De verwaarloosde betekenis van Advent

Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen,
zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf.
Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst,
in tegenstelling tot de vastentijd;
– een sobere periode van vasten,
bezinning over het lijden van Christus –
vol vreugde en feestelijkheid.
Tijdens Advent keek de kerk terug
om de incarnatie te vieren
als de vervulling van Gods belofte
om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15).
De kerk verheugde zich met de apostel Johannes:
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1).
De diensten met Advent werden vaak afgesloten
met de doop en benadrukten nieuw leven
en de vereniging met de vleesgeworden Christus.

Wat echter vaak wordt verwaarloosd,
is dat diensten tijdens Advent
ook naar de toekomst keken.
De term ‘advent’ (Latijn: adventus)
is de vertaling van het Griekse woord parousia,
een woord dat in het Nieuwe Testament
altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias.
Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling
van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet.
Daarom concentreerden adventspreken zich,
in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën,
vaak op eschatologische passages
(zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44)
of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9)
als een vreugdevolle verwachting
van Jezus’ zegevierende wederkomst.
Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan
dat Kerst zowel terug als vooruit keek:

‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden
en herboren voor de toekomst,
laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen,
maar aan eeuwige.
En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen,
laten we nadenken over wat
de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken,
juist op de dag dat we het mysterie
van de geboortedag van de Heer vieren.
Laten we luisteren naar de apostel,
die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven
is met Christus verborgen in God.
Maar wanneer Christus, die uw leven is,
verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”,
die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest,
voor eeuwig en altijd.’

Liederen van de Wederkomst

Deze toekomstgerichtheid kwam
niet alleen tot uiting in preken,
maar ook in liederen.
Misschien verwaarlozen we dan
wellicht de toekomstgerichtheid van Advent
in onze hedendaagse viering,
waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde,
de boventoon voeren.
Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg,
diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen.
De geschiedenis belicht de rijkdom
van de viering en verwachting van Advent.
En een praktische manier om de diepe vreugde
van deze toekomstgerichte tijd te hervinden,
zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.

Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748)Joy to the World
Jezus’ glorieuze wederkomst
en zijn toekomstige koninkrijk viert
waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):

Jubel het uit.
De Heer is hier;
ontvang het koningskind!
Als redder van de aarde
geeft Hij het leven waarde.
Dus hemel en aarde, zingt!

Jubel het uit.
De Heer regeert;
wees blij, verhef je stem!
Zing als de schepping juicht,
aanbiddend voor Hem buigt
een vreugdelied voor Hem!

Zijn koningschap
zal eeuwig zijn,
rechtvaardig en vol kracht!
Laat ieder volk op aarde
zijn heerlijkheid ervaren;
de liefde die Hij bracht!
(Opwekking 525)

En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen,
één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst.
Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen)
drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:

Ontsluit, gij die de sleutel zijt,
die opendoet en niemand sluit,
het huis van dood en duisternis
waarin uw volk gekluisterd is!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één,
verzamel allen om u heen!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!
(gezang 125)

 

Paus Franciscus schreef op 4 oktober 2023
een brief aan alle mensen van goede wil:
Laudate Deum, prijs God!
In die brief uit hij zijn zorgen over het klimaat.

Hij schrijft:
Acht jaar zijn verstreken sinds ik de encycliek Laudato si’ publiceerde,
toen ik met u allen, mijn broeders en zusters
van onze lijdende planeet,
mijn oprechte zorgen wilde delen
over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis.
Maar met het verstrijken van de tijd
heb ik me gerealiseerd
dat onze antwoorden niet adequaat zijn geweest,
terwijl de wereld waarin we leven aan het instorten is
en misschien wel het breekpunt nadert.

De paus rekent in zijn brief af met het oude beeld
van de mens als kroon op de schepping
die over alles mag heersen, de mens als middelpunt.

De mens die de plaats van God wil innemen
wordt de ergste vijand van zichzelf (LD 73).
God is de Schepper en eigenaar van deze wereld.

We dachten dat we over de natuur konden heersen.
En misschien heeft dat ook wel te maken met theologie,
met onze interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis.
Waarin we een opdracht tot heersen lazen?

 

Door de nauwe straten van Jeruzalem wringt zich een groep Romeinse soldaten.
Ze begeleiden drie veroordeelden die vandaag nog gekruisigd zullen worden.
Twee naamloze misdadigers en een zekere Jezus,
die zichzelf heeft laten ‘kronen’ tot koning van de Joden.
Aangekomen op de plek die Schedelplaats – die Golgotha heet …
doen zij hun werk.
Met touwen en grote draadnagels
maken ze de drie veroordeelden vast aan hun kruis.
Wat kan het hen ook schelen.
‘Bevel is bevel’.
En als dank voor de door hen verleende diensten
verdelen zij de kleren van de kruiselingen.
Eén is er zo gelukkig om het naadloos geweven kleed van Jezus te winnen.
Wat zou hij er mee gedaan hebben?

Golgotha, Schedelplaats.
Die naam had deze heuvel vermoedelijk te danken aan zijn vorm.
Volgens een oude Joodse legende was hier
– na de zondvloed – de schedel van Adam begraven.
Adam, de eerste mens, die in opstand was gekomen tegen God.
God had hem daarom verbannen uit het paradijs.
Op deze plaats – even buiten de muren van de stad Jeruzalem –
waar men aannam dat de schedel van de eerste mens begraven was,
opent Jezus, de tweede Adam, weer de toegang tot het paradijs.
Aan weerszijden van de gekruisigde Jezus hangen twee misdadigers.
Het zijn Zeloten. In Jezus’ tijd Sikariërs genoemd. Dolk-mannen.
Zij hoorden tot een groep van ondergrondse verzetsstrijders
die met hun messen en dolken alles wat Romeins of Romeins-gezind was …
van het leven probeerden te beroven.
Zij vochten voor een koninkrijk zonder de gehate Romeinen:
een paradijs op aarde.
Daarom werden zij door hun Joodse volksgenoten op handen gedragen.
Bar-Abbas was hun populaire leider.
Wanneer het gebeurd is vertelt de evangelist Lucas ons niet,
maar de ogen en het hart van één van deze beide misdadigers
zijn opengegaan voor Wie Jezus is.
Hij heeft begrepen dat Jezus hier onschuldig aan zijn kruis hangt.
Hij heeft gezien hoe Jezus aan het kruis
de plaats ingenomen heeft van Barabbas, hun aanvoerder.
Hij heeft geluisterd naar de woorden van Jezus:
de messias, de koning van de Joden.
Daarom verdedigt hij Jezus tegenover zijn collega:
‘Wij worden terecht gestraft:
het is ons verdiende loon.
Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’(Lucas 23: 41)
En hij voegt eraan toe:
‘Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.’ (Lucas 23: 42)
Hij gelooft het! Hij gelooft in de koninklijke macht van Jezus!
Hij gelooft dat Jezus de werkelijke Verlosser, de langverwachte Bevrijder is.
Hij gelooft dat met Jezus het koninkrijk op aarde komt!
En dat is zonder meer een wonder.
Want menselijkerwijs gezien is het een dwaasheid
om nog iets van Jezus te verwachten.
Ten dode opgeschreven is Hij.
Nu kende men in de tijd van Jezus
drie betekenissen van het woord ‘paradijs’:
• het verloren paradijs van Adam – de eerste mens – uit Genesis.
• Dan was er het paradijs van de eindtijd
(denk maar aan het Bijbelboek Openbaring).
• En tenslotte kende men het paradijs
als de plaats waar de gestorven gelovigen verblijven.

In die laatste betekenis gebruikt Jezus nu aan het kruis het woord ‘paradijs’.
Het is de plaats van het eeuwige leven
tegenover de plaats van de eeuwige dood in de Gehenna, de hel.
Bewogen als Hij is met deze tot geloof gekomen misdadiger
belooft de gekruisigde Jezus hem zelfs meer dan hij vraagt.
Jezus zal niet alleen dénken aan hem,
Jezus zal bíj hem zijn, en hij bij Jezus.

Heden, vandaag nog!
Zelfs de dood kan hen niet meer van elkaar scheiden.
Zo ontvangt deze vrijheidsstrijder in zijn stervensuur … het Léven!

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Het zijn bewogen woorden. Woorden die ons in beweging zetten.
Want dat koninkrijk, dat paradijs dat door Adam was verloren geraakt,
wordt hier aan het kruis ook voor ons door Jezus weer ontsloten.
Wie berouw toont, zijn schuld erkent en onvoorwaardelijk in Jezus
als zijn Redder gelooft … mag met Hem mee naar binnen.
Die mag voor eeuwig leven in het ‘paradijs’.
Het kruis van Jezus is voor ons de ‘boom van het Leven’ geworden.

Dat is het geheim van dit tweede bewogen kruiswoord!

 

Aswoensdag is het begin van de Lijdenstijd, ofwel de Veertigdagentijd.
Veertig dagen bereidt de kerk zich voor op Pasen.
In de Bijbel wordt het getal 40 gebruikt om een periode van voorbereiding,
uitzuivering en groei aan te geven.
Zoals het volk Israël 40 jaar door de woestijn trok op weg naar het Beloofde Land
en zoals Jezus 40 dagen beproefd werd voordat hij aan zijn werk begon.
Zo bereidt de kerk zich voor om in het spoor van Jezus
door de dood heen tot nieuw leven te komen.
Alles wat ballast is geworden, alles wat mensen van hun bestemming afhoudt,
alles wat het leven belemmert, mag mee sterven in de dood van Jezus,
opdat wij op een nieuwe manier ons leven kunnen ontvangen uit Gods hand.
Daarom klinkt psalm 51: God, herschep mijn hart, maak het zuiver.
Ook vasten op welke wijze ook schept ruimte voor verlangen naar het grote feest.
In de ruimte van dat verlangen kan gebed opkomen en tijd en aandacht voor de naaste.

Het gebruik van as begon in de vroege Kerk
toen mensen die iets misdreven hadden,
openlijk boete deden in de aanloop naar een nieuw begin met Pasen.
Als teken van hun berouw werden ze met as bestrooid.
Later werd het een gebruik dat door alle gelovigen werd gevolgd
in hun eigen verlangen naar vergeving en een nieuw begin.
Het maakt duidelijk dat we de mensheid
niet kunnen verdelen in goede en slechte mensen:
het kwaad gaat dwars door ons eigen leven.

De as komt van de palmtakjes die de kerk vorig jaar op Palmzondag uitreikte,
een symbool voor Christus die ook bij ons wil zijn.
Vaak legden mensen deze takjes op de graven van hun geliefden,
als teken van de hoop op opstanding.

Een askruisje halen, aan het begin van de Veertigdagentijd, op weg naar Pasen.
Dat kun je doen omdat je je bewust bent dat je tekort schiet
in wie je bent en wat je doet.
Je kunt het doen omdat je ervan bewust wilt blijven
dat je een sterfelijk mens bent.
Zodat je niet doet alsof alles altijd hetzelfde blijven
en je je vastklampt aan wat je hebt,
en niet kunt omgaan met wat je los moet laten.

Stof ben je en tot stof keer je terug.

Wat een opluchting is dat!
Al dat zware getob, al dat gewichtige gedoe,
al dat gepraat van arrogante managers,
al die dictators die de wereld onderdrukken,
al mijn eigen gedoe iedere keer weer.

Stof ben ik en tot stof zal ik terugkeren.

Gelukkig!
Laat me dan dus maar niet te zwaar tillen aan mijn eigen leven,
ik ben een stofje op de zoom van het universum
dat zal bestaan ook nadat ik tot stof ben weergekeerd.

Stof ben je en tot stof keer je weer.

Dus als je vast, doe dan niet alsof je een heldendaad verricht,
maar laat het een daad van overgave zijn aan de Heer van alle leven.
Laat je vasten en al je religieuze gedrag
een daad van liefde zijn voor de God
die neerknielde in het stof en zei:
kom tevoorschijn, jij, mens, ik geef je mijn levensadem.

Stof ben je en tot stof keer je terug.

Verzamel dan geen schatten op aarde alsof je daarmee gewicht krijgt.
Het gewicht van stof is genoeg voor je, want is het genoeg voor God.
Wees voluit, vrolijk en dankbaar stof op de zoom van het universum
want dat is je glorie en je geluk,
het grote voorrecht van het leven dat leeft op de adem van God.

Stof ben je en tot stof keer je terug.

Mens. Keer je dan om als je ergens nog denkt dat je god bent
in het diepst van je gedachten of het diepst van je handelen,
als je ergens nog denkt dat je mag oordelen
over anderen of zelfs over jezelf,
als je ergens nog meent dat je kunt leven
met je rug naar God toe alsof jij jezelf het leven geeft.

Keer je om, heb berouw en weet dat je stof bent
dat leeft op de adem van de Allerhoogste,
dichter nabij dan ons eigen hart.

 

Maar al te vaak eist de wereld van ons
dat we het een zijn, of het ander.
In onze reacties, onze ideologieën, onze overtuigingen,
wordt van ons verwacht
dat we dit zijn, of dat zijn.
Erin of eruit. Ja of nee. Rood of blauw. Zwart of wit.
De wereld vindt het leuk als we onszelf labelen
met een zekerheid die het makkelijker maakt om ons te marketen,
vast te leggen in een strategisch plan of te bereiken in een algoritme.

Op sociaal niveau kunnen deze zelfcategoriserende definities
– wat ik geloof, op wie ik stem, wat ik consumeer –
een filtersysteem worden voor
wie toegang tot ons krijgt en wie niet.
In een combinatie van associatie en veronderstelling
bepalen we wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet.
En het lijkt eenvoudig.

Dat is het totdat je je twee dingen realiseert:
het grootste deel van het leven speelt zich niet af
binnen de grenzen van zwarte of witte zekerheid,
maar in het grijze, tussengebied.
En niemand van ons is een-voudig.

We geloven misschien graag dat we duidelijke individuen zijn
die gemakkelijk te definiëren,
mooi georganiseerde ideeën en overtuigingen hebben,
maar de werkelijkheid is veel rommeliger.
Onze houdingen, opvattingen en gevoelens
zijn lichtjes gebonden aan een spectrum
en we bevinden ons bijna altijd ergens in het midden.

Denk er eens over na.
Kunt u zich de laatste keer herinneren
dat u zich onafgebroken, onvervalst gelukkig voelde,
zonder dat er ergens in uw achterhoofd
iets of iemand om u heen bleef hangen?
Het omgekeerde is ook waar.
Ik ken mensen die in de loopgraven van verdriet
hardop lachen om hun favoriete Instagram-reels.
Meestal is er niet veel voor nodig
om ons weg te slepen van de hoogtepunten
en dieptepunten van het leven.
We zijn erop ingesteld om in de tussenruimtes te leven.

Deze aantrekkingskracht naar het midden die we voelen
is niet verrassend.
Eén van de leiders van de vroege kerk, Paulus,
zei dat
als iemand in Christus is, de nieuwe schepping is gekomen.’ (2 Korintiërs 5)
Wij zijn dus nieuwe scheppingswezens,
omringd door nieuwe scheppingsideeën,
in een oude scheppingswereld.
Onze sociale constructies, systemen en levens
zijn gebouwd op de vooronderstelling
van ergens tussen het oude en het nieuwe,
een grijs gebied van deels heden en deels toekomst.

Paula Gooder, een Britse nieuwtestamenticus,
zegt over Paulus’ geschriften:
Met Jezus’ dood en opstanding
ligt de nieuwe schepping bij de oude schepping.
Van tijd tot tijd zul je momenten van perfectie zien,
momenten van opstanding,
en dat zijn de momenten
die ons gaande houden in de moeilijke tijd (…)
Hoewel je nieuwe schepping bovenop hebt liggen,
heb je nog steeds oude schepping eronder liggen.
Als je de vraag wilt stellen
waarom de wereld zo verschrikkelijk is zoals hij is,
komt dat doordat we in een oude schepping leven.

Door het Koninkrijk van God te omarmen,
zowel het alreeds als het nog niet,
zetten we ons in voor een daad van verzet
tegen ideeën over zwart-wit bestaan
door te leven in een grijs gebied
dat geschikt is om uit te barsten
in heldere, hemelse kleuren.

Oppervlakkig gezien suggereert het verhaal
dat onze oorsprong van bestaan vormgeeft,
het scheppingsverhaal in Genesis,
een God die werkt in binaire verhoudingen
– nacht en dag, land en zee.
Maar we weten dat er ook
dat de minder gemakkelijk te definiëren schemering,
schemering en dageraad, moeras en mist is.
De schepping zelf geeft aan dat leven
in dualiteit een onmogelijke opgave is.
We zijn tenslotte niet gemaakt voor scheiding,
maar voor eenheid en verzoening.
Overal om ons heen getuigt de natuurlijke wereld
van een God die de dingen
daartussen heeft geschapen en,
net als de ondergaande en opkomende zon,
ze spectaculair en boeiend heeft gemaakt.

Richard Dawkins en de nieuwe atheïstische beweging
proberen alles netjes in het midden te verdelen
tussen dingen die je zonder enige twijfel kunt bewijzen,
en blind geloof.
Maar zij zien niet dat de meest interessante dingen
zich op geen van beide plekken afspelen.

Hoewel zekerheid zijn moment en zijn verdiensten heeft,
denk ik niet dat het slecht is om in een grijs gebied te leven.
Ik denk zelfs dat we er allemaal beter aan toe zouden zijn
als we eraan zouden kunnen wennen.
We zijn evoluerende wezens
en als zodanig zal de materie
die we vandaag in ons hoofd en hart hebben,
morgen veranderen en groeien
en mogelijk veranderen.

Ons leven is meer dan een optelsom
van winst en verlies, komedie en tragedie,
oud en nieuw, zwart en wit.
Dus, nu we aan het begin van dit jaar staan,
vraag ik u om ruimte te maken
voor alles wat gebeurt binnen de grenzen
van wat de wereld verwacht en accepteert.
Om de puinhoop van het tussenliggende te omarmen.
Om door te gaan in de grijze gebieden van het leven;
alleen om het vol, levendig en glorieus
te ontdekken in een nieuwe scheppingskleur.

 

De mens heeft issues met grenzen.
Als we iemand grensdoorbrekend, grensverleggend noemen
bedoelen we dat als een compliment.
We leven liefst in een land van onbegrensde mogelijkheden.
Life-coaches vertellen je op hun websites en blogs:
Er zijn geen grenzen.
Alleen die je jezelf oplegt. Grenzen zijn illusies.

Dat grenzeloze mateloze zit ook wel in onze manier van leven.
De drang om steeds iets anders, nieuws, hogers, meer en beters te willen.
Iemand noemde dat: perfectieterreur, opgelegd geluk.
De versnelling van alles lokt uit tot meer en te veel doen in dezelfde tijd.
Het hiernamaals is praktisch uit beeld verdwenen
dus alles moet in dit ene leven worden gepropt.
YOLO, zeggen we dan: you only live once.

En er zit natuurlijk een waarheidselement in.
We kunnen onszelf en elkaar klein houden.
Zo druk in de weer zijn met muurtjes en grenzen,
met verwachtingen en conventies
dat we onszelf en elkaar kortwieken en we nooit echt de vleugels uitslaan.
Dat leidt tot een verkrampt, geremd, benepen leven.
Weer soms nog maar weinig vrijheid en spanning in zit.
En er kan vroeg of laat dan een moment komen
dat ineens de remmen los gaan en je losbreekt uit je kooi.

Maar als de mens zijn grenzen overschrijdt
kan dat negatieve impact hebben op de schepping.
De schepping zucht natuurlijk ook doordat we niet duurzaam leven
en te veel consumeren
wanneer we bossen omhakken zonder nieuwe aanplant aan te brengen.
Of de atmosfeer zo vervuilen dat ze niet meer kan absorberen.
Maar er is ook een bredere impact.
Van wie wij zijn en de keuzes die wij maken.
Grenzen overschrijden is als het kapot maken van een draad in een web van een spin.
Dat ontwricht het hele web.

Ik bedoel niet te zeggen dat natuurrampen altijd rechtstreeks te linken zouden zijn
aan menselijk gedrag en bijvoorbeeld een oordeel of straf is
voor wie erdoor worden getroffen.
Wat ik wel bedoel is dat we de oplossingen voor de milieucrisis
niet alleen gaan oplossen met onderwijs en wetenschap.
Of alleen met voorlichting en bewustwordingscampagnes.
Er ligt een dieper moreel, geestelijk probleem onder.
Wat echt nodig is is een verandering van ons hart.

Waar ben je, roept God.
Waar ben je, het betekent hier: wat bezielt je?
Waar ben je mee bezig? Waar ben je in verstrikt geraakt?
Wat is er met je mens?

God wandelt door de wereld steeds op zoek naar de mens
die zo geneigd is zich in de nesten te werken.
In iedere generatie zoekt hij naar mensen om een verbond mee te sluiten.
Mensen die de schepping willen dienen en bewaken.
Mensen die de grenzen weer in ere herstellen.
Mens, waar ben je, die roep klinkt door de hele schepping heen.
In Romeinen 8, 19 lezen we:
de schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Een paar verzen daarvoor lezen we:
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven.
U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn.
De schepping ziet reikhalzend uit naar mensen
die de geest van het zoonschap met zich mee dragen.
En steeds meer leren hun verantwoordelijkheid te nemen.
Mensen, die de stem horen roepen: waar ben je?
En dan uit hun schaamteboom tevoorschijn komen en zeggen:
Heer, hier ben ik, leer mij uw wil te doen.

 

Uiteindelijk belandt Jakob in Sukkot.
‘Sukkot’ is een plaats die we allemaal wel kennen en aandoen.
Het zijn de momenten waarop we terugvallen
in taaie, oude, ongezonde patronen.
‘Sukkot’ staat voor ons gesukkel.
Ons onvermogen om ons leven blijvend te vernieuwen.
Jakob is na Pniël weliswaar drager van een nieuwe naam: Israël.
Maar in de tijd na Pniël wordt hij, als ik goed tel,
nog twee maal zo vaak aangesproken
met zijn oude naam Jakob dan met zijn nieuwe naam Israël.

En in de volgende hoofdstukken treffen we steeds een wonderlijke mix aan
van Jakob en Israël verenigd in één en dezelfde persoon.
Genesis 34 gaat over het drama van de verkrachting van zijn dochter Dina,
de uitzinnige wraak van zijn zonen hierop resulterend in een bloedbad.
Jakob maakt in dit hele gebeuren een afwezige,
lakse, krachteloze en passieve indruk.
Maar een hoofdstuk later treffen we dan weer een bezielde man aan
die met zijn hele clan naar Bethel trekt
voor een proces van reiniging en vernieuwing van het verbond met God.
En daar, bij Bethel, bevestigt de Heer Jakobs nieuwe bestaan:
Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob.
Die naam zul je niet langer dragen:
Israël is je nieuwe naam.’ (Genesis 35,10)

Die tweestrijd in deze man tussen Jakob en Israël
wordt voor mij gevangen in dat ene beeld.
Als deze tweemens Pniël achter zich heeft gelaten,
lees ik in de Naardense Bijbel:
‘Dan gaat de zon over hem stralen zodra hij Penoeël (Pniël) is doorgestoken;
maar hij loopt voortaan mank, om zijn heup.’ (Genesis 32,32)
Dat beeld beklijft.
Waar het lang donker was in Jakobs leven
kan nu echt de zon weer gaan schijnen.
Het is echt een andere, nieuwe tijd.
Iedere stap die deze man zet, brengt hem dichterbij huis.
Maar als je goed kijkt, zie je,
dat iedere stap tegelijk ook iets anders zichtbaar maakt.
Deze man loopt kreupel, vanwege een mankement aan zijn heup.
Deze drager van een nieuwe naam, is tegelijk een getekend mens.

Jakob trekt en sleept voortaan met zijn ene been.
Hij zal vast nog vaak op de zaken vooruit willen lopen.
Ongetwijfeld zal hij opnieuw dwaalwegen inslaan
en zich soms toch weer in rare bochten wringen.
Maar steeds zal dat ene manke been hem in de weg zitten.
Hem herinneren aan Pniël en het gezicht van God.
Hem doen terugdenken aan de verzoening met Esau.
Dit mankement zal hem er toe aanzetten
zich steeds opnieuw te wenden tot de ander.
De ander in de ogen de zien, in verbinding te treden.
En zo in kleine stapjes steeds opnieuw een beetje heel te worden.

Jakob met zijn manke been kan steeds minder goed uit de voeten als jager.
Maar juist dankzij zijn mankement is hij meer en meer het type herder.
Het is een detail dat eigenlijk alles zegt:
Als Jakob op weg gaat naar Sukkot zegt hij:
‘ik pas me aan het tempo van het vee dat ik bij me heb
en aan dat van de kinderen.’ (Genesis 33,14)
Jakob 2.0, die nu Israël heet, is al bij al vaker een fijnere reisgenoot.
Minder gejaagd, meer in verbinding.

 

‘De broers vergeven elkaar.’

Op dat moment denk je als lezer en toeschouwer:
Wow!
Alles is nu toch helemaal goed gekomen.
En je denkt te weten hoe dit verhaal verder zal gaan.
Ze vertellen elkaar hoe goed God voor hen is geweest al die jaren.
En als Ezau Jakob uitnodigt met hem verder te reizen naar Seïr,
neemt Jakob de uitnodiging blij en dankbaar aan.
En de twee broers, die jarenlang van elkaar vervreemd zijn geweest,
reizen nu schouder aan schouder samen verder, terug naar huis.
Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen!

Toch is dat niet helemaal hoe het gaat met Jakob en Ezau.
Jakob gaat niet op Ezau’s uitnodiging in.
Hij wijst de uitnodiging ook niet beleefd af maar doet toch weer een ‘Jakobje’, zijn typische handelswijze.
Wat we lezen is dit:
‘Hierna zei Ezau: Laten we verdergaan, ik zal je vergezellen.
Maar Jakob antwoordde:
‘Mijn heer weet hoe zwak kinderen zijn,
en ik heb de zorg voor zogende schapen, geiten en runderen.
Als die ook maar één dag worden opgejaagd, gaan ze allemaal dood.
Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit trekken,
dan zal ik hem op mijn gemak naar Seïr volgen
en mij aanpassen aan het tempo van het vee dat ik bij me heb
en aan dat van de kinderen.
Ezau zei: ‘Laat me dan tenminste een paar van mijn mannen bij je achterlaten.
Maar Jakob sloeg dat af: ‘Waarom al die moeite?
Het is mij voldoende dat mijn heer mij goedgezind is.
Diezelfde dag nog keerde Ezau terug naar Seïr.
Jakob echter reisde naar Sukkot en bouwde er een huis.’ (Genesis 33,12-17).

Jakob is notabene bij de Jabbok door de Heer zelf gezegend.
Hij is ondanks alles zojuist hartelijk en vol liefde en vergevingsgezindheid
in de amen gesloten door zijn broer.
En toegegeven: hij stelt zich in de ontmoeting met Ezau kwetsbaar en nederig op.
Maar toch, heel worden en heel blijven, is en blijft een proces.
Zijn vertrouwen in Ezau en in de zegen van God is kennelijk nog flinterdun.
Hij zegt en belooft het één maar doet toch weer iets anders.
En daarmee beschadigt hij het broze vertrouwen van zijn broer
en zet hij zijn heelheid opnieuw op het spel.

 

Heel worden is geen groots en eenmalig gebeuren.
Het is nooit af.
Ook dat zien we bij Jakob.
Net voor Pniël had hij nog een sluwe strategie uitgezet
om zijn broer gunstig te stemmen.
Hij had een hele stoet aan geschenken vooruit willen sturen
en ook zijn vrouwen en kinderen voorop willen laten gaan.
Zijn minst favoriete vrouw en kinderen voorop,
zijn lievelingen daarachter.
Om tenslotte zelf als allerlaatste zijn broer onder ogen te komen.

Maar na Pniël laat Jakob zijn handige, manipulatieve plannetjes varen.
Hij verstopt zich niet langer voor wie dan ook.
Er staat:
‘Zelf liep hij voor iedereen uit en terwijl hij zijn broer naderde
boog hij zevenmaal diep voorover.
Ezau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem.
Beiden huilden.’ (Genesis 33,3-4)
Ik moet hierbij sterk denken
aan de terugkeer van de verloren zoon.
In Lukas 15,20 staan soortgelijke woorden:
‘Zijn vader zag hem in de verte al aankomen.
Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af,
viel hem om de hals en kuste hem.’
Jakob is hier als de verloren zoon
die na een jarenlange ballingschap eindelijk thuis komt.
Ezau vervult hier de rol van de barmhartige.
Hij ziet hem aankomen, rent hem tegemoet, omarmt hem,
kust hem en huilt om hem en met hem.

 

We gaan verder met het thema tweestrijd:

Bij Paulus, Jezus en Jakob zien we een tweestrijd.
Paulus lijkt te stikken in zijn tweestrijd en zegt:
‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan.’
Maar hij vindt een tweede adem
als hij zich in zijn tweestrijd wendt naar zijn God:
‘God, zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.’ (Romeinen 7,24-25)
Zo verzoent Paulus zich met zijn gebroken bestaan.
En begint hij aan de mooiste, meest krachtige passage die hij ooit heeft geschreven.
Romeinen 8 dat uitloopt op de vaststelling dat niets,
ook geen enkele tweestrijd,
ons zal scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer.

Jezus wordt innerlijk verscheurd door tweestrijd.
Hij kruipt als een worm door het stof in bloed, zweet en tranen.
Hij hervindt zichzelf als hij zich in zijn tweestrijd
tot driemaal toe wendt naar zijn hemelse vader.
‘Abba, Vader’, horen wij hem bidden in de nacht.
Zo richt hij zichzelf op en zegt daar in Getsemané:
‘Sta op, laten wij gaan.’
Zo verzoent Jezus zich met zijn weg.
Met het kruis dat Hij zal dragen.

En ook bij Jakob gebeurt iets van heelheid juist
in de ontmoeting met de ander.
Eerst wordt hij gedwongen God in de ogen te kijken bij Pniël.
En daarna kijkt hij Ezau in het gezicht.
En voor beide ontmoetingen gebruikt Jakob soortgelijke woorden.
Na Pniël zegt hij:
‘Ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is gered.’ (Genesis 32,30)
En als hij Ezau ontmoet:
‘Ik heb uw aangezicht gezien, alsof ik het aangezicht van God zag
en u bent mij goedgezind geweest.’ (Genesis 33,10)