de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Het is nu twee jaar geleden dat Hamas
een meedogenloze aanval uitvoerde
op Israëlische burgers tijdens het Nova-muziekfestival.
Twee jaar later ligt een groot deel van Gaza in puin,
zijn er bijna 70.000 mensen omgekomen
en zet Israël zijn campagne voort om zich voor eens en altijd
te ontdoen van Hamas, een vijandige buur.
Het spook van het antisemitisme steekt opnieuw de kop
op in de straten van Nederlandse steden.
Ondertussen wacht de wereld af
of het vredesplan van Trump een kans van slagen heeft.

De wereld is ook diep verdeeld
over de vraag wie hier de schuld draagt.
Is het, zoals de Israëli’s zeggen, de schuld van Hamas,
het resultaat van een fanatieke islamistische groep,
gesponsord door Iran, die vastbesloten is
om de militante moslimcontrole over het Midden-Oosten in het algemeen
en Israël in het bijzonder uit te breiden?
Of, zoals de pro-Palestijnse menigte scandeert,
zijn we getuige van een genocide
die het onvermijdelijke gevolg is
van de voortdurende Israëlische bezetting
van de Westelijke Jordaanoever en Gaza?
Iedereen wordt onder druk gezet om een beslissing te nemen.
Aan welke kant staan we?

Maar wat als we dit conflict eens in een ander licht zouden bekijken;
niet zozeer in termen van schuld, maar van pijn?

Natuurlijk is dit niet de eerste keer dat er oorlog is
tussen het volk Israël en hun vijanden aan de kust van Gaza.

Het boek Richtere in de Bijbel
beschrijft een reeks confrontaties
van ongeveer 3400 jaar geleden tussen de Israëlieten en de Filistijnen,
die de Hebreeuwse stammen lastigvielen
en uitdaagden in hun strijd om zich in het land Kanaän te vestigen.
(NB: de Filistijnen zijn niet de etnische voorouders
van de moderne Palestijnen, ondanks de naamsgelijkenis.
De Romeinen, deels om de Joden te sarren,
besloten simpelweg
de naam van de regio te veranderen van Judea naar Palestina.)

Een van die oude verhalen vertelt over Simson,
een immens sterke Israëlitische strijder,
die talloze Filistijnen doodt
in een jarenlange golf van geweld. (Richteren 13-16)
Simson trouwt uiteindelijk met een Filistijnse vrouw, Delila,
die hem verraadt en aan zijn vijanden overlevert.
Hij wordt gevangengenomen en zijn ogen worden uitgestoken.
In een laatste gewelddaad
laat hij het dak van de Filistijnse tempel instorten
tijdens het hoogtepunt van een religieus feest,
waarbij hij zowel zichzelf als meer vijanden doodt
dan hij in zijn leven heeft gedood.

Maar naast een tragedie is dit ook een trauma.
De wortels van het trauma liggen diep verborgen
in de geschiedenis tussen Israël
en de verschillende stammen die hen omringen.
Simson is een van de velen die worden meegesleurd
in een geschiedenis van oog-om-oog geweld
die eindigt in deze scène van dood en verwoesting.
In het Bijbelverhaal raakt hij verstrikt
in een lange geschiedenis van menselijk onrecht
– als slachtoffer én dader –
die teruggaat tot Adam en Eva in het paradijs.
Het resultaat is dat Simson en zijn vijanden
allemaal dood liggen in het puin
van een ingestort gebouw in het hart van Gaza.

Dit conflict is zowel een tragedie als een trauma.
Dat klinkt somber. Toch kan dit perspectief,
ondanks de schijnbare somberheid,
een sprankje hoop bieden.

Tragedie en trauma vermijden de schuldvraag niet,
maar ze beginnen daar niet.
Ze beginnen met een houding van empathie.
Tragedie zorgt ervoor dat we even stilstaan
voordat we morele oordelen vellen
en in plaats daarvan simpelweg het verdriet,
de rouw ervan,
opmerken en ons erin verdiepen.
Wanneer we het verhaal van Simson, bekijken,
worden we simpelweg in stilte gelaten.
We overhaasten ons oordeel niet,
maar erkennen simpelweg het hartverscheurende verdriet
dat de gewone mensen ervaren die hierin verstrikt raken.
Tragedie staat naast het verdriet en de duisternis
en grijpt niet meteen naar de schuld,
omdat we beseffen dat het echte leven
meestal complexer is
en de oorzaken van conflicten ondoorzichtiger.

Tegelijkertijd dwingt het begrijpen hiervan
als trauma ons om de pijn
die aan het conflict ten grondslag ligt, te doorgronden.
Simson wordt geboren in traumatische tijden,
waarin zijn volk wordt aangevallen,
en uiteindelijk leeft hij het trauma
dat hij heeft ervaren door brute wraak op zijn vijanden.
Op dezelfde manier vinden we vandaag de dag
in dit ene kleine stukje land twee volkeren
die het trauma
van wat hen in het verleden is overkomen, beleven.
En zonder een nieuwe aanpak
zal het resultaat hetzelfde zijn:
vernietiging en verwoesting.

Het Joodse volk van vandaag, met name in Israël,
blijft diep getraumatiseerd
door de geschiedenis van antisemitisme,
die culmineerde in de Holocaust van de jaren 30 en 40.
Een vastberaden poging van een verfijnde,
moderne Europese natie
om systematisch ieder lid van het Joodse ras uit te roeien,
is niet alleen een historische gebeurtenis,
maar een waarvan de rimpelingen,
of misschien beter gezegd, stormachtige golven,
ons vandaag de dag bereiken.
Daarnaast is er de verdrijving van Joden in de 20e eeuw
uit moslimlanden zoals Syrië, Irak, Jemen,
Algerije, Tunesië en Libië.
Voor degenen onder ons die niet Joods zijn,
is de impact van zo’n realiteit moeilijk voor te stellen,
niet alleen als een historisch feit,
maar ook als een reëel gevaar in de toekomst.
Immers, als het één keer gebeurt,
kan het opnieuw gebeuren.
Het verklaart waarom Israël altijd weinig aandacht heeft besteed
aan de internationale opinie
en de resoluties van de VN
voor een staakt-het-vuren,
zoals die waartoe onlangs werd opgeroepen.

Of, zoals de Joodse schrijver Daniel Finkelstein het verwoordde:

De oorsprong van de staat Israël is niet religie of nationalisme,
maar de ervaring van onderdrukking en moord,
de angst voor totale vernietiging
en de bittere conclusie dat er niet op de wereldopinie
kon worden vertrouwd om de Joden te beschermen.
Dus wanneer Israël wordt aangespoord
om de wereldopinie te respecteren
en zijn vertrouwen te stellen
in de internationale gemeenschap,
wordt het punt gemist.
Het idee van Israël zelf is een verwerping van deze optie.
Israël bestaat alleen omdat Joden zich niet veilig voelen
als beschermelingen van de wereldopinie.
Zionisme, dat woord dat zo misbruikt en verguisd wordt,
is gebaseerd op de vastberadenheid
dat de Joden uiteindelijk op de een of andere manier
zichzelf en hun mede-Joden
zullen verdedigen tegen vernietiging.
Als de wereldopinie voldoende was, zou er geen Israël zijn.

Met zo’n trauma achter de rug
is het dan ook niet verwonderlijk
dat wanneer een moslim Joden doodt,
wanneer raketten neerregenen op Israëlische steden,
of wanneer Hamas-terroristen
door kibboetsen razen
en mensen neerschieten
alleen maar omdat ze Joods zijn,
dit precies de herinnering oproept
aan het trauma dat zij als volk hebben doorgemaakt.
Wat Palestijnen beschouwen als verzet
tegen de bezetting van hun land,
wordt door Israëliërs ervaren
als een echo van de wens
om het hele Joodse volk uit te roeien,
op een manier die rillingen over de rug doet lopen
bij iedereen die dit verhaal heeft meegemaakt.

Toch heeft het Palestijnse volk ook een eigen trauma.
In 1948, ten tijde van de oprichting van de staat Israël,
werden honderdduizenden Palestijnen
dakloos en staatloos gemaakt,
van hun huizen en land beroofd,
vaak onder bedreiging met een geweer,
en velen werden gedood door zionistische strijders.
De Arabische landen deden weinig om te helpen,
ze waren alleen geïnteresseerd
in hun eigen belangen.
De Europese landen keken toe.
Amerika bleef Israël financieren,
waardoor hun leger
elk ander leger in de regio ruimschoots overtreft,
en zeker genoeg om de stenen, messen en bommen
van verschillende intifada’s te vermorzelen.
Hun diepe gevoel van onrecht
laat ook een litteken achter,
een litteken dat door groepen zoals Hamas
nog steeds voor hun eigen doeleinden
kan worden gebruikt.

En dus, wanneer de inwoners van Gaza
vandaag de dag hun steden tot stof zien vergaan,
wanneer Palestijnen in de rij moeten staan
bij controleposten
om van de ene naar de andere plaats te reizen,
wanneer land wordt afgenomen
door de bouw van een veiligheidsmuur,
en Israëlische nederzettingen vergunningen blijven krijgen
om te bouwen op Arabisch grondgebied,
terwijl het voor Palestijnen veel moeilijker is
om een bouwvergunning te krijgen
voor de bouw van een nieuw huis,
roept dit alles de herinnering op
aan wat Palestijnen de Nakhba of de ramp noemen.
Wat Israëliërs zien als legitieme zelfverdediging,
veiligheidsmaatregelen om terroristen
op afstand te houden
en hun bevolking te beschermen,
ervaren Palestijnen als een echo
van hun eigen trauma van onteigening uit het verleden.

Het resultaat is dat beide partijen
opnieuw gevangen zitten in een cyclus van geweld,
net als Simson en zijn vijanden.
Oog om oog leidt ertoe
dat beide partijen oogloos eindigen in Gaza.

Natuurlijk kunnen we discussiëren
over welk trauma het zwaarst weegt.
We kunnen debatteren over de zwaarte van elk moreel geval,
of over waar de werkelijke schuld ligt.
Maar trauma werkt niet zo.
Trauma huist in de geest en het lichaam
en verspreidt zich, waardoor elk vermogen
om normaal te handelen
en met gevoel voor verhoudingen
en evenwicht te reageren,
wordt overschaduwd.
De effecten van trauma zijn niet opzettelijk
of logisch, maar onvrijwillig.
Reacties op trauma zijn notoir complex
en verschillen per individu.
Trauma blijft jarenlang bij individuen
en generaties lang bij gemeenschappen.

Het begrijpen van dit conflict
niet zozeer door de lens van schuld,
maar door die van pijn,
kan ons helpen dit conflict anders te begrijpen.
Natuurlijk ontwijkt het de schuldvraag niet,
want hier zijn vreselijke dingen gebeurd.
Het ontkent ook niet het recht van Israël
om zich met legitiem geweld te verdedigen
tegen de aanval van Hamas.
De meesten van ons neigen
naar de ene of de andere kant van het conflict.
Toch legt deze benadering
misschien de verantwoordelijkheid op ons,
die toekijken, om te proberen
de pijn van de andere kant te ervaren.
En wanneer het stof van de strijd neerdaalt,
belooft dat misschien een betere manier
om de cyclus van geweld in de toekomst te doorbreken.

Door dit conflict te begrijpen als zowel tragedie als trauma,
kunnen we het in een nieuw licht zien.
En misschien geeft het ons een sprankje hoop op een uitweg.
De herinnering verdwijnt nooit,
maar traumaslachtoffers kunnen manieren vinden
om de herinnering aan wat hen is overkomen
op verschillende manieren te benaderen.

Het verhaal van Simson eindigt
met vernietiging en zijn begrafenis in het familiegraf.
Het eindigt met de dood.
Binnen het lange verhaal van de Bijbel
wordt de chaotische periode van de Richteren
echter vervangen door de monarchie
– de koningen van Israël, van wie koning David de beste is –
een heerser met gebreken,
maar beschreven als ‘een man naar Gods hart’.
Daarnaast wijst het verhaal van David
op een latere heerser,
eveneens geboren in Bethlehem,
wiens heerschappij niet inhield
dat hij zijn vijanden haatte en doodde,
maar dat hij hen liefhad tot het punt
dat hij voor hen stierf,
en zo uiteindelijk vrede bracht.

Het is dat soort Jezus-achtige,
zelfopofferende, radicale leiderschap
voor beide kanten
dat een uitweg kan bieden
uit de cyclus van geweld en haat
die er was in de tijd van Simson,
en die er vandaag de dag nog steeds is.

Alleen leiders die er niet op uit zijn
om alles te doen wat nodig is
om aan de macht te blijven,
noch bereid zijn anderen op te offeren
voor hun eigen doeleinden,
die zich niets aantrekken
van hun persoonlijke reputatie,
maar bereid zijn om de riskante weg
van verzoening te bewandelen,
alleen dit soort leiderschap
kan ons voorbij de tragedie
en het trauma van het verleden
naar een hoopvollere toekomst leiden.

Het laatste woord komt misschien van Audeh Rantisi,
een Palestijn die in 1948 uit zijn huis in Lydda werd gezet.
Hij werd later Anglicaans priester
en activist voor verzoening
tussen Joden en Arabieren
voor de noodzaak voor beiden
om de littekens en de menselijkheid
van de ander te erkennen.
Hij zei:

Ik draag nog steeds
de emotionele littekens van de zionistische invasie.
Toch zie ik als volwassene
wat ik toen niet helemaal begreep:
dat de Joden ook mensen zijn,
zelf gedreven door angst,
slachtoffer van de ergste gruweldaden
uit de geschiedenis,
fanatiek, soms bijna gedachteloos op zoek naar veiligheid.
Vier jaar na onze vlucht uit Lydda
wijdde ik mijn leven
aan de dienst van Jezus Christus.
Net als ik en mijn medevluchtelingen
had Jezus in barre omstandigheden geleefd,
vaak met slechts een steen als kussen.
Net als zijn mede-Joden tweeduizend jaar geleden
en de Palestijnen vandaag de dag,
beheerste een externe macht
zijn thuisland – mijn thuisland.
Ze martelden en vermoordden
hem in Jeruzalem,
op slechts vijftien kilometer van Ramallah,
mijn nieuwe thuis.
Hij was het slachtoffer van vreselijke vernederingen.
Niettemin bad Jezus
voor degenen die zijn dood bewerkstelligden:
“Vader, vergeef hun…”

Kan ik minder doen?

projectie in Londen, 2025

 

Welke kant je ook kiest
in het Israël-Gazaconflict;
de verhalen die je hoort en leest
kunnen niet anders
dan een gevoel van wanhoop oproepen.
Beelden van uitgehongerde kinderen,
het lot van Joodse gijzelaars die nog steeds in het duister gehuld zijn;
hoe dan ook, dit blijft een plek van onvoorstelbaar lijden.
En ondertussen blijven de bommen vallen,
sterven er mensen en behoudt Hamas zijn macht.

Onder Israëls vrienden gonzen stemmen
van een radicale oplossing voor het probleem van Gaza.
Het plan van Donald Trump
was om het gebied met de grond gelijk te maken,
50 miljoen ton puin te verplaatsen
en de bevolking te verplaatsen naar buurlanden
om de ‘Riviera van het Midden-Oosten’
te bouwen in wat tot nu toe Gaza was.
Het plan werd misschien met enige hilariteit ontvangen
toen de video werd uitgezonden,
maar het gaf velen in Israël
de kans om soortgelijke gedachten te koesteren.

Laten we als voorbeeld
de Israëlische minister
Bezalel Smotrich van Financiën nemen:
Hij beweerde onlangs dat na de Israëlische operatie
Gaza volledig verwoest zal worden’
en dat de Palestijnse bevolking
‘in groten getale naar derde landen zal vertrekken’.

Velen in Israël lijken te denken dat de koppige,
door Hamas geteisterde vijand
die naast hen woont, uitgeroeid moet worden.
Vanuit het perspectief van een bevolking
die decennialang conflict beu is,
die vreest dat er nooit vrede zal komen
zolang Hamas in Gaza blijft,
en die zich realiseert hoe moeilijk het is
om de islamitische terreurgroep uit te schakelen
terwijl de Palestijnse bevolking daar blijft,
kun je de aantrekkingskracht
van deze radicale oplossing begrijpen.

De Israëliërs hebben echter misschien
goede redenen om voorzichtig te zijn.
En dat is geen advies van hun tegenstanders,
maar van hun eigen geschiedenis.

Begin jaren 130 na Christus
werd de andere kant op geschoven.
Het was het machtige, ‘heidense’ Romeinse Rijk
dat heerste over hetzelfde stuk land,
dat ze al snel Palestina zouden noemen.
Joden vormden een minderheid,
maar ze grepen terug
naar hun lange wortels in het land,
de tijd van Jozua en koning David,
en zelfs recenter
naar het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën zo’n 200 jaar eerder.
Dat was de laatste keer vóór de moderne staat Israël
dat Joden de controle over het land hadden.

De toenmalige keizer Hadrianus samen met zijn gevolg
door Jeruzalem trok in 130 na Christus.
Hij begon de stad te ‘ontjoodsen’
en richtte standbeelden op van goden en keizers,
die allemaal aanstootgevend waren voor de Joodse gevoeligheden.
De smeulende wrok barstte al snel los
met een opstand onder leiding
van een felle en vastberaden Joodse strijder, Bar Kochba.
Dit was de tweede Joodse opstand
na de eerdere in de jaren 60,
die had geleid tot de verwoesting
van de grote Joodse Tempel in Jeruzalem
door Titus, onder het bewind
van keizer Vespasianus in 70 na Christus.
Voor de Romeinen was één opstand
misschien nog net te tolereren,
maar twee was te veel.

Hadrianus kwam vervolgens tot dezelfde conclusie
als Bezalel Smotrich:
een opstandig gebied moest van de kaart worden geveegd,
hoewel dit keer Jeruzalem moest worden geëlimineerd, niet Gaza.
De Joodse bevolking zou verspreid worden,
de naam zou worden uitgewist
en herinneringen aan vervlogen glorie
zouden voorgoed worden begraven.

En zo kwamen in 135 na Christus de ‘bulldozers’.
Jeruzalem werd feitelijk met de grond gelijk gemaakt
en op de ruïnes ervan werd
een Romeinse stad gebouwd:
Aelia Capitolina was de nieuwe naam,
een kleinere stad dan het oorspronkelijke Jeruzalem,
maar decadent gebouwd rond de verering
van Griekse en Romeinse goden,
met prachtige poorten, heidense tempels,
een klassiek ‘Romeins’ Forum Romanum
en uitgestrekte straten met zuilen.
Niet bepaald de Rivièra van het Midden-Oosten,
maar misschien wel Las Vegas.
‘Jeruzalem’ werd van de kaart geveegd.

In het midden van de heilige Joodse Tempelberg
richtte Hadrianus een standbeeld van zichzelf op.
Hij plaatste opzettelijk een standbeeld
van Aphrodite op de plek waar de vroege christenen
beweerden dat de dood en opstanding
van Jezus hadden plaatsgevonden:
de plaats waar nu de Heilig Grafkerk staat.
Besnijdenis werd verboden,
veel Joden werden vermoord
en de overgeblevenen werden
uit de stad verbannen
en verspreid over alle plekken
waar ze maar onderdak konden vinden.
Sterker nog, de kaart van de Oude Stad van Jeruzalem
wordt vandaag de dag nog steeds gekenmerkt
door dit ontwerp,
met de twee belangrijkste straten van Hadrianus
die ten zuiden van de Damascuspoort afbuigen,
met archeologische overblijfselen
van de Romeinse stad
die nog steeds zichtbaar zijn voor bezoekers.

Maar natuurlijk werkte dit verdonkeremanen niet:
Niemand noemt het tegenwoordig nog Aelia.
De gehechtheid van mensen aan land gaat diep.
De Joden konden hun wortels
in dit stukje aarde niet vergeten.
Zoals de schrijver Simon Sebag Montefiore
het verwoordde in zijn boek ‘Jeruzalem‘:
‘Het Joodse verlangen naar Jeruzalem wankelde nooit’.
De Joden baden drie keer per dag
gedurende de volgende eeuwen:
‘Moge het Uw wil zijn
dat de tempel spoedig
in onze dagen herbouwd wordt.’

De Palestijnse gehechtheid aan land is net zo sterk.
Bijna 80 jaar na de oprichting
van de staat Israël in 1948
klampen families zich nog steeds vast
aan de sleutels van hun huis
die hen in die traumatische periode
zijn afgenomen.
Net als het Joodse verlangen naar Jeruzalem,
hebben ook zij, net als mensen over de hele wereld,
een diepe verbondenheid met hun voorouderlijke land,
dat teruggaat tot de ‘Arabieren’
die genoemd worden in het boek Handelingen,
tot wie Petrus predikte (Handelingen 2,11-12)
in de begindagen van de christelijke kerk.

Besluiten van verre heersers zoals keizer Hadrianus
of president Trump
lijken misschien nette oplossingen
voor hardnekkige problemen.
Maar ze werken zelden op de lange termijn.

De beroemde Bijbelse aansporing
‘oog om oog, tand om tand’
was niet bedoeld als aanmoediging tot geweld,
maar juist het tegenovergestelde.
Het was bedoeld om een grens te stellen
aan de ontwikkeling van bloedwraak,
die, uit woede en trauma,
zo gemakkelijk tot onevenredige reacties
en eindeloze vetes kon leiden.
Paulus schreef in Romeinen 12:
Beste vrienden, neem geen wraak op anderen.
Laat het straffen over aan God.
Want in de heilige boeken zegt God:
“Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.”’.
Zo herinnerde hij zich een oude Joodse wijsheid
die grenzen stelde aan het menselijk vermogen
om hardnekkige problemen met geweld op te lossen.
Hij kende een betere manier:
‘Laat u niet overwinnen door het kwade,
maar overwin het kwade door het goede.’

Eigenlijk zijn er maar vier manieren
om om te gaan met buren
die lastig blijken te zijn:
je kunt proberen ze te controleren, ze te laten vluchten,
je kunt ze doden, of je kunt politiek bedrijven.

De drie eerste manieren
zijn echter geen begaanbare weg
De enige manier is het conflict
via de politieke manier
op te lossen.
Met andere woorden,
probeer een vorm van gemeenschappelijk leven
te bewerkstelligen,
zoals dat uiteindelijk gebeurde in Noord-Ierland, Zuid-Afrika
en zoveel andere plaatsen waar langdurige conflicten heersen.

Politiek, het leren samenleven over verschillen heen,
is rommelig, ingewikkeld en is hard werken.
Vooral wanneer er diepe pijn uit het verleden is.
Maar zoals het mislukken
van Hadrianus’ radicale oplossing aantoont,
is er op de lange termijn geen echt ander alternatief.

 

De dubbelheid van deze wereld zit me dwars.
Bijvoorbeeld de gruwelijke beelden vanuit de Oekraïne of uit het Midden-Oosten,
de complete verwoesting van steden, miljoenen vrouwen en kinderen op de vlucht;
is dit nu ‘beschaafd’ 2025?
Aan de andere kant lacht het voorjaar ons tegemoet, de zon krijgt de overhand,
de natuur kondigt de nieuwe lente aan
en ondanks alle ellende in de grote wereld om ons heen werd het gewoon Pasen.
Het zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Denk aan een pauw.
Als je de pauw van de voorkant ziet, heeft hij prachtig mooie veren.
Als de pauw zijn staart opzet, is het een lust voor het oog.
Wat heeft God zo’n pauw mooi gemaakt!
Maar hebt u een pauw wel eens in de kont gekeken?
Diezelfde pauw wel eens van de achterkant gezien?
Hoe lelijk ‘t-ie-dan is? Bruine veren, vieze achterkant.
Toch is het één en dezelfde pauw.
Zijn mooie voorkant en zijn lelijke achterkant.
Die pauw heeft maar één Schepper.
God heeft die pauw geschapen, zijn voorkant én zijn achterkant

God schiep niet alleen de pauw, God schiep deze hele wereld.
Met zijn voorkant en zijn achterkant. Ook in uw en mijn leven.
De mooie en de moeilijke kanten.
Goed bestaat niet zonder slecht.
Mooi bestaat niet zonder lelijk.
Zo zit deze wereld in elkaar.
We zijn hier nog niet in het paradijs.
Het kwaad is hier in alle soorten en maten.
Palmpasen is feestelijke intocht en tegelijkertijd het begin van het einde.
Heden Hosanna, morgen kruisigt Hem.
Pasen is kruis, graf en dood, maar ook opstanding en nieuw leven.
Ook hier geldt, het één bestaat niet zonder ander.
Dat is geloven:
aan de ene kant je hart en je ogen open houden voor de pijn en de lijdensweg,
die mensen in deze wereld moeten gaan.
Maar er niet in blijven hangen, er niet aan ten ondergaan.
Want die andere kant mag je ook zien:
een nieuwe toekomst, die heeft God ons heeft beloofd met de Opstanding van Jezus zelf.

En mocht je dat soms even kwijt raken, denk dan aan de pauw.

 

De Veertigdagentijd of Lijdenstijd in aanloop naar Pasen
is voor christenen de periode die in het teken staat van
soberheid, inkeer en bezinning op je eigen christenzijn.
Christenen geloven dat ieder mens geschapen is
naar Gods beeld en leven in alle volheid verdient.
Tragisch genoeg leven we in een wereld van
gebroken relaties waar onrecht, ongelijkheid, corruptie
en rampen miljoenen mensen van hun toekomst beroven.
Een christen wordt opgeroepen
om de onvoorwaardelijke liefde van Christus weerspiegelen
door hun leven, hun daden en woorden.
Het geven van hoop, herstel en vernieuwing voor de wereld
zijn daar een onderdeel van.
Ontwikkelingshulp in allerlei vorm is daar ook uiting van.
Hieraan moest ik denken toen hoorde over het onderstaande.

Want in veel landen worden de gelden voor ontwikkelingshulp drastisch verlaagd.
Niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk
en wie weet niet van de aankondiging in de Verenigde Staten
om het budget van USAID
– dat internationaal veel hulp overeind houdt –
zeer drastisch te verlagen.
In het Verenigd Koninkrijk heeft de afkondiging
tot verlaging van het budget op ontwikkelingshulp
zelfs geleid tot het aftreden van de minister
voor Internationale Ontwikkeling Anneliese Dodds.
Ze schreef in haar ontslagbrief:

Uiteindelijk zullen deze bezuinigingen voedsel en gezondheidszorg wegnemen
van kwetsbare mensen.

De forse vermindering van ons internationale hulpbudget
brengt inderdaad levens in gevaar over de hele wereld.
De stap ondermijnt echter ook de eigen nationale veiligheid.
Een sterke aanwezigheid op het wereldtoneel
komt niet primair tot stand door militaire kracht,
maar juist door diplomatie en gerichte ontwikkelingsfinanciering.

Dodds:

In de rest van de wereld is het teleurstellend dat we waarschijnlijk
het internationale ontwikkelingsbudget gaan plunderen,
omdat de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld
vaak voortkomt uit een combinatie van onze harde macht en onze zachte macht,
onze diplomatie en onze ontwikkelingsfondsen.

Zo zien we ook in Nederland dat minister Klever
van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
projecten stopt op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid,
beroepsonderwijs en hoger onderwijs, sport en cultuur.
En ook op hulp op het gebied van klimaat, maatschappelijk middenveld
en multilaterale samenwerking wordt flink bezuinigd.
Onder dat laatste valt bijvoorbeeld Unicef;
de VN-kinderrechtenorganisatie wordt door Klever met 50 procent gekort.

Internationale hulp is bewezen
een van de meest effectieve manieren
om welvaart en vrede te creëren.
Het is een strategische investering
in nationale en internationale veiligheid,
en is ook aantoonbaar
nuttiger en kosteneffectiever
dan militaire defensie-uitgaven.

Het verlagen van hulpbudgetten kan op korte termijn geld vrijmaken,
maar in werkelijkheid verzwakt het de invloed van de donorlanden,
ondermijnt het de wereldwijde stabiliteit
en vergroot het de veiligheidsrisico’s.
Het is niet alleen een valse zuinigheid,
maar ook een potentieel gevaarlijke
en contraproductieve beleidswijziging.

Hier zijn tien redenen waarom internationale hulp
zo’n cruciale investering in veiligheid is:

1. Het aanpakken van de grondoorzaken vermindert terrorisme.

Buitenlandse hulp helpt vrede te bevorderen,
armoede te verminderen en ontwikkeling te ondersteunen
in de meest kwetsbare regio’s.
Wanneer landen stabiel zijn,
is de kans kleiner dat ze in chaos vervallen
of broedplaatsen worden voor terrorisme en extremisme.
Door Nederland gefinancierde onderwijsinitiatieven
hebben meer dan 1,5 miljoen gemarginaliseerde meisjes onderwijs geboden,
waardoor de kwetsbaarheid van jongeren
voor extremistische rekrutering is verminderd.
Door de aantrekkingskracht van radicalisering te verminderen,
heeft deze investering bijgedragen
aan het verlagen van de langetermijndreiging van terrorisme
tegen Nederlandse burgers in binnen- en buitenland.

2. Investeren in wereldwijde gezondheid vermindert pandemierisico’s.

Virussen houden zich niet aan grenzen.
Financiering voor de ebola-respons
heeft geholpen wereldwijde uitbraken te voorkomen,
waardoor het risico op dodelijke ziekten
die zich naar Nederland verspreiden, is verminderd.
Op dezelfde manier is door te investeren in vaccinaties
tegen nieuwe stammen van Covid over de hele wereld,
is de eigen pandemieparaatheid versterkt
en de volksgezondheid in eigen land beschermd.

3. Sterkere relaties tussen landen verminderen conflicten.

Steun aan en hulp bij het trainen van politie en overheidsfunctionarissen,
versterkte de diplomatieke banden op de lange termijn
en voorkwam een terugkeer naar instabiliteit
die zich mogelijk over het hele continent had verspreid.
Dit heeft ook geholpen Nederland te positioneren
als een vertrouwde diplomatieke partner,
wat heeft geleid tot handelsovereenkomsten
en politieke allianties die de wereldwijde belangen
van Nederland ten goede komen.

4. Ondersteuning van stabiliteit vermindert gedwongen migratie.

Het wordt nu erkend dat het bouwen van ankers, en niet muren,
de beste strategie is om migratie in te dammen.
Het ontwikkelingshulpprogramma
heeft economische en sociale steun geboden
in landen als Syrië, Libanon en Afghanistan,
waardoor gedwongen ontheemding werd verminderd
en de druk op de Nederlandse grensbeveiliging werd verlaagd.
Door regio’s te stabiliseren die door conflicten zijn getroffen,
is ook Nederland in staat geweest
illegale migratie en de bijbehorende kosten
van grenshandhaving, asielverwerking en noodhuisvesting
te verminderen.

5. Het bevorderen van duurzaamheid
vermindert de schaarste aan hulpbronnen
als gevolg van klimaatverandering.

Ondersteuning van duurzame landbouw- en schone energieprojecten
in Afrika en Azië, waardoor de concurrentie
om afnemende hulpbronnen wordt verminderd
en klimaatgerelateerde conflicten worden voorkomen
die hebben bijgedragen aan het turbulenter maken van de wereld.
Dit heeft niet alleen de wereldwijde stabiliteit verbeterd,
maar ook kansen gecreëerd voor Nederlandse bedrijven
in de sectoren groene energie en duurzame ontwikkeling.

6. Veerkracht opbouwen vermindert internationale criminaliteit en instabiliteit.

Financiering is bijvoorbeeld instrumenteel geweest
bij het stabiliseren van landen,
door hun bestuur te verbeteren,
wetshandhaving op te leiden en criminaliteit en piraterij te verminderen
die niet alleen de internationale scheepvaart
maar ook het toerisme bedreigen.
Als gevolg hiervan hebben Nederlandse rederijen en toeristen
die in de regio reizen minder veiligheidsrisico’s ondervonden,
wat het vertrouwen in door het Nederland
geleide handel en reizen heeft vergroot.

7. Hongersnood en ondervoeding voorkomen vermindert politieke instabiliteit.

Financiering van projecten heeft geholpen
voedselcrises in Oost-Afrika te voorkomen,
waardoor de kans op massale migratie
en conflicten over hulpbronnen is verminderd.
Zonder die investering zou ook Nederland
waarschijnlijk veel meer hebben uitgegeven
aan humanitaire noodhulp en crisismanagement,
wat de kosteneffectiviteit van preventieve hulp aantoont.

8. Sterkere economieën in het buitenland opbouwen creëert kansen.

Handelsgerichte hulp heeft Afrikaanse landen geholpen
stabiele economieën te ontwikkelen,
waardoor handelsmogelijkheden voor Nederland zijn gecreëerd
en de afhankelijkheid van fragiele staten is verminderd.
Sterkere economieën in partnerlanden
betekenen een grotere vraag naar Nederlandse export,
wat ook ten goede komt aan Nederlandse bedrijven en werkgelegenheid.

9. Humanitaire hulp versterkt de wereldwijde invloed van een land.

Het ondersteunen van humanitaire hulp
is belangrijk om de positie van Nederland
als wereldwijde humanitaire leider te versterken
en heeft geleid tot een soft power-voordeel op het wereldtoneel.
Deze goodwill heeft geleid tot sterkere diplomatieke relaties
met belangrijke bondgenoten,
wat de Nederlandse belangen op het gebied
van handel, veiligheid en regionale stabiliteit ondersteunt.

10. Rampenbestrijding bouwt goodwill en strategische partnerschappen op.

Na de aardbeving in Haïti in 2010 heeft Nederland noodhulp verstrekt,
wat de banden met Caribische landen heeft versterkt
en het wereldwijde leiderschap van Nederland
op het gebied van crisisbestrijding heeft laten zien.
Deze inspanningen hebben de rol van Nederland
als betrouwbare partner in tijden van crisis versterkt,
wat heeft geleid tot nauwere
economische en diplomatieke relaties
met landen in het Caribisch gebied.

Kortom:
Als het Westen de hulpfinanciering opzegt,
ontstaat er een zeer significant vacuüm
waarin andere landen zullen stappen.
Rusland heeft bijvoorbeeld al Wagner-huurlingen gestuurd
om te patrouilleren
in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali.
Dit is niet alleen slecht voor de burgers van die gebieden,
maar ook vanuit het perspectief
van de nationale veiligheid van Nederland.
Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn
als Rusland in staat zou zijn
om een brede basis van invloed
en soft power op te bouwen in het mondiale Zuiden.

Met een steeds kwetsbaardere wereld
is dit het instrument dat op dit moment het meest nuttig is
voor de nationale veiligheid internationale hulp.
De toename van conflicten, migratie,
terrorisme en andere vooroorlogse omstandigheden
is direct te wijten aan de impact van armoede
– die nu 44 procent van de wereldbevolking treft, concentratie van rijkdom –
die de kans op financiële crises vergroot, verzwakte handelsroutes
– bijvoorbeeld vanwege de oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten,
en nieuwe handelspolitiek in de VS, en klimaatverandering –
die al die spanningen verergert.
Als Nederland in deze turbulente tijden
een effectieve verdedigingsstrategie wil,
moeten we heroverwegen om onze internationale hulpverplichtingen te verdubbelen,
en ze niet op te geven.

De Veertigdagentijd.
Als christen staat deze periode in het teken
van bezinning op je eigen christenzijn.
Ze staat in het teken van mededogen,
liefde en barmhartigheid delen
en bereid zijn om samen te werken
om het leven van mensen te veranderen.
Hulp aan een medemens is,
die ook geschapen is naar Gods beeld.
Wederkerigheid in ontwikkelingshulp
vindt zijn basis in de ontvankelijkheid
die wij leren van de liefde.
Concreet betekent dit dat wij, gevers,
allereerst zelf leren,
namelijk leren te ontvangen in het geven.
Alleen dan is er werkelijk sprake van wederkerigheid.
Een les in deze Veertigdagentijd.

 

Nu de focus van de crisis in het Midden-Oosten verschuift van Gaza naar Libanon,
en nu we vandaag de aanslagen van 7 oktober herdenken,
helpt misschien een blik op de verhalen die dit conflict omringen om een weg vooruit te vinden.

In het hart van de crisis in het Midden-Oosten met betrekking tot Israël, Gaza en nu Libanon,
liggen namelijk twee heel verschillende verhalen.

Eén daarvan gaat als volgt:

Israël is de enige goed functionerende democratie in het Midden-Oosten.
Het is een toevluchtsoord voor het Joodse volk
dat door de eeuwen heen en over de hele wereld
buitengewoon veel vervolging en discriminatie heeft ervaren.
Als klein land heeft het zich de afgelopen 76 jaar dapper gevestigd
als een toevluchtsoord van liberale, democratische vrijheid en welvaart,
ondanks de vijandigheid van zijn buren,
zoals de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon.
De Hamas-aanvallen op 7 oktober 2023 waren
een moorddadige aanval op onschuldige burgers,
waarvan de slachting en wreedheid de laatste tijd ongekend waren.
Hamas en Hezbollah vertegenwoordigen beide een islamitische ideologie
die een doorn in het oog is van alle democratische staten
en die wortel heeft geschoten in Gaza en Libanon.
Israëls reactie om te proberen zo’n dodelijke vijand uit buurlanden te verdrijven
is volkomen gerechtvaardigd en redelijk.
Elk land dat geconfronteerd wordt met buren die toegewijd zijn aan zijn vernietiging
zou ongeveer hetzelfde doen.
Ja, er vallen burgerslachtoffers in het conflict, maar die zijn er altijd in oorlog.
Je verzetten tegen Israëls campagnes in Gaza en Libanon
is in feite heimelijke steun verlenen aan terrorisme
en een vorm van antisemitisme,
omdat het het recht van Israël en het Joodse volk
op zelfbeschikking en zelfverdediging ter discussie stelt.

Ook is er nog een ander verhaal, dat zó gaat:
ten tijde van de oprichting in 1948 begingen de pioniers van de staat Israël
een erfzonde die het sindsdien teistert,
de verdrijving van een groot deel van de inheemse Palestijnse bevolking
uit het land in het Arabisch-Israëlische conflict dat volgde op de oprichting van de staat.
Sindsdien heeft Israël geprobeerd de resterende Arabische bevolking te onderwerpen,
door Palestijnen op haar grondgebied als tweederangsburgers te behandelen.
Sinds 1967 heeft het de Westelijke Jordaanoever en Gaza illegaal bezet,
Palestijnen hun basisrechten van burgerlijke gelijkheid ontzegd,
terwijl het Joodse kolonisten in staat stelde en aanmoedigde
om geleidelijk land te stelen dat door de Verenigde Naties als Palestijns wordt erkend.
Binnen Israël en de bezette gebieden vinden Palestijnen het moeilijker
om bouwvergunningen te krijgen, werk te vinden,
op de juiste manier vertegenwoordigd te worden
in het parlement of om onderwijs te volgen.
Het is dan ook niet verrassend dat de sluimerende wrok
die een dergelijke behandeling oproept,
leidt tot incidenteel verzet,
zoals tijdens de intifada’s van de jaren ’90 en 2000,
de verkiezing van Hamas in Gaza
en zelfs de aanslagen van 7 oktober.
Israël beschuldigt regelmatig iedereen die kritiek heeft op haar beleid
van antisemitisme, en gebruikt dit als schild om haar mishandeling
van de Palestijnse minderheid te verbergen.
Het heeft de aanslagen van 7 oktober aangegrepen om een massale aanval op Gaza
en nu ook op Zuid-Libanon te lanceren, ongeacht de burgerslachtoffers.
Het resultaat is, in ieder geval in Gaza,
een humanitaire ramp die jaren,
zelfs decennia zal duren om op te lossen.

Welke van deze verhalen geloof je?
Afhankelijk van een hele reeks andere eigen ideeën 
heb je waarschijnlijk meer met de een of meer met de ander.
Als je meer links bent ingesteld,
geeft je waarschijnlijk de voorkeur aan het Palestijnse verhaal.
Als jouw instincten meer rechts zijn,
zul je eerder de voorkeur geven aan het Israëlische verhaal.
En ik weet zeker dat je gaten kunt prikken
in het tegenovergestelde verhaal als je dat wilt.

Christenen zitten aan beide kanten van dit debat.
‘Christelijke zionisten’ zien de opkomst van de staat Israël
over het algemeen als een vervulling van de Bijbelse profetie
dat God het Joodse volk op een dag terug zou brengen
naar het land waaruit ze in het verre verleden werden verbannen.
Voorstanders van de Palestijnse zaak wijzen op de geboden van de Bijbel
ten aanzien van rechtvaardigheid,
het respect voor de armen en onderdrukten,
en op de roeping van Israël in het Oude Testament
om voor de vreemdelingen in hun land te zorgen.
Heeft Israël niet de plicht om de Palestijnen
binnen haar grenzen als gelijke burgers te behandelen?

Je kunt dus de vraag stellen het christendom iets bijdraagt aan dit conflict?
Of is het net zo verdeeld over dit onderwerp als over andere kwesties?

Een van de meest opvallende kenmerken van de leer van Jezus
is Zijn opmerkelijke en ongekende, sommigen zouden zeggen belachelijke oproep
om je vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die je vervolgen.
Het is natuurlijk puur menselijk om je familie en vrienden lief te hebben.
Maar het is al een grotere uitdaging om je buren
lief te hebben die toevallig naast je wonen.
En dan is het een heel ander verhaal om je vijanden lief te hebben.
De zin rolt van de tong als één die we goed kennen,
maar hoe zou het ooit mogelijk kunnen zijn voor Israëliërs
om Hamas-strijders lief te hebben of voor hen te bidden,
of de inwoners van het land dat hen elke dag beschiet,
de inwoners van Zuid-Libanon, lief te hebben?

Ik kan me dat niet eens voorstellen.
Maar dichter bij huis, hoe beïnvloedt dit idee van liefde voor vijanden
de liefde voor mensen die zo hartstochtelijk aan beide kanten van het debat?

Je vijand liefhebben betekent niet dat je doet alsof je vijand een vriend is,
in ieder geval nog niet.
Veel mensen die dit lezen, zullen zich hartstochtelijk inzetten
voor het ene of het andere verhaal.
Maar onze vijanden liefhebben betekent toch zeker
dat je moet proberen het verhaal vanuit een ander perspectief te zien,
dat je moet proberen om jezelf
in ieder geval in de schoenen van de ander te verplaatsen,
dat je even een beetje twijfelt over de zekerheid van je eigen morele zaak.

Dat is wat sommigen in het land Israël hebben geprobeerd te doen.
Er zijn mensen die laten zien hoe Palestijnse en Joodse christenen
dezelfde Bijbel door een andere lens lezen,
en beginnen zich voor te stellen
hoe een vorm van verzoening mogelijk zou kunnen zijn.

Ja, je vijand liefhebben is misschien wel een belachelijk, onpraktisch idee.
Toch pakt het alternatief nauwelijks goed uit.
Als Israëlische radicalen erin zouden slagen
alle Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever of uit Gaza te verdrijven,
of als Hamas/Hezbollah erin zou slagen de Joden uit Israël te verdrijven,
geen van beide is een oplossing die spreekt van rechtvaardigheid.

Het is moeilijk om je enige vooruitgang in de richting van vrede voor te stellen
zonder iets van deze poging om een ander perspectief te proberen te begrijpen.
Je kunt geen vrede bouwen zonder een vredestichter te zijn,
een idee dat vaak verkeerd begrepen wordt,
maar volgens Jezus ook vreemd gezegend is.
Aan welke kant je ook staat,
misschien heb je een morele plicht
om alle moeite te doen om de ander te begrijpen.
Want als we dat niet doen,
kunnen we niet beginnen met het helpen oplossen
van dit meest hardnekkige en gevaarlijke van alle wereldwijde problemen.