Hallgrimskirkja, Reykjavik

 

‘wie gelooft heeft hoop, punt’?
Ten diepste is het waar, zeker.
Maar laten we wel de duisternis onder ogen zien.
Geloven is niet je ogen dicht doen.
En daarnet gebruikte ik het woord hoop,
dat klinkt nogal mooi en vrolijk.
Hoop.
Maar misschien is het woord verlangen
toch wel beter op zijn plek vandaag.
Verlangen, daar zit ‘lang’ in.
En hoe lang duurt de winter wel niet inmiddels?
Hoe lang zijn de dagen al donker?
Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds de dagen van Jesaja.
Nog steeds (oorlogs)dreiging op allerlei plaatsen,
nog steeds onrecht en armen die onderdrukt worden op aarde…
Er lijkt ook weinig veranderd te zijn sinds de tijd van Jezus,
het kind dat werd geboren, de zoon die werd gegeven.
Ja, hij deed wonderen, hij stond op uit de dood.
Maar nog steeds heerst de dood over alle andere mensen,
en nog steeds zijn er zoveel zieken die op genezing wachten.
Hoe lastig is het dan om te geloven dat met Jezus
echt Gods licht in de wereld is gaan schijnen.
En al geloof je in hem, al zie je in hem Gods gezicht,
hoe lastig is het om echt uit verwachting te leven!
Uitziend te leven, hoopvol in het leven te staan in plaats van moe en mat.
Als je ziet hoe de wereld donker is,
de kerk ook een stelletje kneuzen,
als mensen om je heen God niet nodig hebben,
en je eigen hart ook onverbeterlijk blijkt te zijn?
Geloven is niet simpel,
Het is soms ook leeg zijn en verlangen
en voelen dat het lang duurt.
Heel lang.

Geloven is een leven van verlangen.
Uitzien naar voren, al duurde het soms lang.
En gelukkig,
soms mag je ook nu al
iets merken van zijn licht en liefde.

En tegelijkertijd: Het is nog winter in de wereld.
Soms zelfs een barre donkere winter.
Je kunt zelf zo in het donker leven.
Dan is geloven verlangen – lang, volhoudend wachten.
Dan is het hopen, hoopvol leven door Gods Geest.
En soms is het ook gewoon zuchten.
De nacht duurt lang, de aarde is oud.
Maar laat het donker de hoop niet doven.
Laat het ons des te meer doen uitzien naar die beloofde dag.
Gods grote lente, als het kind Koning zal zijn: Jezus, onze Heer!

 

Ja, vandaag is het dan eindelijk officieel Black Friday,
Deze koopjesgekte is ontstaan in de Verenigde Staten
en valt op de dag na Thanksgiving Day,
dat wordt gevierd op de vierde donderdag in november.
Op deze vrijdag hebben de meeste werknemers
in de Verenigde Staten vrijaf.
Black Friday wordt beschouwd
als het begin van het seizoen voor kerstaankopen.
Maar Black Friday is overal al lang verworden
tot een Black Week of Month, met allerlei (nep)kortingen
om je in aanloop naar december zo veel mogelijk
van je overvloed en (spaar)centen af te helpen.
Want ondanks ons eeuwige geklaag;
de meesten van ons leven momenteel
in een voor veel anderen
onvoorstelbare overvloed.

Want gedurende de geschiedenis
bezaten en produceerden de meeste mensen
ongeveer net genoeg om in leven te blijven.
Lange tijd maakten boeren
(d.w.z. mensen met beperkte of geen landeigendomsrechten
die afhankelijk waren van een lokale heer)
een groot deel van de bevolking uit.
En hoewel boeren in sommige gevallen
welvaart bereikten,
was dit eerder de uitzondering
op de regel van zelfvoorzienende arbeid,
Voor bijna iedereen was de kans
op hongersnood allesbehalve theoretisch.

In dat opzicht verschilde de situatie
in de vroegmiddeleeuwse Lage Landen
nauwelijks van die in het eerste-eeuwse Palestina.
Ook daar verdienden negen van de tien mensen
net genoeg om te overleven
– en soms zelfs niet zoveel.
Zowel Josephus als het Nieuwe Testament
maken melding van de hongersnood
die Judea van 44-48 na Christus teisterde.
Er was in die tijd en plaats geen sociaal vangnet.
Mensen stierven van de honger.

Het was dus tegen dit soort mensen
die zich permanent bewust waren
van schaarste
dat een zekere rabbijn – tot voor kort zelf een dagloner – zei:

‘maak je geen zorgen over je leven,
over wat je zult eten of drinken,
noch over je lichaam, over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel
en het lichaam niet meer dan kleding?
(…) Zoek liever eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid,
dan zullen al die andere dingen
je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.’
(Matteüs 6)

Jezus’ publiek zou het er nog mee eens zijn geweest
dat alles uiteindelijk van God komt.
Maar: ‘wees niet bezorgd over morgen’?
In een wereld waar hongersnood
altijd slechts één mislukte oogst verwijderd is?
Jezus, instrueert dus in die context,
zijn publiek met een stalen gezicht,
om te leven alsof overvloed,
en niet schaarste,
de ultieme realiteit in het leven is.
Niet voor het eerst
lijkt Hij meer dan een beetje losgezongen te zijn
van hoe het werkelijk is om op deze planeet te leven.

Voor zover sommigen van ons moderne mensen
in geïndustrialiseerde samenlevingen
zich iets minder zorgen maken
over verhongeren of sterven
door blootstelling aan de elementen,
is dit te danken
aan de menselijke vindingrijkheid (hartelijk dank)
die manieren heeft bedacht
om onze productiviteit radicaal te verhogen.
Een onmiskenbaar magnifieke prestatie
maar ook een die andere vormen
van schaarste heeft verergerd.

Denk bijvoorbeeld aan de ‘aandachtseconomie’:
de strijd om steeds korter wordende aandachtsspanne te behouden.
Dezelfde computertools
die onze huidige levensstandaard
mogelijk hebben gemaakt,
hebben ons ook aangesloten
op een constante stroom
van veel meer informatie
dan we ooit zouden kunnen verwerken.
Zozeer zelfs dat aandacht schenken,
ogenschijnlijk een fundamenteel kenmerk
van het mens-zijn,
steeds meer gewaardeerd wordt.

Of neem tijd.
De econoom John Maynard Keynes, speculeerde
halverwege de twintigste eeuw,
dat automatisering
en een hogere productiviteit
vanzelfsprekend zouden leiden
tot minder stress en meer vrije tijd.
Maar wat hij niet voorzag,
is dat een toenemende productiviteit
de verwachtingen over hoe productief
we zouden moeten zijn, verhoogt.
Tijd, altijd en overal,
is het ultieme ‘verdwijnende bezit’,
maar de wildgroei aan timemanagementstrategieën
en gadgets vertelt ons,
denk ik, dat tijd nog schaarser lijkt
wanneer van ons verwacht wordt
(of van onszelf verwacht wordt)
dat we leven ‘to the max’.

Ik denk niet dat het overdreven is
om te stellen dat schaarste
de meest urgente realiteit is
in de menselijke ervaring.
In de een of andere vorm geldt dit
voor elke menselijke cultuur.
We bestrijden schaarste
met de drang om te vereenvoudigen, te stroomlijnen,
meer te doen met minder,
lifehacks te vinden
of nieuwe technologieën uit te vinden.

Jezus zegt echter dat we het moeten negeren.
Of in ieder geval dóen
alsof schaarste
niet zo interessant of belangrijk is.
God voedt de vogels en bekleedt de lelies;
jij bent belangrijker dan een vogel of lelie voor God;
dus zal God voor je zorgen.

Stop met stressen.

Dit voelt niet ambitieus of inspirerend.
Het voelt krankzinnig:
Ik heb een hypotheek.
Ik heb geld, energie, focus en tijd nodig;
niet de bizarre aansporingen
van een of andere mysticus.
Weet Jezus überhaupt wel iets van inflatie?

Maar het vreemde is dat hij dat wel weet.
Jezus staat absoluut niet los
van de realiteit van het dagelijks leven
in zijn tijd en omgeving.
Hij is op de hoogte van actuele gebeurtenissen
zoals instortende torens
en de machinaties van Herodes Antipas
(‘die vos’, noemt Jezus hem. Geen compliment).
Hij lijkt zich een beetje te vervelen om het politieke spel,
maar hij is zeker niet naïef over de machtsstructuren
en de grote spelers in Galilea en Judea.
Hij maakt van een sluwe,
oneerlijke kleine manager
de held van een van zijn verhalen.
Politiek, belastingen, sektarisch geweld,
instortende infrastructuur;
de evangeliën beschrijven Jezus
in zijn interactie met een wereld
die heel anders is dan de onze,
maar die toch direct herkenbaar is.

Het verschil is dat ik inflatiecijfers,
begrotingsgevechten, geopolitieke manoeuvres
om schaarse hulpbronnen
en toeleveringsketens beschouw
als ‘de echte wereld’,
terwijl het Koninkrijk der hemelen uit de Bijbel
iets moois is, maar ook een beetje zweverig,
en een beetje abstract.

Maar Jezus zag de dingen precies andersom.
Het koninkrijk is de Realiteit,
terwijl de heren der heidenen,
het betalen van belastingen,
zelfs de dringende dagelijkse zorgen
over voedsel en kleding,
allemaal vluchtig of hooguit secundair zijn.
En het koninkrijk is overvloedig,
want de Koning geeft geen stenen
wanneer zijn kinderen brood nodig hebben.

Wat betekent het om te leven
alsof overvloed
en niet schaarste
het laatste woord heeft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat het vaak echt te krankzinnig voelt,
om te denken dat ik genoeg tijd,
geld, energie, focus
of wat dan ook kan besparen
om een leven op te bouwen
waarin ik vervulling of vrede vind.
Er zitten barsten in mijn nuchtere,
economisch rationele wereld
die me doen afvragen:
wat als ik geen geld, tijd, energie heb
– niets anders dan mijn dagelijks brood –
en ik er vervolgens achter kom
dat ik alles al heb wat ik nodig heb?

 

In 1959 zong Pete Seeger het legendarische lied
Turn! Turn! Turn!
met de iconische zin uit de Bijbel
‘To every thing there is a season,
and a time to every purpose under the heaven.’
(Prediker 3)

Omdat komend weekend Nederland
de wisseling maakt van zomer- naar wintertijd
leek het mij toepasselijk om een webpost te wijden
aan de wisseling van zomer naar herfst.

Want het begin van de herfst kan twee verschillende emoties aanboren.
Je kunt je somber worden gaan voelen naarmate de nachten lengen
en het ’s ochtends killer begint te worden,
of je wordt juist vrolijk en wijst naar de kleurende bladeren
en de schoonheid van een vroege avondlucht bewonder.

Voor mij is er iets betoverends aan de herfst,
het voelt zelfs meer als een ‘nieuw jaar’ dan januari,
maar voor anderen is het slechts een teken
dat de winter nabij is
en de zomervakantie een verre droom.

We hebben allemaal onze voorkeuren,
maar voor sommigen kan het begin van een nieuw seizoen
ziekte veroorzaken,
zoals in het geval van een seizoensgebonden stemmingsstoornis,
die, hoewel meestal in de wintermaanden,
mensen juist ook in de zomermaanden kan treffen.

Uiteindelijk brengt elk seizoen
zijn eigen unieke vreugde en verdriet met zich mee,
waarvan sommigen genieten en anderen het maar doorstaan,
het belangrijkste is dat we deze verschillen accepteren
en een manier vinden
om door de veranderingen heen
verbinding te maken.

Het is iets wat we ook zien in de manier waarop de kerk door het jaar reist.
Soms ook wel het liturgische jaar genoemd,
waarbij de seizoenen veranderen
en de focus ligt op een ander deel
van het verhaal uit de Schrift.

De herfst is de tijd waarin de oogst wordt gevierd,
waarin we onze dankbaarheid uiten
voor de natuur
en hoe deze voorziet in alles wat leeft.

Of het nu meteorologisch of theologisch is,
het volgen van het ritme van de seizoenen
geeft ons de mogelijkheid om niet alleen samen te vieren,
maar ook om te leren hoe we goed kunnen lijden
en samen kunnen rouwen.

In het kerkelijk jaar worden de periodes van viering,
zoals Kerst en Pasen,
voorafgegaan door periodes van bezinning en rouw.
Advent wordt gekenmerkt
door het wachten van Gods volk
op het licht van de wereld d
at door de duisternis heen breekt,
terwijl de vastentijd de gelegenheid biedt
om vergeving te zoeken en te rouwen
om alles wat er mis is in de wereld en in onszelf.
Deze seizoenen volgen
het verhaal van Jezus’ leven, dood en opstanding ;
soms resonerend met onze eigen levensfasen
en soms pijnlijk contrasterend.

In de Bijbel staat een boek genaamd Prediker,
geschreven door een onbekende persoon
die Kohelet of ‘leraar’ wordt genoemd.
Hij spreekt over ‘een tijd voor alles onder de zon;
er een tijd is om geboren te worden
en een tijd om te sterven…
een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen.’

Het herinnert ons eraan,
terwijl we de seizoenen volgen,
dat er in het menselijk leven en geloof
ruimte is voor al onze emoties.
We zien het in de verscheidenheid
aan emoties die niet alleen in
bijvoorbeeld de Psalmen tot uiting komen,
maar ook in Jezus’ eigen leven.

En het vermogen om samen te komen
en deze seizoenen voor God te markeren,
zelfs als ze verschillen
van wat we persoonlijk ervaren,
is iets wat ons samenbrengt.
Het herinnert ons eraan dat,
ondanks alle maalstroom
van emoties en veranderingen
die het leven met zich meebrengt,
er een soort cadans door elk seizoen klinkt:
we zijn geliefd door God
en vanuit diezelfde liefde
hebben we elkaar lief.

De wisseling van de seizoenen
kan een veelheid aan herinneringen
en emoties oproepen,
maar als we het toelaten,
kan het ook dienen als een oproep
om samen te komen
en ons door liefde te laten leiden.
We kunnen leren doen
wat de apostel Paulus de vroege kerk in Rome opdroeg:
‘Wees blij met wie zich verblijdt,
heb verdriet met wie verdriet heeft.’
(Romeinen 12)

1 Koningen 19,11-12

 

Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen.
Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?

‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’

‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’

‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’

Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.

Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord:
het westers christendom krimpt!
En de gesprekken die er dan over werden gevoerd
werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid.
Het geluid werd zelfs zo sterk
dat we zelf er ook in begonnen te geloven.

En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.

De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen
– en later geflankeerd door Nederlands onderzoek
dat zelfs de landelijke media haalde –
de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren,
met name onder jonge mannen.
Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk,
de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen
en spirituele openheid onder jongeren.
Dus ook in Nederland zie en hoor je van
hernieuwde en nieuwe belangstelling
voor het christelijk geloof.
Het schetst een beeld van een multi-etnische
en multi-generationele kerk die transformeert,
samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap.
En dat het allemaal erg spannend.
Welke kant gaat het op en wat beklijft?

Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen
die minstens één keer per maand naar de kerk gaan
en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent.
Het laat een radicale verschuiving zien
onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar,
allemaal binnen de Generatie Z,
die vaker aan deze definitie van kerkgangers
voldoen dan welke andere generatie dan ook,
met uitzondering van degenen boven de 65.
Een verdere omkering van de normen is
dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen,
in de meeste leeftijdsgroepen,
maar vooral onder mensen onder de 35.
Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om
‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’,
maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.

Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.

Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig.
Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt,
en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z
vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten.
Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven
van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden,
naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden.
Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen,
komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen.
Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen:
‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’
Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren
belangstelling tonen voor het christelijk geloof.
In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering.
Jongeren die zich via sociale media
tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten.
Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1
als in de Gereformeerde Gemeente.
Hij is op zoek naar zijn plek
in de muziekwereld als jonge gelovige.
‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.

Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit
onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit;
dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond
in een opkomende spirituele generatie,
ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.

Naar de kerk gaan is goed voor je.
In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich
als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises.
Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig,
hebben meer hoop voor de toekomst en geloven
dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers,
en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen.
Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers,
wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.

Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen –
die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd.
Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding
met mensen in de bredere gemeenschap,
waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen
zich verbonden voelt met mensen in hun buurt,
vergeleken met slechts een kwart
van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten.
Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk,
loopt dit percentage op tot 68 procent,
wat kerken een ongelooflijke kans biedt
om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.

‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op.
‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen
die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid
hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan,
die zich verbonden voelen met hun gemeenschap
en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten –
ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap.
Dit is niet het beeld
dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien,
maar het is wel een krachtig beeld.

Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf,
maar ook voor je gemeenschap.
De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik
die het biedt op een christendom
dat geloof in actie uitstraalt.
Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers
die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn,
maar ook het leven van anderen willen verbeteren
– 78 procent van alle kerkgangers
is het erover eens dat het belangrijk is
om een verschil te maken in de wereld.

Vooral de jongere generaties van de kerken
die verlangen naar sociale verandering,
hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen
van positieve verandering,
en voelen zich verantwoordelijk
om bij te dragen aan hun gemeenschap.
Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel,
een lokale voedselbank steunen
en deelnemen aan activiteiten
ter verbetering van het milieu
worden gezien
als de gevolgen van christelijk geloof in actie.
Het geeft de gevolgen aan van kerkgang
door een diepe belichaming van Gods liefde
en het doorgeven van deze liefde aan anderen.

‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd,
waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld.
Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt.
Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet:
Ik had honger en jullie gaven me te eten,
ik had dorst en jullie gaven me te drinken.

Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over.
Hoe kunnen we reageren?
Waar leidt dit toe?
Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus?
Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast,
is misschien een understatement.
We leven in tijden van politieke onrust.
Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt.
De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.

De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben.
Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen.
De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers
meer te erkennen,
iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers.
Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk:
om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven,
er moet nadruk gelegd worden
op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.

Laten we echter dit mooie nieuws
ook met een korreltje zout nemen;
nuchter blijven
en niet meteen té euforisch worden.
Want de populariteit van het christendom
is de afgelopen tweeduizend jaar
vaker toegenomen én ook weer afgenomen.
Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was,
zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie
van het Romeinse Rijk begon te worden.

Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee.
Wanneer de aantrekkelijkheid
van het christendom bekoeld is,
heeft het de neiging zijn ziel te verliezen,
zijn radicale aard verwaterd
zeker door de mensen
die zich tot het kruis trokken
als een soort modeaccessoire.
Op sommige momenten is het geslonken
tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden,
zoals de elf angstige discipelen
die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus.
Of tot een groepje stoere, ruige christenen
dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging
en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.

Ook zijn de waarheidsaanspraken
van het christendom vaak niet populair.
Maar voor ons christenen
blijft ons geloof waar,
of mensen het nu geloven of niet.
Dus het feit dat er nu meer mensen geloven
dan een paar jaar geleden,
maakt het christelijk geloof
niet meer of minder waar.

Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen
over de ondergang van de kerk
toch nooit al te serieus genomen.
Daarom ben ik ook niet iemand
die meteen de slingers ophangt
als de voorspellingen
voor het christendom nu positief uitpakken.

Ik denk dat zij die geloven in Jezus,
een beetje sceptisch moeten zijn
over onderzoeken en statistieken.
Getalsmatige projecties en kansberekening
zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken,
maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen.
Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt,
zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.

De aantrekkingskracht van het christelijk geloof
is juist dat het niet gebaseerd is
op hoeveel mensen erin geloven.
Het draait om een gebeurtenis
waarbij het eeuwige tijdelijk werd,
waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad
in de gedaante van een rabbi uit Galilea.
Het overstijgt daarom tijd en ruimte,
opiniepeilingen en enquêtes.
Het geeft een vertrouwen
dat niet geworteld is
in de wisselende stemming van de publieke opinie,
die het ene moment op
en het andere moment weer neer gaat,
maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.

Wees dus blij, als je dat wilt,
met het vooruitzicht op een komende,
hernieuwde golf van geloof.
Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst.
Zoals Jezus ooit zei:
‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen,
maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)

En toch….
Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom
resoneert een zacht, laag en constant gezoem.
Het eist niets; het deelt.
Het overstemt anderen niet; het luistert.
Het houdt niets achter; het nodigt uit.
Het waardeert daden boven woorden.
Is dit het geluid van een stille opwekking?

 

Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!

 

Er is veel volk op de been in Jeruzalem.
De straten puilen uit. het Paasfeest staat immers voor de deur.
Het feest dat herinnert aan de uittocht van het volk van Israël
uit het slavenhuis van Egypte.
En dan is het opeens donker. Midden op de dag. Rond het middaguur.
Een duisternis, die als een donker kleed het hele land overvalt.
Hier zijn krachten aan het werk, die wij mensen niet kunnen verklaren.
Alle natuurwetten worden opzijgeschoven.
God grijpt in!
Wat eens de profeet Amos – in het Oude Testament – profeteerde
gaat vandaag in vervulling:
‘Op die dag – spreekt God, de HEER –
zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan,
en het land verduisteren op klaarlichte dag.’ (Amos 8: 9)
Veel mensen lopen weg.
Nee, om iemand te zien sterven aan een kruis … daar hebben ze geen moeite mee.
Maar voor het onheilspellende donker gaan ze op de loop.
Een angstwekkende duisternis die doet denken
aan de bevrijding uit Egypte.
Het symbool van verschrikking, van ongeluk, verderf en dood.
Het teken van het oordeel van God!
Uit die diepe, angstwekkende duisternis klinkt een langgerekte klacht omhoog:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent:
‘Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?’ (Matteüs 27: 46)
Het is het ‘waarom?’ uit de duisternis. Woorden uit Psalm 22.
Woorden waarin een mens een brug zoekt,
die uit de godverlatenheid tot God voert.
Woorden van een mens die bespot wordt en veracht.

‘Waarom?’

We horen zijn diepe smart, zijn diepe eenzaamheid en onbegrip.
Jezus voelt in de duisternis, dat God Zich van Hem afkeert.
Een krachtig antwoord van God blijft uit.
Uit de hemel komt geen antwoord.
Wat heeft Jezus in deze godverlatenheid moeten lijden!
En toch: Hij blijft gehoorzaam aan zijn roeping –
tot het bittere einde toe.
Hoezeer door God verlaten, Jezus blijft roepen in de duisternis:
‘Mijn God …’
In dat ene woordje ‘Mijn’
ligt heel zijn hoop en verwachten besloten.

Drie uren duisternis.
Daarin wordt het oordeel van God over een zondige wereld openbaar.
Drie uur … dan zegt God: ‘Nu is het genoeg!’
‘Het is volbracht!’
Op dat moment treedt God uit zijn verborgenheid.
Het voorhangsel van de tempel scheurt – van boven naar beneden.
De toegang tot God is weer mogelijk!
Die godverlatenheid, die diepe, donkere duisternis,
waarin alle machten op je aankomen
… dat is voor Jezus … de hel.
Daar aan het vervloekte hout van het kruis
geeft Jezus in deze helse godverlatenheid
zijn leven om de deuren van de hemel weer van slot te krijgen.
Wanneer dáár aan het recht van God is voldaan …
Wanneer dáár de schuld voor een zondige wereld is voldaan …
Wanneer dáár de toorn van God is verzoend …
wijkt de duisternis voor het licht!
Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Tijd voor het avondoffer in de tempel. Uur van het gebed.
Dan knielt – in de voorhof van de tempel – het volk van Gods verbond.
Terwijl in het heilige een priester het reukoffer op het altaar ontsteekt.
Zo vloeien gebeden en wierook samen
tot een stroom van smeken tot God.
In dát uur van gebed en offer brengt Jezus
als de grote Priester het offer van zijn leven.
Zijn kruis is tegelijk het altaar
waar eens voorgoed hét offer ter verzoening wordt gebracht.
Tegelijkertijd worden alle menselijke offers daarmee aan de kant geschoven.
Ze hebben geen waarde meer.
Het offer dat Jezus brengt is uniek, onherhaalbaar, onvervangbaar.
Daar kan geen mens iets meer aan toevoegen of afdoen.

En wij?

Vanaf het kruis van Golgotha klinkt het ‘waarom’
van de godverlatenheid.
De gekruisigde Jezus werd verlaten
opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In mijn angst, in mijn pijn, in de aanvechting en de verzoeking,
mag ik vasthouden aan die belofte van de Vader.

Dat is het geheim van dit vierde bewogen kruiswoord!

Als we voor Jezus kiezen, dan is dat niet zomaar iets.
Niet iets dat je doet in je vrije tijd of als je er zin in hebt.
Het is een ongewis avontuur. Het vraagt om een focus.
Je leven staat daar in dienst van.
Met scherpe woorden roept Jezus ons daartoe op:
‘Weet wat je doet als je voor mij kiest.’
Trouw zijn aan God gaat soms tegen de wereld in,
soms zelfs tegen je eigen familie of tegen je eigenbelang.
Het is geen gemakkelijke weg: je moet je kruis dragen.
Anderen verklaren je voor gek.
Want niet bouwen op mensen maar op God
is in onze tijd een vreemd fenomeen. We hebben de tijd niet mee.
De wetenschap komt met grootse inzichten,
terwijl religie als gevaarlijk wordt gezien.
De Kerk is regelmatig in opspraak.
Geloof wordt beschouwd als achterhaald.
We leren vooral in ons zelf geloven.

Iets van wat het betekent om te geloven
en dus achter Christus aan te gaan
laat Jezus nu zien in de woorden die Hij spreekt,
niet alleen tot Petrus maar tot alle discipelen en zo ook tot ons.
‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen,
zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.’

‘Zelfverloochening’ betekent dat je nee zegt
tegen je eigen wil en nee tegen je eigen verlangens
en nee tegen je eigen dromen.
Want die eigen wil en die eigen verlangens
en die eigen dromen zijn op jezelf gericht.
Je wilt eer en geld en een plaats vooraan in de rij,
niet om er een ander blij mee te maken,
niet om God ermee te dienen maar om er zelf beter van te worden.
En dat zit er bij ons allemaal diep in.
Het is zo moeilijk om jezelf opzij te zetten voor een ander.
Het is zo moeilijk om iets van je tijd of je aandacht af te staan.
Het is zo moeilijk om te geven als je ook ontvangen kunt.
Maar als je achter Christus aangaat,
dan wordt dat een weg van zelfverloochening.
En op die weg zal er steeds weer een gebed klinken,
een gebed om het leren van de zelfverloochening :

Heer, laat mij leren,
niet om getroost te worden,
maar om te troosten.
Niet om begrepen te worden,
maar om te begrijpen.
Niet om geliefd te worden,
maar om lief te hebben.

(Franciscus van Assisi)

Zelfverloochening betekent: er zijn voor God en voor de naaste
en daarom je eigen verlangens opzij zetten.
En zo volg je Christus na: Zijn leven was één grote Zelfverloochening.
Hij zette Zichzelf opzij om ons bij God terug te brengen.
Hij heeft van Zichzelf afgezien om Zich over ons te ontfermen.

En die navolging omvat ook het kruisdragen.
‘Neem je kruis op’ zegt Jezus.
Dat is misschien wel een wat al te bekende uitdrukking geworden
die daarom geen indruk meer maakt.
Maar voor de discipelen was dat nog anders.
Kruis dragen betekende toen nog iets dat je heel concreet voor je kon zien.                                                                    Een veroordeelde misdadiger is op weg naar zijn terechtstelling.
Zelf draagt hij op zijn schouders het kruis waaraan hij straks zal sterven.                                                                    Rondom hem is er een grote menigte van mensen.
En die mensen staan maar niet wat te kijken,
nee, die schreeuwen en brullen en schelden en vloeken.
Kruisdragen is een verschrikkelijk vernedering:
de kruisdrager wordt uit de samenleving gestoten, uitgespuugd, weggegooid als een stuk vuil in de container.

Maar dat kruisdragen van Christus maken we niet mee.
Waar waar zien wij in ons eigen leven
de realiteit van het kruisdragen terug?
Dat zien we daar waar we heel concreet ondervinden
dat geloven ook pijn doet
en dat Christus navolgen ook diep verdriet met zich meebrengt.
En dat is voor ieder weer anders.
Kruisdragen, ja je kunt het proberen te ontlopen
door bijvoorbeeld God vaarwel te zeggen:
als je niet langer gelooft kan geloven immers ook geen pijn meer doen.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld twijfel goed te praten: `daar doen wij niet moeilijk over’.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld zonde
niet langer zonde te noemen. Dan is de strijd uit je leven weg.
Dan is het kruis uit je leven weg. Dan is Christus uit je leven weg.
De Christus die je voorging in het kruisdragen en die je verloste,
niet van het kruis, wel van de eeuwige dood.
Of wat deed Petrus deed toen hij tegen Jezus zei:
‘Dat verhoede God, Here! Dat zal U geenszins overkomen’?
Hij schopte het kruis aan de kant.
Misschien is het begrip ‘kruisdragen’ wel per definitie bedoeld
om de kloof tussen geloven en leven te signaleren
en behoort zo’n woord onrustig te maken,
zodat wij gedwongen worden onze veilige levensinstelling te verlaten
en met ons onrustige hart rust te zoeken bij God zelf.
Want het zit in ons allemaal:
het kruis aan de kant schoppen om het niet te hoeven dragen.
Dan wordt het leven een stuk gemakkelijker,
maar het loopt uit op de dood.
En juist dat hoeft niet omdat Christus die dood is ingegaan in onze plaats. En door zijn opstanding ontvangen wij de kracht om ons kruis te dragen.

Want als je je kruis draagt, zul je merken dat het kruis jou draagt
(Thomas à Kempis).

Wat moet ons dagelijks leven bepalen volgens Jezus?
Waar vindt Hij dat we iedere dag mee bezig moeten zijn?
Jezus zegt:
maak je in je dagelijkse leven druk om het komende koninkrijk!
Het koninkrijk van de hemel. Want dat koninkrijk komt er echt aan.
En alleen in dat koninkrijk komt je leven tot zijn bestemming.
Daar leef je zoals leven bedoeld is.
Een leven vol vreugde omdat het een leven dichtbij God is.

Maar bepaalt dit ons leven ook?
Of maken wij ons iedere dag druk om heel andere dingen
dan het koninkrijk van God?
Veel mensen zijn vooral bezig met het leven hier op aarde.
Veel mensen hebben ook geen weet van het komende koninkrijk
of willen er niet van weten.
Maar wij dan?
Wij weten wel dat het koninkrijk van God komt
en dat ons leven daar aan zijn bestemming zal beantwoorden,
maar houdt dit koninkrijk ons bezig?
Ik heb het idee dat wij ons ook iedere dag druk maken
over heel veel andere dingen.

Eén ding moet wel duidelijk zijn:
het Koninkrijk van God is geen alternatieve economie,
ook geen politiek manifest,
en maakt politiek en economie ook niet overbodig.
Het is naïef te denken dat we zonder kunnen
in een wereld die op weg is naar acht miljard mensen.
Het schept echter een andere basis en een nieuw perspectief
waardoor economische en politieke vragen,
en daarmee ook onze verhouding tot de aarde en de natuur,
in een ander licht komen te staan.

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.