Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Het is de tijd voor het avondgebed.
Dat avondgebed begint deze dag
– in verband met de viering van het Pascha –
om drie uur in plaats van om vier uur.
Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden,
hardop de woorden van het avondgebed:
‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden.
In uw hand beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)

Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op.
En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem:
‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46)
Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed.
Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht.
De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij.
Gods toorn is gestild.
De gemeenschap met God is hersteld.
De verlossing is aangebroken!
Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen.
Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan.
Het werk is volbracht!

Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader
geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God.
“Vader!” “Pater!”
In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten
die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt.
En met zijn liefde spreekt Hij
ook zijn vertrouwen uit.
Jezus sterft niet in wanhoop,
maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is.
Laten die handen nu doen wat goed is.
Als straks machteloze mensenhanden
zijn lichaam van het kruis zullen halen,
dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen.
‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46)
Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af.
Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen:
‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef
het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen
– dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)

Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus.
Hij heeft gezien Wie Jezus was:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47)
Hij looft God.
En dan wordt het stil op Golgotha.
De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken
en alles van dichtbij hebben meegemaakt,
keren terug naar hun huizen in de stad.
Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst.
Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord?
Er is haast geboden.
Om zes uur breekt de sabbat aan.
In elk gezin wordt vanavond opnieuw
het feest van de bevrijding gevierd: Pascha.
Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.

En wij?

Eigenlijk wordt in Jezus’ dood
het begin van zijn overwinning al zichtbaar.
Kijk maar: de aarde begint te scheuren,
graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53).
Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen.
De dood als laatste vijand is verslagen.
‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14,
heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.
Zo heeft Hij allen die slaaf waren
van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’
Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood
dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter.
Er zit al iets van de overwinning in.

Leg je geest, je ziel, je diepste zelf
maar in de handen van Gods vaderliefde.
Je zult zien wat een rust je dat geeft.
Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd
omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest.
De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan:
‘Ik heb je verlost!’

Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!

 

Tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen
in de tempel van Jeruzalem hangt een gordijn.
Het is een heel bijzonder gordijn.
Een handbreedte dik, negen meter lang en negen meter breed.
Twee afbeeldingen van engelen zijn op het gordijn geborduurd.
Dat gordijn sluit het Heilige der Heiligen voor mensen af.
Want achter dat gordijn woont God.
In het aardedonker.
De Heilige van Israël.
In de tempel van Jeruzalem,
de plaats die God heeft uitgekozen om onder zijn volk te wonen.
Eén keer in het jaar gaat de hogepriester door dit gordijn naar binnen.
Met een gouden schaal met het bloed van een offerdier.
Om zo verzoening te doen voor de schuld van heel het volk van Israël.

Het is dan Grote Verzoendag!
Om drie uur ’s middags wanneer vanaf het kruis de woorden klinken:
‘Het is volbracht!’
scheurt dat bijzondere gordijn in de tempel.
Van boven naar beneden!
De hemel zelf grijpt in.
De toegang tot God, die door dit gordijn werd afgesloten,
is voortaan voor iedereen open.
Jezus’ verzoenend sterven aan het kruis op Golgotha
baant de toegang tot Gods liefdevol hart.

‘Het is volbracht!’
Eigenlijk betekenen die woorden:
tot een einde brengen, tot een doel brengen.
Er zit iets definitiefs in.
Maar wát heeft Jezus dan volbracht?
Wat heeft Hij tot een definitief einde gebracht?
Het is de opdracht van de Vader
waarover Jezus spreekt in zijn gebed als Hogepriester (Johannes 17):
‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond
door het werk te volbrengen dat U Mij opgedragen hebt’ (vers 4).
‘Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb
aan hen doorgegeven,
zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben,
en ze geloven dat U Mij hebt gezonden” (vers 8).
Jezus is naar deze aarde gekomen
om de grootheid van God de Vader te tonen aan de mensen.
Dat is de opdracht die Hem vanuit de hemel is meegegeven.
Dat de mensen op aarde God zullen erkennen als Koning over alle dingen.

Daarom vertelt Jezus de mensen
over het Koninkrijk van God, het nieuwe paradijs.
Daarom laat Hij – door de wonderen die Hij doet –
zien hoe het leven er op de nieuwe aarde zal zijn.
Alle lijnen van het kruis lopen immers terug naar het begin.
Naar het begin van Gods goede schepping.
De mens, die God in de hof van Eden,
een plaats om te leven heeft gegeven,
is er om er voor God te zijn.
Om God als Schepper te erkennen van alle dingen.
Om Hem te dienen. Om Hem lief te hebben.

Maar toen ging het mis, in dat prachtige paradijs.
Want de mens wilde zélf als God zijn.
De mens wil zélf als koning heersen over alle dingen.
De mens wil zélf beslissen over wat goed en wat kwaad is.
Ongehoorzaamheid, opstand, zonde tegen God.
Jezus is naar de aarde gekomen
om de mensen te vertellen wat Gods bedoeling is met hun leven.
Hij heeft hun dat leven voorgeleefd. Zijn leven was een voorbeeldig leven.
Luisterend naar de stem van de Vader.
De woorden van de Vader doorgevend
opdat mensen weer in die woorden zullen gaan geloven.
Beloften van vergeving en van verzoening.
Van een herstelde verhouding en een vernieuwd leven met Hem.
Zo heeft Jezus de Schrift in vervulling laten gaan.
Zijn werk op aarde is volbracht! Het doel is bereikt.
De kloof tussen God en mensen is door Hem overbrugd.
God en mensen kunnen weer direct contact met elkaar hebben.
Er is geen offerbloed, geen hogepriester,
geen gordijn en geen tempel meer nodig.

‘Het is volbracht!’

En wij?

Jezus’ sterven aan het kruis betekent voor ons een nieuw begin.
Wat wij mensen niet konden bereiken heeft Hij bereikt.
Wat wij mensen niet konden volbrengen heeft Hij volbracht.
Vaak denken wij dat ook wij eerst offers moeten brengen
om met God weer in het reine te kunnen komen.
Plaatsvervangend heeft Jezus zijn leven voor ons opgeofferd.
Uniek. Eenmalig.
Wij mogen weer leven zoals God het heeft bedoeld
toen Hij de mens op aarde een plaats heeft gegeven.
Een leven in liefde, in afhankelijkheid en in dankbaarheid.
Een leven in liefde voor God, onze Schepper.
Een leven in liefde voor elkaar en de schepping.

Dat is het geheim van dit bewogen zesde kruiswoord!

 

Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!

 

Er is veel volk op de been in Jeruzalem.
De straten puilen uit. het Paasfeest staat immers voor de deur.
Het feest dat herinnert aan de uittocht van het volk van Israël
uit het slavenhuis van Egypte.
En dan is het opeens donker. Midden op de dag. Rond het middaguur.
Een duisternis, die als een donker kleed het hele land overvalt.
Hier zijn krachten aan het werk, die wij mensen niet kunnen verklaren.
Alle natuurwetten worden opzijgeschoven.
God grijpt in!
Wat eens de profeet Amos – in het Oude Testament – profeteerde
gaat vandaag in vervulling:
‘Op die dag – spreekt God, de HEER –
zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan,
en het land verduisteren op klaarlichte dag.’ (Amos 8: 9)
Veel mensen lopen weg.
Nee, om iemand te zien sterven aan een kruis … daar hebben ze geen moeite mee.
Maar voor het onheilspellende donker gaan ze op de loop.
Een angstwekkende duisternis die doet denken
aan de bevrijding uit Egypte.
Het symbool van verschrikking, van ongeluk, verderf en dood.
Het teken van het oordeel van God!
Uit die diepe, angstwekkende duisternis klinkt een langgerekte klacht omhoog:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent:
‘Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?’ (Matteüs 27: 46)
Het is het ‘waarom?’ uit de duisternis. Woorden uit Psalm 22.
Woorden waarin een mens een brug zoekt,
die uit de godverlatenheid tot God voert.
Woorden van een mens die bespot wordt en veracht.

‘Waarom?’

We horen zijn diepe smart, zijn diepe eenzaamheid en onbegrip.
Jezus voelt in de duisternis, dat God Zich van Hem afkeert.
Een krachtig antwoord van God blijft uit.
Uit de hemel komt geen antwoord.
Wat heeft Jezus in deze godverlatenheid moeten lijden!
En toch: Hij blijft gehoorzaam aan zijn roeping –
tot het bittere einde toe.
Hoezeer door God verlaten, Jezus blijft roepen in de duisternis:
‘Mijn God …’
In dat ene woordje ‘Mijn’
ligt heel zijn hoop en verwachten besloten.

Drie uren duisternis.
Daarin wordt het oordeel van God over een zondige wereld openbaar.
Drie uur … dan zegt God: ‘Nu is het genoeg!’
‘Het is volbracht!’
Op dat moment treedt God uit zijn verborgenheid.
Het voorhangsel van de tempel scheurt – van boven naar beneden.
De toegang tot God is weer mogelijk!
Die godverlatenheid, die diepe, donkere duisternis,
waarin alle machten op je aankomen
… dat is voor Jezus … de hel.
Daar aan het vervloekte hout van het kruis
geeft Jezus in deze helse godverlatenheid
zijn leven om de deuren van de hemel weer van slot te krijgen.
Wanneer dáár aan het recht van God is voldaan …
Wanneer dáár de schuld voor een zondige wereld is voldaan …
Wanneer dáár de toorn van God is verzoend …
wijkt de duisternis voor het licht!
Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Tijd voor het avondoffer in de tempel. Uur van het gebed.
Dan knielt – in de voorhof van de tempel – het volk van Gods verbond.
Terwijl in het heilige een priester het reukoffer op het altaar ontsteekt.
Zo vloeien gebeden en wierook samen
tot een stroom van smeken tot God.
In dát uur van gebed en offer brengt Jezus
als de grote Priester het offer van zijn leven.
Zijn kruis is tegelijk het altaar
waar eens voorgoed hét offer ter verzoening wordt gebracht.
Tegelijkertijd worden alle menselijke offers daarmee aan de kant geschoven.
Ze hebben geen waarde meer.
Het offer dat Jezus brengt is uniek, onherhaalbaar, onvervangbaar.
Daar kan geen mens iets meer aan toevoegen of afdoen.

En wij?

Vanaf het kruis van Golgotha klinkt het ‘waarom’
van de godverlatenheid.
De gekruisigde Jezus werd verlaten
opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In mijn angst, in mijn pijn, in de aanvechting en de verzoeking,
mag ik vasthouden aan die belofte van de Vader.

Dat is het geheim van dit vierde bewogen kruiswoord!


 

Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem.
De Damascuspoort uit.
Tot op de kruisheuvel Golgotha.
Het zijn Maria, de moeder van Jezus;
Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena.
Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus.
Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben
toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd.
Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen
toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht
door de geestelijke leiders van hun volk.
Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel
als ze aan de voet van het kruis staan
waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt.
Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder.
En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht.
‘Toen Jezus zijn moeder zag staan,
en bij haar de leerling van wie Hij veel hield,
zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27)
Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis
steeds met anderen bezig is geweest.
Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt.
Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen.
Bewogen met anderen.
Want hoe moet het nu verder met Maria?
Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth?
Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn?
Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien?
De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’
en niet als moeder.
Maria is niet alleen zijn moeder,
zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer.
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
(Lucas 1: 38)
Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer!
Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid
deze vrouw op aan de zorgen van Johannes.
Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door.
Hij neemt afscheid van haar,
door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen.
En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen.
Nu voorgoed.
Nu definitief.

En Johannes?

Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer,
een neef van Jezus moet zijn geweest.
Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome.
Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden.
Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun.
Trouw en het vertrouwen waard.
Johannes is dan ook de enige leerling
waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat.
Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken.
Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend.
Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’
De man en de vrouw waar Jezus op aarde
het meest van is gaan houden worden
door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden.
Hij wil dat ze één gezin gaan vormen.
Voortaan woont Maria in het huis van Johannes.
Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap:
de gemeente van Jezus Christus.
Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar.
Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar.
Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan.
Om onze vreugde en ons verdriet,
onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen.
Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden
die Hij eerder sprak:
‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet,
is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50)
Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden,
zelfs familiebanden, kwijtraken.
Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan
en geeft je een nieuwe familie om je heen:
de gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!

 

Door de nauwe straten van Jeruzalem wringt zich een groep Romeinse soldaten.
Ze begeleiden drie veroordeelden die vandaag nog gekruisigd zullen worden.
Twee naamloze misdadigers en een zekere Jezus,
die zichzelf heeft laten ‘kronen’ tot koning van de Joden.
Aangekomen op de plek die Schedelplaats – die Golgotha heet …
doen zij hun werk.
Met touwen en grote draadnagels
maken ze de drie veroordeelden vast aan hun kruis.
Wat kan het hen ook schelen.
‘Bevel is bevel’.
En als dank voor de door hen verleende diensten
verdelen zij de kleren van de kruiselingen.
Eén is er zo gelukkig om het naadloos geweven kleed van Jezus te winnen.
Wat zou hij er mee gedaan hebben?

Golgotha, Schedelplaats.
Die naam had deze heuvel vermoedelijk te danken aan zijn vorm.
Volgens een oude Joodse legende was hier
– na de zondvloed – de schedel van Adam begraven.
Adam, de eerste mens, die in opstand was gekomen tegen God.
God had hem daarom verbannen uit het paradijs.
Op deze plaats – even buiten de muren van de stad Jeruzalem –
waar men aannam dat de schedel van de eerste mens begraven was,
opent Jezus, de tweede Adam, weer de toegang tot het paradijs.
Aan weerszijden van de gekruisigde Jezus hangen twee misdadigers.
Het zijn Zeloten. In Jezus’ tijd Sikariërs genoemd. Dolk-mannen.
Zij hoorden tot een groep van ondergrondse verzetsstrijders
die met hun messen en dolken alles wat Romeins of Romeins-gezind was …
van het leven probeerden te beroven.
Zij vochten voor een koninkrijk zonder de gehate Romeinen:
een paradijs op aarde.
Daarom werden zij door hun Joodse volksgenoten op handen gedragen.
Bar-Abbas was hun populaire leider.
Wanneer het gebeurd is vertelt de evangelist Lucas ons niet,
maar de ogen en het hart van één van deze beide misdadigers
zijn opengegaan voor Wie Jezus is.
Hij heeft begrepen dat Jezus hier onschuldig aan zijn kruis hangt.
Hij heeft gezien hoe Jezus aan het kruis
de plaats ingenomen heeft van Barabbas, hun aanvoerder.
Hij heeft geluisterd naar de woorden van Jezus:
de messias, de koning van de Joden.
Daarom verdedigt hij Jezus tegenover zijn collega:
‘Wij worden terecht gestraft:
het is ons verdiende loon.
Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’(Lucas 23: 41)
En hij voegt eraan toe:
‘Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.’ (Lucas 23: 42)
Hij gelooft het! Hij gelooft in de koninklijke macht van Jezus!
Hij gelooft dat Jezus de werkelijke Verlosser, de langverwachte Bevrijder is.
Hij gelooft dat met Jezus het koninkrijk op aarde komt!
En dat is zonder meer een wonder.
Want menselijkerwijs gezien is het een dwaasheid
om nog iets van Jezus te verwachten.
Ten dode opgeschreven is Hij.
Nu kende men in de tijd van Jezus
drie betekenissen van het woord ‘paradijs’:
• het verloren paradijs van Adam – de eerste mens – uit Genesis.
• Dan was er het paradijs van de eindtijd
(denk maar aan het Bijbelboek Openbaring).
• En tenslotte kende men het paradijs
als de plaats waar de gestorven gelovigen verblijven.

In die laatste betekenis gebruikt Jezus nu aan het kruis het woord ‘paradijs’.
Het is de plaats van het eeuwige leven
tegenover de plaats van de eeuwige dood in de Gehenna, de hel.
Bewogen als Hij is met deze tot geloof gekomen misdadiger
belooft de gekruisigde Jezus hem zelfs meer dan hij vraagt.
Jezus zal niet alleen dénken aan hem,
Jezus zal bíj hem zijn, en hij bij Jezus.

Heden, vandaag nog!
Zelfs de dood kan hen niet meer van elkaar scheiden.
Zo ontvangt deze vrijheidsstrijder in zijn stervensuur … het Léven!

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Het zijn bewogen woorden. Woorden die ons in beweging zetten.
Want dat koninkrijk, dat paradijs dat door Adam was verloren geraakt,
wordt hier aan het kruis ook voor ons door Jezus weer ontsloten.
Wie berouw toont, zijn schuld erkent en onvoorwaardelijk in Jezus
als zijn Redder gelooft … mag met Hem mee naar binnen.
Die mag voor eeuwig leven in het ‘paradijs’.
Het kruis van Jezus is voor ons de ‘boom van het Leven’ geworden.

Dat is het geheim van dit tweede bewogen kruiswoord!

 

Ze hebben het wel eens over

‘als Pasen en Pinksteren op één dag vallen’.

Ofwel: nooit, dat kan niet.

Maar toen ik met de Paasdagen hier in de buurt rondreed,

kreeg ik een moment de indruk dat Pasen en Kerst op één dag vielen.

Ik zag namelijk iets, met Pasen dus,

dat mijn gedachten direct naar de Kerst voerde.

Het zal wel een beroepsafwijking zijn…

Wat zag ik dan? Wel, onderweg zag ik verschillende bomen

die bij de grond waren afgezaagd.

Meer boomstronken dan bomen dus eigenlijk.

Maar nu zo mooi: uit die boomstronken groeiden allemaal nieuwe uitlopers,

er kwamen takken omhoog.

Het leven is er niet zomaar onder te krijgen!

Direct moest ik denken aan woorden van de profeet Jesaja

‘er zal een twijg voortkomen uit de afgehakte stronk van Jesse’

woorden die gewoonlijk klinken in de tijd net voor Kerst.

Een belofte in de vorm van een beeld:

als alle hoop vervlogen lijkt, zal er tóch een nieuw begin zijn.

Dat nieuwe begin is dan het kindje Jezus dat geboren wordt met Kerst.

Echter, past dit beeld ook niet prachtig bij Pasen?

De weg van de mensheid lijkt dood te lopen:

mensen gaan voor zichzelf, gebruiken geweld, onderdrukken onschuldigen…

In de kruisiging van Jezus werd het allemaal onthullend zichtbaar,

en anders wel in het wereldnieuws.

Is er dan nog een toekomst?

Of is de mensheid een afgehakte boomstronk waar het niets meer mee wordt?

Maar dan is daar het antwoord van Pasen.

Na Jezus’ kruisiging kwam zijn opstanding.

De boomstronk loopt uit!

Pasen zegt ons: er is een leven dat sterker is dan de dood!

Liefde overwint uiteindelijk de haat.

Er is hoop, want Jezus leeft! Hij als eerste ‘uitloper’,

toont dat er toekomst is bij God vandaan.

Wat zijn die boomstronken dan mooi!

Tekens zijn ze, om nooit op te geven,

maar verwachting te blijven hebben.

Jezus leeft, en deelt leven uit.

Geloof dat maar!

Goede Vrijdag

Ik neem je mee naar Golgotha. Het is vrijdagmiddag tegen drie uur.
Het is dus nog volop dag en toch is het hier.
Al sinds het middaguur vreemd donker.
Alsof er een sluier van duisternis ligt over alles.
Alle geluid en kabaal is inmiddels door deze deken gesmoord.
De ophitsende hogepriesters en oudsten.
De menigte die als uit één mond kruisigt hem riep.
De lallende Romeinse soldaten met hun wrede grappen.
De venijnige spot van omstanders en voorbijgangers.
Er valt over dit alles een diepe vreemde stilte.
Ook de natuur hult zich in stilzwijgen.
Je hoort geen vogel meer fluiten.

Kom, dan lopen wat dicht naar het kruis toe.
Die ene Man daar aan dat middelste kruis.
Hij wordt gemeden als de pest.
Op pakweg anderhalve meter links en anderhalve meter rechts van hem
hangen nog twee mannen aan een kruis.
De een spuwt zijn laatste venijn, de ander wendt zich naar Jezus toe.
Zelf hangt hij op laten we zeggen anderhalve meter boven de aarde, van de mensheid.
Weggehoond, verguisd, bespot, uitgekotst.
Met pek en veren de stad uitgedragen.
Geen intensive care maar intense haat.
Geen beademing maar bespotting.
Niet omringd door helden uit de zorg maar verlaten, zelfs door zijn beste vrienden.

Volgens Mattheüs is Jezus zelf ook stil.
Daar hangend aan het kruis, heeft Jezus al die tijd
geen kik gegeven, geen woord gezegd.
Maar nu, aan het einde van drie uren duisternis
verbreekt hij de stilte met een schreeuw:
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Wat hier gebeurt is een groot mysterie.
Laten we er stilletjes naar kijken.
Er om heen lopen, er wat over na denken.
Kijk alles wat er gebeurde met Jezus, de vernederingen, de martelingen,
Het venijn, de spot, de spijkers en het kruis.
Het was wreed en verschrikkelijk.
Maar in deze schreeuw proeven we dat zich hier
nog een ander, dieper lijden afspeelt

Jezus hangt daar niet voor zichzelf.
Hij hangt daar voor ons allen.
Hij is het hoofd van alle dingen.
Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten.
En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.

Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Het is wat hij al aanvoelde in de hof van Getsemane.
Waar het hem zo aanvloog dat hij als een worm over de grond kroop en bloed zweette.
Als God verdwijnt is er in plaats van zegen vloek.
Dan verdwijnt alle zin en samenhang.
In plaats van heelheid, eenheid, shalom is er vloek, verval, verrotting, verwelking.
Zoiets als een doolhof zonder uitgang, waanzin zonder overkant.
Zonder zin en uitzicht wordt alles krankzinnig, absurd, idioot.
Dat klinkt door in deze schreeuw: tot wat? God van mij, tot wat?
Het is teveel, ondragelijk, je zou je ervoor willen afsluiten.

Deze schreeuw van Jezus aan het kruis.
Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping.
Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt.
Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde.
Die is hier begrepen in deze schreeuw.
Alles schreeuwt hier mee.

Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht,
al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan,
of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie,
of in de relatie met je kinderen, met je ouders, met vrienden.
Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken,
werkeloosheid en lichamelijk ongemak.

Soms praten wij mensen niet meer met God.
En als we niets meer weten te zeggen, zeggen we soms nog:
mijn God! O my God!
Begrijpen er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen
en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!

Deze schreeuw is een klacht.
Waarom? Tot wat?
En Jezus sterft te midden van zijn vragen.
Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord.
Er is een nare, wrede, niets ontziende dood.
Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden,
van lijden zonder zin.

Het diepere geheim van deze schreeuw is dit.
God verlaat niet alleen zijn zoon.
Hij verlaat niet alleen de mensen en de schepping.
Hij verlaat hier ook zichzelf.
God neemt deze scheur op in zichzelf.
Hij ondergaat dit, gaat er in onder.
God gaat tot het uiterste in zijn liefde.
De drie-ene God kraakt in zijn eenheid in zijn toewending naar ons.
God gaat hier zelf stuk, kapot.

Nou, stuk, kapot. Toch niet helemaal.
Want Jezus schreeuwt wel intens.
Maar hij blijft daar wel hangen.
En zijn schreeuw tot wat, zijn waarom gaat door merg en been.
Maar hij blijft ook schreeuwen:
God van mij, God van mij.
Wie U zegt of jij, is ondanks alles toch nooit echt alleen.
En in Jezus die daar aan het kruis blijft hangen tot het einde
zien we God zelf die wel kraakt in al zijn voegen.
Maar in Jezus ons en deze wereld toch niet loslaat,
trouw blijft en standhoudt.
En daarvoor de hoogste, zwaarste prijs voor wil betalen.
Wil afdalen tot in de hel. Wil sterven voor de wereld.

Als het langzaam weer licht wordt daar op Golgotha
zien we daar een paar mensen staan, onderaan het kruis.
Een Romeinse officier plus wat Joodse vrouwen.
Dit is zeg maar het begin van de kerk.
Mensen die deze laatste schreeuw niet meer, nooit meer kunnen vergeten.
Een schreeuw die we elke dag opnieuw horen.
Om ons heen en in onszelf.
En waar we deze schreeuw horen weten we:
die wordt gedragen en meegenomen
in de laatste schreeuw van deze man aan het kruis.

Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis.
Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt.
Maar nee, als Jezus sterft, wordt het juist weer licht.
Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg.
Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteus schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze.
De Geest geven.

Bij een afgematte, uitgeputte, stervende man
verwacht je als laatste hooguit nog een zucht, een kreun.
Maar Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft
begint het weer licht te worden.
En zijn er de eerste tekenen van een nieuw begin.
De schepping begint aan een eerste vreugdedans.
De aarde beeft, graven barsten open, doden komen tot leven.
En in de tempel scheurt het voorhangsel van boven naar beneden.
Er gaat er bij God en in God een deur open.
Voor jou, voor mij en voor alle mensen.

Jesaja 51,12

Werkelijke troost wordt altijd door een ander gegeven.
Dat mogen we tenslotte nog zien als het om ons actieve leven gaat.
In de sfeer van het onszelf troosten komen we niet verder dan
een kom op, volgende keer beter, volgende keer beter je best doen, volgende keer wat meer geluk hebben.
En hoe snel leven we niet in die sfeer.
Als fantastische doe het zelvers
zijn we aan de gang met Gods geboden.
Voor we het weten lopen we eindeloos achter onszelf aan:
hier nog wat te verbeteren en daar nog wat te corrigeren,
een schroefje hier en een likje verf daar.
Maar als we eerlijk worden,
dan weten we eigenlijk niet waar we het voor gedaan hebben.
Waren we nu werkelijk dankbaar?
Of wilden we toch gewoon wel graag in de hemel komen?
Of wilden we eigenlijk gewoon dat iedereen ons aardig vindt?
Of zochten we respect en aanzien?
Hoe langer je er over nadenkt, hoe minder grip heb je er op.
En rustig word je daar niet van.

Besef dat troosten niet het antwoord is
voordat je de vraag goed hebt beluisterd.
Het is niet het aanbrengen van allerlei goede adviezen.
Troosten is helpen te leven met vragen waarop geen antwoorden zijn.
Daar kun je rust in vinden.

Rust vind je pas als je met heel je hebben en houden, je plannen,
je wensen, en al je daden, bij Jezus binnenloopt,
je door Hem laat bemoedigen en stimuleren,
je door Hem laat bezielen met zijn Geest.
Pas samen met Jezus leven, maakt je leven een rustig leven.
Zo wil Hij je troosten in je werkelijke leven.
Het gaat hier niet maar om pep-talk,
niet maar om jezelf troosten met wat goede dingen.
Het gaat hier in alles om leven met Jezus
en Hem horen spreken tegen jou zelf.
Hoor het Hèm maar zeggen: rustig maar,
Ik heb al voor jou geboet, rustig maar,
Ik zorg voor jou, rustig maar, kalm aan,
Ik heb al voor jou geleefd.
Voortaan zal ons niet alles gaan lukken.
En dat hoeft ook niet. Want alles is Hèm al gelukt.
Ik denk zo, als Hij dat tegen ons zegt,
dan mogen we ook werkelijk rustig worden.
Telkens weer, ons leven lang.

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…