De verwaarloosde betekenis van Advent

Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen,
zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf.
Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst,
in tegenstelling tot de vastentijd;
– een sobere periode van vasten,
bezinning over het lijden van Christus –
vol vreugde en feestelijkheid.
Tijdens Advent keek de kerk terug
om de incarnatie te vieren
als de vervulling van Gods belofte
om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15).
De kerk verheugde zich met de apostel Johannes:
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1).
De diensten met Advent werden vaak afgesloten
met de doop en benadrukten nieuw leven
en de vereniging met de vleesgeworden Christus.

Wat echter vaak wordt verwaarloosd,
is dat diensten tijdens Advent
ook naar de toekomst keken.
De term ‘advent’ (Latijn: adventus)
is de vertaling van het Griekse woord parousia,
een woord dat in het Nieuwe Testament
altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias.
Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling
van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet.
Daarom concentreerden adventspreken zich,
in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën,
vaak op eschatologische passages
(zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44)
of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9)
als een vreugdevolle verwachting
van Jezus’ zegevierende wederkomst.
Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan
dat Kerst zowel terug als vooruit keek:

‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden
en herboren voor de toekomst,
laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen,
maar aan eeuwige.
En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen,
laten we nadenken over wat
de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken,
juist op de dag dat we het mysterie
van de geboortedag van de Heer vieren.
Laten we luisteren naar de apostel,
die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven
is met Christus verborgen in God.
Maar wanneer Christus, die uw leven is,
verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”,
die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest,
voor eeuwig en altijd.’

Liederen van de Wederkomst

Deze toekomstgerichtheid kwam
niet alleen tot uiting in preken,
maar ook in liederen.
Misschien verwaarlozen we dan
wellicht de toekomstgerichtheid van Advent
in onze hedendaagse viering,
waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde,
de boventoon voeren.
Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg,
diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen.
De geschiedenis belicht de rijkdom
van de viering en verwachting van Advent.
En een praktische manier om de diepe vreugde
van deze toekomstgerichte tijd te hervinden,
zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.

Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748)Joy to the World
Jezus’ glorieuze wederkomst
en zijn toekomstige koninkrijk viert
waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):

Jubel het uit.
De Heer is hier;
ontvang het koningskind!
Als redder van de aarde
geeft Hij het leven waarde.
Dus hemel en aarde, zingt!

Jubel het uit.
De Heer regeert;
wees blij, verhef je stem!
Zing als de schepping juicht,
aanbiddend voor Hem buigt
een vreugdelied voor Hem!

Zijn koningschap
zal eeuwig zijn,
rechtvaardig en vol kracht!
Laat ieder volk op aarde
zijn heerlijkheid ervaren;
de liefde die Hij bracht!
(Opwekking 525)

En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen,
één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst.
Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen)
drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:

Ontsluit, gij die de sleutel zijt,
die opendoet en niemand sluit,
het huis van dood en duisternis
waarin uw volk gekluisterd is!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één,
verzamel allen om u heen!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!
(gezang 125)

volkskerstzang in de zestiger jaren van de vorige eeuw

 

Juist in deze tijd worden er allerlei
‘kerst en adventsactiviteiten’ georganiseerd,
uiteenlopend van klassieke concerten
van ‘The Messiah’ tot een volkskerstzang.
Zo’n volkskerstzang kan zich de laatste tijd
weer op een groeiende populariteit rekenen.
Waar komt het toch vandaan
dat velen zich aangetrokken voelen
tot het samen zingen van kerstliederen
en ook andere bijeenkomsten
met een sterke christelijke symboliek.
De afgelopen tijd heb ik al uitgebreid
geschreven over de ‘stille opwekking’;
statistisch bewijs uit een onderzoek
en anekdotisch bewijs van kerkleiders in het hele land,
dat steeds meer jongeren (vooral jonge mannen)
terugkeren naar de kerk.

Waarom komen ze? Wie weet?
Of Zoals Nick Cave onlangs zei:
‘Mensen hebben behoefte aan betekenis
en de seculiere wereld heeft die niet kunnen bieden.’
Mensen beginnen om allerlei redenen
naar de kerk te komen;
sommige goed, sommige slecht.
Maar onze taak in de kerk
is niet om ons zorgen te maken
over waarom ze komen,
maar om hen die komen te begeleiden
op de christelijke weg,
ongeacht hun achtergrond.

Er is een verhaal in de evangeliën (Lucas 19:1-10) over een tollenaar:
een man die alom gehaat werd als collaborateur van het Romeinse rijk,
die zijn eigen volk had verraden en bedrogen;
die uit nieuwsgierigheid in een boom klimt
om te zien wie Jezus is.
Nee, hij legt geen belijdenis van zijn geloof af
en zijn motieven zijn verre van duidelijk.
Toch toont hij enige nieuwsgierigheid,
voelt hij dat er iets ontbreekt in zijn leven
en komt hij opdagen.
En iedereen verwacht
dat Jezus zich bij de algemene veroordeling zal voegen:
je hebt hier geen recht, ga weg,
bekeer je eerst voordat je ook maar in mijn buurt komt.

Maar Jezus doet dat niet.
Hij nodigt zichzelf uit
om naar het huis van de tollenaar te komen
en er begint iets vreemds te gebeuren.
Zacheüs (want zo heet hij) begint te veranderen.
Hij begint te geven in plaats van te nemen,
hij geeft terug wat hij gestolen heeft.

In de kerk vinden we het over het algemeen prima
dat mensen uit de middenklasse naar de kerk komen
omdat ze willen dat hun kinderen
naar de plaatselijke kerkelijke school gaan,
of omdat ze een mooie gezinsdoop willen,
of – zoals ook deze kerst waarschijnlijk zal gebeuren –
omdat ze graag een paar kerstliedjes zingen,
zelfs als ze niet van plan zijn
om na afloop in de kerk te blijven.
We verwelkomen hen ondanks
hun gebrek aan begrip, hun gedrag
dat in hun gebruik van geld en privileges
verre van christelijk kan zijn.
In het beste geval zien we het als een kans
om met hen in contact te komen
en hen hopelijk te leiden naar een dieper geloofsleven.

Toch worden we nerveus
als minder verfijnde mensen naar de kerk komen
en de naam van Jezus gebruiken
met even duistere motieven;
misschien alleen maar om te klagen
over het verdwijnen van het christelijk geloof
uit het openbare leven,
zelfs als ze dat geloof nog niet goed begrijpen.

Ik vraag me af:
hoe zou een religieuze heropleving
onder de arbeidersklasse eruit kunnen zien?
Of misschien beter: hoe zou het kunnen beginnen?
Zou het kunnen beginnen
bij mensen die zich gemarginaliseerd
en vergeten voelen door de politiek
– zowel links als rechts –
die op de een of andere manier het gevoel hebben
dat er iets verloren gaat in hun culturele omgeving
door de achteruitgang van het christendom
en de vervanging ervan
door een saaie, seculiere leegte,
of in sommige buurten
door een steeds zichtbaardere
en onbekende aanwezigheid van moslims?
Zou het kunnen beginnen met zulke mensen
die denken dat ze naar de kerk moeten gaan
om te herinneren
en terug te winnen
wat verloren gaat en om het geloof te verkennen
dat ze vaag als het hunne voelen,
ook al zijn ze er niet bekend mee
en hebben ze er op dit moment
een vrij simplistisch beeld van?

Er valt veel te bekritiseren
op nationalistische benaderingen van het geloof.
Net zoals er kritiek was op het gedrag
en de denkwijze van Zacheüs.
Maar Jezus’ eerste woord
is geen veroordeling, maar genade.

Als de kerk haar werk goed doet,
zal iedereen die haar serieus neemt
leren zijn naasten lief te hebben;
zelfs zijn moslimburen.
Ze zullen leren bidden,
een Bijbel te lezen
die spreekt over het verwelkomen
van vreemdelingen,
zelfs over het liefhebben van vijanden.
Ze zullen, daar ben ik van overtuigd,
patriottisch blijven en wellicht
vragen blijven stellen
over het tempo en de omvang van de immigratie
en de gevolgen daarvan
voor de stabiliteit van hun eigen gemeenschappen,
wat volkomen terecht is.
Maar dat zal steeds meer gebeuren
met een zekere mate van empathie en mededogen,
waardoor de complexiteit
van onze debatten over immigratie wordt bezien.

Soms wordt het christelijk geloof
mogelijk cynisch gebruikt
voor verdeeldheidzaaiende doeleinden.
Motieven zijn wellicht menigmaal verre van zuiver.

Maar wat zou Jezus zeggen?
Vooral tegen degenen die voelen
dat er iets mis is en verlangen naar iets anders?

Tegen de tollenaar doet Jezus
niet wat hem wordt opgedragen.
Hij doet het onverwachte.

 

Eén van de kersttradities die wij thuis hebben
is het kijken van 1 of meerdere delen
van Home Alone.
We leven elke keer weer mee met Kevin McAllister;
de jongen die ongewild in z’n eentje Kerst viert
en samen met een inbrekersduo
in allerlei avonturen belandt

Is hij gewoon een jongen?
In de Bijbel is dat zeker de indruk die we krijgen
– de enige indruk – van Jezus
tussen de kindertijd en de volwassenheid.
Er is weinig geschreven over de jonge Jezus
en dan vrijwel alleen in de apocriefe geschriften.
en er zijn ook overeenkomsten van Kevin McAllister van Home Alone
met Lucas’ verslag van Jezus in de tempel op twaalfjarige leeftijd.

Toegegeven, er waren geen ‘sticky bandits’,
noch een John Williams-soundtrack;
maar denk eens aan Jezus’ ouders
die hun zoon achterlieten tijdens een feest.
Toen ze terugkwamen uit Jeruzalem
voor het feest van Pesach, zoals ze elk jaar deden,
realiseerden ze zich dat ze de Messias kwijt waren.

Oeps!

Stel je voor dat Maria de naam van haar zoon schreeuwde,
en de ongemakkelijke driedaagse tocht
om erachter te komen waar hij was.
Ze vinden hem uiteindelijk in de tempel,
en licht geïrriteerd vragen
ze hem waarom hij daar was.
Hij was gehoorzaam aan hen
(het vermelden waard)
en vertrok naar huis.

Maar zijn antwoord op die vraag
laat zien hoe Jezus thuis begrijpt,
terwijl het idee van
‘thuis zijn voor de feestdagen’
voor ons omstreden kan zijn.
Hij antwoordde:
‘Wist je niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn’,
of ‘bezig moest zijn met de zaken van mijn Vader?’
Dit is echt sterk. Wat een lef.
Niet alleen dat hij twaalf jaar oud is
als hij met zijn ouders praat,
maar niemand zou God ‘mijn Vader’ noemen.
Het is buiten deze plek,
of beter gezegd deze relatie,
waar Jezus ‘[groeit] in wijsheid en gestalte, en in gunst bij God en de mens.’

Thuis is waar we onszelf kunnen zijn,
maar ook onze hoede kunnen laten varen,
vragen kunnen stellen
en het vertrouwen hebben
om de wereld in te gaan,
zeker van wie we zijn.

En omdat dit het enige inzicht is van een groeiende Jezus,
die leert, studeert en vragen stelt,
is er misschien ook inzicht in
hoe we als mensen kunnen groeien,
wat we onder thuis verstaan
en hoe we ons tot God kunnen verhouden.
In veel opzichten zou Jezus’ volwassen leven nomadisch zijn,
maar zijn gevoel van thuis ging niet over geografie,
maar over een relatie met zijn Vader,
waarin hij vrij kon zijn om nieuwsgierig te zijn.

In tegenstelling tot Macaulay Culkin (Kevin McAllister),
is onze blijvende indruk van Jezus
misschien niet die van een jongen.
En de tijd (advent) die zijn komst aankondigt,
is een tijd geworden om ons te verdiepen
in onze roots en om naar de toekomst te kijken.
Maar misschien nog wel meer dan we ons realiseren,
geeft de jonge Jezus
ons een hint dat er geen plek is als ‘thuis voor de feestdagen’.

de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Wat is de verwachting van Advent?
Ja, dat het straks Kerst wordt, zul je zeggen.
Maar dat weten we al, al 2000 jaar.
Je kunt er de klok op gelijk zetten.
Als we doen alsof we door dat kerstcadeautje
nog verrast zijn,
dan spelen we een spel.
Niks mis mee,
maar echte verwachting in spirituele zin
gaat over wat anders.
Echte verwachting is open,
is dat je iets verwacht wat je niet verwacht.
Klinkt paradoxaal, of ook weer Cruijffiaans,
maar probeer maar eens even
met me mee te denken.

Echte verwachting is open,
is een manier van leven met het onverwachte,
met het oningevulde,
met dat wat op je afkomt of op je pad komt.
Het is een vorm van ontvankelijkheid,
ruimte laten voor het onbekende,
het nieuwe, het andere
dat jouw leven zomaar
een andere wending kan geven,
of een andere kleur aan je dag.

Voor sommige mensen is dat heel moeilijk.
Leven met het onverwachte.
Want de meeste mensen vinden het prettig
als je een zekere controle over je leven hebt.
Als er vaste patronen zijn en stabiele zekerheden.
Op een bepaalde manier heeft ieder mens dat nodig.
Overzicht. Structuur. Afspraken.
Vaak leven we zo,
alsof we zoveel mogelijk
de verrassing buiten sluiten,
want dat brengt je maar van je stuk,
dan ben je de controle kwijt.
Maar … als je geen cadeautjes verwacht, zie je ze ook niet.

De Vlaamse hoogleraar Rik Torfs houdt een pleidooi houdt voor onzekerheid.
Het is inspirerend om daar even bij stil te staan.
‘Hoe meer we over ons leven
volledige controle trachten te verwerven,
hoe verbetener we op zoek gaan
naar duidelijke, keurige zekerheid,
des te verder drijven we weg
van wat waarachtig menselijk is.
Zekerheid is een vergissing.
Zij verduistert wat wij verlangen.
In wat wij zeker achten,
schuilt de beperktheid van onze denkkracht.’

Het is geen koketteren
met je onzekerheid.
Want dan is het onecht, gespeeld, gemaakt.
Maar als het verbonden
wordt met dat echte van verwachting,
van een levenshouding die open en ontvankelijk is
voor wat zich aandient,
dan kan het vruchtbaar zijn om met die dubbelzinnigheid te leven.
Er is een dubbelzinnigheid die doodslaat,
die je vast doet lopen, als de twijfel de overhand houdt,
en alles van een vraagteken wordt voorzien
en je als het ware jezelf opsluit
in een voortdurende onzekerheid.
Maar er is ook een dubbelzinnigheid die ruimte geeft,
die niet doodslaat maar het juist levend houdt,
open, vanuit het onderliggende verlangen
naar heelheid en naar uitzicht.
Dat laatste is aan de orde als we het hebben
over de spiritualiteit van de verwachting van de Adventstijd.
Dat is de verwachting waar Jezus
in het evangelie ons op wil attenderen.
Dat de zomer in aantocht is,
om dat beeld van de vijgenboom (Mattheus 24)
maar eens aan te halen.
Dat het einde op handen is,
en het einde
is in het geloof het nieuwe begin.
Of, met een ander beeld uit het evangelie (Marcus 13),
Wees dus waakzaam, is het ’s avonds, 
of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai,
of ’s morgens vroeg, maar hij komt!

 

Van Pasen tot Kerst

Maar waarom 25 december?
Gebaseerd op hun begrip van Daniëls profetie
redeneerden sommige vroegchristelijke schrijvers
dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij later werd gekruisigd.
Tertullianus (ca. 155–220)
berekende dat Jezus werd gekruisigd op 14 Nisan,
overeenkomend met 25 maart
op de Romeinse (zonne)kalender;
precies negen maanden vóór 25 december.
Christenen berekenden de datum van Kerst
daarom op basis van hun viering van Pasen.
Augustinus van Hippo (354–430) gaf deze interpretatie
weer in Over de Drie-eenheid:

Men gelooft dat Hij werd verwekt op 25 maart,
op welke dag Hij ook leed(…)
maar Hij werd, volgens de traditie, geboren op 25 december.

Dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij uiteindelijk zijn leven zou geven,
lijkt op het eerste gezicht onwaarschijnlijk.
Maar bedenk, net als de vroege kerk,
de even onwaarschijnlijke mogelijkheid
dat de verzoenende dood van de Messias
exact zou samenvallen met de viering van Pesach.
Zoals Petrus erkende, worden alle gebeurtenissen,
of ze nu ogenschijnlijk onbeduidend
of onschatbaar belangrijk zijn,
geleid door Gods ‘vaste plan en voorkennis’ (Handelingen 2:23).
Zijn werken in de schepping en zijn wegen
in de geschiedenis zijn prachtig (Jesaja 46:10).

Hallgrimskirkja, Reykjavik

 

‘wie gelooft heeft hoop, punt’?
Ten diepste is het waar, zeker.
Maar laten we wel de duisternis onder ogen zien.
Geloven is niet je ogen dicht doen.
En daarnet gebruikte ik het woord hoop,
dat klinkt nogal mooi en vrolijk.
Hoop.
Maar misschien is het woord verlangen
toch wel beter op zijn plek vandaag.
Verlangen, daar zit ‘lang’ in.
En hoe lang duurt de winter wel niet inmiddels?
Hoe lang zijn de dagen al donker?
Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds de dagen van Jesaja.
Nog steeds (oorlogs)dreiging op allerlei plaatsen,
nog steeds onrecht en armen die onderdrukt worden op aarde…
Er lijkt ook weinig veranderd te zijn sinds de tijd van Jezus,
het kind dat werd geboren, de zoon die werd gegeven.
Ja, hij deed wonderen, hij stond op uit de dood.
Maar nog steeds heerst de dood over alle andere mensen,
en nog steeds zijn er zoveel zieken die op genezing wachten.
Hoe lastig is het dan om te geloven dat met Jezus
echt Gods licht in de wereld is gaan schijnen.
En al geloof je in hem, al zie je in hem Gods gezicht,
hoe lastig is het om echt uit verwachting te leven!
Uitziend te leven, hoopvol in het leven te staan in plaats van moe en mat.
Als je ziet hoe de wereld donker is,
de kerk ook een stelletje kneuzen,
als mensen om je heen God niet nodig hebben,
en je eigen hart ook onverbeterlijk blijkt te zijn?
Geloven is niet simpel,
Het is soms ook leeg zijn en verlangen
en voelen dat het lang duurt.
Heel lang.

Geloven is een leven van verlangen.
Uitzien naar voren, al duurde het soms lang.
En gelukkig,
soms mag je ook nu al
iets merken van zijn licht en liefde.

En tegelijkertijd: Het is nog winter in de wereld.
Soms zelfs een barre donkere winter.
Je kunt zelf zo in het donker leven.
Dan is geloven verlangen – lang, volhoudend wachten.
Dan is het hopen, hoopvol leven door Gods Geest.
En soms is het ook gewoon zuchten.
De nacht duurt lang, de aarde is oud.
Maar laat het donker de hoop niet doven.
Laat het ons des te meer doen uitzien naar die beloofde dag.
Gods grote lente, als het kind Koning zal zijn: Jezus, onze Heer!

 

Deze week is de eerste van vier weken
die de kerk traditioneel viert als de adventstijd.;
de tijd voor Kerst.
Want met alle levende kerststallen en adventskalenders
zou je het bijna gaan denken dat advent
alleen over de geboorte van Jezus gaat.
Voor christenen over de hele wereld zijn dit dagen
van verwachting en voorbereiding.
Het woord ‘advent’ stamt af van het Latijnse ‘adventus’,
wat ‘komst’ betekent.
Tijdens deze tijd bereiden christenen zich dus voor
om de geboorte van Jezus Christus te vieren.
December is sowieso al vaak een donkere maand,
en in deze tijd zien velen de toestand in de wereld donker in.
We hunkeren naar het licht
en voor christenen breekt dat door
als ze samen vieren dat Jezus
als het Licht van de wereld ons bestaan binnenkomt.
Door stil te staan bij Advent,
verbinden we ons met een eeuwenoude traditie
die ons voorbereidt op het kerstfeest.
Advent nodigt je dus uit om
in een hectische tijd ruimte te maken
voor bezinning en verwachting.

Want – nogmaals – advent is veel meer dan alleen de stal van Bethlehem.
Historisch gezien heeft de kerk zich evenzeer gericht
op het vooruitzicht op de terugkeer van
Jezus als op het vieren van zijn geboorte.
Door de geschiedenis van advent te onderzoeken,
ontdekken we de verwaarloosde betekenis van deze tijd.

Eerst Pasen

De vroegste kerk centreerde haar liturgische kalender rond Pasen.
Sterker nog, er is weinig bewijs voor de viering van Jezus’ geboorte
in de eerste twee eeuwen van de kerkgeschiedenis.
Het Nieuwe Testament onthult immers
weinig details over het tijdstip van Jezus’ geboorte.
Van alle evangelieverhalen verwijst alleen Lucas
naar een bepaalde tijd van het jaar:
de lammertijd in de vroege winter,
wanneer herders over hun kuddes moesten waken (Lucas 2:8).

Waarover de Bijbel zwijgt, deden de vroegchristelijke auteurs dat ook.
Geboortevieringen worden niet genoemd
in christelijke geschriften uit de eerste en tweede eeuw.
De vroegste kerk concentreerde zich daarentegen
op wat het Nieuwe Testament zeer gedetailleerd beschreef:
de laatste dagen van Jezus de Messias.
Om deze reden was de viering van Pasen
ten tijde van het Joodse Pesach
vanaf de vroegste dagen van de kerk
het primaire aandachtspunt van de christelijke praktijk;
een viering die Paulus suggereert in 1 Korintiërs 5:7-8.

Ondanks de afwezigheid van kerstviering
was er tegen het einde van de tweede eeuw
aanzienlijke belangstelling voor het vaststellen
van een datum voor Jezus’ geboorte.
Deze belangstelling weerspiegelt waarschijnlijk
de apologetische nadruk die de kerk legde
op Jezus’ fysieke geboorte,
ondanks degenen die sceptisch stonden tegenover
Zijn volledige menselijkheid.
Hoewel er heftig werd gediscussieerd over mogelijke data,
ontstond er begin vierde eeuw
consensus over twee waarschijnlijke kandidaten:
25 december en 6 januari.
Na verloop van tijd werd de eerste de traditionele kerstviering
en de laatste de viering van Driekoningen.

 

Drill, baby, drill‘, riep Donald Trump
in januari 2025 tijdens zijn inauguratiespeech,
onder luid gejuich van de Republikeinen.
Hij ondertekende er presidentiële decreten
om de Amerikaanse olie- en gasindustrie ‘los te laten’
om precies dat te doen: to drill: boren.
Dit ondanks het feit dat de Verenigde Staten
volgens hun eigen Energy Information Administration
al de grootste ruwe-olieproducent van alle landen zijn,
en dat al zes jaar op rij.

De verbranding van fossiele brandstoffen
is onmiskenbaar de grootste bron
van broeikasgasemissies wereldwijd, aldus het IPCC.
Olie is verantwoordelijk voor ongeveer 34 procent
van de wereldwijde CO2-uitstoot van fossiele brandstoffen.
Statistieken van het Wereld Economisch Forum
laten zien dat de landen met de laagste inkomens
slechts een tiende van de uitstoot produceren,
maar het zwaarst worden getroffen door klimaatverandering.

Hier klopt iets niet.

Velen van ons zijn op de hoogte van de statistieken,
het beleid en de retoriek rond klimaatverandering.
Het gonst allemaal rond op de achtergrond in ons leven,
in het nieuws, op sociale media of in een webpost zoals deze.
Maar eerlijk gezegd is het voor de meesten van ons
die in het Westen wonen nog steeds theorie.

Maar de gevolgen van het veranderende klimaat
zijn voor mensen in de ‘ontwikkelingslanden’
al enige tijd voelbaar.
Tijdens periodes van waterschaarste,
die steeds onvoorspelbaarder en langduriger worden,
drogen lokale rivieren op,
waardoor oogsten mislukken
en gezinnen honger lijden.

Waarom zouden rijke, machtige landen
die grotendeels verantwoordelijk zijn
voor de wereldwijde CO2-uitstoot,
niet alleen weigeren degenen
die de gevolgen van klimaatverandering
ondervinden te compenseren,
maar juist actief proberen
meer schade aan te richten?

Het doet denken aan een pestkop op een schoolplein
die een jonger kind pijn doet, en zo aan populariteit,
macht en zelfvertrouwen wint
terwijl sommigen hen opjutten,
anderen toekijken,
terwijl de ontvanger van het misbruik
al zijn resterende kracht aanwendt
om te overleven en de dag te overleven.

Trump beweert een praktiserend christen te zijn…
Ik vraag me af wat Jezus te zeggen zou hebben
over de manier waarop Amerika
en andere rijke landen met de klimaatcrisis zijn omgegaan?

Een van Jezus’ bekendste en krachtigste leringen was:
heb je naaste lief.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan in de Bijbel
laat zien hoe we onze naasten moeten behandelen:
handelen met liefde, mededogen en barmhartigheid,
niet alleen jegens degenen die we kennen
of die in ons netwerk, onze gemeenschap of ons land wonen,
maar jegens ieder mens,
ongeacht nationaliteit, achtergrond of sociale groep.
Ook in de context van klimaatverandering
worden christenen opgeroepen
om onze naasten wereldwijd lief te hebben.
Dit omvat ook het ondersteunen
van de armste gemeenschappen ter wereld.
Jezus leert ons zeker niet
om onszelf ‘op de eerste plaats’ te zetten.

Stel je een wereld voor waarin elke natie
zich zou aansluiten bij Jezus’ leer
over hoe we onze buren moeten behandelen.
Zou de klimaatverandering abrupt stoppen,
het menselijk lijden ophouden
en er wereldvrede heersen?
In werkelijkheid waarschijnlijk niet,
want de mensheid is onvolmaakt
en we doen dingen verkeerd,
zelfs als we het goed bedoelen.
Maar als de intentie er was,
en als wereldleiders
Jezus’ voorbeeld in deze zouden volgen,
dan zouden we ongetwijfeld veel dichterbij zijn.

 

Ja, vandaag is het dan eindelijk officieel Black Friday,
Deze koopjesgekte is ontstaan in de Verenigde Staten
en valt op de dag na Thanksgiving Day,
dat wordt gevierd op de vierde donderdag in november.
Op deze vrijdag hebben de meeste werknemers
in de Verenigde Staten vrijaf.
Black Friday wordt beschouwd
als het begin van het seizoen voor kerstaankopen.
Maar Black Friday is overal al lang verworden
tot een Black Week of Month, met allerlei (nep)kortingen
om je in aanloop naar december zo veel mogelijk
van je overvloed en (spaar)centen af te helpen.
Want ondanks ons eeuwige geklaag;
de meesten van ons leven momenteel
in een voor veel anderen
onvoorstelbare overvloed.

Want gedurende de geschiedenis
bezaten en produceerden de meeste mensen
ongeveer net genoeg om in leven te blijven.
Lange tijd maakten boeren
(d.w.z. mensen met beperkte of geen landeigendomsrechten
die afhankelijk waren van een lokale heer)
een groot deel van de bevolking uit.
En hoewel boeren in sommige gevallen
welvaart bereikten,
was dit eerder de uitzondering
op de regel van zelfvoorzienende arbeid,
Voor bijna iedereen was de kans
op hongersnood allesbehalve theoretisch.

In dat opzicht verschilde de situatie
in de vroegmiddeleeuwse Lage Landen
nauwelijks van die in het eerste-eeuwse Palestina.
Ook daar verdienden negen van de tien mensen
net genoeg om te overleven
– en soms zelfs niet zoveel.
Zowel Josephus als het Nieuwe Testament
maken melding van de hongersnood
die Judea van 44-48 na Christus teisterde.
Er was in die tijd en plaats geen sociaal vangnet.
Mensen stierven van de honger.

Het was dus tegen dit soort mensen
die zich permanent bewust waren
van schaarste
dat een zekere rabbijn – tot voor kort zelf een dagloner – zei:

‘maak je geen zorgen over je leven,
over wat je zult eten of drinken,
noch over je lichaam, over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel
en het lichaam niet meer dan kleding?
(…) Zoek liever eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid,
dan zullen al die andere dingen
je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.’
(Matteüs 6)

Jezus’ publiek zou het er nog mee eens zijn geweest
dat alles uiteindelijk van God komt.
Maar: ‘wees niet bezorgd over morgen’?
In een wereld waar hongersnood
altijd slechts één mislukte oogst verwijderd is?
Jezus, instrueert dus in die context,
zijn publiek met een stalen gezicht,
om te leven alsof overvloed,
en niet schaarste,
de ultieme realiteit in het leven is.
Niet voor het eerst
lijkt Hij meer dan een beetje losgezongen te zijn
van hoe het werkelijk is om op deze planeet te leven.

Voor zover sommigen van ons moderne mensen
in geïndustrialiseerde samenlevingen
zich iets minder zorgen maken
over verhongeren of sterven
door blootstelling aan de elementen,
is dit te danken
aan de menselijke vindingrijkheid (hartelijk dank)
die manieren heeft bedacht
om onze productiviteit radicaal te verhogen.
Een onmiskenbaar magnifieke prestatie
maar ook een die andere vormen
van schaarste heeft verergerd.

Denk bijvoorbeeld aan de ‘aandachtseconomie’:
de strijd om steeds korter wordende aandachtsspanne te behouden.
Dezelfde computertools
die onze huidige levensstandaard
mogelijk hebben gemaakt,
hebben ons ook aangesloten
op een constante stroom
van veel meer informatie
dan we ooit zouden kunnen verwerken.
Zozeer zelfs dat aandacht schenken,
ogenschijnlijk een fundamenteel kenmerk
van het mens-zijn,
steeds meer gewaardeerd wordt.

Of neem tijd.
De econoom John Maynard Keynes, speculeerde
halverwege de twintigste eeuw,
dat automatisering
en een hogere productiviteit
vanzelfsprekend zouden leiden
tot minder stress en meer vrije tijd.
Maar wat hij niet voorzag,
is dat een toenemende productiviteit
de verwachtingen over hoe productief
we zouden moeten zijn, verhoogt.
Tijd, altijd en overal,
is het ultieme ‘verdwijnende bezit’,
maar de wildgroei aan timemanagementstrategieën
en gadgets vertelt ons,
denk ik, dat tijd nog schaarser lijkt
wanneer van ons verwacht wordt
(of van onszelf verwacht wordt)
dat we leven ‘to the max’.

Ik denk niet dat het overdreven is
om te stellen dat schaarste
de meest urgente realiteit is
in de menselijke ervaring.
In de een of andere vorm geldt dit
voor elke menselijke cultuur.
We bestrijden schaarste
met de drang om te vereenvoudigen, te stroomlijnen,
meer te doen met minder,
lifehacks te vinden
of nieuwe technologieën uit te vinden.

Jezus zegt echter dat we het moeten negeren.
Of in ieder geval dóen
alsof schaarste
niet zo interessant of belangrijk is.
God voedt de vogels en bekleedt de lelies;
jij bent belangrijker dan een vogel of lelie voor God;
dus zal God voor je zorgen.

Stop met stressen.

Dit voelt niet ambitieus of inspirerend.
Het voelt krankzinnig:
Ik heb een hypotheek.
Ik heb geld, energie, focus en tijd nodig;
niet de bizarre aansporingen
van een of andere mysticus.
Weet Jezus überhaupt wel iets van inflatie?

Maar het vreemde is dat hij dat wel weet.
Jezus staat absoluut niet los
van de realiteit van het dagelijks leven
in zijn tijd en omgeving.
Hij is op de hoogte van actuele gebeurtenissen
zoals instortende torens
en de machinaties van Herodes Antipas
(‘die vos’, noemt Jezus hem. Geen compliment).
Hij lijkt zich een beetje te vervelen om het politieke spel,
maar hij is zeker niet naïef over de machtsstructuren
en de grote spelers in Galilea en Judea.
Hij maakt van een sluwe,
oneerlijke kleine manager
de held van een van zijn verhalen.
Politiek, belastingen, sektarisch geweld,
instortende infrastructuur;
de evangeliën beschrijven Jezus
in zijn interactie met een wereld
die heel anders is dan de onze,
maar die toch direct herkenbaar is.

Het verschil is dat ik inflatiecijfers,
begrotingsgevechten, geopolitieke manoeuvres
om schaarse hulpbronnen
en toeleveringsketens beschouw
als ‘de echte wereld’,
terwijl het Koninkrijk der hemelen uit de Bijbel
iets moois is, maar ook een beetje zweverig,
en een beetje abstract.

Maar Jezus zag de dingen precies andersom.
Het koninkrijk is de Realiteit,
terwijl de heren der heidenen,
het betalen van belastingen,
zelfs de dringende dagelijkse zorgen
over voedsel en kleding,
allemaal vluchtig of hooguit secundair zijn.
En het koninkrijk is overvloedig,
want de Koning geeft geen stenen
wanneer zijn kinderen brood nodig hebben.

Wat betekent het om te leven
alsof overvloed
en niet schaarste
het laatste woord heeft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat het vaak echt te krankzinnig voelt,
om te denken dat ik genoeg tijd,
geld, energie, focus
of wat dan ook kan besparen
om een leven op te bouwen
waarin ik vervulling of vrede vind.
Er zitten barsten in mijn nuchtere,
economisch rationele wereld
die me doen afvragen:
wat als ik geen geld, tijd, energie heb
– niets anders dan mijn dagelijks brood –
en ik er vervolgens achter kom
dat ik alles al heb wat ik nodig heb?