Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!

Afgelopen zondag vierden de christenen het Pinksterfeest:
de uitstorting van de Heilige Geest op mensen.
‘Met deze uitstorting wordt ook het begin
van de christelijke kerk gemarkeerd.
Het kan als zodanig tevens als de eerste christelijke opwekking
worden gezien’ vind je op Wikipedia.

Het is dan ook niet voor niets dat de grote Opwekkingsconferentie
in Nederland altijd met Pinksteren is.
Gelijktijdig aan deze conferentie wordt meestal
een aantal nieuwe ‘Opwekkingsliederen’ gelanceerd.
Liederen die christenen in vuur en vlam willen zetten voor hun geloof.

Maar hoe zit dat met dat vuur van ons?
Onze tijd, onze cultuur. Ons leven is vaak intens, veeleisend.
Er ligt op allerlei manieren veel druk op ons bestaan.
Om staande te blijven en succes te hebben
moet je heel wat in huis hebben aan competenties en kwaliteiten.

Je kunt op een bepaalde laag van je leven
een heel druk en dynamisch leven leiden
en ook een veelzijdig vrije tijds leven vol met interessante en leuke dingen. Maar op een diepere laag kan intussen het vuur doven.
En op een dag hoor je jezelf zeggen:
het doet me niets meer. Ik voel het niet meer. En je stapt er uit.
Uit je huwelijk. Of uit je geloof.
Veel mensen zetten zulke drastische stappen niet.
Blijven hun dingen doen terwijl het vuur gedoofd is.
Maar je voelt ergens wel dat alles plichtmatig aanvoelt,
stroef en niet erg bezield.
Je staat niet meer in vuur en vlam.

Ja, het is best verleidelijk om gewoon door te leven.
Om gewoon niet teveel aandacht te schenken
aan dat wat ooit een vuur was en nu op z’n best een waakvlam is geworden. Aan hoe het gaat met je ziel.
Soulsearching noemen we dat.
Je komt naar Kruispunt met van alles aan je hoofd.
Een lijf dat vol zit van opgebouwde stress
en diep van binnen een ziel die nogal vermoeid is.
En je wilt een kerkdienst waarin je vooral bemoedigd wordt.
Door een fijn lied, een inspirerend verhaal
waar je ook praktisch iets mee kunt in het leven zoals je dat leidt.
Iets opbouwends graag, niet teveel problematiseren
het leven is immers al ingewikkeld genoeg.
Het kan zomaar zo zijn dat op deze manier
een heel deel van ons leven buiten schot blijft
en dat deel niet wordt bereikt, niet wordt aangesproken.

Het nachtgezicht van Zacharia nodigt uit om de diepere laag op te zoeken. De laag onder die van menselijke moeten.
De laag onder alles waartoe wij zelf in staat zijn.
De laag van de onderliggende bronnen.
Als we een leven willen leiden als lichtdrager.
Als we een leven willen leiden
dat vrucht draagt dan gaat dat alleen
als we aangesloten zijn op de bron van leven.

Waar is mijn leven nu ten diepste in geworteld?
Wat voedt mij, wat drijft mij? Wat bezielt mij?
Ben ik er vooral goed in om het beste uit mezelf te halen.
En is dat het dan waarmee ik het moet doen?
Of brandt er in mij iets van een heilig vuur?
Dat wordt gevoed door de olie van Gods Geest?

Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing.
Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen
die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken.
Verlost te worden van de constante stroom aan berichten
over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens,
maatregelen en overtredingen.
Verlost te worden van de eenzaamheid.
Verlost te worden van het afstand houden.
Verlost te worden van een kerk
waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen.
Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen.
Vatbaar voor berichten over nepverlossing.
Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk.
Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben
en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering,
op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan.
Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.

Maar wat is de boodschap die verlost?
Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst:
hoe gaan we Kerst vieren?
Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner?
De gesprekken domineren persconferenties en talkshows.
En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend,
nog meer dan vorige jaren.
Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent.
Oftewel: we willen snel doorspoelen,
fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding.
Misschien omdat we denken
dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving.
Toch wordt het geen Kerst zonder Advent.
Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer,
en vergeving vragen voor wat scheef zit.

In het begin van de coronacrisis las ik een reactie
op de situatie waar we in verkeren.
Bisschop Steven Charleston schreef:
‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid.
Nu is het moment dat we alles wat we geloven,
kunnen inzetten. (..)
we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid.
We hebben ons leven gewijd aan het geloof
dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte.
We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest.
Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven.
Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie.
Precies de dingen waar wij voor zijn getraind.
Wij zijn de kalmte middenin de storm.
Dus laat je licht schijnen
zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’
Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi.
Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend.
En dat hebben we nodig, juist nu.

Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd.
Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis.
Zacharias behoorde tot de priesterorde.
Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God.
Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken
naar dit moment om dient te doen in de tempel,
en het reukoffer te brengen.
Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was.
Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven.
Hij wordt met stomheid geslagen.
En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven.
Na het moment van het reukoffer brengen,
het andere moment suprême van zijn tempeldienst.
Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel.
En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.

Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis,
dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen.
Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak.
Ik vraag het me af of het waar is.
Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft,
hij al die jaren voor klaargestoomd was.
En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie.
Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt.
Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt:
de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.