Ergens in een kloostertuin in het Atlasgebergte in Algerije
liggen zeven eenvoudige grafstenen naast elkaar.
Ze horen bij evenzovele vermoorde monniken.
Onder hen de abt: frère Christian de Chergé.
Het verhaal achter deze grafstenen wordt gevangen
in de film ‘Des hommes et des dieux’ uit 2010.
Frère Christian en zijn zes medebroeders
bewonen een klooster in Algerije.
Christian was aanvankelijk Frans officier.
Hij werd vrienden met de Algerijnse politieagent Mohammed.
Mohammed was moslim, Christian christen.
Het stond hun vriendschap niet in de weg.
Maar anderen rond Mohammed hadden hier grote moeite mee.
Christian was voor hen een vijand: Fransman, militair en christen.
Op een dag werd Christian ingesloten door moslimfundamentalisten.
Hij vreesde voor zijn leven.
Maar Mohammed sprong er tussen en redde zo Christians leven.

Een paar dagen later werd Mohammed gevonden
bij de put achter z’n huis: gewurgd.
Zijn vriendschap met Christian en zijn reddingdaad kostten hem zijn leven.
Dit bepaalde Christians verdere leven:
iemand had létterlijk zijn leven voor hem overgehad.
Dat deed hem zoveel dat hij besloot in te treden in het klooster,
om zich te wijden aan God en de mensen.
In zijn denken en geloven werd een bepaald begrip belangrijk:
het martelaarschap van de liefde.
Dat had hij van zijn vriend Mohammed geleerd:
de liefde is bereid om te lijden omwille van de ander.
Zelfs voor de vijand.

Toen een tijd later een stel moslimfundamentalisten
de omgeving onveilig maakte, kwamen ze ook bij het klooster.
Hun leider eiste drie dingen:
de dokter van het klooster, medicijnen en geld.
Christian weigerde.
Hij schreef later:
‘Niet alleen omdat ik mijn broeders hoeder ben,
maar ook omdat ik deze broer moest hoeden,
die voor me stond,
die het nodig had om iets te ontdekken in hemzelf,
dat anders was dan wie hij geworden was (…)
ik wil niet sterven met haat, ik geloof in God, die onze Vader is.
Ik geloof in genade, voor jou en mij.’
Zo wilde Christian getuige zijn.

Maar de spanningen lopen op.
Het wordt steeds gevaarlijker en angstiger.
Op een dag zijn de kloosterlingen bijeen in de kapel om te bidden.
Ineens horen ze het geluid van een naderende gevechtshelikopter.
De helikopter richt z’n boordmitrailleur op de kapel.
Christian begint te zingen,
de broeders slaan de armen om elkaars schouder.
En tegen die herrie boven hen, tegen het dreigend geweld in, zingen ze.

Ik vind het een prachtig beeld voor ons als kerk, als gelovige.
Om tegen alles in, tegen de dreiging, de terreur, de haat,
de onverschilligheid, de lauwheid, de crisis,
de oorlog, de verdeeldheid.
Om tegen dat alles te zingen.
En moed te houden. Te blijven hopen.
Vanwege Hem, die is en die was.
Die gekomen is en komen zal.

‘Hodie Mihi, Cras Tibi’, vandaag ik, morgen gij.

Deze tekst zie je nog wel eens op rouwborden in oude kerken of boven begraafplaatsen.

De mens wordt er aan herinnerd dat de dood niemand uitsluit.

Ook in tijden van crises zijn we uiteindelijk aan elkaar gelijk.

In haar boekje Crisis! uit 2022 schrijft Beatrice de Graaf

over de noodzaak tot een nieuwe vorm van crisisbeheersing.

‘In de eeuwen vóór de moderne tijd werd het crisisverhaal wel verteld

aan de hand van de metafoor van de “de dodendans”.

Jong en oud, arm en rijk is met elkaar verbonden

in een dodendans, want sterven gaan we allemaal.

En vanwege die gezamenlijke lotsbestemming

is het zaak elkaar bij de hand te houden.

De dans was een “memento mori”,

zorg dat je tijdens je leven eerzaam, eerlijk en oprecht leeft.

Dat je aalmoezen geeft, en omziet naar elkaar.

Want in een dodenhemd is iedereen gelijk. (…)

destijds wisten burgers wel dat er niets anders op zat

dan om met het onheil te leren leven. (…)

de dodendans moest gedanst worden.

Die voormoderne burgers wist eveneens allang

dat rampen nooit alleen kwamen. (…)

heldere simpele uitwegen uit de crisis waren en zijn er niet.

Er ziekt altijd wel iets door. Of breekt weer uit.’

De maakbaarheid van de mens en het menselijk leven

blijkt steeds weer duidelijk begrenst en/of maakt niet gelukkig.

Laatst las ik een artikel over een man die koste wat het kost

zolang mogelijk wil doorleven en het ultieme doel was eigenlijk eeuwig leven.

Gevolg wel was dat hij om die reden

invloeden van buitenaf zo veel mogelijk tegen te gaan,

geen tot extreem weinig contact heeft met de buitenwereld.

Hij is extreem eenzaam, maar alles voor het ultieme doel: eeuwig leven.

Maar eigenlijk heeft hij géén leven.

Aanvaarding van je lot maakt je – mijns inziens – tot een beter mens.

En ja, als christen geloof ik een een beter leven na dit leven,

namelijk het eeuwig leven in Gods koninkrijk.

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Enige tijd geleden – ver voor de coronacrisis – publiceerde een aantal collega’s een artikel over het geloof onder kerkgangers. Ze ontmoetten vaak mensen die het geloof beu waren. Allerlei signalen wezen daarop: kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, een kwijnend gebedsleven.
Een belangrijke oorzaak daarvoor was volgens hen gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

Als je in een traditie staat waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind is geloof zeker geen ‘gemeengoed’. God moet gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het gaat erom dat jij door Hem gezocht en gevonden wordt. Je bent niet bij voorbaat gered, eerder van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.

Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan.

Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?

Deze overtuiging is tegenwoordig wijdverbreid. Mijn vraag is of zo’n geloof ook bestand is tegen de coronacrisis waarbij mensen voornamelijk op zich zelf zijn teruggeworpen.
Kunnen we – juist in deze periode –  het tij keren?
Daar wil ik in een volgende blogpost verder op door gaan.

Het is crisis, dat hoef ik niemand meer te vertellen. Huizencrisis, economische crisis, bankencrisis; ‘you name it’  of het verkeerd wel in een of andere crisis. Zo vernam ik laatst dat ook de voedselbanken in Nederland een crisis beleven. De supermarkten kopen krapper en kritischer in waardoor minder voedsel terecht komt bij de voedselbanken.  En dan vind ik het schokkend om laatst onderstaand artikeltje op nu.nl te lezen:

‘Nederlander gooit 155 euro aan voedsel weg

AMSTERDAM – Dit heeft Milieu Centraal berekend. In totaal komt per persoon 50 kilo aan eten bij het vuilnis terecht.

voedselverspillingNederlanders gooien gemiddeld 14 procent van al hun eten weg in de prullenbak. Dit komt neer op 155 euro aan nog eetbaar voedsel.

Alle huishoudens verspillen samen 800 miljoen kilo voedsel per jaar. Dit zijn 100.000 vuilniswagens vol voedsel, zegt de voorlichtingsorganisatie. Het gaat dan alleen om verspilling bij de mensen thuis en niet om de verliezen in winkels, transport, opslag en landbouw.

De gemiddelde Nederlander gooit dagelijks een op de vijf sneetjes brood weg. Opgeteld zijn dit 400.000 broden per dag. Wat rijst betreft belanden twee van de vijf pakken die mensen kopen in de vuilnisbak. De verspilling van rijst (en pasta) is groot omdat mensen lastig kunnen inschatten hoeveel ze ervan nodig hebben, denkt Milieu Centraal.’

‘Wat crisis’ denk ik dan. Als de gemiddelde Nederlander zo met zijn eigen voedsel omgaat, dan kan de broeksriem nog gemakkelijk genoeg een paar gaatjes strakker worden aangehaald. Misschien moeten we nog kritischer naar onze eigen (over)consumptie kijken? Maar dan hoor je regelmatig om je heen: denk je nu echt dat het wat uit maakt, wat ik doe? Dat hele kleine gebaar wat ik doe heeft toch op wereldniveau totaal geen zin! Ik moet dan altijd denken aan de theorie van het vlindereffect. Die gaat zo: ergens op de wereld kan de vleugelslag van een vlinder tot het effect hebben dat ergens anders, ver weg, er uiteindelijk een orkaan door wordt veroorzaakt. Alles haakt in elkaar.

Ook het aanpassen van onze eigen levensstijl heeft z’n uitwerking. Al was het alleen maar dat we een voorbeeld kunnen geven naar de eigen omgeving. En misschien oogst het ooit een rechtvaardiger verdeling van wat de aarde opbrengt en…

Misschien mag het uiteindelijk bijdragen aan de revolutie waardoor Gods Koninkrijk mag gebeuren op deze aarde. Een rijk van vrede, gerechtigheid en rechtvaardigheid. Van genoeg voor iedereen. Als door de vleugelslag van één enkele vlinder…

‘Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen.’ Dit is een tekst uit het boek Deuteronomium uit het Oude Testament. Het Schriftgedeelte uit hoofdstuk 15 handelt over het zogenaamde sabbatsjaar waarin een schuldeiser zijn schulden aan zijn schuldenaar moet kwijtschelden. In het gedeelte wordt ook aandacht besteed aan lenen. ‘Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft.’ staat er dan.

Mmh, ongemakkelijke tekst, zeker als er ook nog de nadruk op gelegd dat als iemand geld leent en je weet dat het jaar van de kwijtschelding er aankomt, je een vraag om een lening niet naast je neer moet leggen ook al weet je dat je het geleende niet terug zult krijgen.

Vanwege de huidige crises in Griekenland en Ierland en de verwachte crises in andere landen is het toch bijna de algemene mening dat we deze landen geen geld meer moeten lenen; immers, zij hebben er toch zelf een zootje van gemaakt!

Het idee lijkt ‘Wij zijn rijk, zij zijn arm en en de armen zijn zelf ook nog de oorzaak van hun armoede. Dus laat ze hun eigen problemen maar oplossen.

Onwillekeurig moet ik dan denken aan de uitspraak van Adam Smith, de grondlegger van het de moderne economie. Hij schreef: ‘de neiging om rijken en machtigen te aanbidden en de armen te verachten is de grootste oorzaak van de teloorgang van onze moraal. Rijkdom bewonderen en armoede verachten  en succes boven falen bewonderen is het grootste gevaar in de commerciële samenleving.’  Smith had het helaas maar al te goed door, zelfs voordat de moderne economie werkelijkheid werd kende hij de aangeboren neiging van een mens.

Deuteronomium wist het eeuwen eerder al: ook rijk zijn is een belasting

Een tijdje geleden las  ik een artikeltje over het feit dat een aantal Amerikaanse christenen zich niet druk maakt over het klimaat en de op handen zijnde crisis. En zo hier ben aar hoor je dit soort geluiden ook wel onder Nederlandse christenen en zijn er mensen die vragen stellen of wij als christenen rondom de klimaatcrisis een steentje hebben bij te dragen. Eerlijk gezegd verbaasde me dit. Vanuit de Bijbelse notie van rentmeesterschap zou je je toch druk moeten maken over de aarde. Dat helemaal los van het feit of je het eens bent met de alarmerende berichten over opwarming van de aarde enzovoorts, zoals die tijdens de klimaattop in Kopenhagen in diverse media verschijnen.

Oké, er valt misschien heel wat af te dingen over de exacte gegevens die ons nu worden voorgeschoteld door een aantal wetenschappers, maar ook al zou onze aarde kerngezond zijn, dan ontslaat ons dat ook als christen niet van de opdracht, de taak van goed rentmeesterschap. De wereld is ons gegeven, niet in beheer maar als geleend goed, met de opdracht goed voor die aarde te zorgen.

In de Bijbel vind je dan geen concrete passages over hoe je omgaat met het klimaat. Het rentmeesterschap en het simpele feit dat deze wereld ons n bruikleen gegeven is, zegt mijns inziens al genoeg.

Genoeg om als christen stil te staan bij klimaatcrisis, kredietcrisis, of welke andere crisis of bedreiging van het geschapene ook en je daartoe te verhouden vanuit de centrale overtuiging: ‘Alles wat van mij is, is van jou’.

Dat is wat God tegen ons zegt.

En wat doen wij dan met dat cadeau?

Jottem!!

Goed nieuws voor alle zwartkijkers: De wereldeconomie loopt ondanks de prille tekenen van herstel een groot risico opnieuw onderuit te gaan. Dat voorspelt de Amerikaanse econoom Nouriel Roubini, professor aan de Stern School of Business in New York die door zijn sombere voorspellingen staat ook bekend als ‘dr. Doom’, in de Britse krant Financial Times. Ik begon al een beetje hoop te krijgen dat de crisis onze deur voorbij zou gaan, maar gelukkig: niets is minder waar, we gaan (nog een keer) onderuit!! Jottem, daar gaan we weer!!Gister hoorde ik nog een item op Radio 1 dat een of andere werkloze sportcoach zich had geworpen op de recessie, de crisis. Natuurlijk was hij ook druk doende rond te schnabbelen in het seminarcircuit waar hij lezingen gaf over de uitdagingen van de financiële crisis.  Maar nu heeft hij al zijn kennis in een kaftje gegooid waarin hij vanuit zijn enorme sport- en coachingservaring  het lezerspubliek wil voorhouden de crisis niet als bedreiging te zien, maar als uitdaging om  je eigen creativiteit aan te spreken. Wat zou er nou gebeuren, als ineens de economie weer overeind krabbelt en de crisis weer op de achtergrond wordt gedrongen? De beste schrijver zou blijven zitten met grote voorraden onverkoopbare boeken en wat nog erger is: hij kan zijn prachtige boodschap niet meer slijten in het seminarcircuit. En wie weet komt hij werkloos thuis te zitten en vraagt hij uiteindelijk een uitkering aan. Wat een rampspoed!

Maar een opkrabbelende economie zou mij ook persoonlijk treffen. Zondag aan zondag mag ik voorgaan in verschillende kerkdiensten en mijn inspiratie en voorbeelden haal ik de laatste tijd voornamelijk uit de (gevolgen van) de vele mondiale crisis: financieel, economisch, klimatologisch en energietechnisch. Het zo toch mij toch ongelooflijk slecht uitkomen als ineens al die crises grote zeepbellen blijken te zijn. ik zou er zelf een beetje down van kunnen worden. En plotseling kreeg ik een déjà vu:  alsof ik het liedje van Herman van Veen De bom valt nooit uit 1983 nu pas extra zeggingskracht krijgt; een deel van de tekst gaat als volgt:

Mijn leven is totaal ontwricht
Ik voel me overboord gegooid
Vandaag las ik dit nieuwsbericht:
De bom… valt… nooit

Maar zal de bom dan echt niet vallen?
Wat moeten we dan met z’n allen?
Zolang een toekomst ons ontbrak
Leefden wij dood op ons gemak

Wij keken met omfloerste blik
Nog maar voortdurend naar de grond
Nu is tot onze grote schrik
De hele wereld kerngezond

Maar gelukkig: onze wereld blijkt niet kerngezond. We kunnen nog gelukkig gedeprimeerd voortleven.

Jottem!! Er is grote kans op een nieuwe recessie…