dat in het heden komt, te ademen. De kerk lijkt misschien niet altijd één en heilig te zijn.
Waarom dan geloofsbelijdenissen?
Dat wat we hebben en weten, is wat we hebben ontvangen, is ingebakken in de aard van de christelijke aanspraak om iets over God te weten in plaats van niets.
In die tijd zei Jezus:
‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u! Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen. Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen. Ja, Vader, zo wilde u het doen. Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven. Alleen de Vader kent de Zoon. En alleen de Zoon kent de Vader. En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’ (Mattheüs 11,25-27)
God kennen is niet iets dat in onszelf geworteld is. God de Zoon is mens geworden en kent de Vader als een van ons en voor ons allemaal. Het is op basis van zijn belijdenis van God als Vader dat wij God als Vader belijden.
De voortdurende en herhaalde praktijk van het uitspreken van de geloofsbelijdenis herinnert ons eraan dat de mogelijkheid om over God en het werk van God te spreken geen menselijke mogelijkheid is. Het is een mogelijkheid voor ons op basis van de gegeven gebeurtenis van Gods toespraak tot ons. Wij letten op datgene wat gegeven is. Het is een daad van geloof waardoor wij steeds weer terugkeren naar het Woord van God zoals de Kerk het heeft ontvangen.
Pontius Pilatus wast zijn handen in onschuld, olie op hout, 107 x 122 cm, Vlaamse School, eerste helft 16de eeuw (naar Vilmos Tátrai)
Hoe reageer je op figuren als Trump?
In aanloop naar Pasen en terwijl ik mijzelf ook voorbereid op preek voor Pasen, vallen mij enkele lijnen op vanuit het passie evangelie naar de huidige tijd. Het begon met de schandelijke vleierijen van president Macron en premier Starmer om president Donald Trump in de Oval Office in het Witte Huis te pleasen.
Het begon te lijken op de dertig zilverlingen. Werd Oekraïne hier verraden voor de snuisterijen en snuisterijen, alleen maar om in de gunst te blijven bij de machtigste man ter wereld?
Nu we net met de eerste volle week van de Veertigdagentijd bezig zijn, krijgen deze gedachten een fellere focus nu de personages uit de Passietijd van Pasen hun plaats lijken in te nemen in onze wereldpolitiek.
Lijkt de Amerikaanse vicepresident J.D. Vance een beetje op de hogepriester van de tempel van Jeruzalem, Kajafas, als hij retorisch eist: ‘Het is beter voor u dat één man sterft voor het volk dan dat de hele natie ten onder gaat’? Is de prijs van het ten val brengen van Zelensky en het sussen van de Russische Vladimir Poetin het niet waard voor vrede in Oekraïne?
Het zou gebruikelijk kunnen zijn in een column als deze om kenmerken van de cast van de Passie van Christus toe te schrijven aan de leiders van de huidige grootmachten. Maar dat is te gemakkelijk en werkt niet echt. Macron en Starmer zijn geen Judas. Hun hoffelijke vleierij van Trump ging vooraf aan de poging tot vernedering van Zelensky in Washington, waar op 28 februari met de mores van vastgoedmaffiosi en een dosis emotioneel incontinentie Trump en Vance president Volodymyr Zelensky het Witte Huis uit brulden.
Nee, Macron en Starmer zijn geen verraders van Zelensky, integendeel. En hoe dan ook, door hun in die rol te casten, riskeer je de heiligschennis van het vergoddelijken van Zelensky, die absoluut niet de Messias is. Je hoeft inderdaad geen toegewijde Trump-fan te zijn om op te merken dat zijn optreden voor Trump en Vance niet messiaans was, maar eerder dat van een heel ondeugende jongen.
Maar zulke vergelijkingen gaan ons niet ver brengen. Misschien is het beter om ze andersom te draaien. Van grotere waarde is misschien om de machtsspelletjes die we zojuist op ons wereldtoneel hebben gezien beter te gebruiken om het spel te begrijpen dat we binnenkort in Jeruzalem van een paar millennia geleden zullen herdenken.
Door dat te doen, kunnen we misschien zelfs een kijkje nemen in een aantal inzichten die elke zaak ontkrachten dat de historische gebeurtenissen van de Passietijd vandaag de dag niet relevant zijn. En dit gaat niet alleen over politiek, het gaat over ons menselijk vermogen tot machtsmisbruik.
Neem die scène in het Oval Office toen Zelensky werd gepest door de twee machtigste figuren (met uitzondering van Elon Musk) in het nieuwe Amerikaanse regime. Het is een klassiek wapen in elke huiselijke geweldsrelatie om het slachtoffer de schuld te geven. Zo waren Trump/Vance er als de kippen bij Zelensky de schuld te geven voor zijn onderdrukking door Rusland.
En zo was het ook toen de Nazarener voor Pontius Pilatus stond, de woordvoerder van de machtigste man op aarde van zijn tijd, de keizer van Rome, Tiberius. De overeenkomsten tussen de twee situaties zijn opvallend. En niet alleen omdat je er redelijkerwijs aan kunt twijfelen dat Jezus van Nazareth die dag ook een pak droeg.
De laatste, een mishandelde ambachtsman en rabbi uit de provincieheuvels en een man ‘zonder zonde’, is een klassiek onderwerp van slachtofferbeschuldiging. Net als Trump wilde Pilatus gewoon een deal sluiten om de vrede te bewaren. Net als Trump vertelde hij Jezus dat Hij niet genoeg waardering had voor wat hij voor Hem probeerde te doen. Net als Trump vertelde Hij hem dat hij absolute macht had over zijn lot. En net als Trump is hij er zeker van dat waarheid alles is wat hij wenst dat het is op het moment dat hij minachtend vraagt: ‘Wat is waarheid?’
De intrigerende vraag is hoe dit ons vertelt te reageren op de Trumps en Pilatus van deze wereld. In de directe omstandigheden van verhoor in zowel het Oval Office als het praetorium, lijkt het antwoord deels stilte te zijn. Christus kiest het; Zelensky krijgt het opgedrongen door de dwingende controle van zijn gesprekspartners.
Nogmaals, ik doe geen aanspraak op een Christus-achtige Zelensky. Maar stilte als menselijk antwoord vindt steevast zijn oorsprong in nederigheid. In de meest wereldse zin is dat nu heel duidelijk in de verzoenende woorden van de Oekraïense president richting zijn pestkop, die zijn leiderschap ‘sterk’ noemt, spijt heeft van hoe de vergadering is verlopen en bereidheid uitdrukt om terug te keren naar de onderhandelingstafel.
Nederigheid is geen zwakte. Het brengt de kracht van vrede en maakt de triomf van liefde mogelijk. Dat is de les van tweeduizend jaar geleden. En de les is ook dat er niets goeds kan voortkomen uit een totaal gebrek daaraan, net als voor Trump en Pilatus.
Een ander fenomeen dat met deze huidige technologische ontwikkeling kan optreden is de ‘angst voor het algoritme’. Je kunt het omschrijven als ‘het besef dat we constant te maken hebben met geautomatiseerde technologische processen die buiten ons begrip en onze controle liggen, of het nu gaat om onze Facebook-feeds, Google Maps-routebeschrijvingen of Amazon-productpromoties.’
Want we begrijpen algoritmes totaal niet. Zelfs als we dat wel zouden weten, zouden we niet weten hoe ze daadwerkelijk op ons werken, omdat elk technologiebedrijf het geheim houdt, zodat concurrenten er niet van kunnen leren. Dit heeft ertoe geleid dat het algoritme de nieuwste boeman van deze tijd is geworden, een spook waar we in gesprekken naar kunnen verwijzen om ons technisch onderlegd en cultureel onderlegd te laten klinken, zelfs terwijl we in het duister blijven tasten. Dat we een ‘konijnenhol’ in worden getrokken waar we niet meer uit kunnen komen. Zo kan een algoritme gaan werken.
Een van de vreemdste uitkomsten van de opkomst van het algoritme zijn de schijnbaar enorme effecten op politiek en cultuur. In de politiek heeft het mensen gepolariseerd, ons in tegenovergestelde kampen verdeeld en er vervolgens voor gezorgd dat we alleen maar goede dingen horen over onze ‘kant’ en alleen maar krankzinnige dingen over de ‘tegengestelde’ kant. In plaats van rustig naar een andere mening te luisteren, slingeren we anderen beledigingen naar het hoofd.
Iets anders gebeurt met de cultuur. Hier maakt het algoritme cultuur homogener; Anders gezegd: het wordt meer ‘afgeplat’: het populaire ‘bijzondere’ wordt populairder en het ‘gewone’ nog minder zichtbaar. Het is een vreemde remix van Jezus voor het digitale tijdperk: ‘aan allen die hebben, zal meer worden gegeven… maar van hen die niets hebben, zal zelfs wat ze hebben worden afgenomen.’
Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat het leven van een Instagram-bericht wordt bepaald in de eerste vijf minuten: Als mensen het ‘liken’, kan het zeker zijn van meer populariteit; als mensen geen interesse tonen, zal het zinken. Zichtbaarheid op sociale media is van vitaal belang voor veel mensen, omdat dit is waar alle publiciteit begint. Men probeert het systeem te omzeilen en proberen erachter te komen wat voor soort content het algoritme zal promoten. In het proces wordt hun creatieve expressie subtiel gecompromitteerd. Mensen beginnen te schrijven in een stijl die aandacht trekt, en wat aandacht krijgt, wordt bepaald door het algoritme. Degenen die tweeten, weten hoe het korte, uitgeklede medium hun leven begint te beïnvloeden als ze niet op X zijn. Veel cultuur heeft nu het holle, lege gevoel dat het door algoritmen is gemaakt. Het algoritmisch een synoniem is geworden voor alles wat te glad, te reducerend of te geoptimaliseerd aanvoelt om aandacht te trekken.
Er is een tegenargument tegen deze ontwikkeling. Vroeger werd wat we lazen, hoorden en zagen als culturele consumenten bepaald door een kleine groep experts die content voor ons filterden. Deze experts kwamen vaak uit een klein deel van de samenleving die onvermijdelijk hun eigen vooroordelen inbrachten. Hoewel dit waar kan zijn, is het nauwelijks een triomf voor het publiek om een gevoelloze gadget – zoals het algoritme – te laten beslissen wat het beste voor hen is, op basis van wat we eerder leuk vonden en wat de meeste mensen lijkt aan te spreken.
Maar de waarheid is dat we door ons noodzakelijkerwijs over te geven aan het algoritme (want welk alternatief is er online?) enorme hoeveelheden cultuur missen die ons misschien wel zouden aanspreken. Het is ongeveer net zo effectief als beslissen welk zeeleven we leuk vinden op basis van wat er aan de oppervlakte van het water opduikt.
De beste kunst is niet altijd de meest populaire en er is een risico dat de Goddelijke vonk van uitvinding die de God de Schepper in ieder van ons heeft gelegd – het onbeperkte potentieel om naar het evenbeeld van God te worden geschapen – niet zo vaak zal worden aangewakkerd als zou kunnen. Het najagen van likes is geen vervanging voor geduldige inspiratie. Het is vaak aan de randen dat doorbraken ontstaan; kunst die ons deze wereld in een nieuw en Goddelijk licht laat zien.
‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij die op de troon zit in Openbaring. Maar dat algoritmes alle dingen gelijkvormig maken, is de realiteit waarmee we leren leven. We worden verleid om niet onszelf te zijn.
De VERleiding is sterk. Wie is jouw leider? Of om in de terminologie te blijven: door welk A/algoritme laat jij je leiden?