Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

wapen van paus Leo XIV met de spreuk ‘ In de Ene zijn wij één’

 

Als ik me goed herinner, had ik een zeer positief gevoel
over paus Franciscus toen hij in 2013 werd gekozen.
De overleden paus was zo bedreven
in het doen van dingen die een boodschap uitstraalden,
dat algemeen werd aangenomen dat hij een verademing was.
Iedereen zou je vertellen dat hij heel nuchter was.
De weigering om in de officiële pauselijke appartementen te wonen!
PR-mensen hadden alleen maar angstdromen
van mensen die geen enkele interesse hebben
in wat het bedrijf verkoopt.

Hier was een man die duidelijk afstand wilde nemen
van de pracht en praal en de rijkdom (al dat Vaticaanse goud!).
Paus Franciscus maakte een punt, en dat was terecht.
Nee, Franciscus was uiteindelijk niet de modernist
waar sommige commentatoren op hoopten,
maar alleen omdat hij aantoonde
wat eigenlijk al overduidelijk had moeten zijn:
dat de paus niet op die manier ‘de baas is’
van het katholieke geloof.
Het verhaal is altijd complexer
dan ‘liberaal’ versus ‘conservatief’.

Is ie liberaal of conservatief;
soortgelijke speculaties doen al de ronde
over de nieuwe paus, Leo XIV.
Zelfverklaarde atheïsten
vinden dat Leo
positiever over abortus moet spreken,
vrouwen moeten toelaten tot het geestelijk ambt
en zich positief moet uitspreken over de lhbtiq+ gemeenschap.
Iedereen probeert elk microdetail dat we hebben te interpreteren.
En wat is de betekenis van zijn Amerikaanschap?
Is dit de poging van het conclaaf om een tegen-Trump te creëren?
Waarom verscheen Leo in traditioneel gewaad
(iets wat Franciscus nadrukkelijk vermeed)?
En waarom ‘Leo’?

Zelf wijst paus Leo XIV erop
dat de richting van zijn voorganger zal worden gehandhaafd.
Toch hebben sommige conservatieve katholieke lobbyisten
hun uiterste best gedaan
om de meer progressieve ideeën van Franciscus terug te draaien:
zijn verdraagzaamheid tegenover homoseksuelen,
zijn aandacht voor de armen,
zijn zorg over klimaatverandering,
en last maar zeker niet least,
zijn kritiek op de politiek van Donald Trump.

Want over het algemeen zijn de katholieken in de VS verrechtst.
Natuurlijk nog heel wat liberale en progressieve katholieken in de VS,
waaronder een aantal kardinalen.
Maar de invloed van extreemrechtse katholieken
die de sociale verworvenheden van de vorige eeuw
ongedaan willen maken is enorm gestegen.
De jaren zestig: de jaren van seks, drugs, en rock ‘n roll, Vaticanum II,
en wat gewis nog belangrijker was,
burgerrechten voor zwarte Amerikanen
liepen veel katholieken,
maar ook evangelische christenen,
over naar de Republikeinen,
die een culturele contrarevolutie beloofden:
orde op straat, kerk op zondag,
geen seks buiten het huwelijk,
zeker niet tussen mensen van hetzelfde geslacht,
en (in bedekte termen natuurlijk)
de handhaving van witte suprematie.
Daarom stemden veel behoudende christenen in 1968 op Nixon,
en een halve eeuw later op Trump.
Ras was ook hier van belang.
Katholieke Trumpstemmers waren overwegend blank;
zwarte en latino katholieken stemden eerder op Biden.

Veel van de rechtse lobbyisten komen uit de VS,
en de meesten van hen zijn voor Trump.
Die zogenaamde MAGA-katholieken 
beschikken over veel geld en hebben machtige vrienden.
Deze katholieken zijn fel tegen abortus.
(evangelische) christenen tilden hier minder zwaar aan,
maar zij schaarden zich achter katholieken
in hun gemeenschappelijke streven
om overheidsgeld los te krijgen
voor bijvoorbeeld confessionele scholen.
Strenge katholieken en evangelische christenen
vonden elkaar ook meer dan ooit
in de cultuurstrijd die begon met Nixon,
en die nu het land meer en meer verdeelt in twee kampen.
Een paus heeft geen leger van betekenis,
zijn grondgebied past in het centrum van Amsterdam,
hij heeft geen aardse grondstoffen.
Ja, in de ogen van veel atheïsten is de kerk een archaïsch instituut.
Tóch kan een paus, zeker in een gewelddadig tijdsgewricht,
een belangrijke rol vervullen,
door alleen al te appelleren
aan universele waarden en menselijke waardigheid.
De paus is voor velen nog steeds een morele autoriteit,
met celebrity-status bovendien.
Dat geeft hem invloed.
Hij trekt altijd de aandacht en wat hij zegt
is vaak ook bedoeld voor niet-katholieken en niet-gelovigen.
Een pleidooi voor klimaatmaatregelen is universeel.
Hetzelfde geldt voor mensenrechten.

Speculaties…
Er gaan al geruchten dat deze nieuwe paus
zijn privémissen graag in het Latijn opdraagt;
Anderen hebben erop gewezen dat hij
met de aanhangers van Franciscus meeliep
en zelfs zijn openingstoespraak
raakte het thema ‘synodaliteit
van de overleden paus aan.
Synodaliteit, afhankelijk van wie je het vraagt,
is ofwel een nobele poging tot decentralisatie
en het luisteren naar alle stemmen in de Kerk;
ofwel een poging om doctrinaire verandering
te bewerkstelligen onder het mom van pastoraat.
Eén van zijn toespraken vindt ik al wel heel positief
en in lijn met zijn wapenspreuk:
‘We moeten getuigen van ons vreugdevolle geloof in Jezus’, zei Leo XIV,
terwijl hij waarschuwde dat waar dit geloof ontbreekt,
het leven betekenis verliest.’

Toch zou mijn advies zijn om ver van dit soort speculaties te blijven.
Mensen veranderen immers voortdurend van gedachten.
En mensen veranderen vooral
wanneer ze zo’n taak krijgen
als Robert Prevost.
Zelfs vanuit een puur natuurlijk perspectief
zal de verantwoordelijkheid
voor meer dan een miljard katholieken
waarschijnlijk een ontnuchterend effect hebben
en je hyperbewust maken
van elke stap die je op het punt staat te zetten.

Paus Leo’s vermogen om de katholieke kerk te leiden
is geen macht die hij op zichzelf bezit;
die komt, zoals de officiële leer het stelt,
‘krachtens zijn ambt’.

Intussen heeft de paus geen behoefte
aan analyse, speculaties,
twijfel of projecties.
Hij heeft onze gebeden hard nodig.

enkele beelden van beroemde Amerikanen op de zogenaamde Capitol Rotunda

 

Het belangrijkste moment van de inauguratie van Donald Trump
heeft in een oogwenk plaatsgevonden:
het was een kwestie van enkele seconden.
Terwijl de verkozen president Trump de eed aflegde,
heeft hij een gebed uitgesproken
dat bestaat uit vier eenvoudige woorden:
‘so help me God.’

Dit is niet het eerste gebed dat we horen vanaf deze trappen.
Trumps gebed doet denken aan de gebeden
van een menigte van zijn aanhangers
die een paar jaar geleden
de trappen van het Capitool opliepen.
De mogelijkheid van gratieverlening
staat deze mensen vanaf dag één te wachten.
Ja, misschien staat er over een paar jaar
een standbeeld van een van de ‘Oath Keepers’
– de Amerikaanse extreemrechtse anti-overheidsmilitie
en Trumpaanhangers die meededen aan de bestorming
van het Capitool van 6 januari 2021 –
op de Capitol Rotunda.
Ik herinner me dat ik die voorspelling in de dagen erna
van een journalist las dat dit misschien zou kunnen gebeuren
en ik kon het me toen niet voorstellen.
Nu kan ik het me nu wel voorstellen.

Het partijplatform is nu de liturgietafel geworden.
Onze gebeden zijn gevuld met inhoud van ideologie en theologie.
We hebben laten zien dat we gevangen zitten
in de tijdsgeest van onze tijd,
door propaganda te consumeren en te debatteren
over de ‘waarheid’ over 6 januari 2021 (het verlies van Trump)
op manieren die onze eigen capitulatie verraden,
en door een aankomende regering te rechtvaardigen
die schaduwen van autoritarisme 
met haar populisme en tech-oligarchen vooruit werpen.

Nee, we kunnen voor een Amerikaan niet bedenken
wat het betekent om christen te zijn.
Hoe kan het dat Trump – als veroordeelde crimineel –
het presidentschap op zich neemt
zonder veel van zijn ‘christelijke’ achterban te verliezen?

Waarom we ons dat niet voor kunnen stellen?
Omdat we geen aandacht hebben besteed
aan de gebeden van 6 januari.
Aan de god die ze in hun midden hebben geopenbaard,
en de militante toewijding die deze god eist.
Een god die paranoïde is,
verdeeld tussen ideologie en theologie,
wiens geest de naam ‘Jezus’ alleen draagt in een soort messiaanse nabootsing.

Hoe we deze mensen en ons geloof kunnen herwinnen?
Het begint met het serieus nemen van gebed.
Als het christelijke leven – altijd en eeuwig –
een ‘leven van het aanroepen van God’ is
– zoals de grote Zwitserse theoloog Karl Barth het verwoordde –
dan moet onze aandacht gericht zijn
op dit kleine gebed verpakt in de eed.
Misschien bidden we dit gebed zelf: ‘Zo helpe ons God.’

Waarom?
Omdat het een gevaarlijk gebed is.
We zijn vergeten: het is gevaarlijk om God aan te roepen.
Dit presidentiële gebed roept Goddelijke hulp in
om de grondwet te ‘bewaren, beschermen en verdedigen’,
maar het aanroepen van de God van het christelijk geloof
is het uitnodigen van onteigening en desillusie
met alles wat we ooit als ‘noodzakelijk’ beschouwden
en als vanzelfsprekend beschouwden,
allemaal als gevolg van de ontmoeting met de Gekruisigde.

Sommigen zien in Trump de komst van een opleving in Amerika.
Sommigen zien in Trump de beul van de democratie.
Maar het aanroepen van de naam van God in Amerika
is het radicaal vrijmaken en dus verantwoordelijk maken
voor Gods gebod van vrede en gerechtigheid.

De hervormde theoloog K.H. Miskotte,
wiens bediening plaatsvond
in het door de nazi’s bezette Amsterdam,
zag het duidelijk: deze God is een saboteur.
Het aanroepen van deze God
nodigt sabotage uit en schenkt ons een afwijkend geloof,
een geloof dat gekenmerkt wordt
door verachtelijke ontkenning
en ongeloof in alle andere aanspraken
op totaliteit en autoriteit en macht.

Er is dus een krachtige realiteit aan het werk
in dit vierwoordengebed.
Bidden tot de God en Jezus Christus
is het aanroepen en uitlokken van sabotage
van al onze plannen.
En zelfs hierin kunnen we er zeker van zijn
dat deze triomf van God voor ons bestwil is.

De Amerikaanse theoloog Walter Wink vroeg zich – met het oog op de eerste christenen – af:
‘Wat gebeurt er als de staat degenen executeert die ervoor bidden?
Net zoals de leeuwen het bloed van de heiligen
likten in het Romeinse Colosseum,
werd Caesar van zijn wapens ontdaan
en gevangen genomen in de triomftocht van Christus.’

Durven we te geloven dat zulke macht werkt
in en door een gebed dat cynici als propaganda beschouwen?

In de vernieuwing van onze gebeden
kan er in onze tijd misschien een echt christelijk verzet ontstaan.
Een verzet gegrond in belijdenis,
een getuigenis in woord en werk van de verrezen Jezus
Die leeft tegen alle messiaanse nabootsing,
die ons een Geest belooft
‘van kwaadaardigheid jegens niemand en liefdadigheid voor allen’
– zoals Abraham Lincoln erkende –
in zijn eigen inaugurele toespraak tot het Amerikaanse volk in 1864.

Mogen we blijven bidden, ‘zo helpe ons God’
zonder bang te zijn voor waar deze God ons heen leidt in vrijheid.

 

De moeite van gebed en geloof is een heel specifieke moeite.
Het is niet de moeite van het leren
van nieuwe dingen, die vraagt om oefening.
In die zin is bijvoorbeeld het leren zeilen, preken moeilijk.
Het is ook niet de moeite van de inspanning en motivatie,
die vraagt om vastberadenheid en doorzettingsvermogen.
In die zin kost, letterlijk,
bijvoorbeeld het spitten van de tuin moeite;
in figuurlijke zin geldt dat bijvoorbeeld voor een moeilijk gesprek.
Ten slotte is het ook niet de moeite van het begrijpen,
die vraagt om aanleg en om intellectuele helderheid.
In die zin kost, voor sommigen, bijvoorbeeld
de abstractie van de wiskunde moeite.
De moeite waar het hier over gaat,
de moeite van de Godsontmoeting,
is de moeite van de innerlijke ervaring,
die een mens vooral overkomt.
Het gaat hier om een ‘passieve’ moeite,
in de Griekse betekenis van het woord:
ondergaan, ervaren.
Daarin spelen de andere elementen natuurlijk wel een rol,
maar zij vormen niet de diepste betekenis.
Oefening, vastberadenheid en doorzettingsvermogen,
intellectuele verheldering:
het zal de moeite ten diepste niet wegnemen.

De moeite van deze innerlijke ervaring
heeft te maken met de ongrijpbaarheid van God,
en die ongrijpbaarheid is blijvend.
Ook de christelijk beleden genadevolle mogelijkheid
om God zélf te ontmoeten neemt haar niet weg.
Integendeel: dat verscherpt juist.
Blijkbaar is de God die ons wil ontmoeten
ook een God die onkenbaar blijft.
Karl Rahner, een Duits rooms-katholiek theoloog,
heeft hier over nagedacht en zegt dan dat God zich ‘mededeelt’ en bekendmaakt:
maar dat God altijd ook ‘onderscheiden’ en dus onbekend blijft.

Dat dubbele van God probeert Rahner te begrijpen
met de woorden ‘het heilige geheim’.
God is een geheim, in de zin dat het begrip van God
en het contact met God nooit alomvattend en volledig zijn.
Dat die God zich toch laat kennen, ja:
de mens bevestigt in de openheid voor Hem,
kan alleen maar als pure liefde beschouwd worden.
Dat is volgens Rahner het ‘heilig’ geheim’.

Maar dat laat onverlet
dat de moeite met God heel concreet voorkomt.
Ook Rahner observeert het bij tijdgenoten die proberen te bidden:

Het gebed schijnt voor de mensen van deze tijd een monoloog
of, in het beste geval, een gesprek met zichzelf,
en niet een gesprek dat men serieus
en zonder al te veel voorbehoud een tweegesprek,
een dialoog, zou kunnen noemen. (…)
Dat de persoonlijke God door ons aangesproken kan worden,
dat blijft duister; en vooral dat hij antwoordt
als hij aangesproken wordt, en niet blijft zwijgen,
dat zou in ieder geval duidelijker gemaakt moeten worden’.

Men ervaart heel duidelijk, dat God anders is dan al het andere,
anders dan de vele concrete dingen in het bestaan.
Ook Rahners eigen ervaring getuigt van moeite met God.
Hij bidt en schreeuwt tot God:

‘God van mijn leven!
Maar wat zeg ik dan, als ik u mijn God,
de God van mijn leven noem?
Zin van mijn leven?
Doel van mijn levenswegen? …
God van mijn broeders? God van mijn voorvaders? …
nooit zou ik u met één van die woorden volledig uitdrukken.
Maar waarom begin ik er dan eigenlijk aan
om met u over u te spreken?
Waarom kwelt u mij met uw oneindigheid,
als ik die toch nooit kan uitmeten? …
Heer, wat wordt mijn geest radeloos,
als ik over u met u praat!
Hoe kan ik u anders noemen dan de God van mijn leven?
Maar wat heb ik daar dan mee gezegd,
als immers toch geen naam u benoemt?’

Het kennen van God
blijkt meteen ook de ‘kwelling’ van de ervaring
dat God mijn kennen overstijgt.
Dat geldt bovendien niet alleen voor het gebed,
maar voor heel het christen-zijn.
Rahner aarzelt niet om te stellen dat christenzijn
ons brengt naar de

donkere afgrond van de woestijn,
ja zelfs: dat God die donkere afgrond is.
En die donkere afgrond wordt niet straks, ooit eens,
tot een met licht overgoten vlakte,
als we namelijk God in zijn hemelse heerlijkheid mogen aanschouwen
van aangezicht tot aangezicht.
Integendeel: dan zal de stekel van Gods onbegrijpelijkheid
pas echt duidelijk worden’.

De hemel biedt volgens hem in dezen dus geen hoop.

(dit draadje pak ik begin volgend jaar weer verder op)

 

“Hoe kan ik God ontmoeten, in concrete daden van
liturgie, gebed of in het dagelijks leven?”,
Dat is een vraag, of beter een klacht van veel mensen,
die soms leidt tot twijfel aan Gods bestaan.

Zo helder en eenvoudig soms de geloofsbelijdenis en de liturgie spreken over God,
zo onhelder en moeizaam is soms onze ervaring van God.
Het christelijke geloof voorkomt deze ervaring niet, en bevrijdt ons er ook niet van.
Geloof maakt het juist specifieker en scherper.
Hoe komt de God die in geloofsbelijdenis
zo helder omschreven en zo goed gekend lijkt, echt voor mij ten leven?
Hoe worden de woorden en de uiterlijkheden van de liturgie
en van mijn gebed – ‘Onze Vader’, Avondmaal, enzovoorts –
tot bemiddelaars van werkelijke Godsontmoeting?

Of deze uitspraken in de precieze zin van het woord
vragen zijn, is niet zo zeker.
Mocht er een rationeel antwoord op te geven zijn,
dan blijkt namelijk dat dit niet afdoende is.
Dit soort uitspraken lijkt daarom eerder de rationele verwoording
van wat ten diepste innerlijke ervaring is.
Zoals de vraag van een doodzieke mens ‘waarom geeft God dit mij?’
meer een klacht dan een vraag is,
of zoals de psalmist meer klaagt dan vraagt
‘waarom hebt Gij onze omheining verwoest?’ (Psalm 80).
Dit zijn uitspraken, gesteld in de vraagvorm,
die een ervaring uitdrukken:
zo gemakkelijk als het is om de geloofsbelijdenis op te zeggen
en een gebed of liturgie te ‘doen’,
zo moeizaam is liturgie vieren
en God beleven met heel ons hart en wezen.

‘En toch…’.
Wat is de moeite tussen het gebed en het geloven?
Wat voor moeite is het eigenlijk?
Hoe verhouden zich moeite en Gods nabijheid?
Hoe moeten we de ervaring van moeite hanteren?
‘En toch’.
Want dat er vragen zijn, en blijven, sluit geloven niet uit;
eerder past het bij geloven.
en dat moeite ervaren wordt, en ervaren blijft worden,
sluit de nabijheid van God niet uit;
eerder past het daarbij.
Het verstandigste om te doen is:
je overgeven en volhouden.

 

Ik ga verder met de checklist voor Bijbellezen:

gelovig
– Heb ik me bedacht dat de Bijbel een geloofsboek is?
Bijbellezen is ‘anders’ dan gewoon lezen.
De Bijbel zegt van zichzelf dat het een levend en krachtig Woord is,
dat jouw leven wil aanraken en beïnvloeden.
Verwacht je dat ook, als je de Bijbel openslaat?
Sta je daarvoor open?
Ben je op zoek naar concrete en relevante woorden voor jouw leven?
Dat de Bijbel een geloofsboek is, wil vooral zeggen
dat het een Boek is dat eerst en vooral gericht is
op de ontmoeting met de Levende Heer!

– Heb ik gebeden om Gods Geest?
De Heilige Geest raakte mensen aan,
waardoor zij de teksten schreven
die later onze Bijbel zijn gaan vormen.
Maar de Heilige Geest is nét zo belangrijk
bij het lezen en overdenken
en bestuderen van de Bijbel!
Hij is de Tolk
die jou wil bijstaan
bij het lezen van de Bijbel.
Vraag Hem om zijn nabijheid!

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’