Toch nóg een post naar aanleiding van de geloofsbelijdenis van Nicea
Ditmaal meer over belijdenissen in z’n algemeenheid.

zoals ik al eerder schreef markeert 2025
de 1700e verjaardag van het opstellen van deze geloofsbelijdenis.
Een belijdenis is vorm die de Kerk
tot op de dag van vandaag blijft zeggen
om haar geloof te belijden en uit te leggen.
Overal ter wereld reageren christelijke gemeenschappen
op deze mijlpaal door opnieuw na te denken
over de inhoud van die verklaring, de waarheid
en ook over de vorm ervan: een geloofsbelijdenis.

Maar de Kerk is geen bron van waarheid.
De Kerk kan belijden wat waar is,
maar waarheid is niet haar bezit om ermee te doen wat ze wil.
Voortkomend uit Jezus’ opmerkingen in Johannes 14 vers 6
heeft de christelijke traditie
over de waarheid nagedacht.
Als waarheid primair verband houdt
met de persoon van Jezus Christus,
dan is waarheid iets fundamentelers dan de Kerk.
De Kerk heeft haar basis in de waarheid
in plaats van dat de waarheid haar basis heeft in de Kerk.

Een geloofsbelijdenis is een uitdrukking van het geloof
dat dit de stand van zaken is.
Meer dan dat, het is een verklaring
van de toewijding van jezelf
aan deze stand van zaken.
Het uitspreken van een geloofsbelijdenis
is een existentiële daad,
een beslissing, hiervoor.
Het is een beslissing voor datgene
wat we niet hebben gecreëerd
en waar we geen controle over hebben.
En zelfs daarbuiten is het een beslissing
die we niet eens hebben genomen!
Het was een beslissing die door christenen
vóór ons werd genomen die dit en niet dat bepaalden.

Het is moeilijk om een daad te bedenken
die minder in overeenstemming is
met een ‘moderne’ menselijke geest.
Als Immanuel Kant gelijk had dat Verlichting
de ‘ontstaan van de mensheid uit zijn [sic]
zelfveroorzaakte onvolwassenheid’ is,
waarbij deze onvolwassenheid wordt gedefinieerd
als ‘het onvermogen om je eigen begrip te gebruiken
zonder de begeleiding van een ander’,
dan staat de praktijk van het belijden van een waarheid
die we niet persoonlijk hebben bepaald gelijk aan
het in ons denken zelf niet verder komen dan de een kinderwagen.

Dichter bij huis spreken de geloofsbelijdenissen
op een manier die niet altijd overeenkomt met onze ervaring.
Er is een waarheid die zelfs fundamenteler is
dan wat ik tot waarheid verleid
Geloofsbelijdenissen zijn hulpmiddelen
om een gemeenschappelijke opvatting te vestigen
over landgrenzen en talen heen.
Een gemeenschappelijke afhankelijkheid
aan de waarheid die fundamenteel en universeel is,
ongeacht de bijzonderheid van de ervaring.

Daarnaast worden de uitspraken
die in geloofsbelijdenissen worden gedaan
mogelijk niet als waar gezien.
De ervaring kan in feite een andere richting inslaan.
De wereld met al haar problemen en pijnen
lijkt misschien niet de schepping
van een almachtige en welwillende Heer.
De Geest die Heer en gever van leven is,
lijkt misschien niet de nieuwe vitaliteit
van het tijdperk dat in het heden komt,
te ademen.
De kerk lijkt misschien niet altijd één en heilig te zijn.

Waarom dan geloofsbelijdenissen?

Dat wat we hebben en weten,
is wat we hebben ontvangen,
is ingebakken in de aard van de christelijke aanspraak
om iets over God te weten in plaats van niets.

In die tijd zei Jezus:

‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u!
Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen.
Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen.
Ja, Vader, zo wilde u het doen.
Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven.
Alleen de Vader kent de Zoon.
En alleen de Zoon kent de Vader.
En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’
(Mattheüs 11,25-27)

God kennen is niet iets dat in onszelf geworteld is.
God de Zoon is mens geworden
en kent de Vader als een van ons en voor ons allemaal.
Het is op basis van zijn belijdenis van God
als Vader dat wij God als Vader belijden.

De voortdurende en herhaalde praktijk
van het uitspreken van de geloofsbelijdenis
herinnert ons eraan
dat de mogelijkheid om over God
en het werk van God te spreken
geen menselijke mogelijkheid is.
Het is een mogelijkheid voor ons
op basis van de gegeven gebeurtenis van Gods toespraak tot ons.
Wij letten op datgene wat gegeven is.
Het is een daad van geloof waardoor wij steeds weer terugkeren
naar het Woord van God zoals de Kerk het heeft ontvangen.

 

Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Het is de tijd voor het avondgebed.
Dat avondgebed begint deze dag
– in verband met de viering van het Pascha –
om drie uur in plaats van om vier uur.
Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden,
hardop de woorden van het avondgebed:
‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden.
In uw hand beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)

Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op.
En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem:
‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46)
Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed.
Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht.
De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij.
Gods toorn is gestild.
De gemeenschap met God is hersteld.
De verlossing is aangebroken!
Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen.
Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan.
Het werk is volbracht!

Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader
geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God.
“Vader!” “Pater!”
In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten
die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt.
En met zijn liefde spreekt Hij
ook zijn vertrouwen uit.
Jezus sterft niet in wanhoop,
maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is.
Laten die handen nu doen wat goed is.
Als straks machteloze mensenhanden
zijn lichaam van het kruis zullen halen,
dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen.
‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46)
Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af.
Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen:
‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef
het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen
– dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)

Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus.
Hij heeft gezien Wie Jezus was:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47)
Hij looft God.
En dan wordt het stil op Golgotha.
De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken
en alles van dichtbij hebben meegemaakt,
keren terug naar hun huizen in de stad.
Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst.
Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord?
Er is haast geboden.
Om zes uur breekt de sabbat aan.
In elk gezin wordt vanavond opnieuw
het feest van de bevrijding gevierd: Pascha.
Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.

En wij?

Eigenlijk wordt in Jezus’ dood
het begin van zijn overwinning al zichtbaar.
Kijk maar: de aarde begint te scheuren,
graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53).
Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen.
De dood als laatste vijand is verslagen.
‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14,
heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.
Zo heeft Hij allen die slaaf waren
van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’
Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood
dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter.
Er zit al iets van de overwinning in.

Leg je geest, je ziel, je diepste zelf
maar in de handen van Gods vaderliefde.
Je zult zien wat een rust je dat geeft.
Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd
omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest.
De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan:
‘Ik heb je verlost!’

Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!

 

Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!

 

Er is veel volk op de been in Jeruzalem.
De straten puilen uit. het Paasfeest staat immers voor de deur.
Het feest dat herinnert aan de uittocht van het volk van Israël
uit het slavenhuis van Egypte.
En dan is het opeens donker. Midden op de dag. Rond het middaguur.
Een duisternis, die als een donker kleed het hele land overvalt.
Hier zijn krachten aan het werk, die wij mensen niet kunnen verklaren.
Alle natuurwetten worden opzijgeschoven.
God grijpt in!
Wat eens de profeet Amos – in het Oude Testament – profeteerde
gaat vandaag in vervulling:
‘Op die dag – spreekt God, de HEER –
zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan,
en het land verduisteren op klaarlichte dag.’ (Amos 8: 9)
Veel mensen lopen weg.
Nee, om iemand te zien sterven aan een kruis … daar hebben ze geen moeite mee.
Maar voor het onheilspellende donker gaan ze op de loop.
Een angstwekkende duisternis die doet denken
aan de bevrijding uit Egypte.
Het symbool van verschrikking, van ongeluk, verderf en dood.
Het teken van het oordeel van God!
Uit die diepe, angstwekkende duisternis klinkt een langgerekte klacht omhoog:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent:
‘Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?’ (Matteüs 27: 46)
Het is het ‘waarom?’ uit de duisternis. Woorden uit Psalm 22.
Woorden waarin een mens een brug zoekt,
die uit de godverlatenheid tot God voert.
Woorden van een mens die bespot wordt en veracht.

‘Waarom?’

We horen zijn diepe smart, zijn diepe eenzaamheid en onbegrip.
Jezus voelt in de duisternis, dat God Zich van Hem afkeert.
Een krachtig antwoord van God blijft uit.
Uit de hemel komt geen antwoord.
Wat heeft Jezus in deze godverlatenheid moeten lijden!
En toch: Hij blijft gehoorzaam aan zijn roeping –
tot het bittere einde toe.
Hoezeer door God verlaten, Jezus blijft roepen in de duisternis:
‘Mijn God …’
In dat ene woordje ‘Mijn’
ligt heel zijn hoop en verwachten besloten.

Drie uren duisternis.
Daarin wordt het oordeel van God over een zondige wereld openbaar.
Drie uur … dan zegt God: ‘Nu is het genoeg!’
‘Het is volbracht!’
Op dat moment treedt God uit zijn verborgenheid.
Het voorhangsel van de tempel scheurt – van boven naar beneden.
De toegang tot God is weer mogelijk!
Die godverlatenheid, die diepe, donkere duisternis,
waarin alle machten op je aankomen
… dat is voor Jezus … de hel.
Daar aan het vervloekte hout van het kruis
geeft Jezus in deze helse godverlatenheid
zijn leven om de deuren van de hemel weer van slot te krijgen.
Wanneer dáár aan het recht van God is voldaan …
Wanneer dáár de schuld voor een zondige wereld is voldaan …
Wanneer dáár de toorn van God is verzoend …
wijkt de duisternis voor het licht!
Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Tijd voor het avondoffer in de tempel. Uur van het gebed.
Dan knielt – in de voorhof van de tempel – het volk van Gods verbond.
Terwijl in het heilige een priester het reukoffer op het altaar ontsteekt.
Zo vloeien gebeden en wierook samen
tot een stroom van smeken tot God.
In dát uur van gebed en offer brengt Jezus
als de grote Priester het offer van zijn leven.
Zijn kruis is tegelijk het altaar
waar eens voorgoed hét offer ter verzoening wordt gebracht.
Tegelijkertijd worden alle menselijke offers daarmee aan de kant geschoven.
Ze hebben geen waarde meer.
Het offer dat Jezus brengt is uniek, onherhaalbaar, onvervangbaar.
Daar kan geen mens iets meer aan toevoegen of afdoen.

En wij?

Vanaf het kruis van Golgotha klinkt het ‘waarom’
van de godverlatenheid.
De gekruisigde Jezus werd verlaten
opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In mijn angst, in mijn pijn, in de aanvechting en de verzoeking,
mag ik vasthouden aan die belofte van de Vader.

Dat is het geheim van dit vierde bewogen kruiswoord!


 

Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem.
De Damascuspoort uit.
Tot op de kruisheuvel Golgotha.
Het zijn Maria, de moeder van Jezus;
Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena.
Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus.
Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben
toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd.
Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen
toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht
door de geestelijke leiders van hun volk.
Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel
als ze aan de voet van het kruis staan
waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt.
Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder.
En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht.
‘Toen Jezus zijn moeder zag staan,
en bij haar de leerling van wie Hij veel hield,
zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27)
Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis
steeds met anderen bezig is geweest.
Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt.
Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen.
Bewogen met anderen.
Want hoe moet het nu verder met Maria?
Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth?
Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn?
Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien?
De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’
en niet als moeder.
Maria is niet alleen zijn moeder,
zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer.
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
(Lucas 1: 38)
Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer!
Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid
deze vrouw op aan de zorgen van Johannes.
Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door.
Hij neemt afscheid van haar,
door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen.
En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen.
Nu voorgoed.
Nu definitief.

En Johannes?

Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer,
een neef van Jezus moet zijn geweest.
Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome.
Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden.
Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun.
Trouw en het vertrouwen waard.
Johannes is dan ook de enige leerling
waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat.
Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken.
Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend.
Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’
De man en de vrouw waar Jezus op aarde
het meest van is gaan houden worden
door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden.
Hij wil dat ze één gezin gaan vormen.
Voortaan woont Maria in het huis van Johannes.
Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap:
de gemeente van Jezus Christus.
Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar.
Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar.
Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan.
Om onze vreugde en ons verdriet,
onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen.
Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden
die Hij eerder sprak:
‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet,
is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50)
Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden,
zelfs familiebanden, kwijtraken.
Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan
en geeft je een nieuwe familie om je heen:
de gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!

4 juni 1976 – 16 februari 2024

In verband met het eenjarig herdenken van de moord op Navalny, een repost van een eerder bericht 

In de rechtszitting kort na zijn arrestatie,
waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf,
vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.

Tijdens dat proces in 2021 zei hij:
‘Feit is dat ik christen ben…
Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst…
Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten…
Er zijn minder dilemma’s in mijn leven,
omdat er een Boek is waarin over het algemeen
min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.

‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen,
maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei,
waarschijnlijk gemakkelijker voor mij
dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’

Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder:
“Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”           (Matteüs 5:6).
‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’,
merkte Navalny op.

Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland
en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.

Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd,
heb ik nagedacht over de woorden van Navalny.
Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte
die in de toekomst vervuld zou worden,
maar als een zeer actuele oproep tot actie.
Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid,
maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht.
Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.

Zijn honger en dorst naar gerechtigheid
waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk:
soms koos hij voor een hongerstaking
om de aandacht van de wereld te trekken,
soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis.
Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten
voor het teweegbrengen van verandering
in het politieke systeem van zijn land.

Als Navalny zijn geloof kan vasthouden,
gerechtigheid kan blijven nastreven
en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen,
zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet,
gemarteld en zelfs vermoord,
moeten we misschien allemaal heroverwegen
hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.

Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken
als er sprake is van misbruik van publieke middelen,
ongepaste invloed van de media,
het oppotten van rijkdom door enkelingen,
of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.

Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden
en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn,
werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben?
Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur
en onze leiders ter verantwoording roepen,
en eisen dat degenen die leiding geven
dit met integriteit en mededogen doen?

Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af:
wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus
en met behulp van de Bijbel doen
om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?

In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’

 

In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken
met het evangelie naar Mattheüs.
Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs .
Een evangelist met een rafelrand.
Hij was ooit tollenaar van beroep.
Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt.
Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen.
Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen.
In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus,
neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen
een eenzame plek in in de marge.
Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd
en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden.
Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie
Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’.
Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.

Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie
dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste.
Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen.
In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer
die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien.
Het is niet keurig uit elkaar te houden.
Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond.
Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid.
De boer moet dealen met beiden.
Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.

In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV).
Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben.
Zij die het niet gemaakt hebben in het leven.
Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:

Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen.
we zijn een stille wanorde, ontregelde boel
we hebben het niet op een rijtje
we falen bij de vleet dat is een voldongen feit
vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk
geen verschil in behandeling tussen jou en mij
je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.

we zijn de kerk van brokkenpiloten
gezegend zijn zij die het verkloten
zalig zijn zij die proberen maar mislukken
Christus laat zich vinden te midden van brokstukken
niet om te oordelen maar om te redden
wat er te redden valt tussen schip en wal
we zijn onvolmaakt en verre van af

Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap.
Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof.
Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas.
Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen.
Hij speelde een belangrijke rol in het theater.
Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid.
Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.

Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs
zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan.
‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10)
Uitschot of schuim is volgens het woordenboek
‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’
Een beetje als te kleine, magere visjes
die na de vangst weer worden teruggeworpen.
Onder de maat. Niks mee te beginnen.
Overboord ermee.
Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak.
The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits
en vertaalt uitschot en uitvaagsel met:
‘garbage, the leftovers that nobody wants.’

Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs
natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof
in een gekruisigde Jood als redder van de wereld.
Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven
dat dat handjevol gelovigen in Korinthe
nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving.
Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen.
Mensen uit de onderste laag van de samenleving,
het klootjesvolk zeg maar.
Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag
dat Paulus ziet bij deze gelovigen.
Het is nogal een zooitje ongeregeld
waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires,
echtscheidingen, geruzie en jaloezie
ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken,
haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie,
slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal.
Rommeligheid is hier echt een understatement.

En in deze brief komt dit allemaal ter sprake.
Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt.
En toch begint juist deze brief
aan deze specifieke rommelige gelovigen
met woorden van genade.
‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3).
En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord:
‘De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)

Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken
kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen.
Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige.
En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken.
Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben.
En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.

Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie.
Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus.
En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past
bij het beeld van zijn eerste werk.
Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door
is verweven met allerlei rommelige levens.
Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham,
David en de ballingschap. Abraham en David
mannen van God vol geloof en moed.
Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar.
En de ballingschap is het trieste dieptepunt
van het collectieve morele falen van een heel volk.
Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd
die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden.
Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol.
Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee,
Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse.
Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens.
Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen
in het geslachtsregister van Jezus.

Door de generaties heen is er een wonderlijke God
aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt.
Een rode draad van genade die uitloopt op de man
die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan
maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven.
Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken.
In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten.
Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort.
Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest
ondanks alles toch ook in mij doet wonen.
En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden
van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)

 

De wijzen uit het oosten of drie koningen zijn,
binnen de christelijke traditie,
de wijzen die Jezus van Nazareth
na zijn geboorte kwamen vereren
en geschenken van goud, wierook en mirre brachten.

De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament
alleen voor in Matteüs 2:1-12.
Over hun herkomst wordt alleen gezegd dat ze uit het oosten kwamen.
Ook hun aantal en hun namen worden niet vermeld.

De wijzen kwamen volgens de overlevering
uit de drie verschillende werelddelen.
Ze vertegenwoordigen de drie takken van het menselijk geslacht
– een twintiger, een veertiger en een zestiger –
volgens de Bijbel het nageslacht van de drie zonen van Noach:
Sem, Cham en Jafet.
De mannen vertegenwoordigen drie leeftijden van de mens.

Het verhaal in Matteüs werd in de loop van de eeuwen uitgebreid
met allerlei elementen die niet worden genoemd in het Bijbelse verhaal.
Mattheüs noemt het aantal niet,
maar volgens de traditie in het westers christendom zijn er drie wijzen.
Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld
aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten.
In tradities in het oosters christendom zijn er niet drie maar twaalf wijzen.

Het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus
wordt in het westers christendom oorspronkelijk gevierd op 6 januari,
in de volksmond Driekoningen.
De wijzen een lange geschiedenis van betrokkenheid bij de monarchie,
waarbij ze paden volgens de overlevering
kruisten met illustere koningen,
waaronder Cyrus de Grote van Perzië,
Alexander de Grote en de Romeinse keizer Nero.

De wijzen of erfelijke priesters waren oorspronkelijk
lid van een stam van de Meden
die 600 jaar voor de geboorte van Jezus in Noord-Iran leefden.
De Griekse historicus Herodotus schreef rond 425 v.Chr.
hoe deze wijzen in het hele oude Midden-Oosten bekend werden
vanwege hun vermogen om dromen te interpreteren
en hun kennis van de sterren.
Ze waren aanhangers van de zoroastrische religie
en waren verantwoordelijk voor de heilige vuren
die centraal stonden in de zoroastrische eredienst.

Voor de Grieken waren de zoroastriërs en de magiërs
– want zo worden de wijzen ook wel genoemd –
exotische objecten van fascinatie.
Veel latere Griekse filosofische werken beweerden
dat ze ontsproten waren uit de verbeelding van Zoroaster (of Zarathustra) .
Maar honderd jaar voor Herodotus
vinden we de eerste vermelding van magiërs in de Bijbel,
in het boek Daniël.
Dit was de periode van de Joodse ballingschap
en gevangenschap in Babylon.
Jojakim, koning van Judea
en afstammeling van de koningen David en Salomo,
werd verslagen in de strijd
en gedood door Nebukadnezar II van Babylon.
Jeruzalem en de tempel werden verwoest
en veel Judese edelen werden gevangengenomen.
Daniël was een van deze gijzelaars
en wordt meegenomen naar het Babylonische hof,
waar God hem de mogelijkheid geeft
om de dromen van de koning te interpreteren.
Onder de indruk van zijn capaciteiten,
geeft Nebukadnezar Daniël
de leiding over al zijn wijze mannen.
Het is onduidelijk welke relatie deze Babylonische ‘magiërs’
hadden met de Meden, maar de sterke Medische invloed
op het Babylonische hof
suggereert dat de Babylonische wijze mannen
heel goed Zoroastrische magiërs kunnen zijn geweest.

Daniël bleef aan het Babylonische hof,
totdat de Babyloniërs werden binnengevallen
door Cyrus de Grote,
die de Joden toestond terug te keren uit ballingschap
en te beginnen met het herstellen van Jeruzalem.

Het Perzische rijk van Cyrus duurde tweehonderd jaar,
totdat het in 331 v.Chr. werd binnengevallen
door Alexander de Grote en zijn leger.
Alexander zocht het advies van magiërs,
maar liet velen van hen op gewelddadige wijze doden
en hun heilige vuren doven
toen hij de Perzische hoofdstad Persepolis met de grond gelijk maakte
als wraak voor de Perzische vernietiging
van de Akropolis door Xerxes 150 jaar eerder.
De Griekse opvolgers van Alexander werden gekenmerkt
door bloedige rivaliteit en onderlinge strijd
en werden later onderworpen door het Parthische rijk,
dat de meest geduchte rivaal van Rome in het oosten zou worden.
De magi consolideerden hun reputatie
als koningsmakers tijdens de Parthische periode,
met een raad van magi (de Megistanen)
die verantwoordelijk was
voor het kiezen van Parthische koningen.

In de tijd van Jezus waren er overal in het Midden-Oosten ‘magiërs’
en in deze context beschrijft de Romeinse historicus Plinius de Oudere
de reis van Armeense magiërs om keizer Nero te bezoeken in 66 na Christus.
Tegen die tijd waren Parthië en Rome al een eeuw in hun langdurige strijd
en hadden ze net een vijf jaar durende oorlog gevoerd
over de Armeense opvolging.
Ondanks een vernederende nederlaag,
redde Rome wat gezicht door een zeer eenzijdig verdrag
waarbij Parthië de volgende Armeense koning koos,
maar waarbij de Romeinse keizer
de kroon op zijn hoofd mocht zetten!
Nero draaide dit in zijn voordeel
door de nieuwe koning Tridates I
naar Rome te laten komen
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
Tridates, die zowel een zoroastrische priester als een koning was,
kwam met een enorm gevolg,
waaronder andere magiërs en duizenden ruiters,
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
De enorme processie kwam tot een hoogtepunt toen
de magi-koning boog voor de keizer
en hem erkende als zijn heer.

Het bezoek van de Armeense magiërs
heeft duidelijke overeenkomsten
met het bekende verhaal van magiërs
die het kindje Jezus bezoeken in het evangelie van Matteüs.
Gezien de vele verfraaiingen die door de eeuwen heen
aan het magiërsverhaal zijn toegevoegd,
is het nauwelijks verrassend dat sommigen hebben gesuggereerd
dat het magiërsverhaal een verzinsel was
en een geremixte versie
van het bezoek van koning Tridates aan keizer Nero.
Maar als magiërs standaardpersonages waren in het oude Nabije Oosten
en ook echt geïnteresseerd waren in monarchen
(die vaak ook als ‘goden’ werden behandeld),
dan zou het niet zo verrassend zijn
dat er meer dan één bezoek van koninklijke magiërs zou zijn
met emotioneel geladen religieuze ondertonen.
Wat een verzonnen magiërsverhaal minder waarschijnlijk maakt,
is wat het Joodse publiek van de evangelieschrijver Matteüs
van de magiërs zou hebben gedacht.
Hoewel de Grieken en Romeinen enthousiast waren
over buitenlandse ‘goden’ en exotische wijsheid,
waren de Joden uit de eerste eeuw dat absoluut niet.
Voor hen en voor de vroege christenen
zouden de magiërs charlatans en volgelingen
van een valse buitenlandse ‘god’ zijn geweest.
Een bezoek van een paar buitenlandse astrologen
zou eerder gênant zijn geweest
dan het soort verhaal dat je zou verzinnen.

Dus, wie waren de magiërs in het evangelie van Matteüs?
De twee dominante theorieën waren
dat ze ofwel Perzisch waren of dat ze later fictie waren.
Meer fantasierijke theorieën omvatten oorsprongen
in India, China en zelfs Mongolië.
Een andere, misschien realistischer mogelijkheid,
is dat de magiërs afkomstig waren uit het Arabische koninkrijk Nabatea.
De Nabateeërs stonden bekend om het gebruik van irrigatie
om de woestijn te bewerken en om de handelsroutes
door de Arabische woestijn te controleren.
Twee handelsgewassen waarin Nabatea de handel domineerde,
waren wierook en mirre.
De rijkdom die werd gegenereerd door deze lucratieve handel
werd gebruikt om Petra te bouwen,
de wereldberoemde valleistad van rotsmonumenten.
De Nabateeërs hadden nauwe banden met Israël
en waren mogelijk bekend met de profetieën van Daniël en Jesaja.
Ze zouden ook geïnteresseerd zijn geweest
in de Judese monarchie
en zouden natuurlijke bezoekers zijn geweest
van de paranoïde koning Herodes.
Herodes’ moeder was een Nabateese prinses
en de Nabateese koning Aretas IV
moest de gunst van Herodes versterken,
zodat de Nabateeërs
geïnteresseerd zouden zijn
in een nieuwe koning der Joden.

Waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten
wie de wijzen uit het oosten waren.
Maar voor mij is er iets diep fascinerends
aan deze mysterieuze bezoekers van het kindje Jezus.
Deels lijken ze hogere dingen te vertegenwoordigen
– met hun wijsheid en rijkdom in goddelijke dienst.
Het kan lijken alsof hun uitstekende kennis
en astronomische vaardigheden
een soort van kosmische puzzel hebben opgelost,
waarbij de magiërs de ster volgen en een despoot ontwijken
om de baby aan het einde van de schattenjacht te vinden.
Dit klopt niet,
de kennis van de magiërs
is niet het object van verwondering.
De kennis die ze hebben is kapot,
het is een rommelige mix van gekke occultisme,
astronomie, wiskunde
aangevuld met een ongezonde obsessie met royalty.

De kennis die wij hebben is ook kapot.
Maar God gebruikt de dwaze dingen
om de wijzen te verwarren,
en in de gekke puinhoop van horoscopen en waarzeggerij
laat God de magiërs een uitnodiging achter.
De uitnodiging accepteren is een risico nemen:
de lange reis riskeren,
de toorn van Herodes
en zelfs het risico lopen het mis te hebben.
Maar als ze deze uitnodiging accepteren,
realiseren ze zich
dat het een uitnodiging is om God Zelf te ontmoeten.

 

Het lezen van reacties op Donald Trumps verkiezingsoverwinning
in verschillende nieuwsmedia de afgelopen dagen
was een les in het hedendaagse politieke landschap:

Voor linksgeoriënteerde media ziet de toekomst er somber uit.
Men klaagt dat
‘we moeten leren leven met een Amerika
waar een overweldigend aantal van burgers
een president heeft gekozen die de meest fundamentele waarden en tradities
van de democratie, de grondwet en zelfs het leger met minachting aanhangt.’
Of het wordt ‘een buitengewoon, verwoestend moment
in de geschiedenis van de Verenigde Staten’ genoemd.
Het lijkt wel een seculiere versie van de preek ‘Wee ons, het einde is nabij’.

Maar als je de rechtse media bekijkt, zie je een mengeling van gejuich
– ‘Trumps triomf is een ramp voor de egocentrische, deugdzame elites!’-
en optimisme dat er een nieuwe dag aanbreekt.
Trump zelf prees de komst van een ‘gouden eeuw’ voor het Amerikaanse volk.
Een welkom stukje goed nieuws voor degenen aan de rechterkant.

Aan beide kanten is de apocalyptische noot moeilijk te missen:
‘2024 is het echte werk, een revolutionair moment,
een herinrichting en heroriëntatie van de Amerikaanse
en westerse politiek rond nieuwe principes.’
‘er niets dan slecht nieuws is voor Europa
in de Amerikaanse verkiezingsoverwinning van Donald Trump.
De enige vraag is hoe erg het zal worden.’

Direct na zulke verkiezingen is er altijd
een beetje van deze apocalyptische toon te horen:
wie herinnert zich nog hoe George W. Bush een rampzalige campagne voerde
voor een machtswisseling in het Midden-Oosten.
Of hoe Barack Obama begon met grote hoop,
een tweede termijn won,
maar de wapenwetten niet veranderde
en over algemeen werd beschouwd als degene die de VS verzwakte
door een mislukt buitenlands beleid.
En ook Joe Biden zou hebben gefaald omdat hij de inflatie liet toenemen
en de Amerikaanse grenzen te poreus liet worden.

Ja, ook Donald Trump zal falen.
Hij kan, zoals hij beloofde, een verbeterde economie opleveren.
Hij kan illegale immigratie tegengaan.
Dat is tenslotte de reden waarom velen op hem stemden.
Maar uiteindelijk zal hij teleurstellen.
Dat zou Kamala Harris ook hebben gedaan als zij had gewonnen.
En dat is niet om deze specifieke leiders te bekritiseren.

Het is altijd verleidelijk om in tijden als deze naar apocalyptische taal te grijpen.
Maar de echte betekenis van ‘apocalyps’ is ‘openbaring’ of ‘onthulling’.
Als we het op langere termijn bekijken,
is het echte apocalyptische moment in tijden
als deze misschien wel de onthulling van de ware plaats van politiek
als belangrijk, maar niet hét belangrijkst.
Deze momenten onthullen de ontoereikendheid
van alle menselijke koninkrijken,
en ons verlangen naar een ander koninkrijk,
een koninkrijk van ‘rechtvaardigheid,
vrede en vreugde in de Heilige Geest’ zoals de Bijbel het zegt,
dingen die geen enkele regering of verkiezingsuitslag ooit kan leveren.

Politiek is belangrijk omdat we het in de samenleven belangrijk vínden.
Maar wat politiek op zijn best kan bieden
– een goed functionerende economie, wet en orde,
het beheren van goede internationale relaties –
gaat maar tot op zekere hoogte om een bloeiend leven mogelijk te maken.
Net als terugkeren naar een bekende verlangen
waarvan we denken dat we er eens en voor altijd gelukkig van kunnen worden.
Ondanks de talloze keren dat het eerder is mislukt,
geloven we op de een of andere manier steeds weer
dat politiek al onze problemen kan oplossen.
Trump will fix it, Trump zal het oplossen’, zeiden de spandoeken
– hoewel dat in feite is wat elke politicus belooft.
Maar Jezus waarschuwde al:
‘Velen zullen in mijn naam komen en zeggen “Ik ben het”,
en veel mensen op een dwaalspoor brengen.’ (Mattheüs 24,5)

Waarschijnlijk zal Donald Trump niet zo slecht zijn als velen vrezen,
en niet zo goed als velen hopen.
Want politiek is nooit het laatste woord.
Zoals de Amerikaanse theoloog Matthew Burdette het onlangs verwoordde:
‘De oplossing voor onze politiek is geen politieke oplossing.
Stemmen op de juiste of de verkeerde kandidaat
zal de situatie niet veranderen:
de duivel is onpartijdig, zolang politiek onze afgod is.
Nee, wat nodig is, is fundamenteel en grondig spiritueel.
Alleen als we met de profeet Jesaja kunnen zeggen
dat “de volken zijn als een druppel uit een emmer,
en worden gerekend als stof op de weegschaal,” (Jesaja 40,15-17)
En
“ Vertrouw niet op mensen met macht,
op een sterveling bij wie geen redding is.
Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde,
op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder.” (Psalm 146,3-4)
dat wil zeggen, alleen als we tegen de horizon
van het ultieme kunnen zien hoe klein onze zorgen zijn,
zullen deze relatieve, voorlaatste dingen zoals politiek
worden rechtgezet en hun ware betekenis in ons leven krijgen.’

 

Deze gelijkenis zegt namelijk ook iets over het leven.
Letterlijk zijn de gelijkenissen die Jezus hier,
aan het einde van het evangelie vertelt,
gelijkenissen van het Koninkrijk.
Het leven zoals God het bedoelt, het leven zoals het zou moeten zijn,
kunnen zijn, wordt door Jezus getekend in verhalen
die uit het leven zelf gegrepen zijn.
Verhalen die ieder begrijpen kan,
maar die toch ook weer verborgen diepten hebben.

Hoe dan ook,
de gelijkenis van de talenten is het verhaal van het vertrouwen
dat de heer (de Heer) in zijn mensen stelt.
Ieder naar wat hij of zij aankan.

Waarom groeit het bezit van de eerste twee knechten?
Omdat zij er mee de wereld in gaan.
Omdat zij zich onder de mensen begeven;
handel en wandel en wat al niet meer – het wordt verder niet uitgelegd.
Maar vertrouwen groeit als vertrouwen wordt gedeeld.
Zo is het menselijk leven.
Samen kun je meer; kun je meer dan je dacht aan te kunnen.

Dat doet die derde nu juist niet.
Hij durft de deur niet uit.
Hij begraaf het bezit en kruipt zelf het liefste weg.
Hij blijft alleen, verlegen met zijn bezit,
vertrouwen dat niet wordt gebruikt,
maar omslaat in wantrouwen en angst.

Je krijgt niet meer dan wat je aankan.
Of dat altijd zo is?
Het is moeilijk, eigenlijk onmogelijk,
om dat in zijn algemeenheid te zeggen,
laat staan dat jij dat voor een ander invult.
Misschien kun je het zo zeggen:
het is niet altijd dat je krijgt wat je aankan,
maar het is vaak wel: wat je krijgt, dat kun je aan.
Dat ontdek je pas gaandeweg en achteraf.
Maar dan moet je wel durven gaan.
De derde knecht kan dat niet.
Hij wordt verlamd door angst.
Zo jammer. Tandenknarsend.

Daarom is de boodschap:
Laat je niet verlammen door de angst.
Vertrouw op de Heer, die jou zijn vertrouwen geeft.
Hij weet wat jij aankan.
Hij ziet altijd meer in jou dan jij van jezelf geneigd bent te denken.

Durf daarop te vertrouwen.
Dan zal jouw vertrouwen zich vermenigvuldigen,
in het contact met anderen,
in de zorg en wederzorg,
in hoe mensen voor elkaar bestaan en elkaars bestaan verlichten, verrijken.