Er wordt weer druk met God gezwaaid
in het huidige conflict tussen
Amerika en Israël aan de ene kant
en Iran aan de andere kant.
Alsof Hij een vlag is die je op een tank kunt hijsen.
Aan de ene kant van het front klinkt
“Allahu akbar”, heilige oorlog
aan de andere kant Bijbelteksten.
En ergens daar tussenin vliegen de raketten.

In Iran noemen ze Amerika
sinds tijden al de Grote Satan.
Israël is de Kleine Satan.
Handig taalgebruik.
Als je je vijand eerst tot satan verklaart,
hoef je daarna nergens meer over na te denken.
Tegen satan mag je alles.
Dan wordt oorlog
ineens een soort morele schoonmaakactie.

Maar laten we niet doen
alsof alleen Teheran religieuze taal misbruikt.
Ook in Washington en Jeruzalem
klinkt het behoorlijk religieus.

Benjamin Netanyahu
vergeleek de Iraanse leider Khamenei
met Haman uit het Poerimverhaal.
Een tiran die het Joodse volk wil vernietigen.
Vervolgens haalde hij de profeet Amos aan:
“De leeuw heeft gebruld.”
En jawel:
de militaire operatie heet prompt Brullende Leeuw.
Het klinkt indrukwekkend.
Bijbels zelfs.
Maar uiteindelijk
blijft het gewoon
een bombardement met een slogan.

Nog apocalyptischer maakt
Pete Hegseth het,
de Amerikaanse minister van Defensie.
Die ziet de oorlog
niet alleen als een geopolitieke strijd,
maar als een geestelijke.
Soldaten die bereid zijn hun leven te geven voor land,
voor hun eenheid en Schepper
zouden het eeuwige leven ontvangen.
We weten dat we een fysieke strijd voeren,
maar uiteindelijk staan we
(…)
op een geestelijk slagveld.
We zijn niet alleen strijders,
gewapend met het arsenaal van de vrijheid,
we zijn uiteindelijk ook gewapend
met het arsenaal van het geloof,
en dat zijn we al vanaf het begin.

Dat is nogal wat.
Normaal gesproken
moet je voor eeuwig leven
toch echt bij Jezus zijn,
niet bij het Pentagon.

Hegseth heeft ook een Jeruzalemkruis
op zijn borst getatoeëerd:
het symbool van de kruisvaarders.
Die gingen ooit ook
met heilige overtuiging
naar het Midden-Oosten.
Met het zwaard in de hand
en vergeving van zonden op zak.
Het resultaat kennen we:
bloedbaden, plunderingen
en een geschiedenis
waar zelfs vrome christenen
tegenwoordig liever niet te lang
bij stilstaan.

Religie en oorlog
vormen sowieso een gevaarlijk mengsel.
Zodra leiders beginnen te praten
over “Gods strijd”,
moeten er alarmbellen gaan rinkelen.
Want de geschiedenis leert één ding:
iedereen denkt dat God aan zijn kant staat.

Hitler sprak over voorzienigheid.
De Boeren én de Britten
baden allebei om overwinning
in Zuid-Afrika.
In het Oude Testament
sleepten de Israëlieten
zelfs de ark het slagveld op,
alsof God een mascotte was.
Ze verloren alsnog.

En nu gebeurt iets vergelijkbaars.
Amerikaanse militairen
klagen dat commandanten
de oorlog tegen Iran presenteren
als een door God gewilde strijd.
Sommige officieren hebben
het zelfs over Armageddon.
De eindstrijd.
Alsof een briefing in het leger
ineens een Bijbelstudie
over Openbaring is geworden.

Dat is niet alleen theologisch twijfelachtig,
het is ook gevaarlijk.
Want wie denkt
dat hij Gods plan uitvoert,
voelt zich zelden nog geremd.

Laat één ding duidelijk zijn:
staten voeren oorlog om macht,
om veiligheid, grondstoffen en invloed.
Niet om het Koninkrijk van God te vestigen.
Wie dat wel beweert, gebruikt religie als camouflage.

Dus misschien een bescheiden voorstel:
laat God even van buiten het slagveld.
Geen Bijbelteksten op raketten.
Geen kruisvaarderssymbolen op uniformen.
Geen Armageddon in militaire briefings.

Dit is geen heilige oorlog.

Dit is geopolitiek.
Met bommen.
En heel veel vrome retoriek eroverheen.

 

Een goed gesprek. Daar knapt een mens van op.
De meeste gesprekken die we voeren,
gaan over alledaagse dingen.
Over het weer. Over werk.
Over voetbal of wat je hebt gegeten.
Dat is helemaal niet verkeerd.
Dat hoort erbij.
Het is een beetje zoals apen elkaar vlooien:
maar wij doen dat met woorden.
Het schept vertrouwen, het houdt ons bij elkaar.

Maar soms gebeurt er iets anders.
Soms kom je in een gesprek dat dieper gaat.
Dan gaat het niet meer over koetjes en kalfjes,
maar over wat jou bezighoudt.
Over wat pijn doet.
Over waar je naar verlangt.
Over wie je bent.
In zo’n gesprek is er ruimte en veiligheid.
De ander luistert echt,
zonder meteen met een eigen verhaal te komen.
Je mag je hart laten spreken.

De veertigdagentijd is precies zo’n tijd.
Een tijd om even stil te staan.
Om niet alleen maar door te hollen,
maar om eerlijk te kijken:
wat leeft er in mij?
Waar heb ik dorst naar?

Het verhaal van Jezus en de vrouw bij de bron
is zo’n echt gesprek.
In eerste instantie lijkt het
alsof ze elkaar niet begrijpen.
Zij heeft het over gewoon water.
Jezus over levend water.
Zij denkt praktisch:
“Mooi, dan hoef ik niet meer elke dag naar die put.”
Maar Jezus schuift het gesprek een andere kant op.
Over haar leven. Over haar relaties. Over wie zij is.

En toch gebeurt er iets wezenlijks.
Dit gesprek verandert haar.
En het verandert ook Jezus.
Dat is misschien wel het kenmerk
van een echt gesprek:
je komt er anders uit dan je erin ging.
Er is van alles bijzonder aan deze ontmoeting.
Jezus reist door Samaria.
Dat deed je eigenlijk niet.
En Hij spreekt een vrouw aan.
En dan ook nog midden op de dag,
bij de bron,
op een moment dat je liever niet gezien wordt.
En toch gaat hij met haar in gesprek.
Zonder oordeel. Zonder haast.

In dit verhaal zitten allerlei lagen.
Het gaat over water dat je dorst lest,
maar ook over een diepere dorst.
Over de bron waar jij uit leeft.
Is dat een put met stilstaand water?
Of een bron waar het water blijft stromen?
De vrouw begint te begrijpen
dat Jezus meer is dan een gewone man.
Ze noemt hem een profeet.

En dan zegt Jezus iets heel bijzonders:
“Ik ben het, die met u spreekt.”
Voor het eerst zegt hij zo openlijk wie Hij is.
Juist tegen haar. In een gesprek. Van mens tot mens.

Dat maakt dit verhaal zo passend voor de veertigdagentijd.
Het is een tijd van eerlijke gesprekken.
Met jezelf.
Met God.
Misschien met een ander.
Gesprekken waarin je niet hoeft te doen alsof alles klopt.
Waarin je mag zeggen wat er werkelijk speelt.
De vrouw zegt later in haar dorp:
“Kom mee, ik heb iemand ontmoet die alles van mij weet.”
Dat klinkt misschien spannend, maar het is vooral bevrijdend.
Gekend worden, zonder veroordeeld te worden.
Dat is wat Jezus doet.
God aanbidden in geest en waarheid betekent:
eerlijk zijn. Jezelf niet mooier maken dan je bent.
Je hart openen.

En nog iets.
Dit gesprek overbrugt verschillen.
Tussen man en vrouw.
Tussen Jood en Samaritaan.
Tussen verschillende manieren van geloven.
Jezus zoekt niet naar gelijk krijgen,
maar naar verbinding.
Dat is ook voor ons een opdracht.
Zeker in deze tijd.
Een echt gesprek brengt je niet verder in je eigen gelijk,
maar opent je voor de ander.

Dus de vraag voor deze veertigdagentijd is:
waar put jij uit? Wat lest jouw dorst?
Is het genoeg om vast te houden aan wat altijd zo was?
Of durf je te zoeken naar levend water?
Want stilstaand water droogt op.
Levend water blijft stromen.

 

Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Paulus doet iets wat wíj meestal vermijden:
hij kijkt eerlijk terug op zijn leven.
Niet sentimenteel,
maar boekhoudkundig.
Winst links. Verlies rechts.
En geloof me:
vóór zijn bekering stond die winstkolom ramvol.

Perfect Joods. Achtste dag besneden. Ras-Israëliet.
Stam Benjamin. Moedertaal Hebreeuws. Farizeeër.
Wet tot in de puntjes nageleefd.
Voor God en mensen: onberispelijk.
Religieuze LinkedIn op standje indrukwekkend.

En ja, oké, hij vervolgde christenen.
Fanatiek zelfs.
Maar ook dat deed hij “uit overtuiging”.
Met ijver. Met passie. Alles klopte.

Totdat hij Jezus ontmoet.

En dan keert de hele balans om.
Alles wat eerst winst was, schuift naar verlies.
Niet voorzichtig. Niet onder voorbehoud
Nee: afval. Vuilnis. Rioolspul.
Paulus gebruikt een woord dat je beter vertaalt met:
door de wc gespoeld. Weg ermee.
Want als je het bewaart, gaat het stinken.

Was dat allemaal slecht?
Nee.
Maar het stond in de weg.
Het gaf hem het gevoel dat hij zichzelf wel kon redden.
En precies dát moest weg om Christus te winnen.

Want bij Jezus is geen ruimte voor eigen verdienste.
Geen spirituele cv.
Geen “ik heb het toch netjes gedaan?”.
Wie zichzelf rechtvaardigt,
heeft Christus niet nodig.
En wie Christus wil kennen,
moet zijn eigen gelijk loslaten.

En dan zegt Paulus iets wat schuurt.
Hij zegt: ik wil Christus kennen
en de kracht van zijn opstanding ervaren.
Dat klinkt goed.
Leven. Hoop. Overwinning.
Maar hij gaat verder:
door te delen in zijn lijden.
Door aan hem gelijk te worden in zijn dood.

Pardon?

Dat stond niet in de reclamefolder.
We willen leven, niet lijden.
Groei, geen kruis.
Maar Paulus kiest hier bewust voor.
Waarom?
Omdat juist dáár die opstandingskracht zichtbaar wordt.

Het woord dat hij gebruikt voor “kracht” is dynamiet.
Explosieve kracht.
Niet om problemen te ontwijken,
maar om er dwars doorheen te breken.
Blokkades verdwijnen.
Angst. Weerstand. Zelfs de dood.

De kerk groeit niet ondanks verdrukking,
maar vaak erdoorheen.

Het bloed van martelaren werd zaad.
Dat is geen romantiek, dat is geschiedenis.
En het geeft hoop.
Ook nu, nu geloof krimpt
en de kerk naar de rand schuift.

Paulus twijfelt niet aan de toekomst.
Als hij zegt: “hoe dan ook zal ik opstaan”,
bedoelt hij geen onzekerheid,
maar vertrouwen.
Hij weet niet hóé het zal gaan.
Maar dát het zal gebeuren, staat vast.

Christus kennen is geen denkspel.
Het is je hele leven inzetten.
Met winst én verlies.
Met dood én leven.

Het graf is niet het eindpunt.
De kracht van de opstanding werkt al.
En zal afmaken wat God begonnen is.

Alles door de wc.
En toch rijker dan ooit.

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Moet je eigenlijk heel slim zijn om in God te geloven?
Of juist een beetje dom?

Vraag het op een universiteit en je weet het antwoord al.
Evolutie regelt het leven. Natuurkunde regelt het heelal.
Psychologie regelt ons hoofd.
God? Overbodig. Oud idee.
Geloof is iets voor wie het allemaal niet zo scherp ziet.

En toch hoor ik in de kerk juist het omgekeerde.
Niet: “Wat is geloven makkelijk.”
Maar: “Ik vind het zo ingewikkeld.”
Die dikke Bijbel.
Zonde, verlossing, kruis, opstanding, eeuwig leven.
Onzichtbaar. Ongrijpbaar.
Tweeduizend jaar oud. Dat geloof je toch niet zomaar?

Welkom in de veertigdagentijd!
De tijd waarin het christelijk geloof ook níét probeert makkelijk te zijn.
Geen paashaas, geen halleluja. Maar stilte. Schuren. Het kruis.

Paulus wist daar alles van.
In Korinthe liep hij niet te scoren met slimme praatjes.
Dat was nou juist dé stad van slimme praatjes.
Filosofen, denkers, debaters.
Maar Paulus deed niet mee.
Geen mooie woorden. Geen logische bewijzen.
Hij kwam met één boodschap:
Jezus Christus – en die gekruisigd.

Dat was ongeveer het domste wat je daar kon zeggen.

Een God die mens wordt?
Een God die sterft?
Aan een kruis nog wel?

Dat paste totaal niet in hun wereldbeeld.
Net zo min als het vandaag past in het onze.
Wij geloven in vooruitgang, zelfontplooiing en controle.
En dan komt die veertigdagentijd ineens
met een God die verliest, lijdt en zwijgt.
Dat botst.
Logisch dat je gaat twijfelen.

Twijfel is geen teken dat je niet gelooft.
Twijfel is vaak juist een teken dat je wakker bent.

Paulus zelf was bang en onzeker.
Hij zegt het gewoon: zwak, bevend, geen succesverhaal.
In anderhalf jaar tijd vijftig mensen overtuigd.
Dat is geen TED Talk. Geen bestseller.

Maar hij hield vol.
Niet omdat hij alles begreep.
Niet omdat hij slimmer was dan de rest.
Maar omdat hij Jezus ontmoet had.
Dat ene moment had
zijn hele wereldbeeld omgegooid.
Alsof hij ineens ontdekte
dat de aarde niet plat was, maar rond.

En dát is misschien wel de kern van de veertigdagentijd.
Niet: alles zeker weten.
Maar durven loslaten wat vanzelfsprekend voelt.
Durven luisteren naar een verhaal dat niet lekker ligt.
Dat schuurt met wat iedereen zegt.

De vraag is dus niet: ben je slim of dom?
De vraag is: waar luister je naar?

Naar het lawaai van meningen, nieuws en tijdlijnen?
Of naar die stille Man aan het kruis,
die zegt dat liefde sterker is dan macht?

De veertigdagentijd vraagt geen bewijsdrang.
Ze vraagt eerlijkheid.
En misschien ook moed.

Want voor die liefde aan het kruis
is niemand te slim.
En niemand te dom.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

 

Wanneer we alles hebben bereikt, de hoogste berg hebben beklommen,
de hoogste titel hebben ontvangen en de meeste punten hebben behaald,
ervaren we nog steeds een innerlijke leegte, een innerlijke onrust.
Ons verlangen wordt kennelijk gevoed door iets anders
dan wat we kunnen zien, waarnemen en bereiken.
Niets buiten onszelf kan die onrust wegnemen of de leegte vullen.
We zullen pas tot rust komen als we de innerlijke bron vinden.
De bron die nooit opdroogt, die geborgenheid en veiligheid geeft
en die put uit liefde die nooit eindigt.
Die bron brengt ons bij onze diepste zielenroerselen
en bij lagen in onszelf die raken aan dimensies die mijzelf overstijgen.
Tijdens de zoektocht naar dat diepste verlangen
kom je niet alleen bij vragen als:
‘Wie ben ik?’ ‘Wat doen ik hier?’,
maar steekt ook een andere vraagde kop op:
‘Welk spoor wil ik in deze wereld achterlaten?’
Als je allerlei ontwikkelingen om je heen ziet
kan je dat soms onrustig maken:
bevolkingsgroepen die zich steeds meer tegen elkaar afzetten,
onrust in de wereld, oorlogen, klimaatverandering, gigantische bosbranden.
En dan zijn er nog de problemen op langere termijn:
verarming van een groot deel van de wereld, verwoestijning,
het stijgende water dat ook ons hier in Nederland zal treffen.
In gedachten gaat het dan wel eens door je heen.
Kan het ook heel anders gaan?
Deze wereld omgekeerd, in positieve zin – zou dat ook kunnen?
Een kanteling van alle bedreigende ontwikkelingen,
zodat we weer opgelucht adem kunnen halen.
Vaak denken we:
het is allemaal te groot om aan te pakken
en wat heeft het voor zin als alleen wij ons hier in zouden zetten
dan moet iedereen meedoen.
Of zou je toch het vertrouwen moeten hebben, dat het zo ver komt,
dat iedereen bij zichzelf wil beginnen?

Je kunt in alle fasen van de geschiedenis over zoiets nadenken.
Komt dat dan voort uit de inzet van mensen? Mentaliteitsverandering?
Is het iets dat ons aangereikt wordt… God weet waarvandaan?
Jezus geloofde in ieder geval dat het kòn
en dat het absoluut zou gaan gebeuren.
Want – zo geloofde hij –
de werkelijkheid is geen onbeweeglijk massief blok
onze wereld vindt zijn grondslag in God, die in en door ons werkt.
De kracht van zijn Geest doortrekt ons.
En dat maakt Jezus vol vertrouwen.
Als je dit allemaal beseft en gelooft, zegt hij, ben je intens gelukkig
ook als je het nu nog niet ziet.
We naderen het kantelpunt: deze wereld omgekeerd.

Jezus zegt in de lijn van Mozes: het begint met Thora:
het volgen van Gods leefregels en recht doen aan elkaar.
Maar je zou ook het vertrouwen moeten hebben, dat waar wij ons inzetten,
de liefde en de vrede van God door ons heen werken.
En dat er dus een omslag kan komen:
een nieuwe wereld, een Rijk van liefde en vrede.
Het kantelpunt is al gekomen.
Diep gelukkig ben je als je vanuit dat vertrouwen leeft
en als je je vandaar uit inzet.

Hebben wij hier nu ook iets aan in het gewone leven?
Lukt het ons om intens gelukkig te zijn bij wat we nog niet zien?
Dat zal niet altijd gaan.
Toch denk ik, dat Jezus’ woorden nog steeds een bezielende kracht hebben.
Ze stellen ons de vraag: hoe kijk jij naar onze wereld?
Zie je alleen maar met zorgelijkheid allerlei ontwikkelingen aan:
klimaatveranderingen, aantasting van het leven, polarisatie,
uitbarsting van geweld, ongelijkheid tussen mensen.
Als was het niet meer dan het lot van onze wereld.
Of geloof je toch in die kanteling: deze wereld omgekeerd.
Geloof je dat God, in alles diep verscholen,
ons niet loslaat, maar aanspreekt.
Pak het dan allemaal weer op:
de troost die je elkaar geeft, de inzet voor verbetering,
de weg van de eerlijkheid.
Geloof dan dat het kan kantelen, de goede kant op.
Diep gelukkig ben je als je je daaraan toevertrouwt.

 

Generatie Z, ook wel Gen Z of Zoomers genoemd,
zijn mensen geboren tussen ongeveer 1997 en 2012.
Ze staan bekend als ‘digital natives
omdat ze zijn opgegroeid met internet en smartphones,
wat hun snelle informatieverwerking
en aanpassingsvermogen aan technologie verklaart.
Belangrijke kenmerken van deze generatie zijn
hun aandacht voor sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit,
duurzaamheid en authenticiteit,
en de focus op persoonlijke ontwikkeling
en balans tussen werk en privé.
Generatie Z vertoont een opvallende trend
van hernieuwde interesse in geloof en de kerk,
wat de gebruikelijke trend van afnemend geloof doorbreekt.
Deze interesse wordt gedreven door een zoektocht naar zingeving
en een onbevangen openheid om tradities te verkennen,
vaak via sociale media.
‘Juist in deze tijd met veel onduidelijkheid
zijn we op zoek naar standvastigheid.’ wordt dan gezegd.
Hoewel er een algemene opleving is,
wijzen sommige onderzoeken uit
dat Gen Z-mannen vaker kerken bezoeken
en dat vrouwen vaker religieus onafhankelijk zijn.

Hoewel Generatie Z zeker een hernieuwde interesse in Jezus toont,
distantiëren ze zich tegelijkertijd van de kerk.
Dit lijkt misschien een tegenstrijdigheid.
Want hoe kan iemand, laat staan een hele generatie,
Jezus zoeken zonder zich met de kerk in te laten?
Dit fenomeen zou je kunnen beschouwen
als een contradictio in terminis,
of is dit misschien een opkomende trend?

Avonturier Bear Grylls verwoordde onlangs
een sentiment dat, naar mijn mening,
precies de essentie van de ‘nieuwsgierigheid naar Jezus’
van Generatie Z weergeeft
en hun zoektocht naar betekenis
buiten de traditionele kerkelijke context.
Zijn woorden wijzen op een diep menselijk verlangen:
een authentieke, oprechte en rauwe hoop
op iets of iemand
die een persoonlijk antwoord biedt
op de diepe mysteries van het leven.

Hij zei:
Ik wil dat mensen weten dat de Jezus
die ik uiteindelijk ontdekte
intiem, mooi, sterk, zachtaardig, relevant,
levensveranderend en levensverrijkend is.
Mensen stellen me de vraag:
“Wat trekt je aan in Jezus?”
Het is moeilijk, want het is alsof je probeert te zeggen:
wat vind je mooi aan het bloed
dat door en rond je lichaam stroomt,
of aan het water in de woestijn?
Het is alsof je probeert te leven zonder dat bloed?

Ik denk dat een groot deel van deze verschuiving;
deze hernieuwde interesse in de persoon van Jezus;
terug te voeren is op hoe de coronapandemie
ons leven heeft veranderd,
en met name dat van Generatie Z.
Het droeg bij aan een nieuw en diep gevoel
van wanhoop, een crisis van betekenis
in alles wat we dachten te weten.
Toen de pandemie toesloeg werden dagelijkse routines,
zowel religieuze als wereldlijke, doorbroken.
Het leven zoals we dat kenden,
werd stilgelegd
en we moesten buiten die routines kijken
en naar wat we dachten te weten
en in praktijk te brengen.
We zaten vast in onze huizen,
vaak alleen en geïsoleerd.
Het gaf ons tijd om na te denken.
Het creëerde ruimte om grotere,
meer existentiële vragen te stellen
en de essentie van zingeving
en betekenis te verkennen.
We werden allemaal gedwongen
om het leven en wat we wisten
door een nieuwe lens te bekijken.
En voor Generatie Z was dit een katalysator.

Opvallend is dat deze bredere trend
van hun afwijzing van religieuze instellingen
een gepersonaliseerde, authentieke
en maatschappelijk relevante spiritualiteit bevordert.
Deze trend wordt gekenmerkt
door hoe ze onderscheid maken
tussen de figuur van Jezus en de instelling,
terwijl ze op zoek gaan
naar een dieper begrip van Hem
via ongebruikelijke middelen.
In plaats van bijvoorbeeld in de kerkbanken te zitten,
verkennen ze de populaire tv-serie The Chosen
en overpeinzen ze de zeer menselijke
en eerlijke teksten van nieuwe artiesten
zoals Forrest Frank,
die beiden een toegankelijke weergave van Jezus bieden.

In een wereld waar digitale perfectie voorop staat,
zoekt Generatie Z dus naar iets buiten de traditionele kerk,
iets authentieks, een oprechte verbinding met iets reëels,
iets voorbij deze tastbare wereld.
Jezus vertegenwoordigt voor hen deze authenticiteit,
iemand bij wie ze terechtkunnen met vragen
en antwoorden kunnen vinden
die mogelijk hun diepste nieuwsgierigheid bevredigen:
Waarvoor zijn wij op aarde?
Wat doen we?
Is er meer?

Het interessante aan deze postchristelijke generatie
is dat ze het geloof niet opgeven
of spiritueel apathisch worden,
zoals velen zouden vermoeden;
Hun verkenning is eerder
een oprechte reis naar een oprecht geloof,
waardoor sommigen hen beschouwen
als de meest spirituele,
niet-religieuze generatie tot nu toe.

Deze toename van nieuwgierigheid
betekent niet dat het christendom zijn relevantie verliest.
Integendeel, het bewijst dat er iets nieuws, iets rauws, opkomt
en een verschuiving in het spirituele landschap veroorzaakt.
Het herdefinieert labels
en verandert oudere definities
die misschien niet meer passen.
Het onderliggende menselijke verlangen blijft een constante:
een zoektocht naar een diepere betekenis in het leven.

Als we kijken naar deze generatie
en haar oprechte onderzoek naar de diepere dingen,
zien we een spirituele vernieuwing,
een schijnbare wereldwijde opleving,
ongekend in de afgelopen decennia
binnen een postchristelijke samenleving.
Sommigen noemen het de Stille Opwekking.
Generatie Z wil niets veinzen.
Ze ‘willen het gewoon uitzoeken’.
Ze zijn op een ware zoektocht.
Centraal in hun reis staat Jezus,
niet religie en niet de kerk.

Het is een zoektocht naar iets ongrijpbaars, iets onmeetbaars.
om die te vinden, te zien en te kennen.
Op zoek naar wat Paulus in Romeinen 1 vers 20
Gods onzichtbare dingen noemde:
Zijn eeuwige kracht en goddelijke natuur,
die duidelijk zichtbaar zijn in de schepping.
Dit betekent dat hoewel je God niet direct kunt zien,
je zijn eigenschappen kunt leren kennen
door naar de zichtbare wereld te kijken.