Uncategorized


 

Het is een onwaarschijnlijke basis voor succes:
een serie die zich afspeelt
in een vergeten uithoek van het sterrenstelsel,
En toch heeft de serie Andor brede lovende kritieken
en waardering van fans gekregen.
Deze Disney+-serie is de eerste echte Star Wars-content
voor volwassenen geworden.

Andor onderscheidt zich daarin
dat zij verhaal biedt met rijke thema’s
die direct tot het publiek van vandaag spreken:

De serie volgt een aantal elkaar kruisende karakters.
Hoewel de serie vernoemd is naar Cassian Andor
een gedesillusioneerde smokkelaar
die zich bij de Rebel Alliance heeft aangesloten,
is het verhaal veel groter dan één man.

Terwijl het Keizerrijk (Empire) zijn greep verstevigt
– zowel openlijk door militaire macht en brutaliteit,
als in de schaduw met een breed scala aan spionnen,
surveillance en een steeds groter wordend inlichtingennetwerk
– wordt de noodzaak tot verzet op elk niveau urgent.
Degenen die een stem hebben, moeten zich laten horen
zolang er nog een schijn van democratie
en vrijheid van meningsuiting is.
Er is geld nodig om een opstand te financieren
en voetsoldaten uit alle lagen van de bevolking
moeten worden gevonden en voorbereid om op te staan
en het systematische onrecht
en de toenemende imperialistische onderdrukking te bestrijden.

Aan de ene kant bevindt zich
de geadopteerde Cassian Andor.
Hij is gevormd door zijn vroege ervaringen
met armoede en onderdrukking.
Die wekken iets van verzet
tegen het bestaande systeem in hem op.
Aan de andere kant van het spectrum
staat Mon Mothma,
geboren in een bevoorrechte positie.
Zij heeft politieke invloed.
Haar verhaallijn draait om een moreel kruispunt:
of ze haar status, haar rijkdom en haar veiligheid
op het spel zet om het verzet
vanuit de machtscentra te steunen.

De boodschap van deze film is relevanter dan ooit.
In een tijdperk dat gekenmerkt wordt
door toenemend autoritarisme, desinformatie
en toenemende politieke polarisatie,
benadrukt de serie dat tirannie
op elk niveau moet worden bestreden.
Het herinnert ons eraan
dat democratische instellingen
fragiel zijn en dat zwijgen
in het aangezicht van onrecht
onderdrukking ongecontroleerd laat groeien.
Of het nu gaat om de strijd tegen despotisch leiderschap,
de uitholling van de vrijheid van meningsuiting
of systematische ongelijkheid,
Andor suggereert dat de last van verzet
niet alleen op de schouders
van een kleine groep helden kan rusten.
Het vereist dat mensen
op elk niveau van de samenleving
met moed, integriteit en doelgerichtheid
handelen voordat het te laat is.

Want een belangrijke verhaallijn in Andor
is hoe het Keizerrijk een morele rechtvaardiging
voor zijn daden construeert
via door de staat gecontroleerde, propagandistische media.
Goede mensen kunnen gemanipuleerd worden
en de waarheid kan verdraaid worden.
In realtime zien we spindoctors de wreedheid
die zich om hen heen afspeelt ontkennen of herformuleren
– zelfs terwijl het Keizerrijk
een vreedzaam protest met geweld neerslaat.

In de film worden alle mogelijke middelen gebruikt
om de wereld te creëren om parallellen te trekken
met zowel historische als hedendaagse onrechtvaardigheden.
Zo wekken de kostuums van de hoogste leiding van het Keizerrijk
en de agenten van het Imperial Security Bureau (ISB)
griezelige gelijkenissen met Gestapo-uniformen.
De verzetsstrijders daarentegen
lijken zo van de set van Les Misérables te zijn gestapt,
een echo van de Juni-opstand van 1832.

Het is moeilijk om dit niet te zien als een kritiek
op hoe moderne nieuwsmedia
wereldwijde conflicten
– zoals de oorlog in Israël en Gaza –
kaderen en hervertellen
om hun publiek te behagen en te vormen.
Deze agendagedreven berichtgeving
verdraait feiten en maakt kijkers ongevoelig,
vaak ten koste van degenen die ter plaatse lijden.
De medeplichtigheid van de pers
aan desinformatie
en het faciliteren of rechtvaardigen van wreedheden
draagt zelfs vandaag de dag nog bij
aan aanhoudende humanitaire crises
in landen zoals Soedan en Gaza.

In een zogenaamd post-waarheidstijdperk
herinnert Andor ons eraan dat waarheid er nog steeds toe doet.
De serie houdt een spiegel voor
aan onze mediaverzadigde wereld
en laat zien hoe verontwaardiging wordt gefabriceerd,
verhalen worden gecontroleerd
en de realiteit vaak wordt gespind door selectieve verhalen.
Het daagt ons uit om na te denken
over de betrouwbaarheid van het nieuws dat we consumeren
– en over onze eigen rol in het in twijfel trekken
of accepteren van de verhalen die ons worden verteld.

Een van de meest fascinerende aspecten van Andor
is de weergave van parallelle levens
aan beide kanten van het conflict.
Hoewel een groot deel van de actie
Cassians transformatie van smokkelaar
tot onwillige agent tot belangrijke rebellenleider volgt,
zijn we ook getuige van de opkomst van Dedra Meero
een gedreven, ambitieuze surveillanceofficier
binnen de ISB, de inlichtingendienst van het Keizerrijk.

Dedra begint als een underdog
die vecht tegen seksisme op de werkvloer
in een door mannen gedomineerde bureaucratie.
Maar naarmate haar carrière vordert,
neemt ook haar vermogen tot wreedheid toe.
Ze wordt een van de meest meedogenloze handhavers
van het Keizerrijk,
bereid om alles en iedereen op te offeren
in haar meedogenloze jacht op rebellenagenten.
Haar verhaal is een huiveringwekkende herinnering
aan hoe autoritaire systemen efficiëntie en ijver belonen,
ongeacht de morele prijs.
Ironisch genoeg zou haar vastberadenheid
de rebellie uiteindelijk kunnen helpen
– haar roekeloosheid onthult
mogelijk geheimen over de Death Star.

Door de hele serie heen zien we
vergelijkbare tactieken aan beide kanten:
surveillance, verraad, opoffering.
Het enige verschil is de bredere verhaallijn
die uiteindelijk de zaak van de opstand rechtvaardigt.
Maar door complexe, geloofwaardige antagonisten
zoals Dedra op te bouwen,
laat Andor ons de banaliteit van het kwaad zien
– hoe gewone mensen, ervan overtuigd
dat ze het juiste doen,
instrumenten van onderdrukking kunnen worden.

De vraag die de serie ons voorlegt,
is huiveringwekkend simpel:
aan welke kant sta jij in een wereld
die afglijdt naar toenemende onrechtvaardigheid?

 

Hemelse Vader, Heer van al wat leeft,
van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U
God van levenden en van doden –
denkend aan wie zijn heengegaan roepen wij U aan.

Wij danken U
voor wat U schonk in wie van ons ging –
onze gedachten zijn vol herinnering aan dagen en jaren,
aan goed en kwaad:
hartverwarmende woorden, liefdevolle daden,
maar ook tekorten en gebreken,
wel en wee, voor- en tegenspoed.

Wij bidden U: dat de dood
ons het geloof in Uw toekomst niet zal ontnemen,
dat onze hoop en onze liefde zullen opvlammen
als fakkels in een donkere nacht;
dat niet de vrieskou van de dood
maar de gloed van Pasen ons voor de geest zal staan.

Hemelse Vader, God van al wat leeft,
in Uw hoede schuilen wij – berg ons
in de palmen van Uw hand
ter wille van Uw Zoon die de opstanding en het leven is.

(André F. Troost)

 

Ik heb een geloofssysteem,
een verhaal waarnaar ik leef,
een lens waardoor ik de wereld waarneem.

Dat maakt me niet ongewoon
of op enigerlei wijze anders dan anderen
– want we hebben ze allemaal,
of we ons er nu van bewust zijn of niet.
Wat me misschien anders maakt dan jou,
is dat die van mij voornamelijk aan mij
worden uitgelegd via een boek
– of, preciezer gezegd,
een bibliotheek van zesenzestig boeken –
die we de Bijbel noemen.

Het verhaal waar ik naar leef,
dat ik in- en uitadem, is gebonden.
Het zit in een kaft, het beweegt zich door de pagina’s,
het ontvouwt zich volgens een inhoudsopgave
– het heeft genre, het heeft auteurs, het heeft leestekens.

En ik heb dit nooit echt vreemd gevonden.

Ik denk dat het komt doordat ik ben
wat Charles Taylor een ‘verhalend wezen’ zou noemen;
mijn standaard is om de wereld grotendeels
op een verbeeldingsvol niveau te begrijpen.
Soms voelt het alsof er woorden
door mijn aderen stromen.
En zo leent mijn persoonlijkheid
zich er spectaculair goed voor
om mijn leven te leiden
volgens een spirituele bibliotheek met 66 boeken.
Ik heb nooit echt hoeven worstelen
met de vreemdheid van zoiets,
ik heb mezelf nooit echt afgevraagd:
‘waarom een boek?’

Wat christenen door de tijd en plaats heen,
de Bijbel noemen, is een bloemlezing
van 66 boeken, geschreven door zo’n 40 auteurs,
in drie talen, over een periode van zo’n 1400 jaar.
Er zijn poëzie, verhalen, apocalyptische literatuur,
erotische literatuur, lijsten en figuren,
instructies en verklaringen in te vinden.
Het is – jaar in jaar uit –
het bestverkochte boek ter wereld,
met meer dan 100 miljoen
verkochte of geschonken exemplaren per jaar.
De New York Times Bestseller List
laat het zelfs weg uit de lijst,
omdat het anders altijd zo saai zou staan,
comfortabel bovenaan.
Geen enkel ander boek
komt er ooit in de buurt.
Woorden uit dit literaire hoogtepunt,
ze zijn gegraveerd in vloeren en muren,
ze zijn verweven in bijna elk werk van bijvoorbeeld Vondel,
ze zijn soms onhandig op billboards gespoten.

Waarom ben ik
– een ontwikkelde, ontgoochelde volwassene uit de 21e eeuw–
zo bereid geweest om deze dingen mijn innerlijk te laten vormen?
Waarom word ik er zo door geraakt?
Tot actie, tot tranen toe, tot woede.
Hoe kan ik iets lezen
dat duizenden jaren geleden is geschreven,
in een deel van de wereld
waar ik nog nooit ben geweest,
en op de een of andere manier
het gevoel hebben dat het een liefdesbrief is
die uitsluitend aan mijn eigen ziel is geschreven?

Ik denk dat dat de echte vragen zijn,
de vragen waarop ik zowel
duizend als nul antwoorden heb.

Geen antwoorden,
omdat ik fundamenteel denk dat het iets spiritueels is,
het iets is dat door God ontworpen is,
iets dat elke verklaring
die ik zou kunnen bedenken te boven gaat.
De God waarvan ik geloof dat Hij bestaat,
wil dat ik Hem leer kennen,
wil dat ik leer en studeer,
wil dat ik een glimp opvang van
hoe Hij denkt, hoe Hij werkt,
wat Hij van mij – en jou – voelt.
Dat is iets wilds en wonderbaarlijks.
Die realiteit doet me niet alleen versteld staan,
maar ook van het verlangen erachter, zoals Augustinus schreef:

‘De hele Bijbel vertelt niets anders dan over Gods liefde’.

En, zoals elk literair werk,
geeft het zijn betekenis niet zomaar prijs;
het vereist dat ik erbij zit,
het uitgraaf, erop knaag als een hond
met een bot.

Soms voelt het lezen ervan
als een balsem voor mijn hart,
andere keren
als een worsteling door de modder.

Maar ik denk dat dat juist
het mooie is aan een boek, toch?
Mijn wereldbeeld zit verscholen
in een stuk literatuur
dat versierd is met mijn krabbels,
vlekken van tranen en gemorste koffie.
Een boek dat me elke dag weer tegemoet komt,
klaar om mij te lezen
terwijl ik het lees,
en me evenveel vragen als antwoorden te geven.

 

Momenteel is de formatie in Nederland in volle gang.
Maar laten we eens doorscrollen naar een ‘mogelijke (zwarte) toekomst’; ‘wat als’:
Het is het jaar 2029
en Geert Wilders heeft als premier
zojuist zijn eerste kabinet gepresenteerd.

Als een van de vele ingrijpende hervormingen in zijn eerste maanden in functie
heeft de nieuwe premier duizenden asielzoekers gedeporteerd
naar landen zoals Eritrea, Afghanistan en Iran.

Bij terugkeer in deze landen zouden verschillende van deze asielzoekers
te maken hebben gehad met arrestatie, marteling en zelfs executie.

Natuurlijk is dit slechts een fictieve weergave van een mogelijke toekomst,
maar het is een toekomst die op zijn minst denkbaar lijkt,
gezien de recente peilingen en de belofte van de leider van de PVV
om iedereen die illegaal naar ons land reist te deporteren,
ongeacht of ze bij thuiskomst levensgevaar lopen.

Zulke uitspraken zouden nog niet zo lang geleden
bijna unaniem zijn bekritiseerd,
maar de huidige stand van zaken in ons immigratiesysteem en de politiek
heeft ze blijkbaar acceptabel gemaakt voor een groeiend aantal Nederlanders.

‘Ik denk niet dat het om haat gaat’, zei een inbeller op NPO Radio 1
toen de plannen van de PVV werden aangekondigd.
‘Ik denk dat het om de manier gaat waarop [immigratie]
tot nu toe door deze en de vorige regering is aangepakt,
[wat] veel onrust heeft veroorzaakt.’

Een andere beller gaf toe dat de meningen
over de kwestie verdeeld waren,
maar gaf een contrasterend perspectief:

‘Dit is Geert Wilders ten voeten uit’, zei ze.
‘Hij heeft verdeeldheid nodig.
En wat is het meest controversiële onderwerp dat we kunnen bedenken?
Immigratie.
En wat een voorrecht hebben we om in een veilig land te leven waar,
God verhoede,
niemand van ons ooit zijn kinderen hoeft op te halen
en te vluchten voor vervolging!’

Dit alles brengt ons mooi terug
bij de specifieke – en zeker complexe – kwestie die aan de orde is:
namelijk, hoe moeten we omgaan met asielzoekers
die daadwerkelijk zijn gevlucht voor vervolging
en die mogelijk nog meer te maken krijgen
als ze naar huis terugkeren?

De bescherming van dergelijke personen
staat centraal in het Vluchtelingenverdrag van 1951,
dat door alle westerse democratieën (inclusief de onze) is geratificeerd
en al lang wordt verdedigd.
Het verdrag omvat het principe van ‘non-refoulement’:
het verbiedt ‘de gedwongen terugkeer van vluchtelingen of asielzoekers
naar een land waar ze het risico lopen vervolgd te worden’.

‘Onze waarden zijn altijd geweest
dat wanneer mensen een reëel en substantieel risico lopen
op fysieke marteling of vervolging…
wij als land altijd bereid zijn geweest om hen op te vangen’,
werd onlangs zo uitgelegd
‘deze waarden die in het verdrag zijn verankerd moeten niet worden afgeschaft.
(…) omdat dat onlosmakelijk verbonden is
met onze geschiedenis, onze traditie en onze positie als liberale democratie.’ werd erbij gezegd.

En toch is dit precies wat de PVV belooft te doen, mochten ze aan de macht komen.

Steeds meer politici hier en elders beweren
dat het Vluchtelingenverdrag en andere soortgelijke verdragen,
zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens,
hervormd – of zelfs genegeerd – moeten worden
in het licht van een sterk veranderde wereld.

Wij zijn natuurlijk niet het enige land dat met een immigratiecrisis kampt;
noch zijn wij de eersten die drastische maatregelen overwegen
om de stroom asielzoekers die ons land bereikt, in te dammen.

In zijn eerste maanden na zijn aantreden
maakte de Amerikaanse president Donald Trump
zijn eigen belofte waar om de grenzen van Amerika strenger te bewaken,
onder andere door illegale immigranten te deporteren.

Onder hen bevonden zich verschillende Iraniërs
die beweerden een gegronde vrees
voor vervolging te hebben bij terugkeer naar huis,
gezien hun openlijke bekering tot het christendom.

In mei stelde een Amerikaans congreslid voor
om de wetgeving te wijzigen
om dergelijke religieuze vluchtelingen
te beschermen tegen deportatie.
Ze noemde haar wetsvoorstel, de Artemis Act,
naar een van de Iraniërs die naar Panama was gedeporteerd.

In juni kwam de kwestie weer in het nieuws
toen een andere Iraanse asielzoeker werd gefilmd
terwijl hij een paniekaanval kreeg
toen haar man, een medechristen,
werd meegenomen door de Amerikaanse immigratiedienst ICE.

In juli reisde de dominee van het echtpaar
– eveneens een Iraanse christen
die enkele jaren geleden als vluchteling
in de Verenigde Staten was aangekomen –
naar het Witte Huis om een driedaagse hongerstaking te houden
uit protest tegen de detentie van zijn kerkleden.
En in augustus riep de dominee in een interview
op tot ‘diepgaande hervormingen’ van het immigratiesysteem.
Hij zei dat ‘de meeste [Iraanse christelijke asielzoekers in de VS]
vele malen hebben geprobeerd om via een legale weg binnen te komen,
zoals een vluchtelingentraject,
maar dat er voor Iraniërs
geen legale manier is om vluchteling te worden in de Verenigde Staten.’

Een legale weg voor religieuze vluchtelingen
is ook iets waar andere landen voor gepleit is,
want alleen al in de afgelopen twee jaar
is er menigmaal gepubliceerd over de benarde situatie
van Iraanse christelijke vluchtelingen
in Turkije, Georgië en, dichter bij huis, Zweden.
Tegelijkertijd zijn er ook zorgen geuit over Iraanse christelijke vluchtelingen
in verschillende andere landen, waaronder Armenië, Irak en Indonesië.

In elk van deze landen lijkt de gemene deler
simpelweg te zijn dat deze vluchtelingen
– hoe terecht hun claims ook zijn –
ongewenst zijn en niet vertrouwd worden door hun gastheren.

Stel je het volgende eens voor:
Als je in Nederland was en je had niets
om je kinderen of kleinkinderen te voeden, wat zou je dan doen?
Je zou naar het volgende land gaan
en hen vragen om hen te voeden.
En dat is wat het betekent
om een economische migrant te zijn.
Het gaat er niet om:
‘O, ik heb een mooie auto, maar ik wil een mooiere auto.’
Dit zijn mensen die letterlijk verhongeren
en zich zo wanhopig voelen.
En natuurlijk probeer je dan te verhuizen.

Ik weet niet zeker of Geert Wilders het ermee eens zou zijn,
maar wat je standpunt
over de noodzaak van grenscontrole ook is,
we zouden het er toch allemaal over eens moeten zijn
dat degenen die oprecht beweren
aan vervolging te zijn ontkomen,
onze hulp moeten krijgen,
of op zijn minst beschermd moeten worden door het non-refoulementbeginsel.

 

Het is nu zo’n drie jaar geleden dat ChatGPT van Open AI openbaar werd gemaakt.
In die eerste maanden was er opwinding, jazeker,
maar ook oprechte bezorgdheid dat ChatGPT,
en andere vergelijkbare AI-bots,
waren losgelaten op een nietsvermoedend publiek,
zonder enige beoordeling of reflectie
op de onbedoelde gevolgen die ze mogelijk zouden kunnen hebben.
Zo kwam het dat in maart 2023 1300 experts een open brief ondertekenden
waarin werd opgeroepen tot een pauze van zes maanden
in de training van de meest geavanceerde systemen in AI-labs,
met het argument dat ze een ‘existentieel risico’ voor de mensheid vormen.
En een vooraanstaande AI-onderzoeker
stelde dat de risico’s van AI waren gebagatelliseerd.
Hij schetste een beschaving
waarin AI zich had bevrijd van computers
om een wereld van wezens te domineren die,
vanuit haar perspectief, erg dom en erg traag zijn.

Maar toen begonnen we er allemaal
onze essays doorheen te werken,
e-mails te schrijven en het soort saaie documentatie te genereren
dat de moderne wereld eist.
AI maakt nu deel uit van het leven.
We kunnen het net zo min vermijden als het internet.
De geest is echt uit de fles.

Zeker, technologie belooft veel, maakt het waar,
maar laat wel een flinke rekening op de deurmat liggen.
Dit is de paradox van technologie: het geeft en neemt.
Wat van ons als samenleving wordt verwacht,
is de tijd nemen om de balans in deze vergelijking te vinden.
Aan de andere kant van de vergelijking,
naast degenen die de analytische snelheid en kracht van AI aanprijzen,
staan degenen die zich grote zorgen maken
over de manieren waarop onze menselijkheid
wordt bedreigd door de alomtegenwoordigheid ervan.

Ik las bijvoorbeeld dat in Thailand,
waar helderziendheid big business is,
waarzeggers naar verluidt hun markt verstoord zien worden door AI,
aangezien steeds meer mensen chatbots gebruiken
om inzicht te krijgen in hun toekomst.

AI-chatbots worden gebruikt om gevoelens en dilemma’s te bespreken.
De manier waarop de relatie met AI dan wordt beschreven,
lijkt dan meer op die van een spiritueel leider of mentor.

Er zijn ook voorbeelden van zeer verontrustende incidenten
waarbij chatbots naar verluidt
iemands beslissing om zelfmoord te plegen
hebben aangemoedigd en bevestigd.
De persoon maakte een einde aan zijn leven.
Zijn ouders hebben sindsdien een rechtszaak aangespannen
tegen OpenAI nadat ze ontdekten dat ChatGPT
hem had ontmoedigd om hulp bij hen te zoeken
en hem zelfs had aangeboden te helpen
met het schrijven van een zelfmoordbrief.
Zulke verhalen roepen de kritische vraag op
of het levengevend en humaan is voor mensen
om relaties van afhankelijkheid en betekenis
met een machine te ontwikkelen.
AI-chatbots zijn zeer krachtige hulpmiddelen
die zich verschuilen achter het gelaat
van de menselijke persoonlijkheid.
Je zou kunnen stellen dat ze geavanceerde helderzienden zijn
die het enorme internetlandschap,
data die in het verleden is vastgelegd,
doorzoeken en de informatie die ze eruit halen,
presenteren als informatie en advies.
Een dergelijke intelligentie is ongetwijfeld baanbrekend
voor het diagnosticeren van ziekten,
nu het tempo van medisch onderzoek sneller gaat
dan welke huisarts dan ook aankan.
Maar is het de intelligentie die we nodig hebben
voor het diepere werk van ons innerlijk,
het zielenwerk van het leven?
Natuurlijk zijn AI-assistenten meer dan alleen
een zeer geavanceerde zoekmachine.
Ze worden steeds beter in het voorspellen
wat we willen weten.
Chatbots leren in wezen
hoe ze hun gebruikers tevreden moeten stellen.
Ze worden onze kruiperige vrienden
en geven ons inzichten
uit hun enorme hoeveelheid beschikbare kennis,
maar altijd in lijn met onze wensen en behoeften.
Is het een wonder dat mensen
zulke positieve relaties met hen opbouwen?
Ze vertellen ons voortdurend wat we willen horen!
Of in ieder geval wat we denken te willen horen.
Want elke echt liefdevolle relatie zou de capaciteit en vrijheid
moeten hebben om dingen te zeggen die de ander niet wil horen.
Relaties die echt waardevol zijn,
zijn relaties die het risico nemen
de ander te verrassen met een belediging
om zo een dieper leven te kunnen leiden.
Dit is waar de gebruikerservaring suggereert
dat AI niet bekwaam is.
Sterker nog, het is een gebied
waar chatbots volgens mij niet bekwaam in zijn.
Om dit te begrijpen,
moeten we de filosofie van de kennisgeneratie
eens nader bekijken.

De meesten van ons herkennen
de concepten deductie en inductie waarschijnlijk als denkwijzen:
Deductie is de toepassing van een vooraf bepaalde regel
(‘A betekent altijd B…’) op een gegeven ervaring,
die vervolgens vol vertrouwen een uitkomst voorspelt (‘dus C’).
Inductie is de afleiding van een regel
uit een reeks variërende (maar vergelijkbare) ervaringen
(‘kijk naar al die licht verschillende C’s –
het moet betekenen dat A altijd B betekent’).

De negentiende-eeuwse filosoof C.S. Pierce beschreef
echter een derde denkwijze die hij abductie noemde.
Abductie werkt door een voorlopige verklarende context te bieden
aan een verrassende ervaring of een stukje informatie.
Het postuleert, vaak zeer creatief en verbeeldingsvol,
een hypothese of manier van kijken,
die nieuwe ervaringen begrijpelijk maakt.
De kenmerken van abductie omvatten intuïtie,
verbeeldingskracht en zelfs spiritueel inzicht
in het streven naar een dieper begrip van de dingen.
Abductief redeneren omvat bijvoorbeeld
het soort ‘eureka!’-moment van uitleg
dat wijst op een diepere intelligentie,
een diepere connectiviteit
in alles wat buiten het bereik van de menselijke geest lijkt,
maar waar we ons met fantasierijke
en vaak metaforische sprongen naar toe wenden.

Het onderscheidende aan abductief redeneren,
voor zover het AI-chatbots betreft,
ligt in het feit dat het werkt
door een idee te introduceren
dat niet in de bestaande data zit
en dat een verklaring biedt die de data anders niet zouden hebben.
De ‘wijsheid’ van chatbots daarentegen
is in feite slechts een zeer geavanceerde synthese
van bestaande data, gevormd door de wens
om kennis te bieden die de eindgebruiker bevalt.
Het mist het fantasierijke inzicht,
het intuïtieve perspectief dat confronterend en uitdagend kan zijn,
maar uiteindelijk in ons voordeel kan werken.

Als we willen groeien in ons begrip van onszelf,
als we echt zielenwerk willen doen,
moeten we openstaan voor de verrassing van aanstoot;
de verstoring van uitdaging; het inzicht van elders;
de pijn van het moeten heroverwegen van ons perspectief.
De christelijke traditie noemt dit soms wijsheidsprofetie.
Het zou ook een manier kunnen zijn om te begrijpen
iets wat Paulus bedoelde met het ‘zwaard van de Geest’.
Het is die stem, dat inzicht van diepe wijsheid,
dat niet verzacht maar vaak pijn doet,
maar dat we met de tijd gaan waarderen als een woord van leven.
Zulke wijsheid kan worden overgedragen door een mens, een profeet.
En de verhalen in het Oude Testament suggereren
dat de overdracht ervan niet zonder kosten voor de profeet is,
en nooit zonder relatie.
Een profeet spreekt als één man in een gemeenschap,
en deelt iets van dezelfde pijn, dezelfde verwarring.
Uiteindelijk wordt zulke wijsheid begrepen
als voortkomend uit goddelijke wijsheid,
God die spreekt te midden van de mensheid.

Em die krijg je niet van een chatbot,
die krijg je van persoonlijke relaties.
Ik heb dan wel een computer
maar ik zal mijn zielswerk met medemensen doen.
En ik zal geen AI-assistent gebruiken.

 

Dit jaar herdenken we dat het zeventienhonderd jaar geleden is
dat de vroege christenen langzaam op weg gingen naar een historische verklaring:
De Geloofsbelijdenis van Nicea was het resultaat van 300 jaar worstelen
met een vraag die centraal stond in deze nieuwe beweging:
als de Jezus die zij aanbaden in zekere zin de ‘Zoon van God’ was, wat betekende dat dan?
Was hij een menselijke profeet, beter dan de meesten, maar in wezen net als wij?
Was hij God in menselijke gedaante?
Of een soort halfbloed – half mens en half goddelijk?
Theologen verspilden bloed, zweet en tranen (letterlijk) aan deze vragen.
Simplistische antwoorden werden aangedragen, maar bleken tekort te schieten.
Er werden verhandelingen geschreven, synodes gehouden,
tegenstanders werden gegeseld en geëxcommuniceerd.
Er braken zelfs rellen uit
toen de debatten in de Romeinse wereld hevig oplaaiden.

Uiteindelijk, in 325, bracht het Concilie van Nicea
een zorgvuldig geformuleerde en moeizaam verkregen verklaring uit.
Er stond dat Jezus ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader’ was.
Elk woord was zorgvuldig gekozen en het resultaat
van lang debat, diep gebed en overpeinzingen.
Het loste niet alle problemen op, maar het heeft de tand des tijds doorstaan
en wordt nog steeds in kerken over de hele wereld uitgesproken.

Ik heb hier deze zomer over nagedacht, terwijl onze politieke debatten woedden.

Neem de kwestie van immigratie.
Aan de ene kant zijn er de spandoeken met ‘vluchtelingen welkom’,
en dat de uitingen van tegenstanders een teken is van beginnend fascisme,
en dat beweren dat we een immigratieprobleem hebben inherent racistisch is.

Aan de andere kant is er de ‘Nederland is vol’-campagne,
zijn er oproepen tot massadeportaties, protesten tegen de komst van AZC’s,
de suggestie dat alle immigranten profiteurs zijn
die de ziel ‘de Nederlander’ vernietigen
en er wordt opgeroepen om de grenzen snel te sluiten.

Maar het is veel ingewikkelder.
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de claims van legale migranten,
asielzoekers en illegale immigranten.
De meesten zullen het er waarschijnlijk over eens zijn
dat het bieden van welkom aan mensen
die oorlog, vervolging en hongersnood in hun thuisland ontvluchten,
juist en gepast is, en in lijn met een lange traditie van Nederland
dat een toevluchtsoord bood aan anderen in nood.
Mensen zullen altijd onderweg zijn,
en het sluiten van alle grenzen is onrealistisch en onrechtvaardig.
Het gematigde, vruchtbare Nederlandse klimaat,
onze historische economische en politieke stabiliteit,
ons goed gereguleerde rechtssysteem,
het christelijk geloof dat onze cultuur heeft gevormd,
zelfs de relatieve netheid van onze straten en platteland,
zijn geschenken die we uit het verleden erven
en waar we gul mee moeten zijn.

Toch zijn dit zegeningen die niet als vanzelfsprekend kunnen worden beschouwd.
Ze moeten worden beschermd, niet alleen omwille van ons,
maar ook voor degenen die een legitieme claim hebben om hier een thuis te hebben.

De meesten zullen het er dus ook over eens zijn
dat illegale immigratie een plaag is,
waarbij de meedogenloze schurken wanhopige migranten verleiden
om op hun wankele bootjes de Middellandse Zee over te steken
en weinig anders verdienen dan een strafrechtelijke straf.
Toch zal zelfs massale ‘legale’ migratie het karakter van het land veranderen.
Wanneer 40% van de kinderen in de basisschoolleeftijd
minstens één in het buitenland geboren ouder heeft,
en voor één op de vijf Nederlands niet hun moedertaal is,
kan dat niet anders dan een impact hebben
op het karakter van het land.

Maar deze complexiteit gaat verloren in de behoefte aan een pakkende kop.
Noch ‘stuur ze naar huis’, noch ‘alle migranten welkom’
vat het dilemma samen.
Het behoeft nuance.
Er is zorgvuldig en geduldig werken nodig
om de juiste balans te vinden
tussen de verschillende eisen;
medeleven met de vreemdeling
en het behoud van de dingen
die juist de vluchtelingen hierheen trekken.

Hetzelfde geldt voor Israël en Gaza.
Voor de pro-Israëllobby is het bijna al antisemitisch
om alleen al de aandacht te vestigen op het lijden in Gaza.
Aandringen op terughoudendheid met betrekking
tot Israëls vastberadenheid om Hamas te vernietigen,
zelfs als dat betekent dat Gaza en een groot deel van de bevolking
in de tussentijd vernietigd moeten worden,
is een echo van de vernietigingskampen
en een manier om de zionistische woede te temperen.
Maar voor de pro-Palestinabeweging en haar aanhangers
lijkt Israëls legitieme behoefte om in vrede te leven
zonder een buurstaat die zich erop toelegt
haar te vernietigen, niets te betekenen.
Hoe kan van Israël verwacht worden
dat het naast een regime leeft
dat op brute wijze 1400 burgers op één dag heeft vermoord?

Het is ingewikkeld. De belangrijkste dingen wel.
Iedereen die ooit een grote organisatie heeft geleid,
weet dat het vaak een delicate kwestie is
om een pad voorwaarts uit te stippelen
en tegelijkertijd concurrerende belangen
en perspectieven te behouden.
Je verliest onderweg wel wat mensen,
maar je kunt het je niet veroorloven om iedereen te verliezen,
vooral niet als beide kanten van het debat enige legitimiteit hebben.

De lange strijd van de vroege kerk om orthodoxie te definiëren
vergde tijd, geduld, zorgvuldige overweging en zelfbeheersing;
ook al was ze daar soms niet erg goed in.
Het resultaat was een genuanceerde uitspraak die tussen de ene pool;
dat Jezus gewoon een heel goed mens was
en de andere; dat hij God was, gekleed in menselijke kleding.
De waarheid die uiteindelijk werd blootgelegd en omarmd,
was niet het ene uiterste of het andere,
en zelfs geen slap compromis,
maar het zorgvuldig uitgewerkte, onwaarschijnlijke idee
dat de beste inzichten van beide kanten samenbracht;
dat hij niet ‘slechts menselijk’ of ‘slechts goddelijk’ was,
of 50% van beide,
maar 100% menselijk en 100% goddelijk,
en dat dit (om redenen die te ingewikkeld zijn om hier op in te gaan)
geen contradictio in terminis was.

De waarheid en de oplossing van onze dilemma’s
over immigratie, of Gaza, zijn zelden eenvoudig.
Ze vereisen nuance. Ze vereisen geduld.
Ze vereisen zorgvuldige aandacht en luisteren
naar de mensen met wie je het instinctief
oneens bent om de waarheid te achterhalen.
Toch pleiten ons verlangen naar een dramatische headline,
onze honger naar simpele oplossingen,
onze algoritmes die de meest extreme meningen promoten,
allemaal tegen dit soort geduldige, waakzame politieke
en sociale cultuur die ons zou helpen
tot betere oplossingen te komen.

Het leven is ingewikkeld. Mensen zijn ingewikkeld.
Oplossingen voor lastige kwesties zijn zelden eenvoudig.
We hebben nuance nodig.

 

De Goeroes leken
op het eerste gezicht
op de Profeten en de Agitators.
Maar in de generaties na die eerdere tijdperken
was het moeilijker geworden om
respect te tonen voor traditie
– wat prima was, aangezien de erosie van instellingen
de tradities toch al had verzwakt
en een pad had geopend voor Goeroes
om meer invloed te verwerven
dan hun destructieve voorgangers.
Religieuze en filosofische traditie
was in de handen van de Goeroes
niet langer een vaste gids,
maar een palet om illusies
van onafhankelijkheid te schetsen.
Soms gebruikten ze het om een nieuwe realiteit te schetsen
die ondoordringbaar was voor factcheckers.

“Goeroe”, wat in het Sanskriet “verwijderaar van duisternis” betekent,
was oorspronkelijk een religieuze term.
Maar in het derde decennium van de 21e eeuw
was de meest prominente Goeroe van het land
een zakenman genaamd Donald Trump.
Trump was persoonlijk geen toonbeeld
van conventionele religieuze toewijding.
Toch hing zijn politieke carrière af van een honger
onder zijn meest toegewijde aanhangers
die alleen spiritueel genoemd kan worden.
Zoals zoveel relaties tussen charismatische leiders
en hun volgelingen,
stuitte het op verzet en woede bij buitenstaanders.
Tegen de achtergrond
van de Amerikaanse charismatische traditie
is zijn succes echter volkomen logisch.

Hoe konden vroegmoderne mystici en puriteinse ketters,
die de stem van de Heilige Geest hoorden,
dan veranderen in toegewijden
op een moderne presidentsverkiezingsbijeenkomst,
die zich verdrongen om de kandidaat
met zijn iPhone als eerste te zien,
biddend voor een selfie?
Tegen het begin van de 21e eeuw
waren de meeste religieuze instellingen
in het Westen afgegleden
tot een overblijfsel van hun vroegere gezag;
althans volgens de gebruikelijke maatstaven.
Tegenwoordig wenden commentatoren
zich meer dan ooit tot
materialistische verklaringen voor politiek disfunctioneren,
polarisatie en de algehele vertrouwenscrisis van de cultuur.
Ze wijzen op groeiende sociale ongelijkheid,
onoverbrugbare meningsverschillen over beleid,
aanhoudend racisme en xenofobie,
en kwaadaardige, geautomatiseerde krachten
die op het internet loeren.
Allemaal waar; maar allemaal ontoereikend.
Als we de religieuze impuls definiëren
als een honger naar transcendente betekenis
en een reflex om te aanbidden, te adoreren,
dan is het een menselijk instinct
dat slechts iets minder fundamenteel is
dan de behoefte aan voedsel en onderdak,
en Amerikanen zijn
niet minder religieus dan ooit tevoren.
Ze zullen altijd een manier vinden
om deze verlangens te bevredigen,
zelfs als charismatici
hen langs vreemde en kostbare paden voeren.

De beginvraag die Worthen opwierp was:
‘Wat gebeurt er als Amerikanen het vertrouwen
in hun religieuze instellingen verliezen
en politici de leegte vullen?’
Mijn vraag na lezing van dit boek is:
‘In hoeverre zien we soortgelijke ontwikkelingen in Europa?’
Want laten we eerlijk zijn:
ook in Europa is het vertrouwen
in religieuze instellingen gedecimeerd
en ook bij ons zien we dat (charismatische) politici
proberen de leegte op te vullen.
Zou de uitspraak van Nietzsche bewaarheid worden
waar hij zegt:
‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!
Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […]
Dwalen we niet als door een oneindig niets?
Gaapt de holle ruimte ons niet aan?
Is het niet kouder geworden?
Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller?’

Proberen ook wij Europeanen niet die leegte op te vullen
door achter (charismatische) politici aan te lopen?

De titel van deze post is gebaseerd op het effect bekend uit de politicologie genaamd het ‘rally ‘round the flag’: pas tijdens een crisis zien we dat burgers van een land zich massaal achter hun leider(s) scharen. Ik pas het in deze post natuurlijk letterlijk toe als ‘rondom de vlag’.

 

In de aflopen campagne
voor de Tweede Kamerverkiezingen
nam de Nederlandse vlag ineens een prominente plaats in
toen Rob Jetten de vlag als teken
van nationale eenheid en identiteit ging inzetten.
Hij zei:
‘Ik vertel daarin waarom we de Nederlandse vlag
niet mogen overlaten aan de PVV.
Want die vlag is niet van één partij.
Ze is van ons allemaal.’

Een vlag symboliseert die eenheid binnen een natie.
Maar de afgelopen tijd werden vlaggen in het Nederland
minder een bron van saamhorigheid
en meer een brandpunt van verdeeldheid.
Rechtse partijen en groeperingen
zetten de vlag doelbewust daarvoor in.
We hoeven alleen maar te kijken
naar de pins met de Nederlandse vlag
op de kleding van Kamerleden,
of de Nederlandse en geuzevlaggen
die meegevoerd werden met diverse demonstraties.

Eerder verschenen deze vlaggen
– vaak ondersteboven –
In dorpen en steden,
op bruggen,
lantaarnpalen en gebouwen
door het hele land.
De motieven van degenen die de vlaggen hijsen waren divers,
maar de manier waarop verschillende groepen mensen
deze vlaggen ervaren,
draagt een alarmerende boodschap uit
over de groeiende kloof die nu in onze natie bestaat.

Mensen met racistische motieven eisen de natie van hen ‘terug’,
want zij voelen dat zij stateloos achterblijven
en nergens meer bij horen.
Maar voor hen die zich in het centrum of links
van het politieke spectrum bevinden,
voelen de vlaggen daarentegen
als een regelrechte machtsclaim van extreemrechts
en een teken van de groeiende populariteit
van hun beleid en retoriek.
Voor deze mensen zijn de vlaggen sinister
en roepen een diep gevoel van dreiging op. 
De vlaggen dragen een intimiderende boodschap uit.

Maar er speelt nog een ander verhaal mee.
Want terwijl de vlaggen blijven wapperen in de herfstbries,
is iets wat voor de ene groep mensen een symbool van angst is,
voor de andere groep een welkom teken van hoop:
de vlaggen staan voor het herwinnen
van een zelfverzekerde Nederlandse identiteit,
die verloren was gegaan
door een mislukt experiment
in multiculturalisme
dat de eigen gemeenschap diep angstig heeft gemaakt.
En beide groepen hebben zo lijkt geen mogelijkheid meer
om elkaar te verstaan.

Ik denk dat ‘de kerk’ hierbij een essentiële taak heeft
om de verschillende groepen
weer met elkaar in gesprek te brengen.
Geloofsgemeenschappen zijn als geen ander staat om
in een cultuur van echokamers en algoritmen,
om elke kant van een conflict te begrijpen.

Want aan de ene kant moeten we ons bewust zijn
van de duistere kant van het vlagfenomeen.
Maar we dienen ook te begrijpen
wat de behoeften en angsten zijn
van de mensen voor wie de vlaggen welkom zijn.

En de grens tussen mensen is soms heel dubbel.
Het kan bijvoorbeeld best zo zijn
dat een vrijwilliger
die in haar kerk meehelpt met projecten
voor kwetsbaren
en goed bevriend is met asielzoekers in haar gemeente,
toch nog steeds een vlag laat wapperen
omdat ze vindt dat de immigratie ‘te ver is gegaan’.

Want de vlaggen kunnen fungeren
als een uitlaatklep voor de intense frustratie
van mensen die zich achtergesteld en genegeerd voelen
of leven met de chronische desillusie
over een politiek systeem
dat hen in de steek heeft gelaten.
Vlaggen wapperen soms als uiting
van een wanhopige roep
om een land dat beter voor hen zou zorgen.
Een beetje zoals een verwaarloosd kind
dat iedereen eraan probeert te herinneren
dat ook hij deel uitmaakt van de familie.
Anderen voelen zich gefrustreerd
omdat hun instellingen bereid lijken
om veel verschillende vlaggen te voeren
– de Oekraïense vlag of de LGBTQI+-vlag –
maar zij vinden dat diezelfde instellingen
zich schamen voor de vlag van hun eigen land.

Uiteindelijk zijn veel mensen
oprecht trots op de vlaggen
die boven hun gemeenschap wapperen,
omdat het hen de kans geeft om hun trots te uiten
voor een land dat zich vaak overdreven verontschuldigt
voor zijn verleden en zich schaamt voor patriottisme.

Voor veel groepen is de globalisering
en het transnationalisme,
die door degenen die de macht hebben
als de weg naar meer welvaart worden gezien,
slecht nieuws geweest.
Het heeft banen uitbesteed, lonen verlaagd,
waardoor veel werkenden
nog steeds afhankelijk zijn van uitkeringen,
en het heeft geleid
tot grote demografische veranderingen
in gemeenschappen
waarbij de lokale bevolking
geen inspraak had.

Dit gecombineerd met jaren van slopende bezuinigingen
en een politieke klasse die snel belooft maar traag levert,
heerst er een krachtige en intense woede
in veel groepen mensen
en voor hen zijn de vlaggen
een bliksemafleider geworden.

Het lijkt erop dat één vlag
nu twee naties symboliseert.
En wat zo alarmerend is,
is dat de ene kant de andere nauwelijks begrijpt.

Hoe moeten christenen reageren?
Want een verdeelde natie
wil dat de kerk partij kiest
en ziet ons zelfs
als zwak en wankelmoedig
als we dat niet doen.
Maar de taak van een christen is niet
om in elk binair debat
de ene of de andere kant te kiezen.
De opdracht is om aan de kant van de Heer te staan.
En in deze context denk ik
dat dat een tweeledig antwoord betekent.

Het betekent aandachtig luisteren naar iedereen.
We moeten de angsten horen
van hen voor wie vlaggen
een teken zijn van groeiende intolerantie
en daarom racisme en haat veroordelen.
Maar even belangrijk is dat we,
zelfs als we het niet met elkaar eens zijn,
de woede van mensen moeten begrijpen
en er een stem aan moeten geven.
Want zij vrezen dat de natie die ze liefhebben,
hen wordt afgenomen.
Als die stem niet gehoord en begrepen wordt,
zal extreemrechts maar al te graag
het vacuüm opvullen dat ontstaat.
In een verdeelde natie
is het een deel van de roeping van de kerk
om de ene kant te helpen de andere te begrijpen.

Het betekent ook om
op de plek van conflict woorden
van christelijke vrede te spreken.
We mogen wijzen
op het verlossende werk van Jezus Christus,
waardoor we verzoend worden
met de Vader en zo met elkaar.
Laten we luisteren en begrijpen,
maar bovenal het kruis hoog houden,
want in dat symbool schuilt
de enige ware en blijvende bron van eenheid.

 

De Experts waren, op het eerste gezicht,
de charismatische tegenpool van de Agitators.
Zij waren bouwers.
Na de Tweede Wereldoorlog profiteerden ze
van de tegenreactie op de nachtmerrieachtige jaren
van fascistische demagogen,
ze omarmden het hoogtepunt van de autoriteit
van traditionele instellingen
in de westerse cultuur en politiek,
en ze voedden het Amerikaanse geloof
in de kracht van technologie en bureaucratie
om grootschalige problemen op te lossen.
Ze claimden de mantel van rede en procedure
en deden hun best om de politieke
of religieuze invloed van charisma te beperken
tot het verre verleden of primitieve culturen.

Maar in feite zagen de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog
een explosie van religieuze opleving in Amerika;
aangevoerd door christenen
die in tongen spraken,
christenen die uitkeken naar de eindtijd
en zij die beweerden te genezen
door de kracht van de Geest.
Zelfs op het gebied van erkende en zogenaamd seculiere genezing
werd de grens tussen geneeskunde en spiritualiteit vager.
Deze jaren vormden het hoogtepunt
van cultureel prestige voor deze mensen,
maar de langdurige ambivalentie
van de Amerikanen
ten opzichte van intellectuele elites bleef bestaan.
De meest succesvolle leiders
profiteerden van die gemengde gevoelens.
Ze koesterden de spanning
tussen wetenschap en vrijheid in de Koude Oorlog
en, aan de andere kant,
het sluimerende gevoel dat technologische sprongen
eeuwige waarheden verdoezelden
en de organiserende kracht van een goed verhaal nodig hadden.

Echter, tegen het einde van de twintigste eeuw,
toen Amerikanen hun vertrouwen verloren
in de gevestigde media, kerken,
de overheid en bijna elk ander bolwerk
van de moderne samenleving,
dook de destructieve invloed van charismatisch leiderschap
weer op in de vorm van de Goeroes:
predikers van zelfontplooiing
met plannen om snel verlicht te worden.
De ouderwetse pinksterbeweging bleef ook bestaan,
maar de leiders worstelden
om te voorkomen
dat de cultuuroorlogen
de Heilige Geest in hun greep kregen.

« Vorige paginaVolgende pagina »