Ik ga verder met de checklist voor Bijbellezen:

gelovig
– Heb ik me bedacht dat de Bijbel een geloofsboek is?
Bijbellezen is ‘anders’ dan gewoon lezen.
De Bijbel zegt van zichzelf dat het een levend en krachtig Woord is,
dat jouw leven wil aanraken en beïnvloeden.
Verwacht je dat ook, als je de Bijbel openslaat?
Sta je daarvoor open?
Ben je op zoek naar concrete en relevante woorden voor jouw leven?
Dat de Bijbel een geloofsboek is, wil vooral zeggen
dat het een Boek is dat eerst en vooral gericht is
op de ontmoeting met de Levende Heer!

– Heb ik gebeden om Gods Geest?
De Heilige Geest raakte mensen aan,
waardoor zij de teksten schreven
die later onze Bijbel zijn gaan vormen.
Maar de Heilige Geest is nét zo belangrijk
bij het lezen en overdenken
en bestuderen van de Bijbel!
Hij is de Tolk
die jou wil bijstaan
bij het lezen van de Bijbel.
Vraag Hem om zijn nabijheid!

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

naar aanleiding van Kolossenzen 4:2-6

Paulus roept de gemeente te Kolosse op om volharden in het gebed.
Hij vraagt ook voorbede voor zichzelf,
of dat God deuren wil openen voor het Woord.
Blijf volhouden met bidden is belangrijk;
al te snel schiet het gebed erbij in.
Leven met de Heer kan echter niet zonder gebed.
En in dat gebed moet er ook ruimte zijn voor dankzegging,
schrijft Paulus,
anders lopen we het gevaar met verlanglijstjes bezig te zijn.
Ook worden we geroepen wijs om te gaan met de mensen om ons heen,
voorzichtig en op het juiste moment met de goede woorden.

Gebed en dankzegging.
Als de dank ontbreekt, mist er iets wezenlijks.
Dank richt zich op God. Op wat Hij schenkt.
Zijn grootste geschenk: Jezus Christus.

Die mensen in Kolosse waren niet zo lang christen.
Net de Alpha cursus afgerond en net gedoopt.
Paulus schrijft een brief. Hij is de gevorderde christen.
Dé apostel.
En toch deze grote Paulus vraagt hulp. We zijn hulpeloze mensen.
Aangewezen op God en op medegelovigen. We zijn aan elkaar gegeven.
Dat vind ik bijzonder aan de christelijke gemeente.
Er is geen hoger of lager.
Als we wel zo naar elkaar kijken, is het helemaal scheef.
Misschien beweeg je je op de voorgrond,
of je schuift achteraan aan. Maar principieel zijn we één.
Eén in de Heer. Allemaal aangewezen op Hem.
Welke plek je in het leven je hebt:
hoe veel geld je ook verdiend, hoe vitaal ook.
Allemaal aangewezen op Christus.

Paulus had dat geleerd.
Ik ben niet meer dan de christenen in Kolosse.
In hoofdstuk 1 dankt hij voor hen. Nu vraagt hij gebed.
Waarvoor? In vers 3 staat: dat God de deur van het Woord opent.
Je kunt ook vertalen:
dat God voor ons de deur voor het Woord opent.
Paulus opent de deur,
maar de deur van hun leven moet ook open gaan.
Dat gebeurt niet automatisch. Dat wist Paulus als geen ander.
Hij vraagt gebed.
Als ik de woorden breng, luisteren ze niet vanzelf.
Ze geven zich niet vanzelf over.
Ik denk dat wij dat dit herkenbaar is.
Als de woorden van God klinken,
als je ze leest, komen die woorden niet automatisch in je hart?                 

Zelfs als je je best doet, kan er van alles mis gaan.
Misschien realiseer je dat je 5 minuten
aan iets anders hebt zitten denken.
Afgeleid worden, weerstand, luisterhouding?
Je kunt naar de kerk gaan en met andere dingen bezig zijn.
Daarom is er gebed nodig, zegt Paulus.
Ook zegt hij nog iets over hoe je kan omgaan
met die mensen die je tegenkomt,
mensen buiten de gemeente.
Vers 5 en 6. Misschien niet zo spectaculair.
Daar staat dat je in wijsheid met elkaar moet omgaan.
Goede moment kiezen.
Woorden spreken die verbinden.
Niet heel spannend, maar daarom niet minder waar!
Buit de geschikte tijd uit.
Paulus gebruikt het beeld van een marktkoopman.
Die weet het moment om naar voren te treden.
Inspelen op de behoeften van de klant.
Het gaat om het goede moment. Soms in wijsheid je mond houden.

Want woorden doen ertoe!
Ze kunnen gemeenschap maar ook verwijdering geven.
Hoe je benaderd wordt, maakt heel veel uit.
Het doet er toe hoe je mailt, appt, praat.
Luisteren, je verdiepen in de ander, nadenken.
Zorgvuldig met onze woorden zijn.
En nee, Paulus leert geen maniertje. Geen stappenplan voor succes.
In Kolossenzen wordt hoog opgegeven van Jezus Christus.
Zijn macht en wijsheid.
Het gaat om het geheim van Christus.
Wij kunnen alleen van betekenis zijn
als we dicht bij Christus leven.
‘Blijf in Mij!’ zegt Hij ‘Zonder Mij kan je niets doen.’

Onlangs hoorde ik van het nieuws dat een onderwijzer uit – ik meen –  Iran een robot in elkaar had geknutseld die de leerlingen van de school moest helpen met bidden. En door die robot moest het voor hen ook leuker worden om te bidden. Voor alle duidelijkheid, het gaat hier om een islamitische leraar en islamitische kinderen. Zoals veel mensen wel weten wordt er in de islam veel geknield gebeden en gaat deze buiging ook, volgens sommigen, samen met bepaalde voorschriften. Dus om het zijn leerlingen duidelijk te maken hoe het een en ander gaat had die meester dus een bidrobot gemaakt.bidrobot

Maar voordat wij christenen nu misschien proestend in lachen uitbarsten, ga eens bij je zelf na hoe vaak en hoe veel je zelf mechanisch, voorgeprogrammeerd bid en hoe het vaak voorkomt dat we ‘snel nog even bidden’ voordat we hurry-up weer doorrennen, op naar de volgende afspraak? Hoe vaak nemen we nog echt tijd voor een goed gesprek met God of zonderen we ons af voor stille tijd met je Vader die graag contact met je wil hebben?

Zijn we soms zelf ook geen ‘christelijke’ bidrobots?

In het kader van de Maand van de Spiritualiteit 2014 schreef Arie Boomsma een essay met de titel ‘Troost’. in pakweg zestig bladzijden neemt Boomsma ons mee in zijn mijmeringen over zijn omgaan met het begrip troost. Wij mogen hem vergezellen op zijn zoektocht naar ‘troost’ in zijn eigen levensgeschiedenis. Hij begint en eindigt zijn essay met het schetsen van het beeld dat wanneer hij als kleuter is gevallen op het schoolplein en daar een hoofdwond oploopt, dat hij dan uiteindelijk troost vindt in de armen van zijn moeder. Boomsma TroostTroost is volgens hem afhankelijk zijn van de nabijheid van een ander. Nadat Boomsma in zijn essay verscheidene episodes uit zijn leven met ons heeft gedeeld waarin hij troost ervaart komt hij ten langste leste aan bij het onderwerp ‘troost vinden in het geloof’. Stoer zegt hij eerst dat hij ‘geloof dat troost biedt’ bij anderen wel ziet, maar dat hij het zelf niet begrijpt. Toch getuigd Boomsma van een dieper inzicht in troost als hij hij verteld dat bidden hem een soort van troost kan geven. Hij kan als zijn sores leggen aan de voeten van God, Als een vertrouwelijk gesprek met een vriend die een en al oor is voor wat je verteld over de zaken die je bezighouden. Aan het eind van het essay vergelijkt Boomsma de troost die hij bij God vindt met de troost die hij als kind bij zijn ouders vond. ‘Bij hen was ik veilig,zij beschermden mij tegen de buitenwereld, begrepen alles, wisten onnoemelijk veel en namen mijn pijn weg als het nodig was’ schrijft Boomsma dan. Tegelijkertijd schrikt het hem als moderne autonome mens af, die afhankelijk. Het staat haaks op wie hij is en hoe hij is.

Toch komt Boomsma aan het eind van dit kwetsbare essay tot de conclusie: aan alle troost die ik nu ervaar ligt die afhankelijkheid ten grondslag van de troostende armen van zijn moeder. Toen stopte het huilen en verdween de pijn.

Het nieuwe jaar is al weer een goede week oud. Nog steeds wordt je met reclames bestookt om de overbodige pondjes van de afgelopen feestdagen er af te trainen met een voordelig sportschoolabonnement. Meer bewegen, dat is het devies. Dat zou je natuurlijk ook op andere manieren kunnen doen. Te denken valt aan om in je vrije tijd meer te wandelen en misschien dus ook meer de natuur in te gaan. En wat daar misschien bij hoort is goede kleding en schoeisel. Als je in een sportzaak rondloopt zie je daar ook vaak verschillende soorten goede schoenen. Geschikt voor de wandelsport want goed voorbereid op pad gaan is het halve werk. Zo geldt dat ook voor de reis van je leven, de wandeltocht met jouw Heer.Efeze 6 Pray In de Bijbel wordt die ook wel eens vergeleken met een gevecht. Je moet immers opboksen tegen wat je afhoudt van je eindbestemming. In Efeziërs 6: 13-18 wordt een je een complete kledinglijn aangereikt die je aan moet trekken op die tocht, in die strijd. Geen overbodige adviezen! En bovenal: bid in de Geest, niet gedachteloos, maar bid bezield en levend! Waakzaam voor de gevaren op de weg, want leven met God is ook een strijd.

In veel gemeentes is de laatste tijd ruime aandacht besteed aan het gebed vanwege het 50-dagenproject tussen Pasen en Pinksteren. Vijftig dagen hebben we gezien hoe belangrijk het is om de relatie tussen jou en God open en levend te houden, juist door het gebed. We krijgen zelfs de opdracht om zo vaak we kunnen te bidden tot God, het communicatiemiddel bij uitstek tussen jou en je Vader. En dat gaat niet altijd van een leien dakje. Het gaat vaak met vallen en opstaan. We zijn meestal geen helden en zeker geen gebedshelden. Maar het mooie is dat God ook weet dat we soms snel afhaken en dat we het niet zo hebben op allemaal regeltjes, dat Hij die wet – lees liever: de bewegwijzering naar Zijn koninkrijk – heeft geschreven in ons hart.

De titel van deze column uit Jeremia 31,33 zegt dat onomwonden. Het is niet iets dat vanbuiten ons opgelegd wordt maar iets dat vanbinnen uit onszelf komt. Dat we echt uit onszelf een volgeling, een discipel Jezus Christus willen worden. Het gaat niet alleen om het weten wat discipelschap inhoudt, maar dat je daadwerkelijk een discipel bent. En alleen in dat laatste is God geïnteresseerd. En gelukkig is dat niet iets wat alleen maar uit onszelf hoeft te komen, want de discipline die het discipelschap vereist kunnen we nooit in ons eentje opbrengen. En daarbij is het gebed een noodzakelijk middel om in contact te blijven met God. biddenDietrich Bonhoeffer zegt dan dat gebed is als het bloed dat stroomt door de aderen van het lichaam van Christus, symbool voor de kerk. Als je met geloof luistert en contact met Hem zoekt door het gebed, als je je ervan bewust bent dat Hij het is, Christus, die spreekt, dan is het niet mogelijk om zijn woorden niet in de praktijk te brengen. Als het geloof zou stoppen voordat het in de praktijk wordt gebracht, dan kun je niet meer van geloof spreken.Want hoe kunnen we dan in deze tijd over Christus spreken? Bonhoeffers antwoord luidt: door ons leven. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij aan zijn petekind, dat hij nooit gezien heeft, de toekomst beschrijft: ‘De dag komt waarop het niet meer mogelijk zal zijn om openlijk over God te praten. Maar wij zullen bidden, we zullen doen wat juist is en Gods tijd zal komen.’

Maar nogmaals, het lijkt allemaal zo prachtig, misschien zelfs vanzelfsprekend om te doen, maar dan worden we weer in beslag genomen door de alledaagse dingen. Daarom staat er in Efeziërs 6,10 ‘Zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht.’ Dat is iets wat we ons elke dag moeten blijven herinneren, iets wat ons gebedsleven moet kleuren. Want zelfs als de wet van God in ons binnenste is geschreven, dan nog wordt zij pas actief wanneer we het niet proberen uit onszelf, uit onze eigen kracht, maar door de kracht van de Heer!

Kunstenaar Johan van der Dong heeft bij wijze van kunstproject een tijdje geleden een telefoonlijn geopend waar mensen voicemails kunnen inspreken voor God. Hij laat weten dat zijn kunstproject ‘Gods Hotline’ in korte tijd telefoontjes heeft gekregen uit de hele wereld. God kan overal en altijd bereikbaar zijn, vindt Van der Dong. Deze gedachte maakte hij tastbaar met een hotline. Inmiddels heeft heeft hij het project afgerond.

Op innovatieve nieuwe wijze gebruikmaken van ‘nieuwe’ media als modern alternatief voor het gebed?