Toch nóg een post naar aanleiding van de geloofsbelijdenis van Nicea Ditmaal meer over belijdenissen in z’n algemeenheid.
zoals ik al eerder schreef markeert 2025 de 1700e verjaardag van het opstellen van deze geloofsbelijdenis. Een belijdenis is vorm die de Kerk tot op de dag van vandaag blijft zeggen om haar geloof te belijden en uit te leggen. Overal ter wereld reageren christelijke gemeenschappen op deze mijlpaal door opnieuw na te denken over de inhoud van die verklaring, de waarheid en ook over de vorm ervan: een geloofsbelijdenis.
Maar de Kerk is geen bron van waarheid. De Kerk kan belijden wat waar is, maar waarheid is niet haar bezit om ermee te doen wat ze wil. Voortkomend uit Jezus’ opmerkingen in Johannes 14 vers 6 heeft de christelijke traditie over de waarheid nagedacht. Als waarheid primair verband houdt met de persoon van Jezus Christus, dan is waarheid iets fundamentelers dan de Kerk. De Kerk heeft haar basis in de waarheid in plaats van dat de waarheid haar basis heeft in de Kerk.
Een geloofsbelijdenis is een uitdrukking van het geloof dat dit de stand van zaken is. Meer dan dat, het is een verklaring van de toewijding van jezelf aan deze stand van zaken. Het uitspreken van een geloofsbelijdenis is een existentiële daad, een beslissing, hiervoor. Het is een beslissing voor datgene wat we niet hebben gecreëerd en waar we geen controle over hebben. En zelfs daarbuiten is het een beslissing die we niet eens hebben genomen! Het was een beslissing die door christenen vóór ons werd genomen die dit en niet dat bepaalden.
Het is moeilijk om een daad te bedenken die minder in overeenstemming is met een ‘moderne’ menselijke geest. Als Immanuel Kant gelijk had dat Verlichting de ‘ontstaan van de mensheid uit zijn [sic] zelfveroorzaakte onvolwassenheid’ is, waarbij deze onvolwassenheid wordt gedefinieerd als ‘het onvermogen om je eigen begrip te gebruiken zonder de begeleiding van een ander’, dan staat de praktijk van het belijden van een waarheid die we niet persoonlijk hebben bepaald gelijk aan het in ons denken zelf niet verder komen dan de een kinderwagen.
Dichter bij huis spreken de geloofsbelijdenissen op een manier die niet altijd overeenkomt met onze ervaring. Er is een waarheid die zelfs fundamenteler is dan wat ik tot waarheid verleid Geloofsbelijdenissen zijn hulpmiddelen om een gemeenschappelijke opvatting te vestigen over landgrenzen en talen heen. Een gemeenschappelijke afhankelijkheid aan de waarheid die fundamenteel en universeel is, ongeacht de bijzonderheid van de ervaring.
Daarnaast worden de uitspraken die in geloofsbelijdenissen worden gedaan mogelijk niet als waar gezien. De ervaring kan in feite een andere richting inslaan. De wereld met al haar problemen en pijnen lijkt misschien niet de schepping van een almachtige en welwillende Heer. De Geest die Heer en gever van leven is, lijkt misschien niet de nieuwe vitaliteit van het tijdperk dat in het heden komt, te ademen. De kerk lijkt misschien niet altijd één en heilig te zijn.
Waarom dan geloofsbelijdenissen?
Dat wat we hebben en weten, is wat we hebben ontvangen, is ingebakken in de aard van de christelijke aanspraak om iets over God te weten in plaats van niets.
In die tijd zei Jezus:
‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u! Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen. Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen. Ja, Vader, zo wilde u het doen. Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven. Alleen de Vader kent de Zoon. En alleen de Zoon kent de Vader. En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’ (Mattheüs 11,25-27)
God kennen is niet iets dat in onszelf geworteld is. God de Zoon is mens geworden en kent de Vader als een van ons en voor ons allemaal. Het is op basis van zijn belijdenis van God als Vader dat wij God als Vader belijden.
De voortdurende en herhaalde praktijk van het uitspreken van de geloofsbelijdenis herinnert ons eraan dat de mogelijkheid om over God en het werk van God te spreken geen menselijke mogelijkheid is. Het is een mogelijkheid voor ons op basis van de gegeven gebeurtenis van Gods toespraak tot ons. Wij letten op datgene wat gegeven is. Het is een daad van geloof waardoor wij steeds weer terugkeren naar het Woord van God zoals de Kerk het heeft ontvangen.
motto van Maarten Luther overgenomen als argument door de boeren
Naast de herdenking van het verschijnen van de geloofsbelijdenis van Nicea 1700 jaar geleden, is het ook vijfhonderd geleden dat de Duitse Boerenoorlog plaatsvond. Dit was de grootste revolutie vóór de Franse Revolutie in 1789. Deze Boerenoorlog (Deutscher Bauernkrieg) van 23 juni 1524 tot 15 mei 1525 was een opstand van boeren en lage edelen die begon in het Zwarte Woud en Baden-Württemberg in het toenmalige Heilige Roomse Rijk. Het betrof ook een godsdienstoorlog, kort na het op gang komen van de Reformatie. Prediker-opstandelingen zoals Thomas Müntzer en Nicholas Storch, predikers uit het Saksische Zwickau (die bekend stonden als de Zwickauers), brachten met hun verzetspreken andere opstandelingen in beweging. De fakkel werden overgenomen door andere rondtrekkende predikers over heel het Rooms-Duitse Rijk, namelijk Balthasar Hubmaier (Waldshut), Johannes Denk (Neurenberg) en Sebastian Franck (Donauwörth). Ook opportunistische of zich bedreigd voelende verarmde lage edelen sloten zich aan zoals Florian Geyer en Götz von Berlichingen.
Oorzaken van de Duitse Boerenoorlog De belangrijkste oorzaak van de opstand van boeren, en ook lagere edelen, was dus onder andere het lijfeigenschap. Zo kwamen de boeren in de roerige tijd kort na de Reformatie, in opstand tegen het systeem van feodalisme en horigheid waarvan ze deel uitmaakten. Ze moesten voor de adel allerlei diensten doen en fikse belastingen betalen aan zowel de adel als de Rooms-Katholieke Kerk. De motivatie voor hun opstand vonden veel boeren in ideeën van de Reformatie – en met name Maarten Luthers die een accent op vrijheid en onafhankelijkheid (‘een christen is niemands onderdaan’) legde. Zo verwezen de boeren in hun eisenpakket, dat ze in 1525 opstelden en de ‘Twaalf artikelen van Memmingen’ genoemd wordt, meermalen naar de Bijbel én naar Luthers boekje Over de vrijheid van een christen uit 1520. Al in 1493 met de Bundschuh-Bewegung, maar zeker vanaf 1518 ontstonden er met name in het westen en zuiden van het Heilige Roomse Rijk opstanden van boeren, die in 1524 escaleerden in oorlog. Na eerst welwillend tegenover deze revolutie te staan stelde Luther zich uiteindelijk afwijzend tegenover de Duitse Boerenoorlog en publiceerde daarover in 1525 het pamflet Wider die Mordischen und Reubischen Rotten der Bawren. Andere reformatoren, onder wie Huldrych Zwingli en Thomas Müntzer (Monezer), spraken zich wel uit voor de boeren.
Verloop van de Duitse Boerenoorlog De onrust ontstond vanaf 1524 met name door rondtrekkende predikanten, die opruiende preken hielden. Een soort prelude dus van de hagenpreken, die in 1566 in de Republiek der Nederlanden tot de Beeldenstorm leiden. De boeren vormen op tal van plekken in het zuiden en westen van het Heilige Roomse Rijk eigen legertjes. Hiermee vielen ze burchten, kastelen, kerken en kloosters aan. De vorsten verdedigden zich door huurlegers samen te stellen. De eerste grote slag in de Duitse Boerenoorlog vond plaats op 23 juni 1524 in het Wutachtal nabij Stühlingen. Een groot leger van boeren trok hierbij op tegen graaf Sigmund II von Lupfen. In de veldslagen en schermutselingen die in het jaar hierna nog volgden, vielen in totaal tussen de 70.000 en 100.000 doden.
De Boerenoorlog in het Heilige Roomse Rijk kwam op 15 mei 1525 officieel ten einde, toen de samenwerkende Duitse vorsten de boeren versloegen in de Slag bij Frankenhausen. Zo’n 6000 goed bewapende Saksische en Hessische troepen, zowel voetvolk als ruiterij, onder leiding van graaf Georg met de Baard en Filips I van Hessen, versloegen een provisorisch bewapend boerenleger. De boeren, meer dan 6000 man, werden uitgemoord. Een dag later werden nog eens 300 gevangengenomen boeren, met name leiders, geëxecuteerd. Deze executies voerden de vorsten zonder proces uit. Er werden ook boeren vrijgelaten, maar zij kwamen in de rijksban ofwel: ze werden vogelvrij verklaard.
Belangrijkste gevolgen van de Duitse Boerenoorlog De boeren kregen niet wat ze wilden en de heersende macht, de adel en geestelijkheid, behield zijn macht. Daarbij verloor de lage landadel – door de verwoestingen en chaos tijdens de oorlog – haar macht aan de hogere adel.
Het zou nog tot 1848 duren voordat het feodalisme in Duitsland officieel afgeschaft werd. Dat was rijkelijk laat vergeleken met bijvoorbeeld Frankrijk, waar dit tijdens de Franse Revolutie van 1789 ‘al’ gebeurde.
In deze periode van ‘IJsheiligen’ (11-14 [15] mei 2025) een – vind ik – toepasselijke blogpost.
Eerst maar eens de weerkundige feiten: IJsheiligen valt ieder jaar op dezelfde data in mei, namelijk op 11, 12, 13, 14 en soms ook 15 mei. Het zijn de naamdagen van een aantal katholieke heiligen, namelijk Mamertus (11 mei), Pancratius (12 mei), Servatius (13 mei), Bonifatius (14 mei) [en dus soms ook Sophia van Rome (15 mei)].
Hoewel we in Nederland geen grote festiviteiten kennen rondom IJsheiligen, betekent het niet dat deze dagen nergens gevierd worden. In sommige delen van Europa (zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland) worden door traditionele gemeenschappen feestelijke bijeenkomsten gehouden tijdens IJsheiligen, zoals processies en speciale kerkdiensten. Die lokale tradities en rituelen zijn vaak kleurrijk en levendig, met lokale kostuums, muziek en dans. Volgens de volksweerkunde zijn deze dagen in mei de laatste dagen in het voorjaar waarop er soms nog nachtvorst is. IJsheiligen wordt gezien als de overgang naar dagen met een zomers karakter. Het is niet uitgesloten dat er na half mei nog nachtvorst optreedt, maar die kans is zeer klein.
Vanouds vormt de heiligenverering een belangrijk punt van verschil tussen de de Rooms-katholieke kerk en de protestantse kerken. In de Rooms-katholieke geloofsbeleving zijn heiligen niet weg te denken, van de naam van parochies en kerken tot schietgebedjes aan sint Antonius als er iets kwijt is. Protestanten hebben juist weinig met heiligen. Dat is te verklaren vanuit de tijd dat deze kerken ontstonden. In die tijd, aan het einde van de middeleeuwen, namen heiligen soms in de praktijk de plek in van God. Nu doet zich de laatste tijd het volgende opmerkelijke fenomeen voor: in de Rooms-katholieke kerk werden de heiligen veel minder belangrijk, heel wat beelden zijn sinds de jaren zestig zelfs letterlijk uit de kerken verwijderd. Heiligen worden, als ik het goed zie, ook meer gepresenteerd als voorbeelden dan als tussenpersonen richting de hemel.
Maar bij protestanten groeit de laatste tijd echter juist het besef dat voorbeelden en verhalen over geleefd geloof belangrijk zijn. Geloof is geen theorie, het stempelt als het goed is heel het leven. Dat dat kán, en hoe dat eruit ziet, zie je in de levens van sommige gelovigen heel goed. Daarom is het goed over hen te horen en hun herinnering levend te houden. Niet om ze te vereren, maar om ervan te leren! Daarom hierbij een verhaal van een ‘protestantse (ijs)heilige’, iemand die iets laat zien van wat gelovig leven is: het verhaal van Dirk Willemsz. Hij leefde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog, een tijd van religieuze en burgerlijke onrust. Deze Dirk zat aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog gevangen vanwege zijn geloof in het kasteel van Asperen. Het zag er naar uit dat hij op de brandstapel zou belanden, want dat was destijds de gebruikelijke straf voor ketters. Gelukkig had een bezoeker hem een vijl kunnen toespelen. Daarmee ging Dirk ‘s nachts de tralies te lijf en na een tijd had hij ze doorgevijld. Met behulp van een touw van oude lappen liet hij zich op een vroege morgen naar buiten zakken. Het was winter en er lag ijs op de slotgracht. Niet erg dik, maar Dirk was flink vermagerd door het verblijf in de kerker en hij kon er op staan. Over het ijs ging hij er snel vandoor. Zijn weg naar de vrijheid lag open! Helaas had de bewaker van het slot hem gezien. Hij riep versterking en zette zelf de achtervolging in. Echter, deze man woog een stuk meer, en na een tijd zakte hij door het ijs. Hij kon niet zwemmen en riep doodsbang om hulp. Dirk zag en hoorde het, en wat deed hij? Hij keerde zich om, en hielp de man om veilig aan de kant te komen. De intussen gearriveerde versterking greep Dirk en nam hem weer gevangen, ondanks protesten van de geredde bewaker. Twee weken later werd hij zonder pardon levend verbrand. In Asperen is zijn cel nog te bezichtigen
Wat moet je hier nu van denken? Was die Dirk niet helemaal goed wijs? Hij had zich kunnen redden maar deed het niet! Of…. toont hij dat er iets bestaat dat hoger is dan zelfbehoud? Of…. iets dat te maken heeft met Jezus en wat Hij zei en voordeed?
wapen van paus Leo XIV met de spreuk ‘ In de Ene zijn wij één’
Als ik me goed herinner, had ik een zeer positief gevoel over paus Franciscus toen hij in 2013 werd gekozen. De overleden paus was zo bedreven in het doen van dingen die een boodschap uitstraalden, dat algemeen werd aangenomen dat hij een verademing was. Iedereen zou je vertellen dat hij heel nuchter was. De weigering om in de officiële pauselijke appartementen te wonen! PR-mensen hadden alleen maar angstdromen van mensen die geen enkele interesse hebben in wat het bedrijf verkoopt.
Hier was een man die duidelijk afstand wilde nemen van de pracht en praal en de rijkdom (al dat Vaticaanse goud!). Paus Franciscus maakte een punt, en dat was terecht. Nee, Franciscus was uiteindelijk niet de modernist waar sommige commentatoren op hoopten, maar alleen omdat hij aantoonde wat eigenlijk al overduidelijk had moeten zijn: dat de paus niet op die manier ‘de baas is’ van het katholieke geloof. Het verhaal is altijd complexer dan ‘liberaal’ versus ‘conservatief’.
Is ie liberaal of conservatief; soortgelijke speculaties doen al de ronde over de nieuwe paus, Leo XIV. Zelfverklaarde atheïsten vinden dat Leo positiever over abortus moet spreken, vrouwen moeten toelaten tot het geestelijk ambt en zich positief moet uitspreken over de lhbtiq+ gemeenschap. Iedereen probeert elk microdetail dat we hebben te interpreteren. En wat is de betekenis van zijn Amerikaanschap? Is dit de poging van het conclaaf om een tegen-Trump te creëren? Waarom verscheen Leo in traditioneel gewaad (iets wat Franciscus nadrukkelijk vermeed)? En waarom ‘Leo’?
Zelf wijst paus Leo XIV erop dat de richting van zijn voorganger zal worden gehandhaafd. Toch hebben sommige conservatieve katholieke lobbyisten hun uiterste best gedaan om de meer progressieve ideeën van Franciscus terug te draaien: zijn verdraagzaamheid tegenover homoseksuelen, zijn aandacht voor de armen, zijn zorg over klimaatverandering, en last maar zeker niet least, zijn kritiek op de politiek van Donald Trump.
Want over het algemeen zijn de katholieken in de VS verrechtst. Natuurlijk nog heel wat liberale en progressieve katholieken in de VS, waaronder een aantal kardinalen. Maar de invloed van extreemrechtse katholieken die de sociale verworvenheden van de vorige eeuw ongedaan willen maken is enorm gestegen. De jaren zestig: de jaren van seks, drugs, en rock ‘n roll, Vaticanum II, en wat gewis nog belangrijker was, burgerrechten voor zwarte Amerikanen liepen veel katholieken, maar ook evangelische christenen, over naar de Republikeinen, die een culturele contrarevolutie beloofden: orde op straat, kerk op zondag, geen seks buiten het huwelijk, zeker niet tussen mensen van hetzelfde geslacht, en (in bedekte termen natuurlijk) de handhaving van witte suprematie. Daarom stemden veel behoudende christenen in 1968 op Nixon, en een halve eeuw later op Trump. Ras was ook hier van belang. Katholieke Trumpstemmers waren overwegend blank; zwarte en latino katholieken stemden eerder op Biden.
Veel van de rechtse lobbyisten komen uit de VS, en de meesten van hen zijn voor Trump. Die zogenaamde MAGA-katholieken beschikken over veel geld en hebben machtige vrienden. Deze katholieken zijn fel tegen abortus. (evangelische) christenen tilden hier minder zwaar aan, maar zij schaarden zich achter katholieken in hun gemeenschappelijke streven om overheidsgeld los te krijgen voor bijvoorbeeld confessionele scholen. Strenge katholieken en evangelische christenen vonden elkaar ook meer dan ooit in de cultuurstrijd die begon met Nixon, en die nu het land meer en meer verdeelt in twee kampen. Een paus heeft geen leger van betekenis, zijn grondgebied past in het centrum van Amsterdam, hij heeft geen aardse grondstoffen. Ja, in de ogen van veel atheïsten is de kerk een archaïsch instituut. Tóch kan een paus, zeker in een gewelddadig tijdsgewricht, een belangrijke rol vervullen, door alleen al te appelleren aan universele waarden en menselijke waardigheid. De paus is voor velen nog steeds een morele autoriteit, met celebrity-status bovendien. Dat geeft hem invloed. Hij trekt altijd de aandacht en wat hij zegt is vaak ook bedoeld voor niet-katholieken en niet-gelovigen. Een pleidooi voor klimaatmaatregelen is universeel. Hetzelfde geldt voor mensenrechten.
Speculaties… Er gaan al geruchten dat deze nieuwe paus zijn privémissen graag in het Latijn opdraagt; Anderen hebben erop gewezen dat hij met de aanhangers van Franciscus meeliep en zelfs zijn openingstoespraak raakte het thema ‘synodaliteit‘ van de overleden paus aan. Synodaliteit, afhankelijk van wie je het vraagt, is ofwel een nobele poging tot decentralisatie en het luisteren naar alle stemmen in de Kerk; ofwel een poging om doctrinaire verandering te bewerkstelligen onder het mom van pastoraat. Eén van zijn toespraken vindt ik al wel heel positief en in lijn met zijn wapenspreuk: ‘We moeten getuigen van ons vreugdevolle geloof in Jezus’, zei Leo XIV, terwijl hij waarschuwde dat waar dit geloof ontbreekt, het leven betekenis verliest.’
Toch zou mijn advies zijn om ver van dit soort speculaties te blijven. Mensen veranderen immers voortdurend van gedachten. En mensen veranderen vooral wanneer ze zo’n taak krijgen als Robert Prevost. Zelfs vanuit een puur natuurlijk perspectief zal de verantwoordelijkheid voor meer dan een miljard katholieken waarschijnlijk een ontnuchterend effect hebben en je hyperbewust maken van elke stap die je op het punt staat te zetten.
Paus Leo’s vermogen om de katholieke kerk te leiden is geen macht die hij op zichzelf bezit; die komt, zoals de officiële leer het stelt, ‘krachtens zijn ambt’.
Intussen heeft de paus geen behoefte aan analyse, speculaties, twijfel of projecties. Hij heeft onze gebeden hard nodig.
Paus Franciscus schreef op 4 oktober 2023 een brief aan alle mensen van goede wil: Laudate Deum, prijs God! In die brief uit hij zijn zorgen over het klimaat.
Hij schrijft: Acht jaar zijn verstreken sinds ik de encycliek Laudato si’ publiceerde, toen ik met u allen, mijn broeders en zusters van onze lijdende planeet, mijn oprechte zorgen wilde delen over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis. Maar met het verstrijken van de tijd heb ik me gerealiseerd dat onze antwoorden niet adequaat zijn geweest, terwijl de wereld waarin we leven aan het instorten is en misschien wel het breekpunt nadert.
De paus rekent in zijn brief af met het oude beeld van de mens als kroon op de schepping die over alles mag heersen, de mens als middelpunt.
De mens die de plaats van God wil innemen wordt de ergste vijand van zichzelf (LD 73). God is de Schepper en eigenaar van deze wereld.
We dachten dat we over de natuur konden heersen. En misschien heeft dat ook wel te maken met theologie, met onze interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis. Waarin we een opdracht tot heersen lazen?
Vandaag is dan het het conclaaf begonnen. Onder het zingen van ‘Veni Creator Spiritus’ zullen de kardinalen zich afzonderen om – geleid door de Heilige Geest – een nieuwe paus uit hun midden te kiezen.
En het houdt van links tot rechts de gemoederen enorm bezig. Want er is iets aan de manier waarop pausen worden gekozen dat tot de verbeelding spreekt. Degene die het idee van zwarte rook voor ‘geen besluit’ en witte rook voor ‘habemus papam‘ – ‘we hebben een nieuwe paus’ – bedacht, was een marketinggenie. Zoveel beter dan een persbericht of een tweet van het Vatican X-account.
Natuurlijk sprak heet conclaaf zo levendig tot onze verbeelding door recente gelijknamige film met Ralph Fiennes. Naar het boek van Robert Harris. Ja, we zijn dol op het idee van geheime debatten en intriges, mensen die van de wereld worden afgesloten totdat ze een besluit nemen met geheimzinnige, oude rituelen en een onzekere uitkomst. Was er ooit een film waarvan de release beter getimed was?
En dan zijn er nog de enorme aantallen. Er zijn vandaag de dag ongeveer 1,4 miljard katholieken in de wereld; ongeveer evenveel als de bevolking van India en China, de meest bevolkte landen ter wereld. Toch is de identiteit van de nieuwe paus ook voor ons van belang. De leider van China of India is vooral interessant voor mensen die in China of India wonen, maar misschien minder voor degenen onder ons die daar niet wonen. Maar de nieuwe paus is het hoofd van de kerk misschien om de hoek van waar je woont, of van mensen met wie je samenwerkt, of, als je zelf katholiek bent, je eigen spirituele leider. Deze benoeming is dus enorm belangrijk.
Maar het gaat niet alleen om de uiterlijke schijn, het drama, de aantallen. En het geldt ook niet alleen voor katholieken.
Officieel wordt een paus aangeduid als de opvolger van Petrus, één van Jezus’ vrienden. Je zou dus kunnen zeggen dat zijn ambt als het ware een levende link vormt met de oorsprong van de christelijke beweging, de eerste tekenen van de revolutie.
Natuurlijk is er een aantal behoorlijk vreselijke pauselijke zetelbezitters geweest, wier persoonlijke levens nauwelijks enige kennis van of relatie met Jezus vertoonden. Denk bijvoorbeeld aan de zestiende-eeuwse Roderigo Borgia (paus Alexander VI), die ondanks de regel van het geestelijk celibaat, meerdere kinderen kreeg van diverse maîtresses, en het pausschap verwierf door kardinalen om te kopen en zijn favoriete zoon op achttienjarige leeftijd tot bisschop van verschillende lucratieve zetels maakte, en op negentienjarige leeftijd tot kardinaal. Er is dus niets vanzelfsprekends aan – en daarom ontkenden de protestantse hervormers het idee van een algeheel automatisch pauselijk gezag.
Maar wanneer een persoon van evidente heiligheid wordt gecombineerd met dit besef van het gewicht van het ambt, wordt het pausschap een geschenk aan ons allen, dat ons verbindt met de eerste volgelingen van Jezus – zelfs met Jezus zelf.
Het pausschap is een van die unieke dingen in het moderne leven – een navelstreng met het verleden. Monarchieën doen iets soortgelijks: ze verbinden ons met het verleden via de lange rij koningen en koninginnen. Maar vaker wel dan niet onthullen de gebeurtenissen waarnaar ze ons terugvoeren, het proces waarmee die families de macht grepen, duistere politiek, omkoping en bloedige gevechten.
Dit is een lijn in de geschiedenis die ons verbindt met de gebeurtenis die, als we Tom Hollands boek Heerschappij mogen geloven, meer impact heeft gehad op de vorming van de westerse cultuur dan welke andere ook: het opmerkelijke leven, de dood en de wederopstanding van Jezus – een radicaal leven vol liefde, zelfopoffering en transformerende kracht – voor zowel individuen als hele beschavingen. En daarvoor zouden we, of we nu katholiek, protestant, orthodox of misschien zelfs ongelovig zijn, een gebed – of een glas – van dankzegging kunnen heffen.
Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje. ‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar. Laten we het goed beschermen!’ Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland. Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie. Want die staat mijns inziens ook onder druk, zowel nationaal als internationaal.
Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet zou kunnen opschorten om een derde termijn als president na te streven, en nog duisterdere dreigingen dat zijn regime zelfs autocratische ambities zou kunnen koesteren, hebben het Westen eraan herinnerd dat we democratie niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.
Parlementaire democratie, zo hebben we algemeen aangenomen, is een goede zaak. Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen, maar ook aan andere landen wilden opleggen. De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld werd, zo werd ons verteld, uitgevochten voor vrijheid en democratie, maar zo liep het niet helemaal.
Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording, waarbij regeringspartijen macht uitoefenen via de wil van de bevolking die ze dienen, uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen die ervoor zorgen dat niemand zich ongestraft aan de macht kan vastklampen.
Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen op het vooruitzicht van een volkswil die een regeringsvorm bepleit die niet overeenkomt met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten. Er klinken stemmen, waaronder die van schrijfster Margaret Atwood, die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten als gevolg van de waanzin van de huidige president.
De meesten van ons in Nederland zullen waarschijnlijk zeggen dat democratie meer moet zijn dan een systeem waarin meerderheden hun zin krijgen. Want we willen ook dat onze regering zich aan de wet houdt. En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet, maar ook wiens wet. Voor degenen met een religieuze overtuiging zal die vraag deels en in belangrijke mate beantwoord worden door Gods wet, waarop de westerse beschaving aantoonbaar is gebouwd.
Hier komt pluralisme om de hoek kijken, zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren. Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen, waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.
Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht, die sterk gecentraliseerd was en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen, wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd. De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter, waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.
Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde, gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus. En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen. Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven, omdat de demos, de gewone mensen, er niet bij betrokken zijn en ook niet vertegenwoordigd zijn.
De Kerk is geen democratie, net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping. Eerder andersom – sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’, degenen die Hij kiest voor verlossing. In het christelijk denken is God een dienende koning, maar desalniettemin een absolute en, zoals sommigen die zich tegen God verzetten, een tirannieke autoriteit.
Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid? Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden in dat pluralistische kenmerk van democratie. We zijn er eerlijk gezegd niet goed in om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen. Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie – je gelooft, of je gelooft niet. Een pluralistisch model zou er een zijn waarin we de goddelijke wil leren kennen via de gehele schepping, alle uitingen van geloof en ongeloof, in plaats van alleen via onze eigen wil.
Pluralisme is gezond, zowel in de seculiere politiek als in religieuze gebruiken. Het is de tegenpool van de groeiende autocratie zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.
Dit is geen pleidooi voor theocratie, maar de overtuiging dat de christelijke traditie berust op het principe dat geen enkele politieke orde de autoriteit van God kan claimen, behalve het Lichaam van Christus. En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras. In tegenstelling tot politieke partijen concurreren wij niet om de macht, maar vormen wij een gemeenschap die wijst naar een geredde en genezen wereld.
De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap, een vorm van multiculturalisme dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen op basis van universeel verlichte principes. Of we kunnen reageren op de energie waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden, door bereidwillige gemeenschappen te bouwen die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede. Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.
Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme. En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen, wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest. We kunnen alleen maar hopen en bidden dat het een missie wordt die ook centraal staat in de beraadslagingen die de komende dagen zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.
Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren, niet alleen van de zonen van Israel, maar ook van twee dappere vrouwen, verzetsstrijders: Sifra en Pua. Ze staan op tegen de kwade macht die dood wil.
Deze kwade macht is naamloos. Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet. Wel zien we duistere trekken die dit volk maar al te goed herkent: van slavenarbeid, tot genocide. Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger, de woonplaatsen langzaam zijn verandert tot werkkampen. Het kwaad mag dan geen naam hebben, we kijken hier de dood recht in de ogen.
Is het verhaal hier afgelopen? Is dit de moraal van het verhaal? Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?
Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken, en het stoere beeld wat ik ervan heb, is ongetwijfeld geromantiseerd. Maar de werkelijkheid was rauwer; het gaat op leven en dood. En misschien wel meer van dat laatste: de dood.
Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je. Een Stolpersteen, een steen waarover je struikelt. Van hen herinneren we ons de namen. Maar zo’n struikel-steen laat ook zien: We vertillen ons snel aan het kwaad. Het botst, het schuurt. Blijkbaar lukt het ons als mensen niet, om nee te zeggen tegen kwaad: Het is zo groot, en zo universeel.
Wat zou jij doen? Zou ik de moed hebben om op te staan? Of is mijn gebrek aan lef nu precies hoe diep het kwaad in de wereld zit?
Zelfs al heeft iemand de moed om in verzet te komen, vaak lijkt het zinloos. Je kunt het zien het aan die laatste regel: Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven. Die twee kraamvrouwen, heldinnen, hadden zich verzet. maar het kwaad neemt alleen maar toe. De kinderen die zij hebben gekregen, je hoopt maar, dat het meisjes waren; zouden ze het anders hebben overleefd?
Maar toch; verzet denkt niet na over zin. Die vrouwen, Sifra en Pua, gaan niet berekenen, of hun lef levens zal kosten. Net zomin als dat je afwoog of het wel verantwoord was, om een kind illegale kranten te laten rondbrengen. Verzet kost je soms alles, en toch doe je het.
En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel, dat intense verlangen naar bevrijding. Opkomen voor dat Godgegeven leven, waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt, ja, ontzag voor de Heer zelf.
Het Wilhelmus zingt eerst: ‘den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.’ Verzet is nooit de basis; de uitgangspositie. En doorgaans, is gehoorzaamheid iets goeds. We proberen het aan te zien, tot het echt niet langer gaat. Of moeten tot onze schaamte erkennen dat we gewoon het lef niet hebben. Maar als je doorzingt, komt toch echt de bede: ‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven, die mij mijn hart doorwondt.’ Dat is verzet. En dan raakt het me dat deze regel wordt voorafgegaan door de wens: ‘dat ik toch vroom mag blijven.’ Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet: het ontzag voor God.
Het boek Exodus laat ons de namen herinneren van deze Sifra en Pua. Het boek gaat verder, want bij verzet kan het niet blijven. Exodus is een boek van bevrijding. Vol ontzag uitkijkend naar het werk dat de Bevrijder verzet.
Zwemmen leer je door te doen. Goed zwemmen leer je door in een steeds dieper bad te oefenen. Dat is logisch. Ook geloven leer je ook alleen maar door te doen. Goed geloven leer je door het te oefenen in de diepe lagen van jezelf en van het leven. Dat is logisch. Toch denken veel mensen dat geloven iets is van: ‘aan’ of ‘uit’. Je hebt het of je hebt het niet. Maar een beetje gezond verstand – en ook de mystieke traditie van de kerk – vertelt iets anders: In geloven kun je groeien. Want geloven lijkt nog het meest op zwemmen. Op de kant krijg je uitleg, in het pierenbadje wen je aan het water, en dan steeds verder het diepe in. En onvermijdelijk krijg je af en toe een flinke slok zwemwater binnen..
De Duitse theoloog Karl Rahner was gespecialiseerd in de spiritualiteit van de kerk. Zo’n vijftig jaar geleden probeerde hij zich voor te stellen hoe de spiritualiteit van de 21ste eeuw er uit zou zien. Volgens hem zou het drie kenmerken hebben: ·de Godservaring zou centraal staan ·de betrokkenheid op de wereld zou vanzelfsprekend zijn. ·het alledaagse leven zou de vorm zijn waarin spiritualiteit geoefend zou worden (wat ze vroeger: ascese noemden).
Hij meende: de gelovige van morgen zal iemand zijn die iets van God ervaren heeft – of zal geen gelovige meer zijn.
God ervaren? ‘Ja, mijn oma, die deed dat’, zegt de jonge vrouw met wie ik spreek. ‘Die beleefde God. Dat kon je merken toen ze dood ging, namelijk heel rustig, vol overgave. Maar ik weet het nog niet zo net. Hoe weet je dat je het niet allemaal fantaseert?’ ‘Vertel me eens’, zeg ik: ‘Heb je weleens meegemaakt dat je iets zeker wist, zonder dat je weet hóe je dat wist?’ ‘Ja’, zegt ze na enig nadenken. ‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen. Ik wist gewoon dat zij het was.’
Met geloof is het net zoiets. Het kennen van God is als het kennen van de liefde. In de liefde geef je jezelf en word je kwetsbaar. Het is net alsof je dan niet alleen met je ogen, maar met je hart kijkt. En wat je dan van de ander leert kennen, heeft zo zijn eigen bewijskracht.
In de tijd van onze oma’s was het geloof vooral overgave, vertrouwen, juist in je kwetsbaarheid. In onze tijd is het geloof vooral een soort denksysteem. Een opvatting, een gedachte, een wereldbeeld, een set normen en waarden waar je het mee eens bent of niet. Daarom is het moeilijk voor mensen van deze tijd om een connectie met God te ervaren.
We leven horizontaal: de wereld is alles en de hemel ver weg. Het grote voordeel van zo’n levensgevoel is dat we ons echt bekommeren om de aarde. We leven niet voor het hiernamaals zoals mensen vroeger wel deden (en gelijk hadden ze: zo’n pretje was het niet om in grote armoede en kindersterfte te leven). Wij leven voor nú – en als we geloven, dan moet het voor het hiernumaals zin hebben. Toch heeft het een nadeel om zo horizontaal te leven. Ook de eeuwigheid is het verlengstuk van de tijd geworden: voordat je geboren wordt en nadat je dood bent. Eeuwigheid als een hoeveelheid van tijd. Maar eeuwigheid kun je ook zien als de verticale dimensie van de tijd: een kwaliteit ervan. We kennen het nog wel in onze spreekwoorden: een eeuwig moment is een heel bijzonder moment: zo bijzonder dat de tijd zelf iets tijdloos krijgt. Waarom zouden we niet herontdekken hoe de eeuwigheid van de tijd iets heel bijzonders maakt? Geloven is niet iets anders dan leven in de wereld – maar dan goed.
Leren zwemmen doe je in een zwembad. Maar waar leer je geloven? In het gewone leven, zegt de wijsheid van de kerk, lang voordat Karl Rahner het opnieuw onder de aandacht bracht. Hoe dan? Met aandacht leven en luisteren naar wat de praktijk tegen je zegt. De manier waarop je naar het leven kijkt, laten bijstellen door de Bijbel. In de praktijk brengen wat je echt zelf hebt geleerd, al is het maar met kleine stapjes. Oefen in je relaties hoe je waarheid en liefde bij elkaar kunt houden. Doe er dan een scheutje barmhartigheid en vergeving bij dan ben je aardig op weg. En als je echt goed wilt geloven: ga dan de diepte in. Breng de moeilijke dingen van het leven in gesprek met de God van Jezus. Leef je vragen en houd het uit tot ze zichzelf tot rust brengen. Als je zo leeft, zul je merken dat er iets gaat schuiven. Net als bij het zwemmen: het water zelf gaat je dragen.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.