Ik las het laatst en ik schrok me rot:
als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar
ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon.
Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.

En dan heb ik het niet eens over Generatie Z,
die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit.
Zes uur.
Dat is geen bijzaak meer.
Dat is een levensstijl.
Dat is liturgie.

We lachen erom.
“Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.”
Maar intussen pakken we ’m op
zonder dat we het doorhebben.
Bij elk piepje. Bij elke stilte.
Bij elke seconde verveling.
“Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst.
Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.

En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.

We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’
– pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.

En dan:
Aswoensdag.
Stof ben je.
Zes weken oefenen in minder.
Minder eten. Minder luxe. Minder ruis.
Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.

Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?

Ja, ik weet het.
Werk.
Appjes.
Agenda.
Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig?
En hoeveel is gewoon gewoonte?
We hebben onszelf getraind in afleiding.
Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel:
pakken, kijken, scrollen.
Ons hart volgt onze handen.
En onze handen grijpen
steeds naar glas en licht.

We zeggen dat we verbonden zijn.
Maar wat voor verbinding is dit?
We worden gebombardeerd
met meningen, rampen,
perfecte lichamen en perfecte levens.
En ondertussen missen we de mensen
die letterlijk tegenover ons zitten.
“Sociaal” is het allang niet meer.
Het is lawaai.

Misschien is het tijd voor iets radicaals.
Iets ouds. Iets analoogs.

Een gewoon horloge. Een echt boek.
Een notitieboekje
in plaats van meteen googelen.
Een wandeling zonder podcast.
Ongemakkelijk?
Absoluut.
Inefficiënt?
Zeker.
Maar dat is nou juist het punt.

Want het analoge leven gaat over drie dingen
die we aan het kwijtraken zijn:
gemeenschap, creativiteit en rust.

Gemeenschap:
niet duizenden volgers,
maar één mens aan je keukentafel.
Iemand aankijken
zonder dat je scherm ertussen zit.

Creativiteit:
niet alleen consumeren, maar maken.
Iets met je handen doen.
Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken.
We zeggen dat we “geen tijd” hebben.
Onzin.
We hebben tijd zat.
We geven ’m alleen weg.

En dan rust. Echte rust.
Niet “even Netflixen om bij te komen”.
Maar stoppen.
Een sabbat. Een dag zonder moeten.
Zonder presteren. Zonder scrollen.
Gewoon zijn.
Verveling toelaten.
Want juist in die leegte gebeurt er iets.
Daar geneest je verbeelding.
Daar hoor je weer wat er in je leeft.
Daar kan God eindelijk tussenkomen
zonder dat Hij moet concurreren
met je notificaties.

Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen.
Het is een oproep tot bekering.
Ja, dat woord.
Omkeren.
Je tijd opnieuw ordenen.
Je verlangens opnieuw richten.

Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.

Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid,
maar om terug te keren naar wat echt is.

Want de vraag is niet hoeveel schermtijd je hebt.

De vraag is: wie word je ervan?

 

Half februari.

De goede voornemens liggen al bij het grofvuil.
We zouden toch gezonder, fitter, rustiger, beter worden.
Twee weken later zaten we alsnog met chips op de bank.
We knikten zelfs braaf bij Blue Monday
– zogenaamd de somberste dag van het jaar –
alsof we een officiële stempel nodig hebben
voor dat knagende gevoel
dat het allemaal wat minder glanst dan gehoopt.

Maar misschien zit de echte somberte niet in het weer. Misschien zit ’ie dieper.

Kijk om je heen.
Twee derde van de wereld leeft inmiddels in landen
waar te weinig kinderen worden geboren
om de bevolking op peil te houden.
Voor stabiliteit heb je gemiddeld 2,1 kind per vrouw nodig.
In Nederland is dat 1,43.
In grote delen van Europa is het niet veel beter.
Dat is geen dipje. Dat is een trend.

En natuurlijk: we noemen het Vrijheid,
Keuze, Zelfbeschikking.
We plannen ons leven zorgvuldig.
We optimaliseren, vergelijken, berekenen.
Alles moet kloppen. Het huis. De baan. De planeet.
Onszelf.

Maar onder al dat plannen ligt een stillere laag.
Twijfel. Uitstel. Wachten op betere tijden.
Tot de hypotheek betaalbaar is.
Tot de politiek rustiger wordt.
Tot het klimaat stabieler voelt. Tot we zelf ‘klaar’ zijn.

Alleen: dat moment komt zelden.

Misschien is dat wel de kern van onze tijd.
Niet egoïsme. Niet onwil.
Maar een te broos vertrouwen in de toekomst.
Want we zijn opgegroeid met het idee dat alles groter,
beter en rijker zou worden dan gisteren.
Die belofte kraakt.
Oorlog. Klimaatstress. Polarisatie.
Het voelt soms alsof we leven
in een wereld die haar glans verloren heeft.

En toch.

En juist nu schuift de christelijke kalender
de veertigdagentijd binnen.
Na het uitbundige van Vastenavond volgt Aswoensdag.
Een zwart kruis op je voorhoofd,
met de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent.’
Geen marketingpraatje.
Geen maakbaarheidsmantra.
Gewoon een reality check:
je bent eindig. Kwetsbaar. Beperkt.

Dat klinkt somber. Maar misschien is het bevrijdend.

Want we zijn moe van het idee
dat grenzen er zijn om te doorbreken.
Dat plafonds altijd hoger te kunnen.
Dat groei vanzelfsprekend is.
Wat als volwassen worden betekent
dat je leert leven mét grenzen,
in plaats van ertegen te vechten?
Wat als hoop niet ontstaat
uit onbeperkte mogelijkheden,
maar juist uit eerlijkheid over wat breekbaar is?

Het askruis zegt niet:
geef het op.
Het zegt: kijk eerlijk.
Het leven is kwetsbaar. Jij ook.
En precies daar kan iets nieuws groeien.

Hoop is geen optimisme dat alles goed komt.
Hoop is het vertrouwen
dat betekenis niet afhankelijk is
van perfecte omstandigheden.
Dat zelfs in een tijd van dalende cijfers
en stijgende zorgen,
de toekomst niet gesloten is.

Half februari.

De regen tikt tegen het raam.
De voornemens zijn gesneuveld.
Maar misschien is dat geen nederlaag.
Misschien is het een uitnodiging om kleiner te denken
en groter te verwachten.
Niet van onszelf, maar van wat ons draagt.

Misschien begint hoop precies hier.
Niet in glans. Maar in eerlijkheid.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

Still uit de serie House of David

We hebben het christendom al zo vaak begraven
dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden.
In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten:
het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes
en dorpskerken die naar vocht ruiken.
Zeker in het Westen zou het geloof
z’n langste tijd gehad hebben.
De Verlichting had gewonnen,
Netflix had het met plat entertainment overgenomen.

En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.

Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden
dat God met pensioen was gestuurd,
begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage
– zonder de kramp van oude ruzies –
opnieuw vragen te stellen.
Geen cynische vragen, maar existentiële.
Wie ben ik? Wat doe ik hier?
Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder?
Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen,
maar ze kloppen wel aan.
Openminded. Nieuwsgierig.
Soms zelfs geestelijk hongerig.

En kijk naar onze schermen.
House of David, Mary, The Chosen;
met honderden miljoenen kijkers wereldwijd.
In een oververhitte streamingmarkt,
waar elke seconde aandacht geld is,
blijken Bijbelse verhalen ineens
geen stoffige relieken
maar winstgevende titels.
Het christelijke entertainment is,
zo kopte een artikel, ‘opgestaan’.
Ironischer wordt het niet.

Begrijp me goed:
het is niet allemaal goud wat er blinkt.
Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig.
Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid.
En ja, we herinneren ons nog
Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004
dat bij velen vooral misselijkheid opriep.

Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.

Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?

Misschien omdat de wereld donkerder voelt
dan we willen toegeven.
Niet objectief per se want statistieken zijn grillig,
maar existentieel.
Het nieuws is een eindeloze stoet van crises.
Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst.
Economische onzekerheid.
Zoveel mensen zijn afgehaakt,
niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming.
Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.

In zo’n klimaat klinkt de zin
van een studiobaas bijna profetisch:
mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’.
Dat is geen marketingtruc.
Dat is een noodkreet.

Christelijke verhalen
– wanneer ze goed verteld worden –
bieden geen suikerlaagje over de realiteit.
Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood.
Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn:
een verlossend einde denken.
Vergeving boven wraak.
Nederigheid boven trots.
Wonden die genezen.
Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis.
Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.

Misschien verlangen we daar niet naar
omdat we zo religieus zijn,
maar omdat we zo moe zijn.

Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem,
dat zij en haar man weer naar de kerk gingen.
Niet uit traditie.
Niet uit overtuiging.
Maar omdat ze net een baby hadden gekregen
en het leven hen overspoelde.
‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze.
‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’

Dat is het.

Hoop is geen luxeartikel voor optimisten.
Het is zuurstof voor mensen
op een slagveld van verantwoordelijkheden,
verwachtingen en angsten.
We proberen allemaal te overleven
in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is.
De oude vraag blijft:
hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?

Misschien is het momentum
van christelijk entertainment
geen cultureel ongelukje, maar een spiegel.
Een teken dat onder onze cynische buitenlaag
een koppig verlangen leeft.
Naar betekenis.
Naar vertrouwen.
Naar een God die niet is weggevaagd
door onze scepsis.

We hebben Netflix misschien
niet nodig om te overleven.

Maar verhalen van geloof en hoop?
Die wel.
Zonder die verhalen redden we het niet.
Met hen – hoe gebrekkig ook verteld –
durven we tenminste te geloven
dat het licht nog steeds
sterker is dan het donker.

Gebed door een aantal evangelicale voorgangers voor president Trump

‘Het verleden is een vreemd land’, schreef L.P. Hartley.
‘Ze doen het daar anders.’
Nou, zet dat maar gerust in hoofdletters
als je het over Amerika hebt.
De Verenigde Staten zijn een vreemd land.
Zeker voor ons, kijkend vanaf de zijlijn
met koffie in de hand en opgetrokken wenkbrauwen.

Ik heb lang geprobeerd te snappen
waarom zóveel evangelicals Donald Trump omarmen.
Want nee, dat zijn lang niet allemaal
die karikaturen die wij hier graag opvoeren:
witte mannen in pick-ups en countrymuziek keihard aan,
Confederatievlag achterop.
De evangelicale wereld in de VS is veel diverser.
Er zijn megakerken vol kleur, migrantenkerken,
jonge gemeenschappen die Trump verafschuwen.
Maar het woord ‘evangelical’? Dat is inmiddels gekaapt.

Het label is verworden tot een politiek sjibolet.
Ben je pro-Trump, anti-woke en Republikeins?
Dan ben je blijkbaar ‘evangelical’.
Theologie optioneel.
Zo absurd dat zelfs moslims
in enquêtes die term zijn gaan gebruiken.
Ik zei toch: vreemd land.

Laat één ding duidelijk zijn:
zelfs de meeste evangelicals
die Trump steunen,
zien hem niet als moreel lichtend voorbeeld.
Niemand noemt hem een heilige.
Ze kennen zijn geschiedenis
met vrouwen, geld en waarheid.
En toch stemmen ze op hem. Waarom?
Grofweg zijn er twee smaken.

De eerste is koud en zakelijk:
karakter slecht, beleid goed.
Een deal.
Stem voor beleid dat abortus beperkt,
traditionele gezinswaarden verdedigt,
transdebatten afremt, wapens beschermt,
China wantrouwt, illegale immigratie aanpakt
en de kosten van levensonderhoud niet verder opjaagt.
Trump als noodzakelijk kwaad. Niet mooi, wel nuttig.

De tweede smaak is rauwer en gevaarlijker:
Trump als instrument van God.
Net als David, Salomo of Cyrus.
Gebrekkig, ja. Maar uitverkoren.
Door God ingezet om Amerika weer ‘christelijk’ te maken.
Zijn tekortkomingen? Bijzaak. God gebruikt wie Hij wil.

In beide verhalen zit dezelfde aanname verstopt:
karakter is wenselijk, maar niet essentieel voor leiderschap.

En daar haak ik af.

De Bijbel is daar namelijk veel kritischer
over dan men nu doet voorkomen.
David kwam pas tot bloei ná diep berouw.
Salomo’s morele zwakte sloopte zijn koninkrijk.
En Cyrus?
Die was nooit leider van Israël, alleen een handige buurman.
Het idee dat een niet-berouwvolle leider
met structurele morele gebreken
een zegen is voor een natie,
is van het soort wishful thinking met Bijbelcitaten.

Want leiders zetten de toon.
Altijd.
Op scholen, in kerken, bedrijven en landen.
Wat ze doen, wordt normaal.
Hoe ze praten, wordt acceptabel.
Een leider die pest, kleineert, liegt
en alles meet in geld,
leert zijn volk
dat pesten werkt, liegen loont en geld god is.

Dat is geen politiek punt,
dat is menselijk gedrag.
Kinderen worden hun ouders.
Kerkenleden lijken op hun voorgangers.
Bedrijfsmedewerkers op hun CEO’s.

Beleid doet ertoe, absoluut.
We kunnen ruziën over importheffingen,
China, Oekraïne of migratie.
Maar hóé je dat beleid voert,
zegt vaak meer dan wát je voert.

Competentie en chemie zijn handig.
Maar op de lange termijn?
Is karakter alles.

 

Bijna iedereen herkent het wel.
Een kind vraagt iets, je zegt nee,
en je krijgt dat onverwoestbare argument terug:
‘Maar ik wil het gewoon hebben.’
Onderhandelen, compromissen sluiten,
snappen dat de wereld niet om jou draait;
dat leer je meestal pas later. Tenminste, dat is de bedoeling.

Maar sommige mensen groeien daar nooit overheen.
En laten we eerlijk zijn:
dat is vooral pijnlijk om te zien
als het volwassenen betreft.
Nog pijnlijker als ze rijk, machtig en invloedrijk zijn.
En ja, daar komen we onvermijdelijk uit bij Donald Trump.

Trump wilde een Nobelprijs voor de Vrede
voor de ‘8+ oorlogen’
die hij wel of niet heeft beëindigd.
Die kreeg hij niet.
Nu wil hij Groenland.
Niet omdat het nodig is, niet omdat het logisch is,
maar omdat hij het gewoon wil hebben.
En dat terwijl de Verenigde Staten als sinds 1951
het wettelijke recht hebben
om op Groenland defensie-infrastructuur te bouwen
en het te gebruiken
ter verdediging van zowel Groenland als zichzelf.
Er is dus geen probleem dat opgelost moet worden.
Behalve dan zijn frustratie.

Trump is eigenlijk een fascinerend studieobject
voor de ontwikkelingspsychologie.
Aan de ene kant denk je:
stuur hem naar zijn kamer.
Aan de andere kant
is dit geen kinderachtig incident,
maar een geopolitieke dreiging
die de NAVO en daarmee de wereldvrede raakt.
En dat maakt het ineens bloedserieus.

Misschien is dat wel het moment
om opnieuw na te denken
over wat vrede eigenlijk is.
In de simpelste vorm:
de afwezigheid van oorlog.
Maar vrede is meer dan dat.
Het is de zekerheid
dat je in waardigheid kunt leven,
met zelfbeschikking,
zonder permanente dreiging.

Dat is precies het soort ‘zachte macht’
waar Trump niets mee heeft.
Voor hem is vrede geen waarde,
maar een product, een commodity.
Noorwegen heeft hem geen Nobelprijs gegeven
— alsof ze dat ooit kunnen doen —
dus laat hij vrede vallen als een slechte deal.
In plaats daarvan dreigt hij met strafheffingen
tegen Nederland en andere Europese landen
als zij Denemarken niet dwingen Groenland af te staan.
Wat dat precies betekent?
In zijn hoofd waarschijnlijk: slim onderhandeld.

Maar vrede is geen handelswaar.
Voor christenen is het een genadegave.
En ook voor veel niet-gelovigen
is het nog steeds iets fundamenteel menselijks,
iets dat je koestert en beschermt.
Hoe dan ook:
vrede is een absolute waarde.
En dus een object
dat je verkoopt aan de hoogste bieder.

Vrede is geen transactie, maar een geschenk.
En alles wat kostbaar is, moet worden bewaakt.
Een ander woord voor bewaken is defensie.
Daarom hebben landen defensiebudgetten.
Niet om te roven,
maar om te beschermen wat kwetsbaar is.
Daarom bestaat de NAVO.
Omdat we samen sterker staan
in het bewaren van vrede.

Trump houdt wel van kracht,
maar alleen van de kracht van de pestkop.
Zijn favoriete mantra ‘vrede door kracht’
lijkt verdacht veel op de Pax Romana:
ik bepaal de vrede, want ik ben sterker dan jij.
In die logica kan hij Groenland opeisen
omdat Denemarken en zijn bondgenoten kleiner zijn.

Wat hij compleet negeert,
is het idee van zwakte.
In zijn wereld is zwakte iets om te verachten.

Wijzere mensen weten beter.
Paulus schreef al dat kracht juist in zwakte kan schuilen.
Ingenieurs snappen dat intuïtief:
een constructie is maar zo sterk
als haar zwakste punt.
Wie de zwakken beschermt,
erkent de collectieve kracht van het geheel.

Leiderschap in de vrije wereld
betekent niet dat je zwakkere landen opslokt,
maar dat je ze bijstaat,
zeker wanneer ze onder druk staan
van minder welwillende spelers.
Zwakte is geen uitnodiging tot overname,
maar tot solidariteit.
Dáár hangt vrede van af.

Het is een klassieke denkfout
om te geloven dat omdat je de grootste bent
dat iedereen dus maar naar jou moet luisteren.
Er komt altijd iemand die groter is.
Altijd.
Memento mori:
herinner dat je sterfelijk bent.

Maar dat besef vraagt nederigheid.
De erkenning dat je,
hoe machtig je jezelf ook waant,
altijd aan iemand verantwoording schuldig bent.
En precies daar, in die nederigheid, ontstaat vrede.

De uitspraak van Jezus ‘Mijn vrede geef ik u’ is een gewaagde belofte.
Maar we worden wel uitgenodigd haar serieus te nemen.
Niet alleen Trump, die het niet lijkt te snappen,
maar voor ons allemaal.
Want eerlijk is eerlijk:
het is een vrede die ons verstand te boven gaat.

 

Generatie Z, ook wel Gen Z of Zoomers genoemd,
zijn mensen geboren tussen ongeveer 1997 en 2012.
Ze staan bekend als ‘digital natives
omdat ze zijn opgegroeid met internet en smartphones,
wat hun snelle informatieverwerking
en aanpassingsvermogen aan technologie verklaart.
Belangrijke kenmerken van deze generatie zijn
hun aandacht voor sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit,
duurzaamheid en authenticiteit,
en de focus op persoonlijke ontwikkeling
en balans tussen werk en privé.
Generatie Z vertoont een opvallende trend
van hernieuwde interesse in geloof en de kerk,
wat de gebruikelijke trend van afnemend geloof doorbreekt.
Deze interesse wordt gedreven door een zoektocht naar zingeving
en een onbevangen openheid om tradities te verkennen,
vaak via sociale media.
‘Juist in deze tijd met veel onduidelijkheid
zijn we op zoek naar standvastigheid.’ wordt dan gezegd.
Hoewel er een algemene opleving is,
wijzen sommige onderzoeken uit
dat Gen Z-mannen vaker kerken bezoeken
en dat vrouwen vaker religieus onafhankelijk zijn.

Hoewel Generatie Z zeker een hernieuwde interesse in Jezus toont,
distantiëren ze zich tegelijkertijd van de kerk.
Dit lijkt misschien een tegenstrijdigheid.
Want hoe kan iemand, laat staan een hele generatie,
Jezus zoeken zonder zich met de kerk in te laten?
Dit fenomeen zou je kunnen beschouwen
als een contradictio in terminis,
of is dit misschien een opkomende trend?

Avonturier Bear Grylls verwoordde onlangs
een sentiment dat, naar mijn mening,
precies de essentie van de ‘nieuwsgierigheid naar Jezus’
van Generatie Z weergeeft
en hun zoektocht naar betekenis
buiten de traditionele kerkelijke context.
Zijn woorden wijzen op een diep menselijk verlangen:
een authentieke, oprechte en rauwe hoop
op iets of iemand
die een persoonlijk antwoord biedt
op de diepe mysteries van het leven.

Hij zei:
Ik wil dat mensen weten dat de Jezus
die ik uiteindelijk ontdekte
intiem, mooi, sterk, zachtaardig, relevant,
levensveranderend en levensverrijkend is.
Mensen stellen me de vraag:
“Wat trekt je aan in Jezus?”
Het is moeilijk, want het is alsof je probeert te zeggen:
wat vind je mooi aan het bloed
dat door en rond je lichaam stroomt,
of aan het water in de woestijn?
Het is alsof je probeert te leven zonder dat bloed?

Ik denk dat een groot deel van deze verschuiving;
deze hernieuwde interesse in de persoon van Jezus;
terug te voeren is op hoe de coronapandemie
ons leven heeft veranderd,
en met name dat van Generatie Z.
Het droeg bij aan een nieuw en diep gevoel
van wanhoop, een crisis van betekenis
in alles wat we dachten te weten.
Toen de pandemie toesloeg werden dagelijkse routines,
zowel religieuze als wereldlijke, doorbroken.
Het leven zoals we dat kenden,
werd stilgelegd
en we moesten buiten die routines kijken
en naar wat we dachten te weten
en in praktijk te brengen.
We zaten vast in onze huizen,
vaak alleen en geïsoleerd.
Het gaf ons tijd om na te denken.
Het creëerde ruimte om grotere,
meer existentiële vragen te stellen
en de essentie van zingeving
en betekenis te verkennen.
We werden allemaal gedwongen
om het leven en wat we wisten
door een nieuwe lens te bekijken.
En voor Generatie Z was dit een katalysator.

Opvallend is dat deze bredere trend
van hun afwijzing van religieuze instellingen
een gepersonaliseerde, authentieke
en maatschappelijk relevante spiritualiteit bevordert.
Deze trend wordt gekenmerkt
door hoe ze onderscheid maken
tussen de figuur van Jezus en de instelling,
terwijl ze op zoek gaan
naar een dieper begrip van Hem
via ongebruikelijke middelen.
In plaats van bijvoorbeeld in de kerkbanken te zitten,
verkennen ze de populaire tv-serie The Chosen
en overpeinzen ze de zeer menselijke
en eerlijke teksten van nieuwe artiesten
zoals Forrest Frank,
die beiden een toegankelijke weergave van Jezus bieden.

In een wereld waar digitale perfectie voorop staat,
zoekt Generatie Z dus naar iets buiten de traditionele kerk,
iets authentieks, een oprechte verbinding met iets reëels,
iets voorbij deze tastbare wereld.
Jezus vertegenwoordigt voor hen deze authenticiteit,
iemand bij wie ze terechtkunnen met vragen
en antwoorden kunnen vinden
die mogelijk hun diepste nieuwsgierigheid bevredigen:
Waarvoor zijn wij op aarde?
Wat doen we?
Is er meer?

Het interessante aan deze postchristelijke generatie
is dat ze het geloof niet opgeven
of spiritueel apathisch worden,
zoals velen zouden vermoeden;
Hun verkenning is eerder
een oprechte reis naar een oprecht geloof,
waardoor sommigen hen beschouwen
als de meest spirituele,
niet-religieuze generatie tot nu toe.

Deze toename van nieuwgierigheid
betekent niet dat het christendom zijn relevantie verliest.
Integendeel, het bewijst dat er iets nieuws, iets rauws, opkomt
en een verschuiving in het spirituele landschap veroorzaakt.
Het herdefinieert labels
en verandert oudere definities
die misschien niet meer passen.
Het onderliggende menselijke verlangen blijft een constante:
een zoektocht naar een diepere betekenis in het leven.

Als we kijken naar deze generatie
en haar oprechte onderzoek naar de diepere dingen,
zien we een spirituele vernieuwing,
een schijnbare wereldwijde opleving,
ongekend in de afgelopen decennia
binnen een postchristelijke samenleving.
Sommigen noemen het de Stille Opwekking.
Generatie Z wil niets veinzen.
Ze ‘willen het gewoon uitzoeken’.
Ze zijn op een ware zoektocht.
Centraal in hun reis staat Jezus,
niet religie en niet de kerk.

Het is een zoektocht naar iets ongrijpbaars, iets onmeetbaars.
om die te vinden, te zien en te kennen.
Op zoek naar wat Paulus in Romeinen 1 vers 20
Gods onzichtbare dingen noemde:
Zijn eeuwige kracht en goddelijke natuur,
die duidelijk zichtbaar zijn in de schepping.
Dit betekent dat hoewel je God niet direct kunt zien,
je zijn eigenschappen kunt leren kennen
door naar de zichtbare wereld te kijken.

 

Het lijkt erop dat Donald Trump
de bestaande wereldorde op z’n kop zet:
hij heeft – volgens hem – Venezuela overgenomen
en richt nu zijn blik nu op Groenland, Mexico
en tal van andere landen en organisaties.
Dit heeft geleid
tot veel discussie over een ‘nieuwe wereldorde’.
Oude zekerheden lijken af te brokkelen,
zowel op het gebied van
internationale betrekkingen als politieke systemen.

Met wat een ‘Donroe’-doctrine wordt genoemd,
proberen de VS controle uit te oefenen
over hun eigen continent.
Donald Trump is, vanuit het perspectief
van de internationale diplomatie,
een anarchistische figuur in de wereld,
die de oude regels aan flarden scheurt
en steeds brutaler wordt in zijn gebruik van
Amerikaanse militaire macht
om te krijgen wat hij denkt
dat goed is voor Amerika.
Tegelijkertijd wijst de toenemende
wereldwijde invloed van China,
met name de controle over onze technologie
en digitale connectiviteit
– die niet alleen onze mobiele telefoons,
maar ook defensiesystemen, infrastructuur
en industrie beïnvloedt
– op een dreigende wereldwijde machtsstrijd
tussen deze twee grootmachten,
waarbij Europa niet weet welke kant het op moet.

Tegelijkertijd stort de politiek
niet zo gemakkelijk in als nu.
Vroeger vertrouwden we op linkse partijen
die opkwamen voor de arbeiders
en rechtse partijen
die de belangen van het bedrijfsleven
en de traditionele
heersende klasse beschermden.
Tegenwoordig hebben we
onder andere Geert Wilders,
die een grote aantrekkingskracht heeft
op kiezers uit de arbeidersklasse,
en linkse partijen die zich laten leiden
door progressieve agenda’s.

Ik heb onlangs een boek gelezen
over de overgang van het heidense Romeinse rijk
naar de nieuwe, gekerstende wereld van de vroegmoderne tijd.
Toen het Romeinse rijk vanaf de vijfde eeuw
begon te desintegreren,
was de snelgroeiende christelijke kerk
uitstekend gepositioneerd
om een nieuwe beschaving op te bouwen uit de ruïnes (letterlijk)
van het heidense Rome.
Heidense tempels maakten plaats voor een nieuwe geografie
van kerken en parochies.
Er ontstond een nieuwe tijdsbeleving,
waarbij het jaar niet langer werd gevormd en gemarkeerd
door de heidense feesten uit het verleden,
maar door christelijke feesten: Kerst, Pasen, Pinksteren
en een steeds groeiend aantal heiligenfeesten.
In plaats van de chaotische mengelmoes
van religies in het heidense Rome,
bracht de vastberaden christelijke beweging
de middeleeuwse wereld voort,
waarbij geleidelijk
een nieuwe christelijke wereld uit de oude ontstond.

Dit alles voedt het idee
dat we het begin meemaken
van een soortgelijke, tijdperkbepalende periode
van culturele verandering,
een die zich eens in de paar honderd jaar voordoet.
We bewogen ons van de heidense wereld
naar het christendom.
We hadden de Reformatie, daarna de Verlichting.
Dat gaf op zijn beurt geboorte
aan de moderne seculiere,
liberale wereldorde in het Westen.
Er ontstaat iets nieuws in onze tijd,
maar we weten nog niet wat het is.

Als dit waar is,
dan is het nieuws over de ‘Stille Opwekking’
wellicht meer dan een vage opleving
in de spirituele belangstelling van Generatie Z,
maar onderdeel van iets veel, veel groters.
Je ziet ineens overal mensen die,
verre van hun geloof te verbergen,
er juist veel opener over zijn.

Zou deze culturele verschuiving voortkomen
uit de afbrokkeling van de zekerheden
van het post-verlichtingsdenken?
Want de opvatting dat wetenschap en technologie
de oplossing zijn voor al onze problemen zijn
blijken te kort te schieten;
zo ook rotsvaste geloof
in een rooskleurige toekomst.

Jongeren kunnen zich inmiddels
niet meer voorstellen
dat ze ooit een huis kunnen kopen.
Ze vragen zich af of de planeet
de impact van de enorme bevolkingsgroei
van 1 miljard in 1800 tot 8 miljard in 2025
wel zal overleven.
En hoewel ze verslaafd zijn
aan sociale media en technologie,
vinden ze die verslaving ook niet prettig
en maken ze zich zorgen
over de gevolgen voor henzelf
en hun kinderen in de toekomst.
De rooskleurige toekomst
die onze snel ontwikkelende technologie
en de val van de Berlijnse Muur beloofden,
is niet werkelijkheid geworden.
Het is dan ook niet verwonderlijk
dat mensen elders naar antwoorden zoeken.
Of zoals iemand laatst vertelde:
‘Het arrogante zelfvertrouwen
van mijn seculiere leeftijdsgenoten
is vrijwel verdwenen.’

De tijd zal het leren,
maar misschien
is de hernieuwde belangstelling
voor religie onder westerlingen
niet slechts een kortstondige opleving,
maar een teken
van een veel diepere culturele verschuiving
van het ene tijdperk naar het andere,
van het seculiere
naar het post-seculiere tijdperk.

Wat wel duidelijk lijkt,
is dat we waarschijnlijk
geen terugkeer
naar een of andere vorm van christendom
zullen zien,
niet in de laatste plaats
omdat de christelijke kerk
in het Westen niet sterk
of zelfverzekerd genoeg is
om het moment te grijpen
zoals in de vijfde eeuw.
We hebben geen equivalent
van de grote figuren
zoals Augustinus of Hiëronymus.

Wat waarschijnlijk zal ontstaan,
is geen nieuw christendom
– de christelijke kerk
en de politieke macht
gaan altijd niet goed samen,
en we hebben te veel fouten gemaakt
om er nu nog naar te verlangen –
maar een nieuw religieus
en spiritueel pluralisme;
een beetje zoals het heidendom.

Als de belangrijkste trend
niet de terugkeer
van het christendom is,
maar de achteruitgang
van het secularisme,
dan betekent dit dat
we niet terugkeren naar de Middeleeuwen,
toen het christendom
de samenleving domineerde.
In plaats daarvan lijkt het
opkomende spirituele landschap
meer op dat van de late oudheid:
een uitgestrekte marktplaats
van geloofsovertuigingen,
culten en eclectische spirituele praktijken,
die elk beloven een ooit onttoverd tijdperk
opnieuw te betoveren.

De vraag is of de kerk
de uitdaging van het verwarrende tijdperk
die we op het punt staan te betreden, aankan.
Als ze simpelweg de vermoeide tonen
van links-liberalen napraat,
of zelfs de schelle tonen
van rechts-boze mensen,
en zichzelf ziet
als een zoveelste
politieke actor of lobbygroep
die probeert macht te verwerven
in de nieuwe wereldorde,
dán zal ze deze kans missen.
Kan ze iets van het vertrouwen
in haar eigen boodschap,
haar eigen spirituele dynamiek herwinnen
die de stervende heidense wereld
1500 jaar geleden bekeerde?
Zo ja, dan belooft de toekomst
interessant te worden.

 

Vandaag is het Blue Monday;
de vermeend meest deprimerende dag van het jaar,
de dag waarop we ons allemaal extra ellendig zouden voelen.

Maar laten we eerlijk zijn. Dat hele idee is nog helemaal niet zo oud.
Het idee werd in 2004 verzonnen door psycholoog Cliff Arnall,
niet uit diepe zorg voor onze ziel,
maar als marketingstunt voor een reisorganisatie.
Ze wilden simpelweg meer vakanties verkopen.
Zijn zogenoemde formule bestond uit dingen
zoals hoe lang Kerst geleden is,
hoeveel schulden we hebben,
ons salaris
en hoe snel we onze goede voornemens alweer hebben opgegeven.
Wetenschappelijk stelt het weinig tot niets voor.

Arnall zelf heeft dat later ook toegegeven.
In 2013 zei hij dat die derde maandag van januari
eigenlijk niet anders is dan elke andere dag.
Volgens hem zou de dag vooral moeten helpen
om ‘even perspectief te krijgen’ op ons leven.

En toch blijft Blue Monday elk jaar terugkomen.
Iedereen weet eigenlijk dat het onzin is,
maar het haalt nog steeds de kranten.
Het wordt gebruikt om van alles aan ons te verkopen.
Alles belooft ons een beter gevoel over onszelf.

Maar als christenen mogen we ook een andere vraag stellen:
wat zegt de Bijbel hierover?
Is er een Bijbelse manier om met sombere dagen,
lege gevoelens en onrust om te gaan?
Het antwoord is volmondig: ja.

Want de Bijbel is niet alleen een boek
vol mooie verhalen en diepe geestelijke waarheden.
Het zit ook boordevol praktische wijsheid
voor het dagelijkse leven.
Er is zelfs een genre in de Bijbel dat zich daarop richt:
de wijsheidsliteratuur.
Denk aan Spreuken, Prediker en Job.
Die boeken geven eerlijk, soms confronterend,
maar levensecht advies over hoe je goed,
zinvol en gezegend kunt leven voor God.

In een tijd waarin life coaches, zelfhulpgoeroes
en influencers grof geld verdienen
door ons te vertellen
hoe wij ‘ons beste leven’ kunnen leiden,
is het des te belangrijker om terug te gaan naar de Bijbel.
Want echte wijsheid begint niet bij onszelf,
maar bij ontzag voor God.

Wat leren we daar dan?
Dat we het goede moeten doen, verleiding moeten vermijden,
nederig en gematigd moeten leven en vooral:
God op de eerste plaats moeten zetten.
Dat staat haaks op het populaire evangelie
van zelfvervulling, ego en succes.
De Bijbel draait het om.
Niet ík sta centraal,
maar God en de mensen om mij heen.
Geen competitie en zelfverheerlijking,
maar verantwoordelijkheid, trouw en liefde.

Hieronder acht verzen uit het boek Spreuken.
Geen loze slogans, maar Gods wijsheid voor het echte leven.
Ook op Blue Monday. Misschien juist dan!

1. Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft,
terwijl je het hem geven kunt. (Spreuken 3:27).

2. Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt,
inzicht najaagt met alles wat je bezit.
(Spreuken 4:7).

3. Nog even slapen, nog even dutten, een ogenblik blijven liggen?
Armoede komt je overvallen als een rover,
gebrek als een gewapende man (Spreuken 6:10-11).

4. Mijn mond verkondigt slechts de waarheid,
mijn lippen haten onbetrouwbaarheid. (Spreuken 8:7).

5. Een wijze laat zich gezeggen,
een blaaskaak komt ten val. (Spreuken 10:8).

6. Een gulle gever zal gedijen,
wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen. (Spreuken 11:25).

7. Boze mensen worden rustig als je vriendelijk tegen hen bent,
maar ze worden woedend als je hen beledigt. (Spreuken 15:1).

8. Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,
laat je niet in met een loslippig mens. (Spreuken 20:19).

Blue Monday hoeft geen dag van leegte te zijn.
In Christus is er hoop, elke dag opnieuw.
Niet omdat wij ons beter voelen,
maar omdat God trouw is.
Zijn Woord staat vast,
ook op de donkerste maandag van het jaar.

 

De afgelopen weken werden gekenmerkt
door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen
onder het bewind van de regering-Trump:
Op 26 december voerden de Verenigde Staten
luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria.
Kort daarna, op 3 januari,
bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas,
ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro
en leverden hem uit aan New York
om terecht te staan voor narco-terrorisme.
Na een snelle militaire interventie in Venezuela
richtte Trump, dronken van ‘succes’,
zijn pijlen vorige week
weer op Groenland,
het autonome onderdeel van Denemarken
dat hij al langer wil bezitten.
Deze gebeurtenissen
illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid,
aangeduid als de Donroe-doctrine:
een periode van agressieve militaire interventies
en grillige geopolitieke machtsuitoefening.

Nigeria en Venezuela delen niet alleen
een overvloed aan olie,
maar ook structurele problemen
zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede.
De Amerikaanse interventies in deze landen
versterken het idee dat de naoorlogse,
op gedeelde regels gebaseerde wereldorde;
deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet
om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort.
De orde was gebouwd op internationale afspraken
en morele verantwoordelijkheid.
Ze lijkt nu te zijn vervangen
door een doctrine
die wordt gedreven
door binnenlandse belangen
en politieke willekeur.

De morele focus van de huidige Amerikaanse regering
is sterk naar binnen gericht,
met nadruk op thema’s
als reproductieve rechten,
het homohuwelijk en grensbeveiliging.
Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap
op het internationale toneel.
Door het door de VS mede ontmantelen
van de Reproductive and Behaviour Order (RBO)
ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm.
In een wereld waarin grootmachten
als de VS, Rusland en China
geen gezamenlijk moreel kompas tonen,
rijst de vraag
hoe dit vacuüm kan worden opgevuld.
De RBO stelt dat religie
– en in het bijzonder het christendom –
hierin een cruciale rol kan spelen.

Een illustratief voorbeeld
is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi
aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december.
Dit gebaar werd internationaal geprezen
als een poging tot interreligieuze harmonie.
Toch werden binnen 24 uur
de kerstversieringen vernield
door hindoe-nationalisten
in verschillende Indiase steden.
Deze tegenreactie benadrukt
hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is,
vooral in landen
met een dominante meerderheidsreligie.
Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid
om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap
ondubbelzinnig te veroordelen.

De motivatie achter deze aanvallen
op christenen in India
verschilt in essentie
niet van het geweld tegen christenen
door islamitische extremisten in Noord-Nigeria:
beide komen voort uit angst
voor het verlies van een vertrouwde beschaving.
Geen enkele samenleving
kan echter duurzaam bloeien
wanneer zij geweld
tegen religieuze minderheden
negeert of rechtvaardigt.
Tegelijk roepen deze gewelddaden
op tot metacognitie:
reflectie op de diepere motieven
achter haat en vervolging.
Juist daarin liggen de kiemen
voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.

De oorspronkelijke RBO was gebaseerd
op principes als soevereiniteit, gelijkheid,
rechtsstaat, mensenrechten,
multilateralisme
en vreedzame conflictoplossing.
Een nieuwe gemeenschappelijke moraal
zou hierop moeten voortbouwen,
maar ook geworteld zijn
in religieuze waarden
die gedeeld worden door de grote wereldreligies,
zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten.
Internationale documenten
zoals het VN-Handvest (1945)
en de VN-Verklaring
inzake godsdienstvrijheid (1981)
bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.

De grootste uitdaging
ligt bij staten
met een dominante meerderheidsreligie,
zoals het christendom in de VS
of het hindoeïsme in India.
Hoe kunnen zij minderheden
dezelfde bescherming bieden als de meerderheid?
Is religieuze diversiteit
een nulsomspel,
of kan er een moreel evenwicht bestaan?

Het christendom, als grootste religie ter wereld,
biedt het meest omvattende
morele kader om deze balans te vinden.
Zowel christendom als islam
erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus.
De leer van Christus,
zoals beschreven in het evangelie van Johannes
en uitgewerkt door Paulus,
maakt een scherp onderscheid
tussen goed en kwaad
en leert dat de strijd
niet tegen mensen is gericht,
maar tegen de machten van het kwaad.

Daarom zou een vernieuwde,
religieus gefundeerde wereldorde
moeten voortbouwen op de leer van Christus.
Deze christocentrische moraal
herdefinieert mondiale conflicten
niet als botsingen tussen mensen of religies,
maar als een strijd tussen goed en kwaad.
Zo ontstaat een inclusieve morele visie
die alle mensen – gelovig of niet –
uitnodigt om het kwaad te veroordelen
en actief het goede te bevorderen
in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.