We hebben het omslagpunt weer gehad:
de herfst, is weer begonnen: de dagen korten en de nachten,
‘daar gaan we weer’,
de stormloop naar het einde van een nieuw jaar.

Op wereldschaal luidt het ook het patroon in
van internationale topconferenties en onderhandelingen
om vooruitgang te boeken bij het eerlijker, veiliger en hoopvoller maken
van deze wereld, onze wereld.
Wereldleiders komen bijeen in New York
voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;
dan duurt het niet lang meer tot de volgende VN-klimaattop (COP29) in Bakoe,
snel gevolgd door besprekingen in Busan
om een nieuw VN-verdrag op te stellen om plasticvervuiling te beëindigen.
Misschien leidt dat tot een nieuwe zucht; ‘daar gaan we weer’.

Maar er staat dit keer iets nieuws op de agenda in New York:
de VN-top van de toekomst.
Het wordt aangeprezen als een ‘once-in-a-generation’-kans
om een betere weg vooruit te vinden.
Zal dit het moment zijn dat niet alleen ons redt,
maar ook toekomstige generaties en de natuurlijke wereld?

Een paar jaar geleden was er een evenement
dat experts in duurzame ontwikkeling uit de wetenschap,
overheid en het maatschappelijk middenveld samenbracht.
Op een flapover stond:
Wat zal ons de komende tien jaar redden?
mensen mochten hun stem uitbrengen met een sticker,
waarbij ze slechts drie opties kregen:
overheid; maatschappij; technologie.

Er werd een bepaald patroon zichtbaar:
– de wetenschappers stemden voor de overheid
– de ambtenaren stemden voor de maatschappij
– mensen uit het maatschappelijk middenveld stemden voor technologie

Op de achtergrond leek er dus een bepaald gevoel mee te spelen:
‘Wie zal ons redden? Niet ik.’

Ik vraag me af of de stemmers
– deskundig en verbonden, experts in hun vakgebieden –
op dat moment de grenzen van hun macht voelden.

Wanneer we tegen onze eigen beperkingen aanlopen,
kan het verleidelijk zijn om elders geruststelling te zoeken.
Ik vind hoop in een te onbekend verhaal van verandering,
een soort David en Goliath-verhaal,
dat dwars door overheid, maatschappij en technologie heen gaat.
Een verhaal waarin leiders ter verantwoording zijn geroepen,
en miljarden dollars uit fossiele brandstoffen zijn overgeheveld naar schone energie.
Ja, mensen zeiden dat het onmogelijk was, omdat niemand het ooit eerder had gedaan. Decennialang hebben rijke landen miljarden aan belastinggeld verstrekt
aan fossiele brandstofprojecten in andere landen over de hele wereld.
De belastingen van de mensen werden besteed aan een gascentrale in Mozambique,
olievelden in Brazilië, waardoor de klimaatcrisis werd aangewakkerd
en het risico bestond dat lage-inkomenslanden
decennialang fossiele brandstoffen moesten gebruiken
in plaats van te investeren in de transitie naar schone energie.

Dit is een transitie die is begonnen.
Op de meeste plekken ter wereld zijn zonne- en windenergie goedkoper en gemakkelijker toegankelijk dan olie, gas of steenkool.
Energie is transformationeel;
het voedt huizen, scholen en ziekenhuizen,
het ontsluit banen, onderwijs en gezondheidszorg.
En het bereikt het punt waarop er weinig reden is
waarom het niet hernieuwbaar zou kunnen zijn.

Nu de technologie er is, werd het tijd dat de politieke wil ook veranderde.
Dus een paar jaar geleden kwam een kleine groep campagnevoerders bijeen
om te pleiten voor een einde aan deze financiering.
Ze bouwden relaties op met parlementsleden en ambtenaren,
ze kregen de media geïnteresseerd in dit vrij specifieke probleem
en ze werkten samen met de gemeenschappen die getroffen werden
door door de overheid gefinancierde projecten,
met een duidelijke boodschap die de kern van het onrecht raakte:
stop met het financieren van fossiele brandstoffen in het buitenland.

In de aanloop naar de VN-klimaattop van 2021 werkten campagnevoerders en ambtenaren eraan
om 38 andere landen en grote banken ertoe te bewegen
toezegging te doen om de financiering van fossiele brandstoffen te beëindigen
en deze te verschuiven naar projecten voor hernieuwbare energie.
Met Noorwegen en Australië die vorig jaar deelnamen aan COP28,
telt die groep nu 41,
en vertegenwoordigt meer dan $ 28 miljard per jaar
dat van fossiele brandstoffen naar schone energie zou kunnen worden verschoven.

Het is niet van een leien dakje gegaan en het is nog niet helemaal rond.
Er een nieuw rapport gepubliceerd
waarin ze goede vooruitgang vonden in het fossiele brandstoffen-onderdeel van de belofte,
maar er was nog veel meer werk nodig van overheden
om dat geld in de hernieuwbare energieprojecten te krijgen
die inzetten op verandering voor de 685 miljoen mensen
die momenteel geen toegang hebben tot elektriciteit.

Een van de hete hangijzers op de Summit for the Future
is of de leiders het eens kunnen worden
over de overgang van fossiele brandstoffen in een nieuw ‘Pact for the Future’,
een echo van de taal waar vorig jaar voor gevochten werd,
die verzwakt werd en vervolgens grotendeels teruggeplaatst werd
in de uiteindelijke toezegging die werd gedaan op COP28.
(Dit geldt als een drama met hoge inzetten in de wereld van het klimaatbeleid).

Ja, ik weet het,
het lijkt misschien zo ver verwijderd van ons dagelijks leven,
zo’n geruzie over exacte leestekens op wereldtoppen.
Maar deze toezeggingen kunnen een langdurige invloed hebben.
Al bijna 80 jaar beschermt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
mensen – of laat de kloof zien wanneer hun rechten worden geschonden.

En eigenlijk gaat het hier niet alleen om woorden, het gaat om macht.

Een deel van het probleem met onze vraag op die flapover
was dat het mensen en kansen van elkaar scheidde
in plaats van ze samen te brengen.
De beste manier om verandering teweeg te brengen is
om collectieve macht op te bouwen,
elkaar en onze besluitvormers ter verantwoording te roepen.

Misschien brengt nadenken over de toekomst
meer angst dan hoop met zich mee.
Maar dit verhaal herinnert me eraan dat ‘ons redden’
niet iets is dat je eenmalig doet.
Het is groter dan dat;
iets dat je moet uitleven, onvolmaakt, met anderen, door de jaren heen.
En zo doende te leven met God.
Dit is een partnerschap waartoe Hij ons uitnodigt:
om mee te doen aan zijn werk om een wereld vol potentieel te zien
die wordt gekoesterd en hersteld.
We zien misschien niet de hele verandering die we hopen,
maar soms zien we de balans doorslaan.

De energietransitie is begonnen,
maar het zal de collectieve invloed van een beweging van mensen vergen
om ervoor te zorgen dat het snel en eerlijk verloopt
en degenen dient die het het hardst nodig hebben.
Nu er nog een groot gat is tussen de benodigde financiering
en de toegezegde financiering,
zijn alle ogen gericht op de COP29 van dit jaar in Bakoe
om tastbare vooruitgang te zien.

‘Daar gaan we weer’.

 

Op die manier raken ze aan elkaar verbonden:
dat praktische, dienstbare ouderlijk huis
en de herinneringen die daaraan verbonden zijn.
Het ‘ouderlijk huis’ krijgt een symbolische waarde:
de tastbare plek verwijst naar herinneringen en gevoelens.
Dat is onvermijdelijk:
we zijn als lichamelijke wezens geschapen.
We kunnen niet anders dan
herinneringen, ervaringen en gevoelens
koppelen aan een bepaalde plek.

Een kerkgebouw is het ‘Vaderlijk huis’:
hier werden mensen gedoopt, deden ze belijdenis, trouwden ze,
hier vandaan werden zij begraven.
Het kerkgebouw draagt geschiedenis bij zich:
generaties kerkgangers, en vooral:
generaties vol verhalen en gevoelens.
Dat is niet alleen negatief, of lastig.
Het is zoals wij geschapen zijn.

Het kerkgebouw als aards ‘Vaderlijk huis’
verwijst in die zin naar het hemels Vaderhuis:
hier woont God bij de mensen.
De hemel is vanuit ieder gebouw bereikbaar;
maar in het eigen kerkgebouw voelt alsof de regelmatige gebeden
daar het plafond van de hemel
een stukje dunner gebeden hebben.
Hij woont op alle plekken,
maar hier was Hij vaak thuis,
en daarom Zijn kinderen ook.

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

 

In de vorige eeuw dachten veel mensen dat religie op zijn retour was.
Zoals politicoloog Francis Fukuyama het verwoordde,
werd er algemeen aangenomen dat
‘religie zou verdwijnen en alleen vervangen zou worden door seculier,
wetenschappelijk rationalisme.’
Maar weinig mensen geloven dit nog.
Ook Fukuyama zelf is van gedachten veranderd en zegt dat religie ‘niet zal verdwijnen.’

Maar waarom weigert religie te verdwijnen?
We willen suggereren dat een van de belangrijkste redenen voor het voortbestaan van geloof
is dat er vragen zijn waar niemand volledig aan kan ontsnappen die leiden naar religie.
Religie, of geloof, richt zich op vragen waar niemand volledig aan kan ontsnappen:
waarom is er iets in plaats van niets?
Waar komt het allemaal vandaan?
Heeft dit leven zin?
En wat gebeurt er na de dood?
Geloofstradities zijn experts in zulke ultieme vragen
en het is heel moeilijk voor iemand om deze vragen volledig te vermijden.

Deze vragen die de meeste mensen op een bepaald moment in hun leven tegenkomen,
draaien om betekenis:
Wat is het nut van opgroeien, zou een tiener kunnen vragen?
Wat is het nut van mijn werk, vragen we ons later misschien af.

Vooral wanneer we te maken krijgen met frustraties, mislukkingen en uitdagingen,
dan vragen we ons misschien af wat voor verschil we maken voor de wereld.
Zou iemand me missen als ik er niet was, vragen we ons misschien af?
Zal iemand zich me herinneren als ik sterf?

Want uiteindelijk komt iedereen op een gegeven moment in aanraking met de dood.
Ook al worden we gespaard van de pijn van vrienden die jong sterven,
het is de natuurlijke oorzaak van de wereld dat onze grootouders en onze ouders
op een dag zullen sterven.
Wat doen we als we worden geconfronteerd met zo’n verlies?
Het is moeilijk om niet te vragen: ‘waar is mijn geliefde nu?’
En ‘is er hoop om onze geliefden ooit weer te zien?’

Dit zijn het soort vragen waar niemand in zijn leven volledig aan kan ontsnappen:
ze komen altijd weer op en dringen zich op aan ons bewustzijn.
Toch zijn deze vragen over het begin, de betekenis
en het einde de vragen waar religie zich mee bezighoudt.
En hier ligt een belangrijk antwoord, denken we,
op de vraag waarom geloof niet zomaar zal verdwijnen:
omdat wetenschappelijk rationalisme ze niet echt kan aanpakken.

Zeker, seculier wetenschappelijk rationalisme biedt wel wat antwoorden op de vraag
hoe het leven begint – we kennen de biologie ervan verbazingwekkend goed.
En toch is biologie niet alles,
en in feite zijn het niet de biologische aspecten ervan die ons raken.
Het wonder, de hoop, de liefde die we ervaren
wanneer we worden geconfronteerd met het begin van het leven,
is meer dan wat rationeel of wetenschappelijk kan worden verklaard.

Ook is wetenschappelijk rationalisme niet goed toegerust
om vragen over betekenis te beantwoorden.
Wetenschap is geweldig in het beantwoorden
van hoe iets werkt of hoe het zou moeten worden gedaan,
maar waarom-vragen vallen in een andere categorie.
Gevraagd naar de zin van het leven en rond het einde van het leven:
wetenschappelijk rationalisme kan en zal, op basis van zijn methoden en benaderingen,
niets (kunnen) zeggen over het hiernamaals.

De vragen over begin, betekenis en einde
kunnen dus niet door wetenschappelijk rationalisme worden beantwoord.
En toch komen die vragen in ieders leven voor.
Precies hier ligt een belangrijke reden waarom geloof niet is verdwenen.
Geloof houdt zich bezig met precies deze vragen.
Het is goed in het omgaan met deze vragen – ze vormen het kerndomein van geloof.

Geloof biedt antwoorden op vragen over begin, betekenis en einde,
maar net zo belangrijk is dat het een gemeenschap biedt
waarin dergelijke vragen kunnen worden aangepakt en besproken.
Het biedt een ruimte waarin mensen kunnen nadenken
over de ultieme vragen en andere mensen kunnen vinden
die dat met hen willen doen, misschien door hen manieren te laten zien
waarop men antwoorden kan vinden.
Verschillende geloven en verschillende uitingen van geloven doen dit heel anders:
georganiseerde religies doen het anders om de associatie van degenen
die ‘spiritueel maar niet religieus’ zijn, los te maken,
maar in alle gevallen is het geloof – in brede zin –
dat de vragen aanpakt en behandelt die opkomen en niet anders worden aangepakt.
Geloof zal niet verdwijnen, omdat de vragen van het geloof niet zullen verdwijnen.

Maar waarom moet dit gezegd worden?
Is het niet duidelijk dat religie gaat over ultieme vragen die iedereen aangaan?

Het probleem is dat het moderne westerse leven vol zit met mogelijkheden
om ons af te leiden van deze vragen.
We zijn rijk, comfortabel, worden overspoeld met entertainment
en zijn vaak ook nog eens druk met carrières en kinderen.
Al deze dingen helpen ons om de diepere vragen
over de oorsprong en het doel van ons bestaan te onderdrukken.

Veel mensen behandelen de vraag naar de zin van het leven
als een vraag die ze eindeloos over kunnen uitstellen:
‘Op een dag wil ik erachter komen, waar het allemaal voor is en waar het allemaal naartoe gaat: maar vandaag wil ik nog een aflevering op Netflix kijken, op Instagram browsen
of naar een sportwedstrijd gaan.’
De entertainmentindustrie vestigt onze aandacht op vluchtige genoegens
zoals geld, seks, roem en succes.
Rijkdom is vooral nuttig omdat het ons helpt te krijgen wat we willen, wanneer we het willen,
en voorkomt dat we de hardere realiteit van het leven onder ogen zien.
Het is gemakkelijk om onszelf bezig te houden
en we kunnen onszelf geen tijd gunnen voor diepe reflectie op de grotere vragen.
Dit alles draagt bij aan wat we de ‘verdovende middelen van het dagelijks leven’
zouden kunnen noemen, de manieren waarop het dagelijks leven en de maatschappij
als een drug fungeren om onze visie te vertroebelen,
ons denken te verwarren en ons ervan te weerhouden de dingen in het leven
die er het meest toe doen, duidelijk onder ogen te zien.

Maar het probleem is dat zelfs het gewone dagelijkse leven wordt geleefd
volgens (althans voorlopige) antwoorden op die grote vragen.
Elke dagelijkse beslissing die we nemen, toont onze waarden, wat wij denken dat ertoe doet.
Als we chocolade kopen die niet eerlijk is verhandeld,
kiezen we actief voor ons eigen plezier als belangrijker
dan rechtvaardigheid en gelijkheid in de armste plekken ter wereld.
Als we tot laat doorwerken in plaats van naar huis te komen om met de kinderen te spelen,
als we vliegen voor een vakantie, of rundvlees kopen,
waardoor we onze CO2-voetafdruk enorm vergroten en bijdragen aan klimaatverandering,
dan laten we zien dat we meer om onze genoegens geven dan om de vernietiging van de planeet.
Al onze keuzes zijn gebaseerd op waarden die onze overtuigingen onthullen
over wat het leven de moeite waard maakt en wat we uit het leven willen halen.
Je kunt geen agnost zijn. Je leven toont geloof in het een of het ander.
Denk aan een duidelijk voorbeeld:
Een zwangere vrouw kan gewoon niet lang agnostisch zijn over abortus.
Ze heeft maar twee opties: abortus of bevallen.
De keuze die ze maakt, zal een praktisch gevolg zijn
van haar overtuigingen en waardeoordelen.
Er is geen agnosticisme, geen ‘niet te beantwoorden’ van de vraag.

Zoals elke religieuze traditie roept het christendom ons op
om een leven te leiden dat geworteld is in dingen van ultieme en blijvende waarde,
in plaats van oppervlakkige of egocentrische zorgen.
Het daagt ons uit om te vechten tegen de verdovende middelen van het dagelijks leven
door onze aandacht voortdurend terug te trekken
naar de dingen die er het meest toe doen.
Door middel van aanbidding,
Bijbellezen en gebed vraagt het ons onophoudelijk:
Gaat het echt allemaal om het verdienen van bakken met geld?
Gaat het om promotie maken?
Wat zijn je ultieme waarden en hoe laat je die zien in je leven?
De echte kracht van secularisme is niet dat het alternatieve antwoorden biedt
op deze vragen, maar dat het afleidt van de vraag.
Het enige wat we hoeven te doen, is ons los te maken.

Nu is het christendom niet alleen een reeks gemakkelijke antwoorden op deze vragen.
Het is een weg, een reis naar de waarheid.
Christen zijn betekent dat je tot een gemeenschap behoort
die vertrouwt op wat Jezus heeft onthuld
over de oorsprong, betekenis en het einde van ons leven.
In die gemeenschap zijn er enkele impliciete antwoorden om ons op weg te helpen.
We leven in de overtuiging dat het leven zinvol is,
dat egoïsme en persoonlijk plezier niet het belangrijkste zijn.
Er is genoeg ruimte voor debat en discussie,
maar laten we in ieder geval beginnen met praten over de dingen die ertoe doen.

 

Maar wat wordt daar dan mee bedoeld, geestelijke gemeenschap?
Maak je het dan niet onnodig vroom, wat hoogdravend misschien.
Het is toch gewoon mensenwerk…
met alle menselijke kleinheden en kleinigheden, vertel ons wat.
Laten we het alsjeblieft een beetje nuchter houden…

Ja, daar ben ik ook wel van. En toch.
Een wezenlijk kenmerk van de kerk is,
dat wij een gemeenschap zijn van mensen
die elkaar niet hebben uitgezocht.
We horen bij elkaar, niet omdat we familie zijn,
niet omdat we uit hetzelfde dorp of gemeenschap stammen;
we horen niet bij elkaar omdat we verwante eigenschappen,
politieke overtuigingen, voorkeuren of smaken hebben;
we zijn niet per se bevriend met elkaar,
delen niet vanzelf dezelfde interesses of meningen.
We zijn geen gemeenschap van mensen die hetzelfde denken,
zelfs niet hetzelfde geloven,
of op dezelfde manier in het leven staan.
De kerk is geen gezelligheidsvereniging, van mensen met dezelfde voorkeuren.
Nee, we hebben elkaar niet uitgezocht, onze karakters botsen soms,
we zijn heel verschillend, maar we zijn allemaal,
ieder op een eigen wijze, geroepen, geboeid,
geraakt door het verhaal van het evangelie.
Door het evangelie van Jezus Christus
die de onvoorwaardelijke liefde van God belichaamt.

Vaak is je dat van huis uit meegegeven
en heb je dat op een eigen manier
een plaats gegeven in jouw leven.
Soms ben je er op een andere manier bij betrokken geraakt,
ieders verhaal is weer anders.
Maar dat is de kern van wat ik dan maar even ‘geestelijke gemeenschap’ noem.
De kerk vindt haar basis niet in een menselijke voorkeur,
maar in een roepstem, een appèl van de andere kant,
of hoe je dat ook wilt noemen.
De kerk vindt haar grondslag niet in een menselijke beslissing,
zoals een vrijwilligersorganisatie wordt gevormd.
De kerk is een gevolg van een beweging die buiten ons om op gang is gebracht
en waar wij in worden meegenomen,
waar wij ons in laten voegen en die wij, als het goed is,
op een eigen manier weer doorgeven aan een volgende generatie.

 

Is de kerk een vrijwilligersorganisatie?
Ik was onlangs op een kerkelijke bijeenkomst, waarop iemand dat zei.
Hij had het over de moeilijkheden waarmee ze in hun kleine gemeente worstelen.
Het bekende verhaal: gebrek aan ambtsdragers,
aan vrijwilligers, vergrijzing, minder kerkbezoek,
de noodzaak tot samenwerking met andere kleine gemeenten misschien.
De kerkorde zit daarbij in de weg, volgens de spreker,
met allemaal regels en voorschriften.
We moeten niet zo moeilijk doen,
de kerk is gewoon een vrijwilligersorganisatie.
We hebben een reglement nodig, geen dikke kerkorde.

Nu was er op diezelfde bijeenkomst
gelukkig ook iemand die meteen antwoordde dat er,
vanuit de kerkelijke organisatie volop meegedacht wordt
om creatieve oplossingen te zoeken.
De kerkorde hoeft geen keurslijf te zijn,
er is meer mogelijk dan je soms denkt.

Nou gaat het mij niet per se om de kerkorde,
maar wel even over die typering
van de kerk als vrijwilligersorganisatie.
Is dat zo?
Zelf zeg ik dat ook wel eens, een beetje gekscherend.
Als iemand van buitenaf vraagt naar mijn werk bijvoorbeeld, dan zeg ik:
ik ben de enige beroepskracht in een vrijwilligersorganisatie.
Dat is toch zo?
Kijk, de meeste mensen zitten voor hun plezier in de kerk, maar als predikant MOET ik er zijn.
Nou ja, ik zei al: gekscherend. En het klopt ook niet helemaal,
want vaak ook kosters en ook organisten horen bij de beroepskrachten,
en natuurlijk kerkelijk werkers
en in sommige plaatsen heb je ook betaalde scriba’s of ledenadministrateurs.

Toch is de kerk vooral een organisatie die drijft op vrijwilligers.
Op die talloze mensen die iets doen voor of namens de kerk,
heel vaak ook op de achtergrond, buiten het zicht van de camera’s.
Als die vrijwilligers er niet zouden zijn,
dan zouden al die betaalde dominees hopeloos onthand zijn.

Dat is allemaal waar.
En toch heb ik op die bijeenkomst
waarop nogal stellig de kerk een vrijwilligersorganisatie werd genoemd,
iets anders daar tegenin gebracht.
Want de kerk is volgens mij in de eerste plaats een geestelijke gemeenschap.
Dat moet voorop staan.

….

 

Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De openingsceremonie van de Olympische Spelen van Parijs in 2024,
gehouden aan de rivier de Seine, heeft niet verrassend voor controverse gezorgd.
Zulke momenten, waarbij een land
zich door middel van pracht en praal aan alle anderen presenteert,
zorgen altijd voor commentaar,
niet in de laatste plaats degenen die beweerden
dat de ceremonie een ‘aanval op het christendom’ was.

Hoewel het weer de uitvoering enigszins dwarsboomde,
was het de inhoud van de voorstelling die kritiek kreeg.
De parade van atleten werd overschaduwd
door de kritiek op de creaties van theaterdirecteur Thomas Jolly,
het brein achter de hele ceremonie.
Extreemrechtse politici bekritiseerden Jollys creaties
als een schending van de Franse nationaliteit.
Conservatieve deskundigen richtten hun kritiek op Jollys
verheffing van de LHBTIQ+-cultuur.

Christelijke commentatoren hebben,
met verschillende mate van wrok,
een vreemde scène veroordeeld waarin Leonardo da Vinci’s beroemde schilderij
van het Laatste Avondmaal – volgens hen –
werd ondermijnd door een mengelmoes van ostentatief queer personages.
Centraal stond niet Jezus Christus,
maar een robuust ogende figuur die leek op Lady Liberty.

Voor de ceremonie vertelde Jolly aan het Britse Vogue over het hart achter zijn creatie:
‘er is ruimte voor iedereen in Parijs.
Misschien is het een beetje chaotisch,
dat is waar, maar dat geeft iedereen de mogelijkheid om een plek voor zichzelf te vinden.’
De openingsceremonie zal een succes zijn, zegt Jolly,
‘als iedereen zich erin vertegenwoordigd voelt.’
Ik denk dat dit niet het geval is voor de dertig procent van de wereld
die zich als christen identificeert.
Dat komt omdat elke familie en elke smaak van het christendom zou erkennen
dat de Heilige Communie, Het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende 2000 jaar,
waarvan de instelling is afgebeeld in het schilderij van da Vinci,
publiekelijk en wereldwijd werd verkracht.

Hoe kunnen we dit moment duiden?
Is er nog iets anders dat de christen kan bijdragen dan verontwaardiging of woede?
Wanneer zoiets gebeurt,
herinnert het me aan de centrale rol die het christendom
heeft gespeeld in de westerse cultuur.
Het onbegrip rondom de controversiële scène van de ceremonie
berust op het idee dat het schilderij van Da Vinci
een wereldwijd erkend symbool is.
Anders hadden we alleen maar naar een heel vreemd etentje zitten kijken zonder eten.
En met het beroemde schilderij van Da Vinci in gedachten,
komt de subversieve kracht van Jollys scène dan hard aan.

Ik heb een heel aantal artikelen gelezen van een bepaald soort rechtse journalist
die gedachten napraat als: ‘dat zouden ze niet doen met de Koran.’
en ideeën over de ‘neergang van het christelijke Westen en de westerse cultuur’,
Dan zou dat kunnen kloppen, maar het mist fundamenteel het punt.

De scène is alleen logisch vanwege de nu afnemende machtspositie van het christendom.
Wanneer je – zoals radicaal rechts vaak doet –
Jezus Christus en het christendom op één lijn brengt met de status quo,
wanneer het christendom moreel behang wordt
voor een hele beschaving en haar cultuur.
Dan wordt het niet verrassend genoeg een doelwit voor satire.
Vooral voor iedereen of een groep die zich vervolgd of gemarginaliseerd voelt.
Nee, ik verdedig geen moment wat Jolly deed,
maar probeer te begrijpen waarom het gebeurde.

Het soort culturele macht dat het christendom in het Westen heeft gehad,
gaat ten koste van de duidelijkheid, omdat het christendom
oorspronkelijk zelf een tegencultuur was.
Kruisiging, een opperste daad van keizerlijke overheersing,
werd de basis van het christelijk denken
en uiteindelijk het grootste symbool ervan.
De oorspronkelijke christelijke beweging
werd door zowel de Joodse als de Romeinse religieuze leiders van die tijd
als godslasterlijk gezien om tegenstrijdige redenen.

Het fundamentele verschil tussen het christendom
en het louter vasthouden aan conservatieve waarden
die niet overtreden mogen worden,
is God.
Het is een oprecht geloof in Jezus Christus
als de langverwachte Messias van het Joodse volk,
en de Redder van de hele wereld
een geloof dat zijn eerste verwaarloosde en verbijsterde discipelen
ertoe bracht om op zulke radicale en tegenculturele manieren te leven
dat velen door het Romeinse Rijk werden vermoord.

Het is terecht dat zijn volgelingen vandaag de dag hun mond opendoen
en zeggen hoe fout het is wanneer de speciale en heilige zaken
die hij voor hen deed opnieuw in het openbaar worden vertrapt,
maar het is ook de moeite waard om te onthouden dat het verhaal zo begon,
met het lichaam van Jezus dat werd mishandeld en gebroken.

Dat we op de een of andere manier, in momenten als deze,
de kracht van Jezus missen wanneer we Hem simpelweg verdedigen
op grond van ‘fatsoen’ en ‘respect.’ is meegaan in het narratief van radicaal rechts.

In plaats daarvan,
als we terugkeren naar de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf,
onthult Jollys uitbeelding, in zijn spot en subversiviteit,
juist de kracht van Het Laatste Avondmaal.

Laten we even duidelijk zijn:
Da Vinci’s schilderij was niet bedoeld voor een galerie,
maar werd oorspronkelijk geschilderd op de muur van een vrij onbekend klooster,
en pas jaren later getransporteerd naar een galerie
om ineens ‘kunst’ te worden.
Voor Da Vinci was het bedoeld als een fundamenteel hulpmiddel voor de gelovigen
om de oorspronkelijke gebeurtenissen te herinneren.

Het laatste avondmaal,
de maaltijd die Jezus de avond voor zijn kruisiging met zijn vrienden deelde,
was de openingsceremonie van het christendom.
Elke keer dat christenen deelnemen aan het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende meer dan 2000 jaar,
herinneren ze zich de openingsceremonie waarbij:

Jezus nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan Zijn discipelen, zeggende: Neemt en eet, dit is Mijn lichaam.” En Hij nam een beker, en toen Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen, zeggende: Drinkt allen hieruit. Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Maar het meest merkwaardige deel van de openingsceremonie van het christendom,
merkwaardiger dan alles wat we tijdens de openingsceremonie zagen,
is de aanwezigheid van Judas.
De Bijbelse verslagen beschrijven Jezus’ kennis van de intentie van Judas
om Hem aan de Romeinen te verraden,
en toch is Judas nog steeds welkom aan tafel.
Als er ruimte is voor Judas, dan is er ruimte voor ons allemaal.
De openingsceremonie van het christendom
kan niet worden herdacht zonder de aanwezigheid van Judas de verrader,
en Petrus de lafaard, of Thomas de twijfelaar.
De grote ironie en het grote mysterie van het christelijk geloof
is dat je de genade niet kunt overtreffen.
Je kunt het bespotten en ondermijnen, maar Christus stierf voor de goddelozen.

Daarmee komt de scène tijdens de openingsceremonie
niet in de buurt van de oorspronkelijke gebeurtenissen.
Jezus werd niet alleen verraden door zijn vrienden,
Hij werd vervolgens gemarteld, vernederd en publiekelijk geëxecuteerd
op ongeveer de meest pijnlijke manier die mensen hebben bedacht.
Dat was godslastering van een ander niveau,
maar het was ook een overwinning omdat God ervoor koos
om inclusief lief te hebben, voorbij elke menselijke norm.

Dit betekent dat er niets inclusiever is dan de openingsceremonie van het christendom
en tegelijkertijd ook niets exclusiever.
Wij zijn niet degenen die het eten verzorgen, maar God.
In Jollys uitvoering werd de scène van het Laatste Avondmaal
afgesloten door de Franse acteur Philippe Katerine,
die van top tot teen in het blauw was geverfd.
Terwijl deze ‘baardsmurf’ verbijsterde reacties over de hele planeet veroorzaakte, vertegenwoordigde Katherine blijkbaar Dionysius,
de Griekse god die geassocieerd wordt met wilde dronken feesten.
Het eten dat Jolly aanbiedt is een wild verlangen en zelfexpressie.
In het christendom is het eten God zelf, zijn lichaam en Zijn bloed.
Gods liefde wordt gegeven, zelfs aan degenen die hem zullen verraden.

Maar scenes als deze kunnen voor christenen voelen
alsof er nu een golf van seculier liberalisme
eindelijk de machtspositie wil veroveren
die het christendom eeuwenlang heeft gehad.
En wat je nu ziet dat er een nieuwe conservatieve voorhoede van verzet opstaat
om die afbrokkelende positie van het westers christendom te beschermen
of het in te schakelen voor zijn eigen doeleinden.
Uit de mond van Modi of in Trumps tirades
woedt een nieuw religieus bewapend populisme.
Dit zal het voor christenen moeilijker maken om te navigeren,
tussen het volgen van Christus of hen die:
‘ons proberen te misleiden met mooiklinkende filosofie en redeneringen’( Kolossenzen 2)