Loop een willekeurige verjaardag binnen
en je hoort het meteen:
Nederland is kapot. Gebroken.
Beste mensen,
We zijn één van de rijkste landen ter wereld
en toch klinkt het alsof we collectief
op een doorgezakte campingstoel zitten
te mopperen over alles.
Over de politiek.
Over “de staat van het land”.
Over elkaar.
Alsof het ergens onderweg mis is gegaan
en niemand precies weet wanneer.

Dus ja, de vraag dringt zich op:
is Nederland kapot?
Is dat tere vaasje
waar Mark Rutte
het ooit over had gebroken?

Eerlijk antwoord: ja.
Natuurlijk.

Maar nieuwsflash:
dat geldt voor élke samenleving
die ooit door mensen is gebouwd.
De grote kerkvader Augustinus
zei het al, zestien eeuwen geleden:
‘geen enkele menselijke samenleving is onschuldig.
Geen enkele cultuur is puur.
Elk land is gebouwd op onrecht, geweld,
machtsmisbruik of uitbuiting
of een mix van die vier.
Het Romeinse Rijk,
het grote voorbeeld van beschaving in zijn tijd,
draaide op onderwerping en geweld.

En wij?
Wij zijn niet ineens een morele uitzondering.

Volgens diezelfde Augustinus
is er maar één stad die écht heel is:
de Stad van God.
Een samenleving die niet draait
om eigenbelang,
maar om zelfopoffering.

En die bestaat hier niet.
Althans, nog niet.
Alles wat mensen bouwen,
is in meer of mindere mate gebroken.

Dus ja,
de mensen die zeggen
dat Nederland gebroken is,
hebben gelijk.

Maar meestal gaan ze
tegelijk de mist in op drie punten.

Eén:
ze doen alsof dát het enige is
wat je over Nederland kunt zeggen.
Gebroken of niet
en kies je het verkeerde antwoord,
dan hoor je bij ‘de verkeerde kant’.
Maar het leven is geen ja/nee-vraag.

Het christelijk verhaal kijkt anders.
Het zegt:
Nederland is tegelijk geschapen, gevallen
én hier en daar verlost.
Het is een goed land,
bevolkt door mensen
die door God geschapen en geliefd zijn.
Een land met creativiteit,
zorgzaamheid
en een enorme potentie
voor het goede.
Maar ook een land
waarvan de rijkdom
deels is gebouwd op slavernij, kolonialisme,
uitbuiting en milieuschade.
En tóch:
ook een land met instellingen
en tradities die hoe gebrekkig ook
iets van genade laten zien.

Neem de zorg.
‘Die is kapot,’ horen we dagelijks.
Wachttijden, personeelstekorten,
managers met spreadsheets.
Papierwerk.
En ja, dat is allemaal waar.
Maar vergis je niet:
het gros van de wereld
zou een moord doen
voor ons zorgstelsel.
Hetzelfde geldt voor onze rechtsstaat, onze economie,
onze politie en krijgsmacht.
Niet perfect, vaak onder druk,
maar meestal geen corrupte puinhopen.
Gods genade
werkt ook in gebroken systemen.
Dat mogen we best hardop zeggen.

Twee: het idee dat er ooit een gouden tijd was.
Een moment waarop Nederland wél soepel,
harmonieus en rechtvaardig functioneerde
totdat zíj het kwamen verpesten:
Immigranten.
Woke-activisten. kapitalisten.
Fascisten.
Kies je vijand.
Maar die tijd heeft nooit bestaan.
Onvrede hoort bij het menselijk bestaan.
Alles wat we bouwen,
draagt de kiem van verval al in zich.
Niets blijft.
Geen systeem.
Geen ideologie.
Geen kabinet.
(lekker positief voor Jetten, dit)

En drie:
het idee dat wij, of onze favoriete partij
het wel even gaan fixen.
Elke hervormingspartij belooft redding.
Net als Trump.
Net als Biden of Obama.
Net als iedere nieuwe leider ooit.
Ze móéten wel.
Maar politiek is, zoals Bismarck zei,
de kunst van het haalbare.
Van het op-één-na-beste.
Dat is geen cynisme,
dat is realisme.

We hebben politiek nodig.
We moeten samenleven,
compromissen sluiten,
het een beetje draaglijk houden.
Maar laten we asjeblieft ophouden
te doen alsof politici ons gaan redden.
Of de markt.
Of de staat.
Zij kunnen ons niet vergeven.
Onze zelfzucht niet genezen.
Onze gebroken harten niet helen.

Dus ja: Nederland is gebroken.
Net als elke menselijke samenleving.
Laten we stoppen met slogans
en beginnen met eerlijkheid.
We waarderen wat goed is.
We erkennen wat fout is.
We proberen samen te leven
met bescheiden verwachtingen
van de politiek.
En met het besef
dat echte redding
van elders moet komen.

 

Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje.
‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar.
Laten we het goed beschermen!’
Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland.
Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie.
Want die staat mijns inziens ook onder druk, 
zowel nationaal als internationaal.

Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet
zou kunnen opschorten
om een derde termijn als president na te streven,
en nog duisterdere dreigingen
dat zijn regime zelfs autocratische ambities
zou kunnen koesteren,
hebben het Westen eraan herinnerd
dat we democratie
niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.

Parlementaire democratie,
zo hebben we algemeen aangenomen,
is een goede zaak.
Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen,
maar ook aan andere landen wilden opleggen.
De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld
werd, zo werd ons verteld,
uitgevochten voor vrijheid en democratie,
maar zo liep het niet helemaal.

Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording,
waarbij regeringspartijen macht uitoefenen
via de wil van de bevolking die ze dienen,
uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen
die ervoor zorgen
dat niemand zich ongestraft
aan de macht kan vastklampen.

Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen
op het vooruitzicht van een volkswil
die een regeringsvorm bepleit
die niet overeenkomt
met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten.
Er klinken stemmen,
waaronder die van schrijfster Margaret Atwood,
die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten
als gevolg van de waanzin van de huidige president.

De meesten van ons in Nederland
zullen waarschijnlijk zeggen
dat democratie meer moet zijn dan een systeem
waarin meerderheden hun zin krijgen.
Want we willen ook dat onze regering
zich aan de wet houdt.
En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet,
maar ook wiens wet.
Voor degenen met een religieuze overtuiging
zal die vraag deels en in belangrijke mate
beantwoord worden door Gods wet,
waarop de westerse beschaving
aantoonbaar is gebouwd.

Hier komt pluralisme om de hoek kijken,
zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren.
Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen,
waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.

Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht,
die sterk gecentraliseerd was
en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen,
wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd.
De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter,
waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.

Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde,
gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus.
En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen.
Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven,
omdat de demos, de gewone mensen,
er niet bij betrokken zijn
en ook niet vertegenwoordigd zijn.

De Kerk is geen democratie,
net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping.
Eerder andersom
– sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’,
degenen die Hij kiest voor verlossing.
In het christelijk denken is God een dienende koning,
maar desalniettemin een absolute en,
zoals sommigen die zich tegen God verzetten,
een tirannieke autoriteit.

Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid?
Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden
in dat pluralistische kenmerk van democratie.
We zijn er eerlijk gezegd niet goed in
om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen.
Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie
– je gelooft, of je gelooft niet.
Een pluralistisch model zou er een zijn
waarin we de goddelijke wil leren kennen
via de gehele schepping,
alle uitingen van geloof en ongeloof,
in plaats van alleen via onze eigen wil.

Pluralisme is gezond,
zowel in de seculiere politiek
als in religieuze gebruiken.
Het is de tegenpool van de groeiende autocratie
zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika
en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.

Dit is geen pleidooi voor theocratie,
maar de overtuiging dat de christelijke traditie
berust op het principe dat geen enkele politieke orde
de autoriteit van God kan claimen,
behalve het Lichaam van Christus.
En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras.
In tegenstelling tot politieke partijen
concurreren wij niet om de macht,
maar vormen wij een gemeenschap
die wijst naar een geredde en genezen wereld.

De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap,
een vorm van multiculturalisme
dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen
op basis van universeel verlichte principes.
Of we kunnen reageren op de energie
waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden,
door bereidwillige gemeenschappen te bouwen
die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede.
Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.

Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme.
En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen,
wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest.
We kunnen alleen maar hopen en bidden
dat het een missie wordt die ook centraal staat
in de beraadslagingen die de komende dagen
zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.