Misschien hebben we iets van houvast aan hoe het Paulus vergaat op Malta.
Hij spoelt daar letterlijk aan op een stuk wrakhout.
Zijn bagage, het hele schip waar hij op reisde, het bleef achter op zee.
En daar is hij dan. Op Malta.
Zonder bezittingen, te midden van andere drenkelingen.
Kwetsbaar, afhankelijk, op onbekend terrein.
Hij is nog maar nauwelijks aan land of hij wordt gemeen gebeten door een gifslang.
En de lokale bevolking denkt dat hij een slecht mens is.
Iemand die ternauwernood aan de zee is ontsnapt
en dan door een giftige slang gebeten wordt.
Zo iemand zijn de goden niet goed gezind.
Het moet hem een miserabel gevoel gegeven hebben.
Hij werd op het schip als gevangene
natuurlijk al nauwelijks serieus genomen.
En nu op Malta, pijnlijk gebeten, is er een tijd lang het isolement.
Eerst maar eens afwachten wat voor vlees we in de kuip hebben.
Het zal ook iets met Paulus gedaan hebben.
De slangenbeet, de argwaan, de afstand.
En wat doe je dan, aangespoeld op Malta.
Bezeerd. Beschadigd. Aangeslagen.

Het eerste wat we Paulus zien doen is doen wat zijn hand vindt om te doen.
En dat is in dit geval: houtsprokkelen.
We lezen: “de plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk:
ze verwelkomden ons en staken een vuur aan
omdat het was gaan regenen en koud was.
Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur.”
Een mooie nuchtere, praktische opstelling is dit.
Hij verliest zichzelf niet in gepieker, gesomber.
Nee het is koud, het is nat.
Er brandt al een vuurtje, dus handen uit de mouwen en hout sprokkelen.
Je dienstbaar opstellen, kijken wat er gaande is
en zien waar je iets kunt bijdragen, iets kunt betekenen.

We lezen nog even verder.
“Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur,
door de hitte kwam er een gifslang uit kruipen,
die zich in zijn hand vastbeet.
Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd.”
Je kunt dit lezen als:
die Paulus hé, het zit hem ook niet mee? Wat een pechvogel.
Ternauwernood aan de dood ontsnapt en nu dit.
En de manier waarop anderen hem hierin framen
zal hem niet geholpen hebben.
Maar in plaats van dat dit hem uit zijn evenwicht brengt
en het onder zijn huid zijn huid gaat zitten
en hij meegaat in het beeld dat anderen van hem creëren,
schudt hij de giftige slang resoluut van zich af.
En uit het verdere verloop blijkt dat hij dat ook mentaal doet.

Dat afschudden is iets dat bij een leven als christen hoort.
Jezus doet ons dat voor.
Hij schudt de slang van zich af en zegt:
‘Ga weg achter mij Satan!’
Hij staat daarmee in de traditie van de psalmisten
die giftige stemmen buiten zichzelf en in zichzelf aanspreken:
‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven,
mijn God, die mij ziet en redt.'(psalm 42).
‘HEER, hoe talrijk zijn mijn belagers, velen vallen mij aan, velen zeggen van mij:
‘God zal hem niet redden.’
U, HEER, bent een schild om mij heen,
U bent mijn eer, U houdt mij staande.’ (psalm 3)

Paulus leeft in deze zelfde traditie.
Je proeft dat in zijn brieven, bijvoorbeeld in 2 Korintiërs 4:
‘We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw.
We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld.
We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten.
We worden geveld, maar gaan niet te gronde.
We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee,
opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt.’

En hier op Malta blijkt dat dit niet zomaar loze woorden zijn,
maar blijkt Paulus hier ook echt in te wortelen en te wandelen.
Het geeft hem in uitermate belabberde omstandigheden
iets van incasseringsvermogen, veerkracht en koersvastheid.

 

In zijn boek ‘Onder de wonderboom’ verkent theoloog Eugene Peterson
de kloof die er vaak is tussen onze fraaie idealen en de weerbarstige realiteit.
Het boek gaat over Jona die we aantreffen tussen Tarsis en Nineve.
Tarsis is waar hij zelf in wil wegvluchten, een soort droombeeld,
een door hem zelf gecreëerde ideale situatie.
Nineve staat voor de weerbarstige werkelijkheid van zijn feitelijke werkplek.
Volgens Peterson bevindt ieder mens zich in deze spanning
tussen Tarsis en Nineve, tussen droom en realiteit.
En het evangelie speelt zich niet af op de laag van ideeën en idealen.
Het is nadrukkelijk geografisch.
Het gebeurt op specifieke, concrete plaatsen:
Hebron, Machpela, Sinaï, Nazareth, Samaria, Galilea.
En altijd weer is er in verschillende gedaanten de verleiding
van wat we ook wel gnostiek noemen.
Een manier van denken die zich afkeert van de beperkingen van plaats en tijd
en weinig op heeft met de rotzooi en wanorde van het dagelijks leven.
Het richt zich op verheven ideeën, op hoger en dieper.
Op het bijzondere in plaats van het alledaagse, op ingewijden en geestelijke virtuozen
in plaats van op dwarse, eigenwijze en ploeterende medemensen.

Ik las laatst in de biografie ‘a burning in my bones’
hoe Eugene Peterson zelf zich een leven lang heeft verzet
tegen dit wegvluchten uit de weerbarstige realiteit
naar ‘meer uitdaging’ of ‘grotere mogelijkheden’.
Hij diende als pastor maar liefst 29 jaar
Christ Our King Presbyterian Church in Bel Air, Maryland,
een dorpje met niet meer dan 10.000 inwoners,
hoewel hij van tijd tot tijd in de verleiding kwam
om er weg te trekken en ook wel solliciteerde naar een functie elders.
Peterson is in zijn biografie pijnlijk eerlijk
over wat het van hem heeft gevraagd om te blijven.
Over hoezeer hij daar soms tijdenlang in tekort schoot.
Maar ook hoe hij juist zo leerde wat Jezus volgen betekent.

‘Life is What Happens To You While You’re Busy Making Other Plans.’
Een uitspraak die ook van toepassing is op Paulus in Handelingen 27 en 28.
Hij is bezig met zijn reis naar Rome
en wordt onderweg keer op keer bevestigd in deze bestemming
en het hogere doel daarvan.
Maar dan is daar een heftige storm en een schipbreuk
en spoelt hij letterlijk aan op het eiland Malta.
Malta was op geen enkele manier deel van zijn reisplan.
Je zou kunnen zeggen: een rare, onbedoelde afslag.
Malta was zeg maar plan B, een zijspoor.

Ik denk dat heel wat mensen dat gevoel hebben bij hun leven.
Je stapte samen in het huwelijksbootje en vormde een gezin
maar ergens onderweg strandde dat bootje en brak het in stukken.
En sindsdien leef je verder op een ander spoor, plan B zeg maar.
Je verloor onderweg een dierbare aan de dood of aan het leven
en sindsdien voel je je geamputeerd
en je leeft wel verder maar met een gat in je hart.
Verlies van je gezondheid, je bedrijf, je goede naam,
het kan je het gevoel geven dat je op een zijspoor bent beland.
En wat kun je nog verwachten van een leven op plan B?
Ging met alles wat je bent kwijtgeraakt, niet ook je levensbestemming overboord?
En is er op dit zijspoor ook iets te vinden van God?
Beweegt Hij mee van plan A naar plan B?

 

In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag:
kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed?
En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt.
Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt.
Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel.
Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen.
En je belandt al te snel in een ratrace.

En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst.
Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt.
De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren.
Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit.
Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.

We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen.
Op ons onvermogen om echt te veranderen.
We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn.
Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt.
Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.

En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren.
Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.

Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit.
Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg
hangt de Jezus Christus de Gekruisigde,
licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid.
De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder.
Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het.
Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door.
Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding.
Van een ander, nieuw bestaan.
Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.

Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde
vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels.
Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid:
maat weten te houden.
En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen).
Denk aan het gebed in Filippenzen 1
om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’.
Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7:
‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’
In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is.   Niet teveel, niet te weinig.
Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.

Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven
en met Hem opstaan in een nieuw leven.
Onszelf oefenen in omdenken.

 

Laatst zat ik de lezen in een recente publicatie van paus Franciscus,

de encycliek ‘Laudato Si‘.

Wat moet een protestantse dominee nu met een pauselijke encycliek?

Ervan leren natuurlijk!

Dit boekje gaat namelijk niet over een punt

waar protestanten en katholieken veel verschillen.

Het gaat over de vraag hoe we met het milieu moeten omgaan.

Daar zegt de paus heel wijze dingen over.

Heel praktische dingen ook:

ik wilde zojuist de verwarming een tik geven

omdat ik het een beetje koud vond in huis,

maar op pauselijk advies

trok ik eerst maar eens een warm hemd aan…

Het mooie is dat paus Franciscus niet alleen de dingen zegt

waar iedereen het mee eens is,

zoals het belang van natuurbescherming

en het tegengaan van verspilling.

Hij peilt ook dieper.

Zo spreekt hij over de westerse landen (wij dus!)

die veel te veel energie en grondstoffen gebruiken.

Dan zegt hij niet alleen dat dat fout is,

hij wijst een onderliggende oorzaak aan.

Want, zo schrijft hij:

‘Hoe leger het hart van een persoon is,

des te meer behoefte heeft hij aan kopen, bezitten en consumeren’.

Met andere woorden, onder de milieuproblemen zit een moreel probleem.

Daarom zijn ze ten diepste niet op te lossen

met afspraken of nieuwe technologie.

Wat nodig is, is een heroriëntatie van onze maatschappij.

Een ‘vulling van het hart’!

Hoe je dat vind?

Hoe vul je het gat in je hart dat niet blijvend bevredigd wordt

door te shoppen of verre reizen te maken?

Alleen liefde vult een leeg hart.

Alleen liefde maakt een mens tevreden met minder.

En daarom zegt de paus zeer terecht:

onze maatschappij heeft het nodig te horen van die Ene,

die ons liefheeft als een vader.

Hij is te vinden!

Hij maakte deze mooie wereld,

Hij maakte ieder mens en vindt ook u van waarde.

Wie Hem kent heeft de diepste vrede.

Rust dan niet tot u Hem gevonden hebt.

 

De Kroatische theoloog Miroslav Volf

vertelt ergens het volgende, waargebeurde verhaal.

Toen hij klein was, paste zijn oude tante Milica vaak op hem.

Milica was zijn lievelingstante.

Altijd deed ze leuke dingen met hem en ze liet hem nooit alleen spelen

terwijl zij iets anders ging doen.

Na zijn ouders hield Miroslav het meest van haar.

Bij haar voelde hij zich veilig,

en hij kom merken dat ze ook graag voor hem zorgde.

Toch was er iets dat Miroslav niet wist.

Tante Milica was verantwoordelijk voor de dood

van zijn oudere broertje Daniël,

dat maar vijf jaar was geworden.

Hij hoorde dat pas na haar dood van zijn ouders,

toen hij zelf al een student was.

Wat was er gebeurd?

Tante Milica moest eens passen op Daniël

en de kleine Miroslav,

die toen nog nauwelijks meer was dan een baby.

Maar ze lette niet goed op.

Daniël, de oudste, sloop de poort uit om te gaan kijken

bij de soldaten in de kazerne naast het huis.

Dat vond hij enorm interessant.

En de soldaten vonden hem ook leuk.

Eén van de soldaten liet hem een eindje meerijden

op een paardenkar waarmee ze brood vervoerden.

Toen gebeurde het vreselijke:

Daniël viel van de kar, werd overreden en stierf.

Zijn ouders waren bijna gebroken van verdriet.

Maar ze joegen tante Milica niet boos weg uit hun leven.

Nee, toen ze na een paar maanden hun leven weer oppakten

en een oppas nodig hadden, vroegen ze… Milica.

Ze werd de meest toegewijde oppas die er maar te bedenken is.

De ouders pasten wel op dat Miroslav

nooit iets meekreeg wat zijn lievelingstante meedroeg.

Hoe konden die ouders deze keuze maken?

Alleen omdat ze iets wisten

van de nieuwe kansen die God ons allen geeft.

Hun keuze laat iets van Jezus zien in deze wereld:

niet boosheid en schuld, maar liefde verspreidde zich.

Zo zijn zij heiligen, al staan ze in geen enkele almanak.

Moge God ons ook maken tot mensen

die iets van zijn liefde tonen in deze wereld!

 

 

Maar er is nog een reden om in elke preek

het hele verhaal van het evangelie te vertellen.

Als predikant moet je er volgens mij altijd van uitgaan

dat er ook ongelovigen in de kerk zitten.

Dat kunnen buitenkerkelijken zijn,

die om wat voor reden dan ook voor het eerst een kerkdienst meemaken.

Het kunnen ook kerkleden zijn die hun leven lang al elke week preken horen,

maar toch nog nooit echt tot geloof gekomen zijn.

Ze hebben het evangelie wel gehoord.

Maar het heeft ze nog nooit echt geraakt.

Ze hebben het nog nooit echt begrepen.

Of ze hebben het nog nooit van harte aangenomen.

Bovendien zijn we allemaal sterfelijke mensen.

Je weet nooit wie van de aanwezige kerkgangers

bij de volgende kerkdienst nog in leven is.

En anders kan er iemand zijn die simpelweg afhaakt

en de volgende keer niet meer komt.

En dan heb ik het nog niets een gehad over de reële mogelijkheid

dat Jezus vandaag of morgen terugkomt

en de genadetijd voor iedereen voorbij is.

Hoe dan ook,

elke preek kan voor één of meer aanwezigen niet alleen de eerste,

maar ook de laatste preek zijn die hij in zijn leven te horen krijgt.

Alleen om die reden al mag je als predikant volgens mij

geen kans voorbij laten gaan om de aanwezigen op te roepen,

nee te bevelen, om zich te bekeren!

Elke preek moet de luisteraar naar huis laten gaan met de wetenschap:

ik moet me nú bekeren. Nu meteen.

Want als ik nog heel even wacht, kan het te laat zijn.

Bovendien is dit in elke preek terugkerend bevel tot bekering

ook heel belangrijk voor hen die wel tot de ware gelovigen behoren.

Want ook als opnieuw geboren christen,

moet je je elke dag opnieuw bekeren.

Bovendien is het belangrijk

dat je jezelf regelmatig onderzoekt of je wel echt een kind van God bent.

Zeker, je mag erop vertrouwen dat je dat bent.

Je mag onbekommerd Gods beloften geloven.

Maar dat mag nooit iets vanzelfsprekends worden.

Want juist dan is de kans groot dat je geloof verdort

en uiteindelijk toch geen echt geloof blijkt de zijn.

Het steeds opnieuw gehoor geven aan de oproep tot bekering

is juist het middel dat Gods Geest wil gebruiken

om de ware gelovigen tot het eind tot te laten volharden

in hun geloof en voor afval te bewaren.

Ik besef dat dit soort preken decennialang juist werd afgekeurd.

Als predikant moest je er juist van uitgaan

dat er alleen echte gelovigen in de kerk zaten.

Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken

dat dit geleid heeft tot een klimaat

waarin eenzijdig het verstand werd aangesproken,

ten koste van het gevoel,

en waarbij het geweten van de mensen onterecht werd gesust

met het idee dat het allemaal wel goed zat.

Kerkgangers werden niet of nauwelijks opgeroepen

zichzelf te onderzoeken óf ze wel echt kinderen van God waren.

Nee, hun werd simpelweg verteld dát ze dat waren.

Zo’n klimaat biedt volgens mij een ideale voedingsbodem

voor luie, oppervlakkige christenen

met weinig besef van de ernst van de zonde

en de diepte van Gods genade.

Daar plukken we nu de wrange vruchten van.

Velen zijn op zoek naar meer bezieling

en meer beleving in het geloof.

Maar in plaats van het te zoeken in de rijke traditie

zoeken ze het in een armoedig surrogaat.

 

‘Hodie Mihi, Cras Tibi’, vandaag ik, morgen gij.

Deze tekst zie je nog wel eens op rouwborden in oude kerken of boven begraafplaatsen.

De mens wordt er aan herinnerd dat de dood niemand uitsluit.

Ook in tijden van crises zijn we uiteindelijk aan elkaar gelijk.

In haar boekje Crisis! uit 2022 schrijft Beatrice de Graaf

over de noodzaak tot een nieuwe vorm van crisisbeheersing.

‘In de eeuwen vóór de moderne tijd werd het crisisverhaal wel verteld

aan de hand van de metafoor van de “de dodendans”.

Jong en oud, arm en rijk is met elkaar verbonden

in een dodendans, want sterven gaan we allemaal.

En vanwege die gezamenlijke lotsbestemming

is het zaak elkaar bij de hand te houden.

De dans was een “memento mori”,

zorg dat je tijdens je leven eerzaam, eerlijk en oprecht leeft.

Dat je aalmoezen geeft, en omziet naar elkaar.

Want in een dodenhemd is iedereen gelijk. (…)

destijds wisten burgers wel dat er niets anders op zat

dan om met het onheil te leren leven. (…)

de dodendans moest gedanst worden.

Die voormoderne burgers wist eveneens allang

dat rampen nooit alleen kwamen. (…)

heldere simpele uitwegen uit de crisis waren en zijn er niet.

Er ziekt altijd wel iets door. Of breekt weer uit.’

De maakbaarheid van de mens en het menselijk leven

blijkt steeds weer duidelijk begrenst en/of maakt niet gelukkig.

Laatst las ik een artikel over een man die koste wat het kost

zolang mogelijk wil doorleven en het ultieme doel was eigenlijk eeuwig leven.

Gevolg wel was dat hij om die reden

invloeden van buitenaf zo veel mogelijk tegen te gaan,

geen tot extreem weinig contact heeft met de buitenwereld.

Hij is extreem eenzaam, maar alles voor het ultieme doel: eeuwig leven.

Maar eigenlijk heeft hij géén leven.

Aanvaarding van je lot maakt je – mijns inziens – tot een beter mens.

En ja, als christen geloof ik een een beter leven na dit leven,

namelijk het eeuwig leven in Gods koninkrijk.

 

U hebt misschien wel eens uitspraken gehoord als de volgende:
de rijkste 10% van de wereldbevolking bezit 90%,
en de armste 90% bezit 10% van de welvaart.
Als je daar even over denkt, is dat natuurlijk krom,
het voelt oneerlijk.
Onlangs echter was het volgende in het nieuws:
‘de 62 rijkste mensen ter wereld bezitten samen
evenveel als de armste helft van de wereldbevolking’.
Verbijsterend bericht!
Ik heb het eens goed gecheckt, en het klopt echt.
62 mensen die samen even rijk zijn als 3,5 miljard anderen.
Ofwel: de eigenaars van de helft van de wereldrijkdom passen samen in één bus;
of misschien toepasselijker: één bescheiden vliegtuig.
Zegt dit meer over hun rijkdom,
of over de armoede waar miljarden in leven?
Tegelijk is denk ik dan:
wat moet je ermee, behalve je hoofd schudden in verbazing?
Je kunt natuurlijk wijzen op grote zaken
zoals de structuur van de wereldeconomie,
of de belastingontduikende trucs van de grootste bedrijven.
Zeker waar!
Alleen: zo blijft het ver bij ons vandaan.
Immers, ik schat in dat géén van mijn lezers
bij het kleine groepje superrijken hoort,
en gelukkig ook niet bij die grote groep van zeer armen.
Kunnen wij iets doen?
Ja en nee.
Nee, U en ik kunnen de wereldproblemen niet oplossen.
Maar, – Ja – we kunnen wel zoeken hoe wij kunnen delen van wat we hebben.
Daar hoef je niet superrijk voor te zijn.
Wie twee tientjes per maand kan missen,
kan een kind in Bangladesh een schoolopleiding geven,
ik noem maar wat.
Eén van de rijkste mensen ter wereld is Bill Gates,
de oprichter van Microsoft.
Hij heeft plechtig beloofd
om vrijwel zijn hele miljardenvermogen weg te geven bij zijn leven.
Wordt hij daar arm van?
Nee, hij zal vast wel wat miljoenen overhouden,
al heeft hij nu miljarden.
Maar ook in een ander opzicht wordt hij niet armer.
Delen maakt rijker dan bijeenharken!
Daarom, ook voor ons:
zorg dat je zó rijk wordt!
Een rijkdom die niet in geld is uit te drukken.

 

Religie wordt over het algemeen gezien als iets inherent gewelddadigs
omdat het gebaseerd zou zijn
op irrationele overtuigingen,
terwijl secularisme wordt voorgesteld
als een rationele manier om meningsverschillen te organiseren.
Is religie nu dus echt de bron van geweld?
Ach, U kent wellicht Arjan Lubach wel.
Hij had eens iets bedacht op dit vlak:
de heilige boeken-legger.
Deze boekenlegger zou wat hem betreft
verplicht als bijsluiter bij elk heilig boek gevoegd moeten worden.
Erop staat een eenvoudig stroomschemaatje:
‘ik wil iets doen uit naam van mijn geloof’
→ ‘beïnvloed ik er levens van anderen mee?’
→ ‘gaan die anderen akkoord?’
De laatste vraag is cruciaal.
Alleen als het antwoord bevestigend is,
geeft de boekenlegger groen licht om tot actie over te gaan.
Als iedereen de stappen op zijn boekenlegger maar volgt,
is religieus gemotiveerd geweld volgens Lubach zó de wereld uit!
Over deze boekenlegger zijn heel wat vragen te stellen.
Bijvoorbeeld: kan ik volgens Lubachs richtlijnen
mijn kinderen nog wel christelijk opvoeden?
Het lijkt me dat die keuze van mij grote invloed op hen heeft.
En waarom deze vragen alleen stellen aan religies
– niet bijvoorbeeld aan een ideologie als het liberalisme?
Wat mij echter meteen inviel is dit:
christenen hebben zo’n bijsluiter helemaal niet nodig.
In de Bijbel is zo’n bijsluiter allang gegeven door Jezus zelf!
Hij zegt namelijk ergens het volgende:
‘behandel anderen dus steeds zoals jij zou willen dat ze jullie behandelen.
Dat is de Wet en de Profeten.’
Deze woorden komen uit zijn zogenaamde Bergrede,
de grondwet voor al zijn volgelingen.
Dit is volgens Jezus dus waar het op neerkomt in de Wet en de Profeten
– de heilige boeken van zijn tijd.
Heb je dan nog een boekenlegger nodig van Arjan Lubach?
En natuurlijk, er zijn genoeg voorbeelden te noemen
waar christenen akelige dingen hebben gedaan
uit naam van hun geloof.
Maar doe nu niet alsof iedereen die de Bijbel leest
een potentiële terrorist is die vermaand moet worden met een boekenlegger!
Ik geloof dat de woorden,
en nog meer het voorbeeld van Jezus,
een stuk méér helpen tegen terreur en intolerantie
dan zo’n stukje karton…

 

‘Van krantenjongen tot miljonair’
zo wordt de Amerikaanse droom wel uitgedrukt:
iedereen kan ver komen,
als je de kansen maar benut en een beetje geluk hebt.
Maar is dat wel zo in ons land?
Uit onderzoek blijkt dat de afstand tussen rijkeren en armeren
steeds groter wordt,
en de kans om van de ene groep in de andere te komen steeds kleiner.
Wat dat betreft lijkt er een Bijbels gezegde van toepassing
‘aan wie heeft, zal gegeven worden’.
Een paar voorbeelden maken het principe wel duidelijk.
Als je rijk genoeg bent om een huis te kopen,
heb je na dertig jaar geen hypotheeklasten meer,
maar wel een huis dat je kunt verkopen.
Als je je echter geen koophuis kunt veroorloven,
hebt je na je pensioen nog steeds de maandelijkse huurkosten,
en géén huis dat geld waard is…
Ander voorbeeld: als je geld hebt,
kun je het je veroorloven
om het maximale risico te nemen bij de zorgverzekering,
en ben je maandelijks goedkoper uit.
Iemand zonder buffer kan dat niet doen en betaalt meer.
En zo is het met opleiding ook:
wie geld heeft kan bijles voor de kinderen betalen,
zodat ze een hogere opleiding voltooien
en meer gaan verdienen dan de kinderen van iemand met weinig geld.

‘Aan wie heeft zal gegeven worden’ – het is wel waar.
Maar waarom staat zo’n cynische wijsheid in de Bijbel?
Of is dit anders bedoeld?
Als je het nazoekt, gaan deze woorden in elk geval niet over geld.
Het gaat over hoe je in het leven staat.
Het gaat over groeien in een leven met God.
En daarin werkt het inderdaad zo:
als je daar eenmaal iets van kent dan neemt het gaandeweg
een steeds grotere plek in in je leven.
Het wonderlijke is: juist wie veel ‘heeft’ op aards vlak
is in spiritueel opzicht vaak nogal arm.
Wat dat betreft keert God de rollen om.
Maar de gift is beschikbaar, voor iedereen.
Strek je er maar naar uit,
dan begint er een sneeuwbal te rollen!