De Brits-Amerikaanse filosoof Larry Siedentop (1936-2024) stelde dat de oorsprong van het liberalisme ligt in het christelijk denken. Het liberalisme is als ware het buitenechtelijke kind van het christendom. Een kind overigens, dat niet bewust verwerkt is. Dat nooit een ‘project’ van de kerk geweest is. Maar desalniettemin onlosmakelijk en logisch verbonden met eeuwen denkwerk in de christelijke traditie.
Veel van het denken van Siedentop over individualisme voert terug naar de apostel Paulus, zonder meer een sleutelfiguur in de vroege kerk. En hij heeft nog steeds, anno vandaag, diepgaande invloed op het christendom heeft. Zijn denken heeft de idee van de christelijke gemeenschap gevormd: Als een verzameling van gelijkgestemde zielen, verenigd in het geloof in Christus.
Paulus postuleerde, door zijn ervaringen met al die verschillende groepen mensen en culturen, dat alle mensen – gelovigen en ongelovigen – gelijk zijn. Hij maakte bovendien serieus werk van innerlijke, individuele reflectie.
In zijn Galatenbrief stelt Paulus dat de christelijke gelovigen vrij zijn. Vrij zijn in hun geloof in God. De opvatting van Paulus over Christus maakte korte metten met de veronderstelling waarop het antieke denken tot dan toe had gesteund, namelijk de veronderstelling van natuurlijke ongelijkheid. In plaats daarvan zet Paulus in op menselijke gelijkheid.
Sterker nog: volgens Siedentop ‘zien we in de geschriften van Paulus het ontstaan van een nieuw gevoel van rechtvaardigheid, gebaseerd op de veronderstelling van gelijkheid.’ Dit denken over ethiek en moraliteit en – vooral – morele gelijkheid, waarbij elk individu intrinsieke waarde heeft, is gegrond in diezelfde christelijke ethiek.
Nu ontstaat in de huidige samenleving er wereldwijd een snel groeiende hoeveelheid (jonge) mensen die een diep wantrouwen in de overheid hebben, omdat ze geloven dat die niet naar hen luisteren en er ook niet om geven. En dan besef je dat de democratie in de problemen zit, en niet alleen op het wereldtoneel. Want ook bij ons in Nederland is een zeer verontrustende trend aan het ontstaan dat steeds meer mensen denken dat het land beter af zou zijn onder een dictator, of in ieder geval een ‘sterke man’ die gewoon met een pennenstreek knopen kan doorhakken. (zie hiervoor de euforie bij zijn aanhangers tijdens het ondertekenen door Trump van zijn decreten)
Uit een recente peiling blijkt dat 52 procent van de jongeren gelooft dat het land moet worden bestuurd door een sterke leider die zich niet hoeft te bekommeren om het parlement of verkiezingen. Nog alarmerender is dat 33 procent denkt dat het land beter af zou zijn als het leger de leiding had. Als dat ons niet aan het denken zet, bedenk dan dit: bijna de helft (47 procent) van jongeren gelooft dat onze maatschappij radicaal moet worden veranderd door middel van een revolutie.
Deze cijfers zijn verbijsterend. Voor degenen onder ons die zijn opgegroeid met een sterke toewijding aan democratie, is het onbegrijpelijk dat de generatie die is opgegroeid met de meeste vrijheid, de meeste toegang tot informatie en de grootste digitale connectiviteit, zo bereidwillig zou zijn om hun recht op stemmen, protesteren en leiders ter verantwoording te roepen, op te geven. Maar voordat we ons haasten om ze te veroordelen, moeten we de moeilijke vraag stellen: waarom voelen zoveel mensen zich zo?
Wat als het niet zozeer zo is dat jongeren zich tegen de democratie keren, maar dat ze het gevoel hebben dat de democratie zich tegen hen keert? Denk er eens over na: Hun scholen brokkelen af. Hun leraren staan onder druk. Als ze geestelijke gezondheidszorg of speciale zorg nodig hebben, moeten ze lang wachten of hard vechten en waarschijnlijk allebei. Als ze naar de universiteit willen, moeten ze een schuld aangaan die langer duurt dan de tijd dat ze leven. En als ze een huis willen kopen moeten ze volgens de statistieken waarschijnlijk wachten tot ze 33 jaar oud zijn om zelfs maar te denken aan het kopen van een huis.
Je zou denken dat deze strijd mensen ertoe zou dwingen politiek actiever te worden. Maar deze generatie is nog steeds de minst politiek betrokken groep in het Nederland. Hoewel het waar is dat velen momenteel te jong zijn om te stemmen, is er ook een groot deel dat te weinig betrokken is om de relevantie van formele politiek in te zien. De opkomst van jongeren bij verkiezingen is vaak abominabel laag bij verkiezingen.
Vergeleken met de opkomst van 70 procent of meer voor 65-plussers, en de boodschap is duidelijk: jongeren stemmen niet en politici spreken hen niet aan. Dat verergert het probleem alleen maar. Ondanks allerlei beloften van de politiek om dit punt aan te pakken, lijken ze geen haast te hebben om de hervorming door te voeren.
De zeventiende-eeuwse Franse wis- en natuurkundige, christelijk filosoof en theoloog Blaise Pascal schreef eens:
alle problemen van de mensheid komen voort uit het onvermogen van de mens om rustig alleen in een kamer te zitten.
En nu, vierhonderd jaar later, hebben we bewijs van hoe moeilijk we dit vinden.
Onderzoekers voerden een experiment uit waarbij ze meerdere mensen alleen in een kamer plaatsten met niets anders te doen dan daar vijftien minuten te zitten. De meerderheid gaf toe zich ongemakkelijk te gaan voelen als men zich met niets anders dan zijn gedachten bezighoudt. Het experiment werd herhaald, alleen werd er dit keer een instrument in de kamer geplaatst dat een onaangename elektrische schok kon toedienen. In de periode van vijftien minuten diende één op de vier vrouwen zíchzelf de schok toe om de verveling te verlichten. Twee op de drie mannen deden dat ook.
Er is een kans dat we de verkeerde conclusies trekken uit sociale experimenten omdat het moeilijk is om in de gedachten van anderen te kruipen, maar we kunnen hier een goede gok wagen. Onze levens zijn overprikkeld. Alleen in een kamer zijn met onze gedachten voor een langere tijd is vreemd. We hóren niet zo te leven menen we. Onze smartphones zijn de ‘stok en staf die ons vertroosten’. Elk vrij moment moet worden besteed aan TikTok, Instagram of Spotify.
Naarmate mensen ouder worden, denken ze vaak dat de wereld zijn aandachtsspanne verliest, zonder te beseffen dat de focus afneemt naarmate we ouder worden. Maar er lijkt iets te zijn veranderd in de afgelopen twee decennia. Er is een geheel nieuwe digitale architectuur ontworpen die er niet was. Het creëert de buzz van de stad, en is om ons heen verrezen als wolkenkrabbers, waardoor koude schaduwen en bittere windtunnels van woede en afleiding ontstaan die de warmte blokkeren.
Deze nieuwe online stad is opzettelijk ontworpen om onze aandacht vast te houden; om te voorkomen dat we offline iets gaan doen. En het werkt. Tussen 2010 en 2020 hebben we wereldwijd twintig keer meer informatie verbruikt. Dit is een kolossale toename voor onze hersenen om in een oogwenk te verwerken. Onze geest is minder geworden als het coole, witte minimalistische interieurontwerp waar mensen naar streven in het leven en meer als het rommelhok waar kapotte en nutteloze spullen worden gedumpt.
Sommige wetenschappers stellen dat we onszelf de schuld van deze situatie geven. Als we anderen vertellen dat onze smartphone ons afleidt, is het antwoord dat we krijgen dat we hem moeten uitzetten. Hoewel we dit soort stappen kunnen ondernemen, worden we er echter meer en meer afhankelijk van gemaakt door techbedrijven . Natuurlijk is er net als bij shopaholics sprake van individuele verantwoordelijkheid, maar er is ook het bouwwerk van consumentenkapitalisme dat is ontworpen om ons meer spullen te laten kopen of – in het geval van het internet – meer informatie te laten absorberen.
Als we bedenken wat het betekent om Jezus vandaag de dag te volgen, beseffen we vaak niet wat technologie met ons doet. De voordelen zijn duidelijk – de wereld binnen handbereik hebben, in een oogwenk met familie en vrienden kunnen praten – maar de nadelen blijven onduidelijk. Hoe beïnvloedt digitale afleiding het lezen van de Bijbel en een toewijding aan gebed? Er is weinig onderzoek naar gedaan, maar we geven God misschien minder toegewijde aandacht dan voorheen. Als we van de ene bron naar de andere fladderen, als een vlieg op een warme zomerdag, blijven we niet lang genoeg op één plek om te ontdekken of God daar op ons wacht.
Aanwijzingen van God komen vaak van buiten het kerkelijk denken. Nu heeft een groep tech-tovenaars uit Silicon Valley het idee van een digitale sabbatical bedacht, waarbij mensen één dag per week offline doorbrengen. Hoewel ze zichzelf beschrijven als niet bepaald religieus, verdrinkt hun manifest zo’n beetje in religieuze traditie. Ze adviseren mensen om:
Technologie te vermijden
Contact te houden met geliefden Uw gezondheid te koesteren
Naar buiten te gaan
Commercie te vermijden
Kaarsen aan te steken
Wijn te drinken
Brood te eten
Stilte te vinden
Iets terug te geven
Het is een sabbatical die opnieuw is uitgevonden voor het digitale tijdperk.
Er wordt een aantal praktische acties opgesomd die kunnen worden ondernomen, zoals gefocust blijven op de taak en blootstelling aan sociale media te beperken, omdat is aangetoond dat dit in grote hoeveelheden slecht is voor de geestelijke gezondheid. We moeten onze gedachten ook kunnen laten afdwalen. Dit spreekt het argument over het niet verliezen van de focus niet tegen. Het afdwalen van de gedachten is, paradoxaal genoeg, een vorm van aandacht. Het is de ruimte waarin we de puzzels van ons leven oplossen, punten met elkaar verbinden die we hadden gemist, een plaatje inkleuren om het tot leven te brengen.
Wanneer de profeet Elia God ontmoet op de berg Horeb, is er eerst een sterke wind, daarna een krachtige aardbeving en ten slotte een laaiend vuur. Maar God openbaart zichzelf niet in deze aangrijpende verschijnselen. Hij is te vinden in de pure stilte die volgt; in het gefluister van een stem.
De pure stilte van vandaag wordt verbroken door het vertrouwde gezoem van een nieuwsfeed of een update op sociale media – of de schok van een elektrische stroom. Het is nu het moment dat we binnen gehoorsafstand van de zwakke audio van het Goddelijke komen.
‘Ik kan mij niks bij God voorstellen’, zeggen mensen weleens tegen me.
‘Zo hoort het ook’, zeg ik dan.
Immers, de Bijbel verbiedt nu eenmaal het maken van vastomlijnde voorstellingen over God. Maar meestal vinden ze dat maar een vervelend antwoord. Een dominee gelooft toch ergens in? God moet toch iets zijn, er moet toch een soort idee bij horen, een idee waar je je tegen af kunt zetten. Of omgekeerd, een idee dat je houvast geeft, en troost in onzekere tijden. Want zo werken godsbeelden: ze bieden zekerheid, ze geven richting en je kunt er normen en waarden aan ontlenen. En je kunt er zo lekker tegenaan schoppen.
In de loop van mijn leven ben ik al heel wat godsbeelden tegengekomen. Ze werken als een soort ANWB bordjes: ze geven de richting aan welke kant je op moet denken, voelen, luisteren, leven. In het begin was het vooral Jezus die het beeld van God bepaalde. Dat is ook wat de kerk belijdt: Als je wilt weten wie God is, dan moet je naar Jezus kijken. Jezus, zoals je hem in de Bijbel tegenkomt, houdt niet op mij te boeien en te inspireren. Maar ook Jezus heeft zich losgemaakt uit de verhalen van de Bijbel. Jezus is het levende woord van God. Wat levend is, beweegt en werkt en doet. En dat past niet altijd in wat ik er van tevoren over dacht.
God is een werkwoord. God kun je beter verstaan als een gebeuren, als een dynamiek, als een kracht die op ons inwerkt. Eigenlijk heeft de kerk dat altijd al gezegd. We hebben er zelfs een naam voor: de Heilige Geest. Dat is de werking van God, van Gods Woord, in het hier-en-nu van het leven. Niet dat je daar nu precies je vinger op kunt leggen. Er blijft iets verborgens, iets mysterieus. Meestal kun je er terugkijkend pas iets van herkennen.
Wat doet die werking? In de wijsheidstraditie van de kerk is het zo gezegd: mensen zijn geschapen naar het beeld van God en bestemd om op Hem te lijken. Mens-zijn is: worden waar je op aangelegd bent. Leven is: God binnengroeien. Er ligt een trekkracht in onze ziel. Iets trekt aan ons. Dwars door de gebeurtenissen van het leven is er iets (en de kerk zegt: Iemand) aan het werk om ons te vormen, als we het toelaten tenminste.
God is natuurlijk ook geen werkwoord. Wie God is in zichzelf, blijft verborgen voor ons kleine menselijke verstand en gevoel. Al onze voorstellingen mogen meedoen onderweg, we kunnen nu eenmaal moeilijk zonder. Maar het is niet erg als je je niets bij God kunt voorstellen.
Gefeliciteerd, zal ik dan zeggen: je bent op de goede weg. We hoeven nergens in te geloven, want God gelooft allang in ons. En dat is genoeg voor het hele leven.
Onder een seculiere Franse regering is € 700 miljoen uitgegeven aan de renovatie van de Notre Dame na de brand van 2019. Het geld is echter niet afkomstig van Franse belastingbetalers, maar van grote en kleine donaties van mensen in Frankrijk en van over de hele wereld. Wat is er toch met kathedralen? (en misschien in bredere zin: christelijke gebouwen) Want het aantal mensen dat kathedralen bezoekt om te bezoeken, om te bidden of anderen te ontmoeten, blijft stijgen, zelfs terwijl het kerkbezoek afneemt en religie uit de mode lijkt te raken. Dus wat is er aan de hand?
Het bouwen van een grote kerk is een lang en zeer kostbaar proces, en christelijke gemeenschappen konden een eeuw of langer nodig hebben om een kathedraal te bouwen of te upgraden naarmate er middelen beschikbaar komen. In landen waar het christelijk geloof werd omarmd door de machthebbers, hielpen overheden bij het bouwen van kathedralen. Het waren niet alleen centrale punten voor erediensten en het kerkelijk leven in hun gebied, maar waren ook grote overdekte ontmoetingsruimten die ook door de staat werden gebruikt voor synodes, kroningen, vergaderingen of diensten die het politieke leven ondersteunden en de sociale cohesie versterkten. Gemeenschappen en heersers wilden het beste en grootste gebouw dat ze konden hebben, tot eer van God (en ook die van de bouwers): en kathedralen waren een focus voor het beste dat te vinden was in architectuur en kunst, preken in steen en glas-in-lood, kleurrijke hoogbouwwonderen die de bewoners van een vaak lelijke en sombere laagbouwwereld inspireerden.
Wat verklaart dan de blijvende aantrekkingskracht van kathedralen en de emotionele banden tussen deze gebouwen en ons die de herbouw van Notre Dame heeft benadrukt?
Om te beginnen zijn deze gebouwen de dragers van verhalen en identiteiten. Wij mensen houden van een goed verhaal. We willen verhalen horen, zien en vertellen; een verhaal maken van ons eigen leven; deel uitmaken van een groter verhaal dat ons identiteit en betekenis geeft. In kathedralen kun je bezoekers en pelgrims ontmoeten die graag de geschiedenis wilden weten, met andere woorden het verhaal van zo’n geweldige plek en alles wat het bevat. Er zijn de bezoekers die hun eigen verhalen schrijven en op elke toeristische bestemming een foto maken van hun knuffel. En er zijn de mannen en vrouwen op een crisispunt, die in hun eigen verhaal die op zoek gaan naar vergeving of hoop of liefde, en die beginnen te vinden in het grote verhaal van God, van Jezus en het christelijk geloof waarvan een kathedraal getuigt.
Dat vasthouden aan identiteit is natuurlijk niet alleen individueel. De ramp van 2019 met de Notre Dame in Parijs werd over de hele wereld gevoeld, omdat deze kathedraal met haar glorieuze architectuur en haar schatten deel uitmaakt van het verhaal van de wereld waar miljoenen mensen door hun bezoeken en begrip bij betrokken zijn geraakt; een tragedie die natuurlijk het diepst wordt gevoeld in Frankrijk, waar de kathedraal verweven is met de Franse geschiedenis en identiteit. Elke kathedraal, ongeacht haar leeftijd of grootte, draagt het verhaal van haar gemeenschap en haar mensen, maakt deel uit van ons menselijke verhaal, van het jouwe en het mijne. Hun erfgoed is ook het onze. Het verhaal dat een kathedraal vertelt over identiteit, geloof en hoop kan verlevendigen en inspireren.
Aan de andere kant zijn kathedralen getuigen. Kathedralen zijn niet alleen gastheer van staatsgelegenheden: hun rol is om een plek te zijn voor mensen uit een breed geografisch en sociaal gebied om elkaar te ontmoeten en te vieren, te aanbidden, te rouwen, te luisteren en te leren. Het zijn plekken waar we zowel bevestigd als uitgedaagd worden. Of het nu gaat om een lokaal liefdadigheidsconcert om mensen in nood te helpen, een groot bedrijfsjubileum, een seminar of een protestlocatie voor mensen die zich zorgen maken over een actueel politiek, sociaal of religieus onderwerp, de rouwenden van een belangrijke publieke figuur of een dakloze die op zoek is naar waardigheid en onderdak; kathedralen getuigen van de waarde van het menselijk leven voor God. Voor een kathedraal zijn alle mensen geliefd door God en worden er verwelkomd. Terwijl kathedralen een verhaal en identiteit hebben, terugkijken en getuigen van en focussen op een lokale of nationale gemeenschap, kun je je ook een andere aantrekkingskracht voorstellen; die van vooruitkijken en omhoogkijken: ‘vlaggenschepen van de Geest’. Uit een enquête onder bezoekers die kathedralen binnenkwamen, bleek dat slechts 10 procent van hen van plan was om iets spiritueels te doen; maar toen ze naar buiten kwamen, had 40 procent van hen gebeden, een kaars aangestoken, met een geestelijke gesproken of had een dienst bijgewoond.
Kathedralen zijn, net als alle kerken, metaforische voetafdrukken van God in de wereld: spirituele ruimte die is gereserveerd om buiten onszelf en ons dagelijks leven te stappen, om te reflecteren, te bidden en te aanbidden, om een ontmoeting te hebben, de aanwezigheid van God te zoeken.
Bij het ervaren van een Godsontmoeting speelt niet alleen het verstand een rol. Niet voor niets stelt Rahner dat achter zakelijke argumenten tegen het christelijke geloof bijna altijd ervaring de vooronderstelling is – ervaring van de ongrijpbaarheid van God en van het bestaan. Als we stellen dat de moeite met God en met het bestaan niet tot het besluit hoeft te leiden om afscheid van God te nemen, dan volstaat het dus niet om aannemelijk te maken dat God zich bekend kan maken en dat God en mens elkaar ontmoeten kunnen. Dat hetgeen door het verstand begrepen werd als ‘tot de mogelijkheden behorend’ ook feitelijk gebeurt, dat kan het verstand niet aantonen, maar alleen de ervaring, overigens niet zonder de christelijke traditie.
De houding die daarvoor nodig is, is niet meer de bereidwillige inspanning van het verstand dat zoekt naar begrip en niet bang is om daar moeite voor te doen. Als men, nog zonder bevredigend resultaat, het einde van de verstandelijke mogelijkheden bereikt, ‘laten we het dan kort houden: dan kan alleen een sprong in het geheel andere aanbevolen worden’. Die sprong, dat andere, de nu aanbevolen houding is: capitulerend zich overgeven. ‘Men moet zich tegenover de onbegrijpelijkheid die een antwoord belet in deze onbegrijpelijkheid laten vallen, als was het de ware vervulling en zaligheid, en afzien van een antwoord’. Zo’n houding klinkt simpel, bijna naïef: geen vragen meer stellen, en zich overgeven aan God. Het is echter niet het simplisme van de absolute naïviteit. Het loslaten van vragen wordt pas aanbevolen na het stellen en beantwoorden ervan. Als dan blijkt dat Godsontmoeting aannemelijk gemaakt kan worden zonder bewezen te worden, en als dan blijkt dat reflectie de moeite van Godsontmoeting niet kan oplossen, pas dan wordt het tijd voor de eenvoud van ‘een soort nieuwe naïviteit’.
Voor velen leidt juist die onbegrijpelijkheid van God, aldus Rahner , tot het afscheid nemen van God en het christelijke geloof. Want de wortel van twijfel aan God en de daaruit voortkomende diskwalificatie van het christendom is bijna altijd de moeite met God, eerder dan rationele en wetenschappelijke argumenten.
‘Het eigenlijke argument tegen het christendom is de ervaring van het leven, deze ervaring van de duisternis. en ik heb steeds gemerkt dat achter de vakargumenten tegen het christendom van de wetenschappers als laatste kracht en als a priori beslissing vooraf … steeds deze laatste ervaringen van het bestaan stonden, die de geest en het hart duister maken en moe en twijfelend.’
Soms gaat dat afscheid heel heftig, vaker ‘gewoon’ heel geleidelijk en stilletjes. Waarom geloven in iets dat ongrijpbaar blijft? Waarom geloven in iets dat, voorzover het wel te begrijpen en te benaderen is, kwelling betekent? Waarom niet, simpelweg, zich beperken tot het bestaan hier en nu? Waarom niet mijn levensvervulling vinden in de vele goede zaken op aarde?
‘en toch’: er is een andere weg mogelijk. ‘en toch’ is de weg van de geloofstraditie, waarin steeds weer geloofd is dat de verborgen God wel degelijk bestaat, en dat die verborgen God wel degelijk zich laat ontmoeten. Het is mogelijk, zo is de ervaring en de belijdenis van velen voor ons, om in God te blijven geloven en om Gods nabijheid te blijven ervaren. Niet het onbegrip en de kwelling hebben het laatste woord, maar Gods nabijheid. Dat deze traditie tot de mogelijkheden behoort, dat het zinvol is om je aan die traditie over te geven en toe te vertrouwen, en dat je te midden van de moeite simpelweg – voorzover dat simpel is – vol moet houden, dat kan je niet bewijzen. Het kan alleen toegelicht en aannemelijk gemaakt worden, en dan slechts in zoverre iemand welwillend en betrokken wil zijn. Want alleen met welwillendheid en betrokkenheid kunnen woorden verwijzen naar dat wat ermee bedoeld is, kan zo het verband met de eigen ervaring gezocht worden, en kan dus overtuiging groeien.
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Maker van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren voor alle eeuwen, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet gemaakt, één van wezen met de Vader: door wie alle dingen geworden zijn; die om ons mensen en om ons behoud is neergedaald uit de hemelen, en is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de maagd Maria, en is mens geworden; die voor ons ook is gekruisigd onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is en op de derde dag is opgestaan naar de Schriften; is opgevaren naar de hemelen en zit aan de rechterhand van de Vader, en die zal wederkomen in heerlijkheid, om te oordelen levenden en doden; en zijn rijk zal geen einde hebben. En in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die voortkomt uit de Vader [en de Zoon], die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten; in één, heilige, katholieke en apostolische kerk; wij belijden één doop tot vergeving van zonden; wij verwachten de opstanding der doden en het leven in de wereld die komt.
Als christenen hebben we dit jaar iets extra’s te vieren, namelijk de verjaardag van de de Geloofsbelijdenis van Nicea. In 2025 is het 1700 jaar geleden dat het Concilie van Nicea werd bijeengeroepen door keizer Constantijn, en dat de eerste versie van de geloofsbelijdenis opstelde. Er zijn immers niet veel 1700 jaar oude documenten die elke week hardop worden voorgelezen en uit het hoofd worden geleerd door miljoenen mensen over de hele wereld. Toch zullen er veel mensen zullen verbijsterd zijn, zelfs hier onverschillig of afwijzend tegenover staan. Want veel mensen kennen deze geloofsbelijdenis helemaal niet, of als ze dat wel doen, zien ze het als dogmatisch, uitsluitend en verwoord in de obscure taal van de klassieke filosofie uit de vierde eeuw, die weinig relevant lijkt te zijn voor de wereld waarin we vandaag leven.
maar is het echt de moeite waard om te vieren? Laat me een paar redenen noemen waarom ik denk dat het dat is.
Allereerst markeerde 325 een periode van enorme verandering voor het christelijk geloof. De voorgaande 300 jaar sinds de tijd van Jezus had het christendom zich verrassend snel verspreid, maar over het algemeen zonder steun van de rijken of machtigen, en regelmatig vervolgd. Maar aan het begin van de vierde eeuw verklaarde keizer Constantijn zichzelf tot ‘christen’. Er is veel discussie over wat hij daarmee bedoelde; het weerhield hem er bijvoorbeeld niet van om het grootste deel van zijn familie te vermoorden. Maar Constantijn schreef zijn zegevierende keizerlijke campagne toe aan de bescherming van de christelijke God, en begon veiligheid en privileges te bieden aan christenen en hun leiders. Het was Constantijn die het Concilie van Nicea bijeenriep, omdat hij zijn eigen autoriteit wilde laten gelden, maar ook wilde dat deze ontluikende ‘institutionele’ kerk grip kreeg en zich achter hem zou verenigen. Plotseling kregen christenen de kans om de wereld vorm te geven, om de cultuur vorm te geven, van bovenaf en van onderaf. Of dit nu goed of slecht is, en wat het deed en doet met het karakter van het christelijk geloof in de 1700 jaar sinds Nicea is ongetwijfeld iets dat 2025 zal moeten onderzoeken.
Ten tweede bood het Concilie van Nicea een model van besluitvorming dat sindsdien van groot belang is geweest in het christelijk leven. Nicea werd bewust gekozen als de plaats om dit concilie te houden omdat het ongeveer op de scheidslijn lag tussen het oostelijke deel van het Romeinse Rijk, waar Grieks de gemeenschappelijke taal was, en het westelijke deel, waar Latijn de taal van het publieke debat was. Constantijn probeerde zichzelf als enige keizer over beide delen te vestigen en hij riep christelijke leiders uit het hele rijk bijeen in Nicea. We hebben een goed idee van wie er aanwezig waren vanwege de ondertekenaars van de resoluties van het Concilie.
Leiders kwamen uit enkele van de meest rijke en ontwikkelde delen van het Romeinse Rijk, zoals Alexandrië, met zijn beroemde school en bibliotheek. Maar ze kwamen ook uit de eenvoudigste streken, waar het boerenleven de norm was voor zowel de bisschop als de congregaties. Spiridion, nu de patroonheilige van Corfu, was een van de ondertekenaars; hij hield zijn harde leven als herder vol terwijl hij zijn menselijke kudde leidde; Sint Nicolaas van Myra, ja, die we nu kennen als Sinterklaas, was er ook; in totaal waren er waarschijnlijk 200 tot 300 bisschoppen aanwezig, wat de buitengewone verspreiding van het christelijk geloof in het Romeinse Rijk benadrukt. Daarom wordt het Concilie van Nicea het Eerste Oecumenische of wereldwijde Concilie genoemd. Dit was de eerste gelegenheid voor de Kerk om de balans op te maken en haar diversiteit op te merken en ervan te leren.
Dit model van ‘conciliaire’ discussie en bijeenkomsten is de sleutel gebleven tot de manier waarop christenen proberen conflicten op te lossen en beslissingen te nemen, door elkaar te ontmoeten, te discussiëren, te bidden en te luisteren naar stemmen en ervaringen, dit heet consultatie, die de hele diversiteit van de mensheid vertegenwoordigen. Maar niemand kan beweren dat het Concilie van Nicea precies zo’n proces was – er waren bijvoorbeeld geen vrouwen bij het concilie – maar de intentie was significant. In onze eigen tijd van diepe onenigheid tussen christenen zou een toewijding aan de Niceaanse methode van consultatieve besluitvorming een goed uitgangspunt zijn voor het onderzoeken van 1700 jaar van proberen naar elkaar te luisteren, zelfs als we vaak falen.
Ten derde, en het allerbelangrijkste, heeft het Concilie van Nicea natuurlijk de geloofsbelijdenis van Nicea voortgebracht, een beknopte verklaring van wat christenen geloven over God en de wereld en hoe dit het leven veranderd door duidelijk te spreken over de betekenis van dood, opstanding en hemelvaart van Jezus. Maar dee korte, duidelijke uitspraken in de geloofsbelijdenis werden hard bevochten en niet door iedereen geaccepteerd, toen of nu. Ze werden noodzakelijk toen mensen verschillende beschrijvingen probeerden op te stellen van wie Jezus is in relatie tot God, wat steeds duidelijker naar voren bracht hoe fundamenteel deze vraag is voor ons begrip van God, en dus ons begrip van ons eigen doel en bestemming. Sommigen suggereerden dat Jezus gewoon een uitzonderlijk begaafd mens was, begunstigd door God. Maar zo stelden anderen, de wereld is vol met grote profeten, van wie de meesten op zijn best lippendienst ontvangen, maar geen werkelijk verschil maken. Dus stelden andere mensen dat Jezus God was, gekleed in een vermomming maar niet echt, werkelijk, menselijk was Dat suggereert dat God zich niet echt kan verbinden aan de geschapen orde. De meest populaire suggestie in de vierde eeuw, naar voren gebracht door een geleerde leraar genaamd Arius, was dat Jezus iets ertussenin is, niet de eeuwige God, maar ook niet zomaar een mens. Maar dat is het ergste van alle werelden: we kunnen niet vertrouwen op wat Jezus ons laat zien over God of over mensen.
Zo probeerden al deze ‘oplossingen’ Gods transcendentie en anders-zijn te beschermen: God staat boven en buiten het geschapen bestaan en goddelijkheid kan of wil zichzelf niet bezoedelen met de aardse, historische levens die mensen leiden.
De radicale suggestie van de Geloofsbelijdenis van Nicea verwoordt het anders: zij probeert trouw te blijven aan het getuigenis van de Bijbel, dat Jezus werkelijk God is, die onder ons leeft, maar ook werkelijk een mens is, geboren in een bepaalde tijd en plaats in de geschiedenis en een echte, historische dood sterft. Jezus Christus als Zoon van God is absoluut gelijkwaardig aan en moet als even goddelijk geacht worden als de Vader. Aanduidingen als ‘het geloof van Nicea’ of ‘de belijdenis van de 318 vaderen’ werden in de praktijk gebruikt voor iedere formulering die erkende dat Jezus Christus ‘één van wezen met de Vader’ was.
Maar het leven blijft echter altijd sterker dan de leer. In het Westen heeft men de tekst nog op twee punten aangevuld. In de eerste plaats hebben de woorden ‘God uit God’ vanuit de oorspronkelijke formulering van Nicea 325 ook in de nieuwe tekst (die dus eigenlijk van Constantinopel 381 is) weer een plaats gekregen. Zo horen we dus in het Latijnse Credo: deum de deo, lumen de lumine, deo uerum de deo uero (God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God),
Deze aanvulling is eigenlijk puur stilistisch van aard, en herstelt de oorspronkelijke drieslag. In de de meest gebruikte Nederlandse tekst is deze aanvulling weer ongedaan gemaakt.
Een tweede aanvulling is ingrijpender: het ‘uitgaan’ van de Geest is op zeker moment in de vroege middeleeuwen niet alleen als ‘van de Vader’ maar ook als ‘van de Zoon’ opgevat. Het gaat hier om een uitbreiding van slechts één woord in het Latijn (filioque), maar deze aanvulling is officieel door de oosters-orthodoxe kerken afgekeurd en door de Rooms-Katholieke Kerk bekrachtigd. Niet alleen verschil van onderliggende theologische inzichten maar meer nog het eigenmachtig wijzigen van een bindende tekst houden sinds die tijd op dit punt de kerken van het Oosten en het Westen gescheiden.
En dat moet betekenen dat de Almachtige God niet denkt dat het Gods macht en majesteit in gevaar brengt om te komen en ons leven te delen. Maar het betekent ook dat de volledige leven gevende kracht van God niet alleen ‘buiten’ maar ‘binnen’ de wereld is.
Dus waarom is deze belijdenis nog steeds belangrijk? Vier simpele redenen:
1) Omdat het in principe om identiteit ging, en de vraag naar Christus’ identiteit is nog steeds belangrijk.
2) Omdat we nog steeds mensen zien die Jezus Christus als bovenmenselijk beschouwen – niet echt een van ons, of halfgoddelijk – niet God in dezelfde zin als God de Vader. Want als we werkelijk interkerkelijk willen zijn, over verschillende denominaties heen, maar ook door de tijd heen, moeten we bevestigen dat Gods Zoon en Geest echt van de ene God zijn. Al in de tweede eeuw karakteriseerde de eerste grote christelijke theoloog, Irenaeus, het Woord en de Geest als Gods twee handen; we kunnen ons voorstellen dat de Drie-eenheid zich eerst uitstrekt om ons te scheppen en ons vervolgens te omarmen met Gods verlossende liefde.
3) Omdat het betekent dat we naar Jezus kunnen kijken en daar een glimp kunnen opvangen van Gods eigen liefdevolle gezicht; niet alleen een vaag beeld, maar de realiteit zelf.
4) En omdat alleen God ons naar Gods eigen beeld kon herscheppen en ons tot nieuw leven kon verwekken.
Hoe kijken we terug op 2024 wat betreft het christendom, de christelijke kerk? Werden we verder in een hoek gedreven of was zoals sommigen zeggen ‘de verrassende wedergeboorte van het geloof in God?’
Want in de afgelopen jaren en in 2024 hebben we een stroom publieke figuren gezien die verschillende gradaties van interesse in het christendom aangaven, of zelfs voluit geloofden. Sommigen… zijn belijdende gelovigen (Francis Spufford, Nick Cave), sommigen hebben een beetje in de kerkportiek rondgehangen (Tom Holland, Philip Goff), anderen zitten nog steeds op een bankje in het voorportaal (Alain de Botton). En dan is er Ayaan Hirsi Ali (die meezingt vanaf de kerkbanken), Jordan Peterson (soms op de preekstoel, soms in het koor) en zelfs Richard Dawkins (die glimlacht bij de uitvoering van Stille Nacht door het koor terwijl hij voorbijloopt).
In de Verenigde Staten gebeurd iets vergelijkbaars. Maar dan ingewikkelder. De alliantie van het evangelicalen met Donald Trump is op zijn zachtst gezegd problematisch. (zie hiervoor het boek van Kristin Kobes Du Mez Jesus and John Wayne. How White Evangelicals Corrupted a Faith and Fractured a Nation).
J.D. Vance, aankomend vice-president, is een serieuze christen, die de reis heeft gemaakt van een evangelische kerkelijke opvoeding, via studentenatheïsme naar een conservatief rooms-katholicisme. Eerst noemde J.D. Vance zich een ‘never-Trumper’ en vond Trump ‘idioot’ en ‘schadelijk’. Vance ging zelfs zover dat hij zich afvroeg of Trump niet ‘de Hitler van Amerika’ zou zijn. Geleidelijk aan veranderden zijn opvattingen over Trump. J.D. Vance koesterde politieke ambities en moest een kamp kiezen. Uiteindelijk veranderde hij van een uitgesproken tegenstander in één van Trumps felste verdedigers in de Senaat.
J.D. Vance belichaamt waar een groot deel van de huidige generatie Republikeinen in gelooft. Hij komt uit de ‘vergeten’ blanke onderklasse, maar werkte zich omhoog op een manier die past in het klassieke verhaal van de American Dream.
Op lokaal niveau zijn er eveneens veel verhalen over mensen die kerken binnenstappen, op zoek naar een soort betekenis in het leven en zich opnieuw of voor het eerst bezighouden met het geloof. Soms is het de krachtige emotie van charismatische of pinksteraanbidding, soms de majesteit van de gebouwen, het mysterie van katholieke liturgie (Stephan Sanders, Willem Jan Otten, Kristien Hemmerechts) of de oosters orthodoxe liturgie die jongeren trekt.
Mijn mening hierover, voor zover het iets waard is, is dat de westerse cultuur tijdelijk of definitief geen kracht meer heeft. In de twintigste eeuw kwamen zowel het fascisme als het communisme op en gingen ten onder. Francis Fukuyama verklaarde het ‘einde van de geschiedenis’ in de triomf van het seculiere, liberale, consumentenkapitalisme. Maar ook die lijkt opgedroogd, en wordt steeds meer als spiritueel hol en politiek verdacht ervaren. De ‘wokecultuur’ was een poging om een reeks morele waarden te herstellen om de onaangename en onrechtvaardige effecten van de ongebreidelde markt in te dammen, maar de strijdbaarheid en agressiviteit ervan, de poging om aspecten van de natuurlijke orde te weerstaan, om nog maar te zwijgen van de aanname van een destructieve fixatie op een reductionistische identiteitspolitiek, heeft een eigen terugslag gegenereerd.
Nick Cave verwoordde het goed in een recent interview: ‘mensen hebben behoefte aan betekenis, en de seculiere wereld heeft die niet bedacht.’ De eeuwige menselijke zoektocht naar doel en betekenis is niet verdwenen, en er is niet veel te bieden in de seculiere cultuur. Dus staan mensen plotseling open voor het verkennen van meer oude voorraden wijsheid.
Misschien is de grootste ironie van alles dat juist op het moment dat we misschien de opkomst van een openheid voor het spirituele, het ‘numineuze’ (het goddelijke) en het religieuze zien, de kerk niet in staat lijkt te zijn om daarvan te profiteren.
Dus, wat zijn de vooruitzichten voor 2025? Aan het einde van zijn monumentale en steeds invloedrijker wordende werk The Master and his Emissary, maakt neurowetenschapper Iain McGilchrist (zelf geen christen) een veelzeggend punt: ‘De westerse kerk is naar mijn mening actief bezig geweest zichzelf te ondermijnen. Ze heeft niet langer het vertrouwen om vast te houden aan haar waarden, maar sluit zich in plaats daarvan aan bij het koor van stemmen dat materiële antwoorden toeschrijft aan spirituele problemen. God is het interessante aan religie, en mensen hongeren naar God. We kijken naar de kerk om ons een ervaring van God, mysterie, heiligheid en gebed te geven die, hoewel het misschien niet de tegenstellingen van de natuurlijke wereld oplost, ons in contact zal brengen met de bovennatuurlijke wereld die een eeuwig leven zal brengen. Alleen de terugkeer van sterke religie, een religie die eisen stelt, dwingende verklaringen biedt voor de problemen van dood en lijden, en gelovigen een gevoel van verbondenheid met de levende God geeft, heeft enige hoop om te concurreren op de postchristelijke markt.’
Nee, in 2024 is religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder nooit ver van de voorpagina’s geweest, ten goede noch ten kwade.
God is niet weggegaan. En de Kerk zal, als ze het beste wil halen uit een periode waarin mensen in de problemen weer naar haar kijken, daar misschien aandacht aan moeten besteden.
De eerste man die ik in deze Adventstijd voorstel is een priester: een man van gebed dus, geroepen om het volk voor te gaan in de offerdienst. Zijn naam betekent: bij de HERE is gedachtenis. Want God is zijn volk niet vergeten en werkt ‘achter de schermen’ aan de verlossing. Samen met Elisabeth heeft hij maar één verlangen: God de Here met een volkomen toegewijd hart dienen. Ze zijn te oud om nog kinderen te krijgen. In Zacharias en Elisabeth ontmoeten we mensen die ‘model staan’ voor de gelovige Rest van Gods volk in een tijd van onderdrukking.
Twee weken per jaar doet Zacharias dienst in de tempel. Slechts één keer in je leven mag je als priester in het heilige komen om het reukoffer te brengen. Dit is dus de gelukkigste dag uit zijn leven. En dan verschijnt er ook nog een engel! Zacharias staat hier overigens niet als privépersoon: hij is ambtsdrager, buiten staat het volk te bidden, de engel verschijnt niet bij hem thuis, de te geven naam is geen familienaam. Tegelijk worden we wel deelgenoot gemaakt van Zacharias’ emotionele reactie (ontroering en angst), kondigt de engel blijdschap en vreugde voor hem persoonlijk aan en horen we Zacharias’ persoonlijke reactie: ‘Dit kan toch niet waar zijn?’ En we kunnen het nog wel begrijpen ook… Mocht je van deze oude man niet veel meer geloof verwachten? De Bijbel doorbreekt hier ons vaak wat stereotype denken over oud en jong: ‘Ouderen zijn wijzer en geloviger; jongeren moeten vooral nog veel leren.’ Maar hier blijkt dat oud-zijn niet per definitie betekent: verder zijn op de weg met God. Straks komt Maria in beeld, een kind nog eigenlijk. En zij gelooft met hart en ziel.