Pinksteren-L-uitsnijding-20190527_155808-770x1024

naar aanleiding van Romeinen 8:14-17

In deze tijden van corona is er ook aandacht voor verzekeringen.
Ik las dat organisatoren van grote evenementen een verzekering hadden
voor situaties als waarin wij nu leven: een pandemie.
Dit keer konden ze er nog beroep doen zei de verzekeraar,
maar deze ‘calamiteit’ zal in de toekomst uitgesloten worden van dekking.
Ja, wat heb je dan aan zo’n verzekering?
Waarom zou je verzekerd willen zijn?
Het woord zegt het al, het heeft met zekerheid te maken.
Maar daaronder zit denk ik nog iets anders: angst. Dat je ergens bang voor bent.
Bang voor wat er kan gebeuren in je leven, en angst voor de gevolgen.
Je kunt ziek worden – en dan? Je kunt geen gezondheidsgarantie kopen,
maar je kunt je in elk geval verzekeren voor de beste zorg.
Ja, zelfs tegen het ultieme risico kun je je verzekeren:
een overlijdensrisicoverzekering.
Maar of het nu echt helpt? Je risico op overlijden wordt er niet kleiner door…
Zo is eigenlijk het met alle verzekeringen:
ze kunnen dat wat je vreest niet wegnemen, ze verzachten alleen de gevolgen.
Met Pinksteren hebben we het over een heel andere verzekering,
één die wel altijd helpt en alles altijd dekt:
de verzekering die de Heilige Geest geeft.
Een geweldige verzekering te midden van alles wat er kan gebeuren in het leven!

Eerst maar eens even: want waarom kwam de Heilige Geest ook al weer?
Als ik u vertel over God en Jezus,
over vergeving en een nieuw begin dan kunnen er twee dingen gebeuren.
Óf je vindt het allemaal onzin – wie zegt dat het waar is, dat God er is?
En opstaan uit de dood, dat kan toch niet?
Óf je hoort het, maar het is te mooi om waar te kunnen zijn,
te groot om te kunnen geloven.
Een nieuw leven voor altijd, voor mij? God die van mij houdt, wat ik ook doe?
Je kunt het gewoon niet geloven.
In beide gevallen kom je niet tot de geloofsrelatie die de Here met je wil, waar Jezus voor kwam!
En dáárom is nu de Heilige Geest gekomen, de grote verzekeraar.
Hij maakt dat de boodschap wel binnendringt en aanvaard wordt
en mensen vernieuwt, dat ze vergeving, vrede en vreugde krijgen!
Zonder de Geest gaat het niet.
Stel je voor dat Petrus en de andere apostelen direct na Jezus’ hemelvaart waren gaan preken in Jeruzalem, dat Jezus, de man die onlangs gekruisigd was, leeft en de Messias is – zou dat gewerkt hebben? Ik denk het niet!
Maar met Pinksteren kwam de Heilige Geest.
Hij gaf zijn kracht, en toen Petrus tóen preekte, kwamen er 3000 tot geloof.
Dát doet de Geest!

De Geest is dé grote verzekeraar. En waarvan hij verzekert?
Heel eenvoudig: dat wij Gods kinderen zijn.
Wie gelooft, mag gaan weten dat hij of zij bij Gods gezin hoort.
Dat de grote God je Váder is, dankzij Jezus zijn zoon.
Ja, dat betekent dat Zijn Vader de jouwe is,
en dat Hij jou liefheeft met dezelfde liefde waarmee Hij Jezus liefheeft.
Is dat niet onvoorstelbaar? Is dat geen grote zekerheid?
We zeggen het zo vaak gedachteloos, bijvoorbeeld in het gebed ‘Vader’,
maar besef eens hoe bijzonder dat is! Hoe Hij nabij is.
Zorgend, liefdevol, trouw, en tegelijk gezaghebbend –
want ook dat hoort bij vader-zijn, zeker in die tijd.
Jezus, de grote Zoon, maakt ook ons zonen en dochters van deze Vader.
En de Heilige Geest verzekert ons ervan, Hij maakt het waar voor u persoonlijk!
Goddank dat de Geest is gekomen.
Ik hoop dat u iets van zijn werk in uw leven herkent,
momenten van geloof en zekerheid.
En als je dat nu niet herkent, bid er maar om. Want de Geest is gekomen!
En hij doet niet liever dan mensen verzekeren.
Dan tenslotte nog eens: hoeveel verzekeringen hebt u?
Of laat ik eens iets anders vragen: hoeveel verzekering hebt u nodig?
Hoe zeker bent u van dat u een Vader in de hemel hebt en dat u zijn kind bent?
Want dát is de verzekering die we boven alles nodig hebben,
om hier zonder angst en zorgen te leven.
Die verzekering geeft de Heilige Geest,
uitgestort in mensen met het Pinksterfeest!
Dat is de levensverzekering die écht zorgt
dat je een nieuw leven krijgt als je overlijdt.
Ja, het is echt waar! Geloof het maar!
Je mág het geloven, en zéker weten.

Hemelvaart

naar aanleiding van Handelingen 1, 1-14
(met name vers 11)

Ik kan dan ook heel goed begrijpen, dat zij naar de hemel staarden…
helemaal verbijsterd.
Misschien hoopten zij wel, dat Hij weer zou terugkeren vanachter de wolk.
Dat staren is veelbetekenend. Zij stonden aan de grond vastgenageld. Hoe lang?
Er is dan geen tijd meer.
Dan bestaan alleen nog maar die ander en jij,
die ander die je niet missen kunt en die je nu kwijt raakt.
Maar terwijl zij zo staan en opzien naar de hemel,
worden zij tot zichzelf gebracht
doordat twee mannen ineens naast hen stonden. Twee mannen in witte kleding.
Zij zeiden: ‘Waarom staan jullie daar zo naar de hemel te staren?
Deze Jezus, Die van jullie is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkeren
zoals jullie Hem naar de hemel hebt zien varen.’
Ze krijgen dus een verklaring en een bemoediging.
Jezus is wel weg, maar zal weer terugkomen, precies zo,
uit een wolk van de hemel.
Nu nog niet, later. Nu hoef je daarop nog niet te wachten, maar, wees zeker,
Hij komt terug, eens.
Maar dat “wachten” hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus. Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen. Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eensgezind bijeen,
volhardend in het gebed,
met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.’
Het woord “eensgezind” springt er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eensgezind.
Zij denken niet meer aan zichzelf, maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande: de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom volharden zij zo in het gebed:
dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt, het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster, Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eensgezind, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Laten wij op Hemelvaartsdag, ook eensgezind zijn, met één verlangen vervuld:
dat de Geest ook op ons mag komen, wie en wat we ook zijn of denken of geloven,
hoe we ook in het leven staan, allemaal verschillende mensen,
maar met één en dezelfde Geest vervuld.
Het is immers het éne geloof dat wij belijden, de éne Heer
die wij terugverwachten en willen dienen, de éne hoop,
waaruit wij leven en die ons kracht geeft in leven en sterven,
de éne liefde, van wie niets en niemand ons scheiden kan:
de liefde van God, welke is in Jezus Christus onze Heer en Heiland.

De Heer is ten hemel gevaren.
Wij moeten wachten en ondertussen uitzien naar wat komen gaat,
eensgezind bijeen, de Heer tegemoet.

Psalm-4916-2

naar aanleiding van psalm 49

Het gaat in deze psalm om een actueel onderwerp, zeker in deze coronacrisis: de dood.
De boodschap van deze psalm is eenvoudig: alle mensen zijn gelijk (vers 2-3),
allen zijn sterfelijk (vers 13-15), en alleen in God is er hoop op leven (vers 16).

Maar dat zijn zeker niet de gedachten van veel mensen, die, ook in onze tijd,
‘op hun vermogen vertrouwen, en met hun grote rijkdom pronken’ (vers 7).
‘Hun diepste gedachte is, dat hun huizen zullen blijven bestaan,
hun woning van geslacht tot geslacht’ (vers 12).
Wijze mensen weten daarentegen maar al te goed
dat hij niets heeft om op te roemen.
Zijn huis bestaat niet werkelijk voor altijd,
en ook zijn eigen leven is maar van korte duur:
‘U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet.
U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt.’
(Jakobus 4:14).

Tegenwoordig valt er veel te kiezen als het om sterven gaat.
Hoe gaan we daarmee om?
We leven in een tijd waarin talloze vragen op ons afkomen,
ook waar het het levenseinde betreft:
Juist omdat we kunnen kiezen houdt doodgaan ons meer dan ooit bezig.
Echt iedereen wordt aangesproken en aangespoord om na te denken
over zijn bestemming en om de les van de wijsheid op te merken
en zich eigen te maken.
Het is dus algemeen menselijk en algemeen geldig.
Daarom vind ik het opvallend dat in dit verband de naam van de HEER ontbreekt.
In de psalm vinden we alleen twee keer: ‘God.’
Maar dat betekent niet, dat het geen boodschap van God is.
Het inzicht in het menselijk leven en handelen bij de dichter
komt van de Heilige Geest.
Het is wijsheid van boven. Want wie kent de mens nu beter dan God,
die ons geschapen heeft.
De psalmdichter zegt:
‘Wijze woorden wil ik spreken, waar ik goed over nagedacht heb.
Wijze lessen heb ik geleerd’ (vers 4, 5)

De wijsheid in het gezegde is voor iedereen actueel en belangrijk.
Want ieder mens krijgt vroeg of laat te maken met de dood.
Niet alleen van iemand in je omgeving, maar ook je eigen sterven.
Hoe ga je daarmee om, van tevoren al, in het leven nu?
Hoe accepteer je de werkelijkheid van de dood?
Ook in de relatie met God, de Schepper van het leven.
Hiermee hangt samen de vraag: Hoe moeten we leven?
Hoe ga ik om met geld en bezit? Mag rijkdom wel?
Is psalm 49 daarin alleen maar negatief? Nee, niet voor iedereen
Wel voor hen die alleen maar belangstelling hebben
voor de rijkdom en praal van dit leven.
Maar voor hen die daarmee en daarnaast Gods koninkrijk zoeken,
spreekt deze psalm op zeer positieve wijze van opstanding en eeuwig leven:

‘Maar mij zal God vrijkopen uit de macht
van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen.’ (vers 16-17)

Dat betekent: God bewaart mij voor de dood. Ik zal nog niet sterven.
Vervolgens kun je ook de lijn doortrekken naar het eeuwige leven.
Het dodenrijk zal mij niet definitief in zijn macht krijgen.
Daar zorgt God voor,God koopt mij vrij.
Ik trek hier ook de lijn naar het kruis en het offer van Jezus Christus.
Voor wie in Christus gelooft bestaat er daarom hoop op leven na de dood.
Hij koopt zijn volk los voor de prijs van zijn leven, zijn bloed.
Inderdaad: ‘Wat God vraagt voor een leven is niet te betalen.’
Maar Jezus betaalt met zijn leven.
En dan is de dood uitgekocht en heeft hij geen zeggenschap meer.
Dat geeft rust!
Dat betekent tegelijk een sterke relativering van het belang van geld en bezit.
Geld maakt niet gelukkig!
Het is slechts een gebruiksmiddel,
waar je goede en slechte dingen mee kunt doen.
God koopt je vrij. Ook vrij van angst en vrij van jaloezie.
Dat is een misschien wat dwarse boodschap in onze maatschappij.
Maar uitdagend voor wie op God vertrouwt

Mensen, wees niet bang. Het laatste hemd heeft geen zakken.
Je kun niets meenemen. Je hoeft niets mee te nemen.
Als je je dat beseft ben je pas écht rijk! In Christus.

Kolossenzen 3

naar aanleiding van Kolossenzen 3

Ja, je moet inderdaad even zoeken, want het is zo’n echt lange Paulus-zin. Het was me nog nooit opgevallen dat dat in de Bijbel stond: Christus is alles!
Paulus doet dat al schrijvend over het nieuwe leven (Kolossenzen 3:5-17). In dat nieuwe leven doet geen enkel onderscheid meer ter zake: of je nu Jood bent of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw, oud of jong, er is in het nieuwe leven door de Geest nog maar één ding echt belangrijk: dat Christus alles in allen is!
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus’ enorme passie voor zijn Heer. En van de sterke uitdrukkingen die hij gebruikt om dat te communiceren. Zoals ook in bijvoorbeeld Filippenzen 3 vers 8: ‘Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, alles te boven gaat.’ Want er zijn zoveel dingen in mijn leven die alles voor me kunnen worden:
de zorg om mijn gezondheid mijn werk, mijn gezin, mijn verdriet of mijn gekwetstheid.
Maar Christus wil alles zijn. En als ik door de Geest mijn nieuwe mens aandoe, dan gaat dat ook echt gebeuren. De Geest richt je hart op Christus, die je leven is. Hij is het die van je leven het deksel afhaalt: je krijgt door dat er meer is dan je eigen verdieping. Je krijgt besef van een nieuwe dimensie: de wereld en je leven hebben met Jezus Christus te maken en zo met God zelf. De Geest is degene die je daarop richt. Hij stelt je antenne af op ontvangst van wat van boven komt. Door de kracht van de Heilige Geest ga je je oriënteren op je leven bij Christus. De Geest richt je hart op Christus. Merk je dat je leeggezogen wordt door de beslommeringen van het leven, wanhoop of angst die je overvalt? Bid om de Geest, dat Hij je daarvan bevrijd en je opnieuw afstelt op Christus. Ontdek steeds weer dat je echt alles hebt, als je Christus heb. Wat wil een mens nog meer? In Christus ligt je leven verborgen bij God. De Heilige Geest geeft je dat leven. En tegelijk is het een opdracht om dat leven te grijpen. Zo brengt de Heilige Geest geloof, vertrouwen en activiteit in ons leven. Zo brengt de Heilige Geest mensen tot liefde, tot gebed en tot bekering. Als ik wijsheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik alle wijsheid en kennis want die zijn in Hem verborgen. Als ik volmaaktheid wil, en ik heb Christus, dan ben ik in Gods ogen het meest mooie en volmaakte schepsel. Als ik gerechtigheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik in Hem mijn gerechtigheid. Als ik vergeving zoek, en ik heb Christus, dan ben ik in Hem vergeving. Als ik liefde zoek, en ik heb Christus, dan mag ik me de meest beminde mens ter wereld weten. Ja, als ik Christus heb, heb ik alles. Want Christus is alles. Ons leven met Christus is verborgen in God. En als Christus verschijnt, schrijft Paulus, dan zal blijken, dat Hij ook jouw leven in zijn handen heeft.
Dat is de belofte. De belofte die houvast geeft als toezegging van God zelf. De belofte die je helpt om je leven op Christus te richten.
Ik weet het: dat nieuwe leven is niet altijd even zichtbaar. Soms heb je het gevoel dat alles je bij de handen afbreekt. Je de toekomst alleen zwart en somber inziet. Je denkt dat je er helemaal alleen voor staat.
Weet dan dat het leven verborgen, geborgen ligt met Christus in God.

Volmaakt veilig!

Matteus 11

naar aanleiding van Matteüs 11,30

Juist in deze tijd van de coronacrisis zijn heel wat mensen vermoeid en gaan ze onder lasten gebukt.
Dat is niet alleen opgekomen door de crisis maar ook daarvoor leefden wij volgens psychiaters vandaag de dag in het Westen met ongezond hoge stresslevels. Niet alleen bij tegenslag of gevaar maar voor veel mensen altijd. We zijn managers van ons eigen geluk en zelfontplooiing en de lat leggen we zo hoog dat we er nooit echt klaar mee zijn. Mensen tussen de 35 en 44 worden door de Economist omschreven als ‘de generatie uitgeput’. Anderen zeggen dat het juist de twintigers zijn van nu die een hoog risico lopen op een burn-out. We hebben een manier van leven ontwikkeld waarin we onszelf en elkaar niet aanzetten tot zelfbeperking. Iemand merkt op: deze wereld lijkt nooit ‘nee’, ‘kan niet’ of ‘mag niet’ te zeggen, maar zij wakkert onze verlangens juist aan.’

En in zo’n stressvolle samenleving zegt Jezus: als je een juk draagt, draag dan het mijne. Het beeld dat Jezus hier gebruikt is goed gekozen. In zijn tijd werd een oudere ervaren os altijd gekoppeld aan een jongere os en samen liepen ze onder één juk. Zodat het ervaren dier het jongere beest kon leren hoe je je energie zo verdeelt, hoe je ritmes ontwikkelt waarmee je het ploegen langere tijd kunt volhouden en ook de hitte van de dag kunt doorstaan. Kijk zegt Jezus, als je onder lasten gebukt gaat en het moe bent om altijd maar te piekeren en te tobben. Als je ergens diep van binnen op zoek bent naar rust, naar een vorm van geloven die meer een lust is dan een last dan bied ik je aan om samen op te trekken. Samen onder één juk op weg te gaan. En rust te vinden.

Wat voor soort rust is dat eigenlijk, waar Jezus over spreekt? Het is niet een permanente feeling good-gevoel. Het is ook niet een stoïcijnse rust waarmee je jezelf afschermt, je afstand bewaart, van alles uitfiltert en je onbewogen leeft. Welnee, we komen juist bij Jezus diepe emoties tegen. Hij kan buikpijn krijgen van ellende, in huilen uitbarsten. Hij kent het bloed, zweet en tranen van geestelijke strijd, hij kent heilige woede, maar ook intense vreugde.
Wat bedoelt Jezus dan als hij zegt dat hij ons juist wil leren wat rust is? De rust die hij zelf leeft en aanbiedt is van een heel eigen soort. Het is de innerlijke rust en stabiliteit van een nieuwe verhouding tot God. Waar het onzekere zwoegen, de angst of het wel genoeg is plaats maakt voor een leven vanuit de goedheid en genade van God.
Jezus verbindt zelf deze rust hier met zachtmoedig zijn en nederig. Dus niet egocentrisch, dominant, veeleisend, streberig, ambitieus. En dit is wat we in Jezus’ levenshouding proeven. Want hij ademt in zijn hele manier van zijn eigenlijk nooit stress uit, of overprikkeldheid of overbelasting. Hij heeft een innerlijke rust van waaruit hij ieder mens en iedere situatie alle aandacht kan geven die nodig is. Vanuit een innerlijke rust leert hij ook om te onderscheiden waar het in zijn leven op aankomt. Juist in de rust, in de stilte ontdekt hij zijn roeping.

Een juk is zacht als het je als gegoten zit, als het je past. Een last is licht als het berekend is op jouw draagkracht. Je je niet vertilt, jezelf niet overvraagt, niet boven je kunnen reikt. Jezus zegt: kom bij mij. Laat mij heer en meester zijn ook over je sabbat. Waar ben jij zo moe van, zo belast? Welke heren en meesters dien jij eigenlijk? Welke druk leg jij jezelf eigenlijk op? Van wie moet jij je eigenlijk zo op je tenen lopen? Hoe en waar is die permanente rusteloosheid deel van je levensstijl geworden? Voor wie doe je wat je doet? Welk juk draag je. Voor God hoeft het er in elk geval niet zo uit te zien. Hij is niet over-kritisch, overvragend, afwijzend, afkeurend, maar mild, vriendelijk, tegemoetkomend, welwillend. Geen reden dus voor gepieker en getob.

Als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Kom dan naar Mij, ik zal je rust geven. Letterlijk staat er in het Grieks: ‘Ik zal je een anapauzoo geven. Dat spreekt mij aan. ‘Ik zal je pauze geven.’ Jezus zegt niet in de eerste plaats: doe dit, doe dat. Maar: kom naar mij. Het juk van Jezus is niet de zoveelste zware last. Het is niet: doe meer. Maar: doe minder. Het juk van Jezus begon niet bij: doe dit voor mij dan hoor je erbij. Maar het begon bij wat Hij deed voor jou. Kom naar mij, ga eens zitten aan de voet van het kruis en wees stil. In het licht van alles wat Hij heeft gedragen, de last van mijn zonde en schuld, van menselijk lijden en nood is dat wat ik mag dragen met recht een lichte last, een zacht juk.

houd vol houd vast

naar aanleiding van Klaagliederen 3

‘Wij leven nog.’ Dat zeggen mensen, die een ernstig ongeluk of een coronabesmetting hebben overleefd.
‘Wij leven nog. God zij dank.’ In zulke woorden klinkt dankbaarheid door. En verwondering.
Het had immers heel anders kunnen aflopen.
‘Wij leven nog.’ Dat kunnen we allemaal zeggen, als we het breder trekken.
De wereld bestaat ook nog. Als je het programma ‘Frontberichten’ op de publieke omroep af en toe ziet, dan weet je dat dit bepaald niet vanzelfsprekend is.

Wij leven nog. ‘Zolang er leven is, is er hoop,’ zeggen we.
Voor gelovige kinderen van God dus altijd, dagelijks.
Want zij hebben een belofte van eeuwig leven door Jezus Christus.
In dit gedeelte van Klaagliederen worden we door de HEER meegenomen naar de fundamenten van ons bestaan. Naar de vaste grond onder ons leven, zelfs als we in nood zijn. Daarbij staat de hoop centraal. Hoe komt het, dat wij nog leven? Hopen op de HEER, dat willen we blijven leren. Want er is ondanks alles reden voor verwondering en dankbaarheid jegens de Heer.

In de eerste hoofdstukken van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.
In hoofdstuk 3 vinden we de worsteling van de gelovige met het lijden.
De dichter van dit derde klaaglied maakt zich tot tolk van die gelovigen in Israël in de nood van de ballingschap. Hij ondervindt lijfelijk hoe de hand van de HEER zich tegen hem keert. Hij zegt:
‘Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.’
Deze dichter is geen journalist, die met camera en microfoon de ellende van anderen
verslaat, zonder lijfelijke betrokkenheid. Ellende zien is voor hem ellende meemaken,
ervaren aan den lijve. Gods hand heeft zich tegen hem gekeerd.
Hoe verschrikkelijk erg dat is, werkt hij uit in de verzen 4-18. Moet je eens lezen en
tot je laten doordringen wat hij van de HEER zegt:
‘Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.’
Deze man gaat er bijna onderdoor.Die ervaring, die schreeuwende ellende.
Hij is zijn geluk kwijt, is vergeten wat geluk is.
Hij is zo ongeveer de wanhoop ten prooi.
‘Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.’
Dat is het dieptepunt. De hopeloosheid. Maar het is niet het laatste woord.
Maar er volgt in zijn denken en in zijn lied een omslag in vers 19-21.
Want hij gaat aan de HEER denken en hoe Hij werkelijk is.
Dat de HEER een God is die toornt, maar ook een God van ontferming,
van liefde en van trouw.

En als hij dat weer beseft en zich daarop richt, dan weet hij:
‘Er is hoop!’
Wat doet hem dan hopen op de HEER? Wat wil hij zich te binnen brengen en er hoop
en troost aan ontlenen? Dit:
‘Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.’
Wij zijn niet omgekomen, dringt ineens tot hem door. Wij zijn nog in leven. Ik kan zelfs een klaaglied dichten en zingen en de HEER aanspreken en de nood van mij en mijn volk klagen.
Het lijden heeft niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.
Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Gegronde hoop dus in Christus alleen. Dat stelt niet teleur. Want deze hoop slaat het anker uit omhoog in de vaste bodem van Gods beloften. Daarom zal ik op Hem hopen. Morgen is Gods ontferming weer nieuw, net als gisteren. En overmorgen. Hopen op de HEER heeft dagelijks zin. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!

Psalm 22

naar aanleiding van psalm 22

Stel je voor dat je alleen op een intensive care ligt te sterven, niemand mag bij je komen, en de zorgverleners zijn overbelast omdat de intensive care overvol is. Of stel je voor dat je in een vluchtelingenkamp zit waar corona uitbreekt, terwijl de Europese leiders weigeren iets voor je te doen, en je wordt doodziek. Dan komt psalm 22 wel heel dichtbij.
Eerlijk gezegd kon ik me nooit zo goed een situatie voorstellen waarin iemand deze Psalm zou schrijven. Wanneer zou iemand zich zo gevoeld hebben: ziek en ellendig, aangevallen en bespot door vijanden, en dan ook nog door God in de steek gelaten?
Maar nu wordt zo’n situatie voor mij een stuk realistischer.
In de versie van de Psalmen voor Nu klinkt psalm 22 zo: ‘ik sta alleen, want u bent weggegaan./
Mijn God, mijn God, waarom?’/ God is weggegaan, help!
De wanhoop spat er vanaf: ‘Mijn God, waar bent u?’ Maar God laat niets van zich horen.
Hij is met de noorderzon vertrokken. ‘Mijn God, mijn God, waarom?!’
Het is een forse aanklacht, voor het gevoel misschien zelfs over het randje:
‘U laat me in de steek God!’

Zeker, in de lijdenstijd die net achter ons ligt, werd deze psalm gelezen om het lijden van Jezus Christus te herkennen, het vleesgeworden Woord van God, Jezus Christus. Het lijdensverhaal legt zelf expliciet de verbinding, want het was Jezus zelf die in een van zijn kruiswoorden deze Psalm tot de zijne maakte: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’
Deze Psalm markeert hoe vergaand Jezus’ identificatie met ons en met ons lijden gaat. Met ons hele bestaan heeft Jezus zich één gemaakt: lichamelijk lijden, uitputting en ziekte, maar ook aanvallen en spot, tot in de diepste Godverlatenheid. Ook het lijden van een corona-patiënt. Het is goed om die wanhoop die in deze psalm naar voren komt op je in te laten werken, er niet snel overheen te springen.
Om de radeloosheid te voelen, om te schreeuwen ‘waarom?!’
God – zo lijkt het – blijft stil. Hij antwoord niet. Je staat er alleen voor, want God is weggegaan.
Vertwijfeling en vertrouwen. Diepzwarte ervaringen en toch ergens ook blijven geloven.
Ze wisselen elkaar af in dit klaaggebed. Het is denk ik ook heel herkenbaar.
En dan hoeven we niet meteen, als we het moeilijk hebben, of als anderen het moeilijk hebben,
daar gelijk overheen te walsen met mooie geloofswoorden.
Die kunnen dan ook heel goedkoop klinken. Net alsof de pijn er eigenlijk niet mag zijn.
Alsof het gelijk bedekt moet worden met een laagje evangelie.
Als je dat zo doet, dan neem je je pijn niet serieus.
En uiteindelijk neem je ook het evangelie niet serieus.
Alsof je dat kunt gebruiken als een snel doekje voor het bloeden.
Als je dat gevoel echt toelaat, dan ga je pas ontdekken wat het betekent ‘waarom!?’ te schreeuwen.
Het is beter om de diepte van de pijn die er is, te ervaren, om er tijd en ruimte aan te geven.
In die diepte zul je ontdekken dat het evangelie niet goedkoop is.
Want Jezus schreeuwt jouw ‘waarom’: hij schreeuwt het in jouw plaats.
Ik las ergens: ‘Jezus pakt de psalm van ons over om het tot in zijn diepte uit te zingen.’
In ons gevoel dat God is weggegaan, stonden we alleen. Maar nu niet meer: Jezus is er geweest.
In de donkerste Godverlatenheid is Hij geweest. Er is geen enkele plaats waar God niet geweest is.
Nu ben zelfs in de Godverlatenheid niet alleen.
Want we kunnen niet meer dieper zinken dan hij, we komen hem steeds weer tegen!
Misschien krijg je een antwoord, misschien ook niet. Uiteindelijk gaat het niet om antwoorden.
Welk antwoord voldoet nou op zo’n vraag?
‘Ja, sorry, ik heb je verlaten, dat moest nu eenmaal, ik zal je uitleggen waarom.’
Is dat een antwoord?
Ik las eens een interview met rabbijn Lody van de Kamp.
Hij zegt: ‘het is beter met vragen te leven dan met dubieuze antwoorden.’
maar toch, in Psalm 22 komt er uiteindelijk wel een ‘antwoord’,
in die zin dat de vragen tot rust worden gebracht.
Dat wij niet nu de antwoorden hebben, wel dat we onze vragen niet zonder hoop stellen.
Jezus schreeuwt ze met ons mee, hij is onze hoop!
De schreeuw naar God wordt gehoord: ‘U geeft mij antwoord’. En dus klinkt de lof op God:
Gods naam wordt overal bekend gemaakt. Tot aan de einden van de aarde richten mensen zich op de HEER, want zijn koninkrijk komt. Wonderlijk hoe deze Psalm bij Jezus waarheid wordt.
Uit lijden en kruis ontstaat iets nieuws dat wereldwijde en onvoorstelbare impact heeft.

The_Triumph_Of_Christianity_Over_Paganism.Gustave_Doré

naar aanleiding van 2 Timoteüs 2:8

Timoteüs heeft het moeilijk. Want in de gemeente, waarin hij werkt, wordt het kerkelijke leven afgebroken en is er geweldig veel onrust. Veel mensen keren zich af van het evangelie, dat door Paulus verkondigd is.

De taak van Timoteüs is om de dwaalleraars te bestrijden, mensen terecht te wijzen. Hij moet duidelijk positie kiezen en hun zeggen, waar het op staat.
Maar daar heeft Timoteüs het moeilijk mee. Hij is bedeesd, schuchter zelfs. Heel snel is hij uit het veld geslagen als mensen hem uitdagen. Bovendien heeft hij ook een zwakke gezondheid. Dat maakt het er voor hem ook niet gemakkelijker op. Zo worstelt deze kwetsbare ambtsdrager met de taak, die hem opgelegd is.

In deze situatie schrijft Paulus hem deze brief om hem te bemoedigen. Met allerlei beelden uit het dagelijkse leven spoort hij hem aan om vol te houden en om trouw te blijven aan zijn roeping. Een soldaat van Jezus, een dienstknecht van Christus moet zich aan de voorschriften van zijn Zender houden. Een boer zal alleen maar van de vruchten van de oogst kunnen genieten als hij zich ervoor ingespannen heeft. Anders komt er van die oogst niets terecht. Zo geldt dat ook voor een werker in Gods koninkrijk.

Al die aansporingen van Paulus om Timoteüs te bemoedigen, lopen uit op het geweldige houvast; op het allesbeheersende besef: Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Met dat ‘houd in gedachtenis’ bedoelt Paulus niet slechts, dat je je herinneren moet, dat Jezus uit de dood is opgestaan. Misschien vieren wij zo Pasen. We hebben stil gestaan bij de herinnering aan Jezus’ opstanding. We hebben het feit, dat Jezus niet in het graf kon blijven nog eens in onze gedachten teruggeroepen. Maar dat bedoelt Paulus niet met het ‘houd in gedachtenis’.
Houd in gedachtenis, dat is meer dan in je herinnering terugroepen. Houd in gedachtenis dat is veel meer dan stil staan bij iets dat in het verleden gebeurd is. Houd in gedachtenis betekent, dat we het voortdurend voor onze geest hebben en dat we het geen moment uit onze gedachten bannen. De Bijbel heeft het over: gedenken. Iets wat je gedenkt, dat vergeet je geen moment en dat verlies je nooit uit het oog. Het beheerst je helemaal en steeds weer laat je je daardoor bepalen.

Dit jaar vieren we het feit dat 75 jaar geleden bevrijd zijn. Daar hoort ook bij dat we de doden herdenken. We staan er bij stil dat mensen hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Dat gedenken van die doden, dat doet ons iets als het goed is. Dat raakt ons tot diep in ons innerlijk. Dan houden we er ook rekening mee in hoe we met onze vrijheid omgaan. Zo roept Paulus Timoteüs op om Jezus’ opstanding te gedenken. Om het van dag tot dag als uitgangspunt te nemen voor zijn doen en laten.

Jezus is uit de doden opgewekt zegt Paulus. Hij heeft het niet over de dood, maar over de doden. Uit al die generaties doden uit de hele wereldgeschiedenis is Jezus de eerste die opgewekt is. Hij is als Enige uit al die miljarden aan de dood onttrokken. Dat is zo’n geweldig wonder, dat we bij alle moeiten en teleurstellingen en tegenslagen – ook die in het kerkelijke leven – een houvast hebben, waardoor we er tegen kunnen. Pasen is het maar van God. Pasen is leven in plaats van dood.
Pasen is vergeving in plaats van veroordeling. Pasen is vreugde in verdriet.
Pasen ‘doet ons in vrijheid ademhalen en leven voor Gods aangezicht’.

Zo goed is God.

als alles duister is

God, van U is de toekomst, kome wat komt!

Soms hult het leven zich in duisternis.
Dan lijkt het alsof de wereld om ons heen alleen maar zwart en donker is.

We kennen allemaal van die momenten in ons leven:
als een dierbare overlijdt; als iemand iets ergs overkomt;
als vriendschappen uit elkaar vallen;
of als we een hevige teleurstelling moeten verwerken.
Het is dan alsof we in een donkere tunnel rijden,
waaraan geen einde schijnt te komen.
De nacht lijkt niet meer over te gaan in daglicht. Duisternis alom.
Het licht lijkt voorgoed te zijn gedoofd.
‘Maar in het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’ heeft eens iemand gezegd.
Toen wij in het diepste donker zaten, kwam Christus als het verlossende licht.
Toen Hij stierf en in het graf werd gelegd leek alles voorbij.
Zijn volgelingen waren radeloos
Maar in het holst van de nacht, begon ook voor hen de nieuwe dag.
Want bij het ochtendgloren bleek het graf leeg. De steen was weggerold.
Christus was verrezen. Het leven had de dood overwonnen.
Het licht bleek sterker dan de duisternis.

Niet ondanks zijn lijden,
maar juist dankzij het feit dat Christus niet voor het lijden wegliep,
Zijn kruis oppakte, was hij in staat om – zelfs – de dood te overwinnen.
Dát is de boodschap van Pasen.
Wij maken in ons leven allemaal moeilijke momenten mee. Ieder van ons persoonlijk. En wij als geloofsgemeenschap, wij als Gods Volk onderweg.
Die momenten doen pijn. Soms heel veel pijn.
Maar het heeft geen zin om in de duisternis te blijven ronddolen.
‘Zoekt de levende niet bij de doden,’ lezen we bij de evangelist Lucas.
Christus is niet in het graf te vinden, niet in de dood, niet in duisternis.

Als wij het geloof willen vinden,
moeten we door het donker heen op zoek naar het licht.
Letterlijk op zoek naar lichtpuntjes in ons leven.
Ooit is het in ons hart ontstoken. Soms lijkt het gedoofd. Geblust.
Maar als wij geloven in Christus, als wij geloven in Zijn kracht,
dan kan dat licht weer oplaaien. Dan kunnen we de duisternis overwinnen.
Dan kunnen we lijden en verdriet achter ons laten.
Het is niet gemakkelijk. Het gaat niet vanzelf. Maar het kan wel.
Want wij hoeven het niet alleen te doen. God zal óns nooit verlaten!
Pasen vertelt ons over Jezus die is opgestaan.
Pasen vertelt ook over vrouwen die zijn opgestaan.
De mannen leggen zich er – zo blijkt het – bij neer dat Jezus gestorven is.
De vrouwen niet, zo hoorden we in het evangelie.
Eerst dus zijn het vrouwen die zijn opgestaan. Pas daarna zijn anderen opgestaan.
Pasen vraagt ook dat wij opstaan.
Pasen vraagt dat wij opstaan tegen al wat mensen kwaad doet en onnodig verdriet. Pasen vraagt dat wij opstaan uit de verlammende idee
dat geloven uit de tijd is en dat samen kerk-zijn voorbij is.
Pasen vraagt dat we opstaan en fier en trots zingen
over licht dat ons aanstoot in de morgen.
Geloof in opstanding en geloof dat je ook zelf tot die opstanding kunt komen.
Ga ermee aan de slag om in veel situaties nu vandaag al op te staan.
Het is waar! In het holst van de nacht begint de nieuwe dag.
Pasen: Het feest vieren van de Opstanding uit alle ellende.
Hij zegt ons aan dat en nieuwe wereld kan!
Gods verbond schept nieuwe verbanden
Roept ons tot leven.
God, van U is de toekomst, kome wat komt!

‘In het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’
Laten wij reikhalzend uitzien naar het nieuwe licht, het Licht van Christus.

Screenshot_20200409-204310

Naar aanleiding van Matteüs 20:17-28

Ik ga lijden en sterven, zegt Jezus Christus. Lijden, dat doen we allemaal. Dat is een ervaringsgegeven: voor niemand van ons loopt het leven altijd op rolletjes. Soms hele perioden wel, maar dan plotseling kan er sprake zijn van ziekte, van crisis. Zoals nu, de coronacrisis. En sterven, tja, sterven doen we ook allemaal. Een leven zonder lijden en dood bestaat dus niet.

De vraag is dan: hoe ga je met dat feit om? De leerlingen van Jezus, zeker hier in dit verhaal Jakobus en Johannes, zien het lijden als een nare bijkomstigheid, waar ze zo snel mogelijk doorheen willen om te gaan regeren samen met Jezus over een nieuwe wereld. Ze schakelen hun moeder in om alvast hun plekken te reserveren. Regeren is vooruitzien. Herkenbaar: we zijn liever gelukkig, welvarend en gezond, en als dat even niet zo is, proberen we hard er zo snel mogelijk uit te komen. Intelligente lockdown om zo snel mogelijk weer terug naar normaal te gaan. We proberen lijden te minimaliseren.

Je zou dat ons instinct kunnen noemen, onze natuurlijke neiging om te overleven. Zo gaat het om je heen in de wereld. Zo wijst Jezus naar de koningen en mensen met macht. De struggle for life en survival of the fittest bepalen niet alleen het dierenrijk, maar ook de menselijke samenleving. Maar is dat het beste waar wij toe in staat zijn? Of is er een betere manier, een menselijkere manier?

Jezus wijst zijn leerlingen de weg van het ‘dienen’, het bewust kiezen voor de minst aantrekkelijke route, de route van lijden. Zo kiest Jezus ook zijn eigen weg naar Jeruzalem, waarvan hij blijkbaar al voorvoelt dat het zijn leven gaat kosten, dat hij gaat eindigen aan een kruis.
Het is opvallend dat Jezus zélf deze weg wil gaan, maar die niet oplegt aan zijn volgelingen. Hij probeert Jakobus en Johannes er eerst bijna vanaf te houden. ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik – zegt Jezus – zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Zelf gaat Jezus deze weg naar zijn kruisiging en dood willens en wetens, omdat Hij gelooft dat hierdoor de wereld gered zal worden. Maar Hij verwacht niet automatisch van ons dat ook wij die diepe weg willen en kunnen gaan. Je kunt nooit van een ander verwachten, laat staan iemand verplichten, dat hij voor jou gaat lijden. Als dienen immers verplicht wordt, dan wordt het slavenwerk. Waarom zou je die route dan gaan? Het gaat om vrijwillige dienstbaarheid, van binnen uit. Dat heeft het een waarde die bevrijdend is. Zo doet Jezus het zelf en zo wordt de wereld gered. Jezus ís gekomen, om ons te dienen! Niet om ons op onze wenken te bedienen, dat niet. Maar om ons te dienen met wat we werkelijk nodig hebben. Met vergeving en bevrijding. Vergeving van al ons zoeken de eerste te zijn, en vernieuwing tot een andere leefrichting, die van Hem! Want als dit mogelijk is, dan is alles mogelijk!

De uitdaging van Jezus is om het lijden in je leven niet als nare bijkomstigheid te zien, maar als kans om werkelijk mens te zijn voor anderen. Zoek niet naar een antwoord op het lijden, maar wees zelf een antwoord op het lijden.
Veel belangrijker dan bezig te zijn de vraag waarom er zoveel ellende is, is dat je er zelf wat aan probeert te doen. Nadat Jezus zijn discipelen geroepen had, om achter Hem aan te gaan, stuurde Hij ze op pad de wereld in. Hij riep ze niet alleen om Zijn liefde te ontvangen, maar ook om die door te geven, in woord en daad, daar waar nood is. Je kunt dat nooit een ander opleggen, maar wel zelf beleven. Ik hoorde van iemand die een familielid had dat opgenomen was op de intensive care met het coronavirus. Als overige familieleden had je alleen elkaar. Achteraf gezien – zo hoorde ik het – waren dat toch niet de slechtste momenten geweest: het samen zijn, het elkaar steunen, voor elkaar bidden, het maakt dat je intens beleeft hoeveel je van elkaar houdt, hoezeer je elkaar nodig hebt, en hoeveel kracht en moed je op dat soort momenten ook ontvangt om vol te houden. Natuurlijk was het vreselijk, maar het was ook ongelooflijk waardevol. Dat mag je beleven als iets heiligs, als iets van God.