Wat is vandaag eigenlijk
nog “groot” in de wereldpolitiek?
Grote woorden zijn er genoeg.
Grote problemen ook. Maar grootmachten?
Dat is een stuk mistiger.
Kijk naar de huidige botsing
tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran.
Raketten vliegen, drones zoemen,
presidenten en ayatollahs
spuien historische taal
alsof ze zelf al in de geschiedenisboeken staan.
Maar wie is hier nou écht groot
en wie doet zich groot voor?

In Nederland weten we het vaak wel.
Tenminste, dat dénken we.
We eisen.
We roepen om onderhandelingen.
We plakken het woord genocide
op alles wat beweegt.
We schrijven petities,
organiseren debatavonden,
en voelen ons moreel superieur
tussen koffie en quinoa.
Alsof je met verontwaardiging
alleen een wereldorde kunt timmeren.
Alsof Den Haag
het morele kompas van de planeet is.

Maar groot zijn in de wereldpolitiek
is geen opiniestuk.
Het is geen hashtag.
Het is macht.
Harde, lelijke, militaire,
economische macht.
De 19e-eeuwse Britten
van het toenmalige
Verenigd Koninkrijk wisten dat.
Ze legden met hun vloot vrijhandel op,
of je het nou leuk vond of niet.
Dat was geen discussie,
dat was een kanonneerboot in je haven.
In de 20e eeuw deden
de Verenigde Staten
en de Sovjet-Unie het samen,
in een ongemakkelijke omhelzing
van nucleaire afschrikking.
Dat bipolaire evenwicht
– hoe doodeng ook –
schiep orde.

Nu? Nu is de orde zoek.
De Verenigde Naties blaffen vooral vanaf de zijlijn.
De NAVO en de Europese Unie
leunen op een verleden
waarin Amerikaanse spierballen
vanzelfsprekend waren.
Maar vanzelfsprekendheid is geen strategie.

Kijk naar Iran.
Dat ziet zichzelf niet
als een regionale stoorzender,
maar als drager van een heilige missie.
De strijd tegen het “Rijk van de Satan”
– lees: Amerika en zijn bondgenoten –
is geen beleidsoptie,
maar een eschatologisch project.
Israël op zijn beurt redeneert
vanuit existentiële dreiging:
nooit meer weerloos.

En Amerika?
Dat balanceert tussen
wereldpolitie willen zijn
en oorlogsmoe isolationisme.

Iedereen beroept zich op principes.
Mensenrechten.
Veiligheid.
Soevereiniteit.
Maar principes zonder macht
zijn preken in de woestijn.
Je kunt wel zeggen
dat je een “ordeningsprincipe” uitdraagt,
maar als je niet bereid bent
daar miljarden, wapens
en – uiteindelijk –
mensenlevens achter te zetten,
dan is het vooral retoriek.

Dat klinkt cynisch.
Dat ís het ook een beetje.
Maar de geschiedenis is niet geschreven
door wie het hardst “vrede!” riep.
Ze wordt geschreven door staten
die macht combineren met een visie;
hoe verwerpelijk die visie soms ook is.

En nee,
dat betekent niet
dat je dan maar alles moet goedpraten.
Het betekent wel dat je serieus moet nemen
wat leiders zeggen
als ze hun land “groot” willen maken.
Als ze spreken over historische roeping,
beschavingsoffensieven
of heilige oorlog.
Dat zijn geen metaforen
voor binnenlands gebruik.
Dat zijn beleidsvoornemens.

Dus misschien moeten wij,
kleine mogendheid aan de Noordzee,
iets minder snel met het vingertje zwaaien.
Minder hard schreeuwen in talkshows.
Eerst begrijpen welke machten
hier werkelijk aan het schuiven zijn.
Wie bereid is
om bloed te investeren in zijn gelijk.
Want in een wereld waar
Amerika, Israël en Iran elkaar testen,
is morele helderheid belangrijk;
maar zonder machtsbesef
vooral gevaarlijk naïef.

Groot zijn is niet hetzelfde
als gelijk hebben.
En gelijk hebben is waardeloos
als niemand zich er iets
van hoeft aan te trekken.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Wat er nu rond Trump gebeurt,
is eigenlijk niet zo nieuw.
Buitenlandse leiders arresteren.
Luchtaanvallen uitvoeren
zonder toestemming van het Congres.
Bondgenoten onder druk zetten.
De VS deden dit al decennia.
Altijd.
Het verschil zit ’m ergens anders in.
Niet in wat ze doen,
maar in wat ze níét meer doen:
zich rechtvaardigen.

Vroeger deed Amerika alsof.
Alsof het ging om mensenrechten.
Om democratie.
Om het internationaal recht.
Dat was vaak hypocrisie, ja.
Maar hypocrisie is tenminste
nog een knikje richting moraal.
Een knipoog naar het idee
dat goed en kwaad bestaan.

De schok van Trump 2.0
is dat dit dunne laagje vernis van moraliteit verdwenen is.
Niet: “We doen dit voor de democratie.”
Maar: “We doen dit omdat we het kunnen.”
Toen Trump werd gevraagd
wat hem internationaal zou kunnen tegenhouden,
zei hij:
“Mijn eigen morele kompas.”
Dat is… niet bepaald geruststellend.

Zijn rechterhand Stephen Miller
was nog eerlijker:

‘de wereld wordt geregeerd door kracht, geweld en macht.
Wij zijn een supermacht.
Dus we gaan ons gedragen als een supermacht.’

En voilà: paniek.
Is dit het einde van het internationaal recht?
Zijn we terug bij pure machtspolitiek?
Mensen halen Thucydides erbij:
‘de sterken doen wat ze kunnen,
de zwakken lijden wat ze moeten.’
Alsof moraal een dun laagje verf was
dat nu definitief is afgebladderd.

Maar wacht even.
Wat gebeurt er als een land stopt
met doen alsof het moreel is?
Als het kwaad stopt
met het betalen van hypocrisie aan de deugd?
Dan zijn er twee opties:

De eerste – en die zit diep in ons systeem –
is: dit is nazisme.
Macht maakt recht. Klaar.
Dietrich Bonhoeffer noemde dat in 1933 al
een misdaadsyndicaat.
Met zulke regimes kun je niet praten, alleen vechten.
Sinds 1945 is dit onze ultieme nachtmerrie.
Hitler is het ijkpunt van het absolute kwaad.
Iemand demoniseren?
Teken er een snorretje bij en klaar.

Maar dat is een wankele basis
voor een moreel wereldbeeld.
Niet al het kwaad draagt een hakenkruis.
En eerlijk:
deze obsessie heeft ons niet geholpen
om de echte problemen
van deze eeuw aan te pakken.
Noch om te ontdekken
wat we wél belangrijk vinden.

En dat systeem brokkelt nu af.
Rechts negeert oude taboes.
Links heeft het morele middelpunt
verlegd naar kolonialisme, slavernij, apartheid, Israël.
Het enige waar beide kanten
het met ijzingwekkende
vanzelfsprekendheid over eens zijn:
Joden zijn verdacht.

Maar zijn Trumps mensen nazi’s?
Waarschijnlijk niet.
Echte morele leegte is zeldzaam.
Mensen zijn morele wezens.
Ethiek haat een vacuüm.
Niemand gelooft echt dat alles mag.

Wat hier gebeurt,
lijkt eerder op een brandgrens.
Een moreel niemandsland.
De oude naoorlogse consensus
wordt in brand gestoken.
Wat ervoor in de plaats komt?
Dat weet niemand.

Maar één ding is vrijwel zeker:
het wordt niet “niets”.
We gaan graven in oude ideeën.
Christelijke moraal.
Liberale waarden.
Spiritueel en seculier door elkaar.
Een rommelige, ongemakkelijke mix.

En eerlijk?
Dat is misschien precies wat we nodig hebben.

Dus nee, paniek is niet nodig.
Maak je geen zorgen.
De hypocrisie komt wel weer terug.