In Moskou,
zo vertelde de verbannen
Russische journalist Michaïl Zygar op CNN,
vergelijken ze de VS van nu
met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989.
Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden:
mensen geloven niet meer in het officiële verhaal.
Ze zijn cynisch geworden.
En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde,
stortte het systeem in.

De vraag is nu:
zien we iets vergelijkbaars in het Westen?
Gaat hier echt iets fundamenteels kapot?
En zo ja, wat precies?

Als je naar Europa en de VS kijkt,
zie je een politieke cultuur
die steeds harder wordt.
Radicale en autoritaire partijen winnen terrein,
democratische regels worden opgerekt of genegeerd,
en veel mensen voelen zich
niet meer vertegenwoordigd.
Tegelijk groeit de polarisatie.
Mensen zijn somber, boos en wantrouwig.
Het gevoel dat ‘het systeem’
er niet meer voor hen is, zit diep.

Daarbovenop komt een hele reeks
andere problemen:
online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat,
steeds minder respect voor zorgverleners
en andere publieke beroepen.
Mensen leven in bubbels,
de onderlinge verbondenheid brokkelt af.
De sociale lijm laat los.

Dat is zorgwekkend,
want de westerse democratie
is eigenlijk een vrij nieuw experiment.
Het idee dat iedereen dezelfde rechten,
kansen en waardigheid heeft,
komt voort uit de Verlichting
en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm
in democratische rechtsstaten.
Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie.
Toen die instortte, dacht het Westen:
zie je wel, wij hebben gewonnen.

Maar zo simpel was het niet.
De liberale democratie bleek
geen eindpunt van de geschiedenis.
China liet zien dat kapitalisme
prima kan zonder democratie.
Oorlogen brachten geen democratie.
En zelfs binnen het Westen
begonnen landen afstand te nemen
van liberale waarden.
Ook in de VS staat de democratie onder druk.

Langzaam veranderde daardoor
de houding tegenover democratie zelf.
Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen
in instellingen en kiezen vaker
voor het idee van een ‘sterke leider’.
Media, rechters, universiteiten en parlementariërs
worden verdacht gemaakt.
Populisten zetten ‘gewone mensen’
tegenover elites, migranten
en kosmopolieten.

Ironisch genoeg kwam dat juist
na een periode van zelfgenoegzaamheid.
Liberale samenlevingen
gingen geloven
dat hun succes bewijs was
van morele superioriteit.
Die overmoed maakte blind
voor wat er ondertussen veranderde.

Globalisering haalde industrie weg,
de arbeidersbeweging verzwakte,
en links richtte zich steeds meer
op identiteit en cultuur.
Veel traditionele kiezers
voelden zich achtergelaten.
Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin,
maar wel in perspectief.
Sociale migratie stokte.
De meerderheid gelooft inmiddels
dat hun kinderen
het slechter zullen hebben.

Daarbovenop kwam
een groeiende kloof tussen
hoogopgeleide, stedelijke elites
en mensen die minder mobiel zijn,
vaker op het platteland wonen
en traditioneler denken.
Hun waarden werden weggezet
als achterlijk of fout.
Maar groepen die zich
structureel vernederd voelen,
accepteren dat niet eindeloos.
Economisch gebeurde iets soortgelijks.
Winsten en macht kwamen
steeds meer terecht bij een kleine groep,
vooral in de techsector.
Die bedrijven beschikken nu
over ongekende invloed en technologie.
Democratische controle loopt
daar ver achteraan.
Het risico is dat we afglijden
naar een vorm van digitaal feodalisme:
veel controle, weinig inspraak,
alles verpakt in gemak en entertainment.

Dat is geen sciencefiction.
Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.

De kern van het probleem lijkt dezelfde
als in de late Sovjet-Unie:
mensen zijn het geloof kwijtgeraakt.
Niet in één leider of partij,
maar in het idee
zelf van een liberale democratie.
Dat systeem kan alleen werken
als er minimaal vertrouwen is,
als mensen de spelregels accepteren
en elkaar als legitieme tegenstanders zien.

Als grote groepen dat niet meer doen,
houden ze op met meespelen.
Dan zoeken ze iemand
die belooft het hele spel kapot te maken.

Is dit dan het einde van het Westen?
Ja, misschien het einde van een tijdperk.
Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af
in economie of geopolitiek.
Ze speelt zich af in onze hoofden.
Of zoals Hemingway schreef:
eerst geleidelijk, en dan… INEENS.

De vraag is nu of de idealen
van vrijheid, gelijkheid en solidariteit
sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden.
Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt.
Maar zonder dat gedeelde verhaal
blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over.
En dat weten we in Europa maar al te goed.

 

Ik ben van nature altijd een optimist geweest.
Dat zit gewoon in mij.
Ik probeer het goede in mensen te zien.
Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties
beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien.
En ik geloof diep vanbinnen
dat er altijd weer een morgen komt.
Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn
als je er eenmaal mee aan de slag gaat.
Dat dingen kunnen veranderen.

Misschien is dat ook wel de reden
dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek.
Die serie ademt hoop.
Het laat een toekomst zien
waarin de mensheid haar grootste problemen
achter zich heeft gelaten:
oorlog, armoede, discriminatie.
In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers.
Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren.
Op beter worden, samen, als mensheid,
binnen die Verenigde Federatie van Planeten.

Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren,
dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld.
Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging.
Kijk alleen al naar het wereldnieuws.
Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen,
een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld.
De macht van de sterkste die lijkt te regeren.
Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed.
Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering:
overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen,
ecosystemen die instorten.
Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.

En dan is er wat dichter bij huis gebeurt.
De energiecrisis.
De steeds hogere kosten van het dagelijks leven.
Zorgen over de toekomst van de zorg,
over speciaal onderwijs,
over hoe we omgaan met vrouwenhaat
en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes.
En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.

Alsof dat nog niet genoeg is,
komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media,
de angst voor kunstmatige intelligentie
die ons boven het hoofd groeit,
de steeds fellere polarisatie in het publieke debat,
en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie.
Op een gegeven moment dacht ik:
waar moet ik dit allemaal laten?
Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?

Toen stuitte ik min of meer toevallig
op een boek van Tom Ough:
The Anti-Catastrophe League.
De titel klinkt alsof het zo
uit een Marvel-film komt,
maar het boek gaat juist over
heel concrete, aardse problemen.
En over mensen die daar iets aan proberen te doen.
Het lezen ervan zette iets in beweging.
Het hielp me om voorbij de eerste laag
van angst en doemdenken te kijken
en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?

Ough is journalist en werkte een tijd
bij een filantropische organisatie
die zich bezighoudt
met de grootste risico’s voor de mensheid.
In zijn boek neemt hij je mee
langs allerlei mogelijke rampen.
Van een asteroïde die de aarde raakt,
tot een extreme zonnestorm
die onze wereldwijde elektriciteitsnetten
kan uitschakelen.
Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij:
klimaatverandering, kunstmatige intelligentie
en een toekomstige pandemie –
die door de WHO zelfs alvast
‘Ziekte X’ wordt genoemd.

Wat het boek bijzonder maakt,
is dat Ough niet blijft hangen in angst.
Bij elk risico introduceert hij de mensen
die ermee bezig zijn:
wetenschappers, diplomaten,
eigenzinnige denkers en stille doorzetters.
Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen,
maar er ook naar handelen.
Vaak tegen de stroom in,
soms met grote persoonlijke offers.

Na al dat onderzoek komt Ough uit
bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt.
Hij ontkent de ernst van de problemen niet,
maar hij weigert te geloven
dat het einde onafwendbaar is.
Zoals hij zelf schrijft:
Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’

Die zin bleef bij me hangen.
Want hoe we de wereld zien,
wordt enorm beïnvloed
door de verhalen die we horen.
En daarin spelen de media een grote rol.
Nee, dat is geen nieuwe gedachte.
Al jaren wordt kritisch gekeken
naar hoe nieuws wordt gebracht:
de constante focus
op wat er mogelijk mis kan gaan,
de speculatie, het drama.

Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan
met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde.
Er werd gewerkt met vaste clichés:
de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind,
het Westen als redder.
Conflicten werden gepresenteerd
alsof het sportwedstrijden waren,
met duidelijke winnaars en verliezers.

En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd.
Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen.
Links of rechts.
Voor of tegen.
Pro-Israël of pro-Palestina.
Klimaatactivist of ontkenner.
Voor of tegen AI-regulering.
Het is altijd een nulsomspel:
ik win alleen als jij verliest.

Juist daarom vond ik het boek
Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant.
Deze Zweedse statisticus
liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.

Rosling toonde, met data aan,
dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan.
Minder extreme armoede.
Minder kindersterfte.
Meer meisjes naar school.
Meer vaccinaties.
Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen,
maar dat zegt weinig over het grote geheel.

Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen.
Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren,
raken mensen verlamd.
Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is.
Problemen worden aangepakt.
Er wordt vooruitgang geboekt.
En er zijn echte, haalbare oplossingen.

Ja, klimaatverandering is ernstig,
maar het betekent niet automatisch
het einde van de mensheid.
Zelfs in de zwaarste scenario’s
blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar.
Het zou een tragedie zijn, zeker.
Maar geen totale ondergang.

Ik pleit daarom voor een ander verhaal.
Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt,
maar misschien juist als de eerste generatie
die echt een duurzame wereld bouwt.
Dat vraagt geen naïef optimisme,
maar hoop die gebaseerd is
op feiten en mogelijkheden.

Wat me vooral raakt in dit hele verhaal,
is hoe sterk het raakt aan theologie.
Aan hoe we nadenken
over het einde, over de mens, over hoop.
Apocalyptische taal is overal.
Maar in de christelijke traditie,
zeker in het boek Openbaring,
gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging.
Het is beeldtaal.
Het gaat over hoop.
Over volhouden.
Over God die de geschiedenis niet loslaat.

Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend:
christendom is hoop.
Geen vlucht uit deze wereld,
maar een kracht die het heden verandert.

Vanuit dat perspectief is het idee
dat alles eindigt
in totale vernietiging
eigenlijk slechte theologie.
En hetzelfde geldt voor een mensbeeld
waarin de mens alleen maar wordt gezien
als een fout in de schepping.
Ja, we zijn gebroken.
Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld.
Gezegend vanaf het begin.
In staat tot liefde,
zorg en verantwoordelijkheid.

En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop,
heb ik mijn houvast weer teruggevonden.
Geen blind optimisme.
Maar een hoop die gevoed wordt door feiten,
door geloof,
en door het besef dat de toekomst nog openligt.

Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt:
het verleden ligt vast. Maar de toekomst?
Die mogen we samen vormgeven.
Met openheid. Met optimisme.
En met een nieuwsgierige geest.

de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Het is een onwaarschijnlijke basis voor succes:
een serie die zich afspeelt
in een vergeten uithoek van het sterrenstelsel,
En toch heeft de serie Andor brede lovende kritieken
en waardering van fans gekregen.
Deze Disney+-serie is de eerste echte Star Wars-content
voor volwassenen geworden.

Andor onderscheidt zich daarin
dat zij verhaal biedt met rijke thema’s
die direct tot het publiek van vandaag spreken:

De serie volgt een aantal elkaar kruisende karakters.
Hoewel de serie vernoemd is naar Cassian Andor
een gedesillusioneerde smokkelaar
die zich bij de Rebel Alliance heeft aangesloten,
is het verhaal veel groter dan één man.

Terwijl het Keizerrijk (Empire) zijn greep verstevigt
– zowel openlijk door militaire macht en brutaliteit,
als in de schaduw met een breed scala aan spionnen,
surveillance en een steeds groter wordend inlichtingennetwerk
– wordt de noodzaak tot verzet op elk niveau urgent.
Degenen die een stem hebben, moeten zich laten horen
zolang er nog een schijn van democratie
en vrijheid van meningsuiting is.
Er is geld nodig om een opstand te financieren
en voetsoldaten uit alle lagen van de bevolking
moeten worden gevonden en voorbereid om op te staan
en het systematische onrecht
en de toenemende imperialistische onderdrukking te bestrijden.

Aan de ene kant bevindt zich
de geadopteerde Cassian Andor.
Hij is gevormd door zijn vroege ervaringen
met armoede en onderdrukking.
Die wekken iets van verzet
tegen het bestaande systeem in hem op.
Aan de andere kant van het spectrum
staat Mon Mothma,
geboren in een bevoorrechte positie.
Zij heeft politieke invloed.
Haar verhaallijn draait om een moreel kruispunt:
of ze haar status, haar rijkdom en haar veiligheid
op het spel zet om het verzet
vanuit de machtscentra te steunen.

De boodschap van deze film is relevanter dan ooit.
In een tijdperk dat gekenmerkt wordt
door toenemend autoritarisme, desinformatie
en toenemende politieke polarisatie,
benadrukt de serie dat tirannie
op elk niveau moet worden bestreden.
Het herinnert ons eraan
dat democratische instellingen
fragiel zijn en dat zwijgen
in het aangezicht van onrecht
onderdrukking ongecontroleerd laat groeien.
Of het nu gaat om de strijd tegen despotisch leiderschap,
de uitholling van de vrijheid van meningsuiting
of systematische ongelijkheid,
Andor suggereert dat de last van verzet
niet alleen op de schouders
van een kleine groep helden kan rusten.
Het vereist dat mensen
op elk niveau van de samenleving
met moed, integriteit en doelgerichtheid
handelen voordat het te laat is.

Want een belangrijke verhaallijn in Andor
is hoe het Keizerrijk een morele rechtvaardiging
voor zijn daden construeert
via door de staat gecontroleerde, propagandistische media.
Goede mensen kunnen gemanipuleerd worden
en de waarheid kan verdraaid worden.
In realtime zien we spindoctors de wreedheid
die zich om hen heen afspeelt ontkennen of herformuleren
– zelfs terwijl het Keizerrijk
een vreedzaam protest met geweld neerslaat.

In de film worden alle mogelijke middelen gebruikt
om de wereld te creëren om parallellen te trekken
met zowel historische als hedendaagse onrechtvaardigheden.
Zo wekken de kostuums van de hoogste leiding van het Keizerrijk
en de agenten van het Imperial Security Bureau (ISB)
griezelige gelijkenissen met Gestapo-uniformen.
De verzetsstrijders daarentegen
lijken zo van de set van Les Misérables te zijn gestapt,
een echo van de Juni-opstand van 1832.

Het is moeilijk om dit niet te zien als een kritiek
op hoe moderne nieuwsmedia
wereldwijde conflicten
– zoals de oorlog in Israël en Gaza –
kaderen en hervertellen
om hun publiek te behagen en te vormen.
Deze agendagedreven berichtgeving
verdraait feiten en maakt kijkers ongevoelig,
vaak ten koste van degenen die ter plaatse lijden.
De medeplichtigheid van de pers
aan desinformatie
en het faciliteren of rechtvaardigen van wreedheden
draagt zelfs vandaag de dag nog bij
aan aanhoudende humanitaire crises
in landen zoals Soedan en Gaza.

In een zogenaamd post-waarheidstijdperk
herinnert Andor ons eraan dat waarheid er nog steeds toe doet.
De serie houdt een spiegel voor
aan onze mediaverzadigde wereld
en laat zien hoe verontwaardiging wordt gefabriceerd,
verhalen worden gecontroleerd
en de realiteit vaak wordt gespind door selectieve verhalen.
Het daagt ons uit om na te denken
over de betrouwbaarheid van het nieuws dat we consumeren
– en over onze eigen rol in het in twijfel trekken
of accepteren van de verhalen die ons worden verteld.

Een van de meest fascinerende aspecten van Andor
is de weergave van parallelle levens
aan beide kanten van het conflict.
Hoewel een groot deel van de actie
Cassians transformatie van smokkelaar
tot onwillige agent tot belangrijke rebellenleider volgt,
zijn we ook getuige van de opkomst van Dedra Meero
een gedreven, ambitieuze surveillanceofficier
binnen de ISB, de inlichtingendienst van het Keizerrijk.

Dedra begint als een underdog
die vecht tegen seksisme op de werkvloer
in een door mannen gedomineerde bureaucratie.
Maar naarmate haar carrière vordert,
neemt ook haar vermogen tot wreedheid toe.
Ze wordt een van de meest meedogenloze handhavers
van het Keizerrijk,
bereid om alles en iedereen op te offeren
in haar meedogenloze jacht op rebellenagenten.
Haar verhaal is een huiveringwekkende herinnering
aan hoe autoritaire systemen efficiëntie en ijver belonen,
ongeacht de morele prijs.
Ironisch genoeg zou haar vastberadenheid
de rebellie uiteindelijk kunnen helpen
– haar roekeloosheid onthult
mogelijk geheimen over de Death Star.

Door de hele serie heen zien we
vergelijkbare tactieken aan beide kanten:
surveillance, verraad, opoffering.
Het enige verschil is de bredere verhaallijn
die uiteindelijk de zaak van de opstand rechtvaardigt.
Maar door complexe, geloofwaardige antagonisten
zoals Dedra op te bouwen,
laat Andor ons de banaliteit van het kwaad zien
– hoe gewone mensen, ervan overtuigd
dat ze het juiste doen,
instrumenten van onderdrukking kunnen worden.

De vraag die de serie ons voorlegt,
is huiveringwekkend simpel:
aan welke kant sta jij in een wereld
die afglijdt naar toenemende onrechtvaardigheid?

 

Dit jaar herdenken we dat het zeventienhonderd jaar geleden is
dat de vroege christenen langzaam op weg gingen naar een historische verklaring:
De Geloofsbelijdenis van Nicea was het resultaat van 300 jaar worstelen
met een vraag die centraal stond in deze nieuwe beweging:
als de Jezus die zij aanbaden in zekere zin de ‘Zoon van God’ was, wat betekende dat dan?
Was hij een menselijke profeet, beter dan de meesten, maar in wezen net als wij?
Was hij God in menselijke gedaante?
Of een soort halfbloed – half mens en half goddelijk?
Theologen verspilden bloed, zweet en tranen (letterlijk) aan deze vragen.
Simplistische antwoorden werden aangedragen, maar bleken tekort te schieten.
Er werden verhandelingen geschreven, synodes gehouden,
tegenstanders werden gegeseld en geëxcommuniceerd.
Er braken zelfs rellen uit
toen de debatten in de Romeinse wereld hevig oplaaiden.

Uiteindelijk, in 325, bracht het Concilie van Nicea
een zorgvuldig geformuleerde en moeizaam verkregen verklaring uit.
Er stond dat Jezus ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader’ was.
Elk woord was zorgvuldig gekozen en het resultaat
van lang debat, diep gebed en overpeinzingen.
Het loste niet alle problemen op, maar het heeft de tand des tijds doorstaan
en wordt nog steeds in kerken over de hele wereld uitgesproken.

Ik heb hier deze zomer over nagedacht, terwijl onze politieke debatten woedden.

Neem de kwestie van immigratie.
Aan de ene kant zijn er de spandoeken met ‘vluchtelingen welkom’,
en dat de uitingen van tegenstanders een teken is van beginnend fascisme,
en dat beweren dat we een immigratieprobleem hebben inherent racistisch is.

Aan de andere kant is er de ‘Nederland is vol’-campagne,
zijn er oproepen tot massadeportaties, protesten tegen de komst van AZC’s,
de suggestie dat alle immigranten profiteurs zijn
die de ziel ‘de Nederlander’ vernietigen
en er wordt opgeroepen om de grenzen snel te sluiten.

Maar het is veel ingewikkelder.
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de claims van legale migranten,
asielzoekers en illegale immigranten.
De meesten zullen het er waarschijnlijk over eens zijn
dat het bieden van welkom aan mensen
die oorlog, vervolging en hongersnood in hun thuisland ontvluchten,
juist en gepast is, en in lijn met een lange traditie van Nederland
dat een toevluchtsoord bood aan anderen in nood.
Mensen zullen altijd onderweg zijn,
en het sluiten van alle grenzen is onrealistisch en onrechtvaardig.
Het gematigde, vruchtbare Nederlandse klimaat,
onze historische economische en politieke stabiliteit,
ons goed gereguleerde rechtssysteem,
het christelijk geloof dat onze cultuur heeft gevormd,
zelfs de relatieve netheid van onze straten en platteland,
zijn geschenken die we uit het verleden erven
en waar we gul mee moeten zijn.

Toch zijn dit zegeningen die niet als vanzelfsprekend kunnen worden beschouwd.
Ze moeten worden beschermd, niet alleen omwille van ons,
maar ook voor degenen die een legitieme claim hebben om hier een thuis te hebben.

De meesten zullen het er dus ook over eens zijn
dat illegale immigratie een plaag is,
waarbij de meedogenloze schurken wanhopige migranten verleiden
om op hun wankele bootjes de Middellandse Zee over te steken
en weinig anders verdienen dan een strafrechtelijke straf.
Toch zal zelfs massale ‘legale’ migratie het karakter van het land veranderen.
Wanneer 40% van de kinderen in de basisschoolleeftijd
minstens één in het buitenland geboren ouder heeft,
en voor één op de vijf Nederlands niet hun moedertaal is,
kan dat niet anders dan een impact hebben
op het karakter van het land.

Maar deze complexiteit gaat verloren in de behoefte aan een pakkende kop.
Noch ‘stuur ze naar huis’, noch ‘alle migranten welkom’
vat het dilemma samen.
Het behoeft nuance.
Er is zorgvuldig en geduldig werken nodig
om de juiste balans te vinden
tussen de verschillende eisen;
medeleven met de vreemdeling
en het behoud van de dingen
die juist de vluchtelingen hierheen trekken.

Hetzelfde geldt voor Israël en Gaza.
Voor de pro-Israëllobby is het bijna al antisemitisch
om alleen al de aandacht te vestigen op het lijden in Gaza.
Aandringen op terughoudendheid met betrekking
tot Israëls vastberadenheid om Hamas te vernietigen,
zelfs als dat betekent dat Gaza en een groot deel van de bevolking
in de tussentijd vernietigd moeten worden,
is een echo van de vernietigingskampen
en een manier om de zionistische woede te temperen.
Maar voor de pro-Palestinabeweging en haar aanhangers
lijkt Israëls legitieme behoefte om in vrede te leven
zonder een buurstaat die zich erop toelegt
haar te vernietigen, niets te betekenen.
Hoe kan van Israël verwacht worden
dat het naast een regime leeft
dat op brute wijze 1400 burgers op één dag heeft vermoord?

Het is ingewikkeld. De belangrijkste dingen wel.
Iedereen die ooit een grote organisatie heeft geleid,
weet dat het vaak een delicate kwestie is
om een pad voorwaarts uit te stippelen
en tegelijkertijd concurrerende belangen
en perspectieven te behouden.
Je verliest onderweg wel wat mensen,
maar je kunt het je niet veroorloven om iedereen te verliezen,
vooral niet als beide kanten van het debat enige legitimiteit hebben.

De lange strijd van de vroege kerk om orthodoxie te definiëren
vergde tijd, geduld, zorgvuldige overweging en zelfbeheersing;
ook al was ze daar soms niet erg goed in.
Het resultaat was een genuanceerde uitspraak die tussen de ene pool;
dat Jezus gewoon een heel goed mens was
en de andere; dat hij God was, gekleed in menselijke kleding.
De waarheid die uiteindelijk werd blootgelegd en omarmd,
was niet het ene uiterste of het andere,
en zelfs geen slap compromis,
maar het zorgvuldig uitgewerkte, onwaarschijnlijke idee
dat de beste inzichten van beide kanten samenbracht;
dat hij niet ‘slechts menselijk’ of ‘slechts goddelijk’ was,
of 50% van beide,
maar 100% menselijk en 100% goddelijk,
en dat dit (om redenen die te ingewikkeld zijn om hier op in te gaan)
geen contradictio in terminis was.

De waarheid en de oplossing van onze dilemma’s
over immigratie, of Gaza, zijn zelden eenvoudig.
Ze vereisen nuance. Ze vereisen geduld.
Ze vereisen zorgvuldige aandacht en luisteren
naar de mensen met wie je het instinctief
oneens bent om de waarheid te achterhalen.
Toch pleiten ons verlangen naar een dramatische headline,
onze honger naar simpele oplossingen,
onze algoritmes die de meest extreme meningen promoten,
allemaal tegen dit soort geduldige, waakzame politieke
en sociale cultuur die ons zou helpen
tot betere oplossingen te komen.

Het leven is ingewikkeld. Mensen zijn ingewikkeld.
Oplossingen voor lastige kwesties zijn zelden eenvoudig.
We hebben nuance nodig.

 

Afgelopen weekend werd Nederland opgeschrikt door de rellen op het Malieveld.
Maar kwamen deze rellen zomaar uit de lucht vallen?
Daar wil ik in deze webpost over nadenken.

Want al in 2004 (sic) schreef Thomas von der Dunk zijn boek
met de titel: Buiten is het koud en guur.
Von der Dunk ontleedt in zijn boek de onrust en onzekerheid
die de boventoon voert bij groepen Nederlanders
na de moord op Pim Fortuyn in 2002.
Hij stelt zich de vraag of de revolutie van Fortuyn
werkelijk ten einde is of smeult onder de oppervlakte nog onrust.

Ik denk dat je na goed 20 jaar van de publicatie van dit boek,
wel kunt stellen de gevoelens van onrust en onzekerheid
zeker niet tot rust zijn gekomen maar eerder zijn toegenomen.

En die gevoelens komen niet alleen tot uiting in de kroeg
waar sommige mensen steeds meer en ongenuanceerdere woorden gebruiken.
Helaas is dit woordgebruik ook doorgedrongen tot in de politiek.
Want als je je in de politieke arena niet kunt gedragen,
kun je dat in de samenleving terugzien.
We moeten wel op onze woorden passen, want woorden doen ertoe.
We zien dat politici met jerrycans vol benzine rondsjouwen
en het gevoel van onrust en onzekerheid
met halve waarheden en hele leugens extra oppoken.
Vervolgens roepen ze dan wel moord en brand
als de gevoelens die ze hebben aangewakkerd
door sommige groepen worden aangevat om te gaan rellen.

Afgelopen weekend zagen we dat in Nederland met de rellen op het Malieveld.
Ik vond het bijvoorbeeld verbazingwekkend
hoe organisator Els Noort (a.k.a. Els Rechts)
van het Project Elsfest
zich meteen uitsprak over de relschoppers en zei
dat ze ‘echt gechoqueerd’ te zijn door deze gewelddadigheden.
Ze had in al haar ‘naïviteit’
gedacht dat haar bijeenkomst tegen het
asiel- en immigratiebeleid van de overheid
– ondanks aangekondigde rellen –
geweldloos zou verlopen.
‘Dat is absoluut nooit mijn bedoeling geweest.’
Ze wilde een vreedzaam protest tegen het in haar ogen falend asielbeleid.
Ze vindt het geweld van de relschoppers tegen de politie echt vreselijk.
‘Ik walg er echt van.’
Ze liep echter eerder zelf met een kannetje benzine rond
om het vuurtje van onrust eens flink op te stoken
door ‘linkse mensen als de grootste fascisten’ te betitelen
en wanneer CDA-leider Henri Bontenbal
zich kritisch uitlaat over de door haar bewonderde Wilders
hem een ‘randdebiel die allesbehalve christelijk is’ noemt.
Ook omschrijft ze Bontenbal
als een ‘wolf in schaapskleren’
en doopt ze de letters CDA om in ‘Christenen Dienen Allah’.
Waarschijnlijk had ze goed geluisterd
naar haar grote voorbeeld Geert Wilders
die NSC omdoopte tot ‘Nederlandse Sabotage Club’.

Maar goed, terug naar de problemen in Nederland.
Woede die nauwelijks gehoord en slecht verwoord worden.
In Nederland ontstaan er rellen op straat
en lopen mensen met de zogenaamde Prinsenvlag,
teken van verzet tegen onderdrukking. Woede

In Amerika versmalt de onrust zich tot kogels.
Dit zijn echter geen op zichzelf staande incidenten,
maar variaties op dezelfde westerse breuklijn:
woede die niet gehoord wordt en klontert tot ze explodeert.

Woede is in essentie een natuurlijke passie,
een het opvlammen van de ziel bij onrecht of onrecht.
Ze kan rechtvaardig zijn
wanneer ze beheerst wordt door liefde,
zoals zelfs Christus boos was op verharde harten.
Maar woede die zich verhardt verword tot ondeugd.
De Bijbel noemt het dan zowel het vuur van Gods oordeel
als, in de mensheid, een doodzonde.

Woede die niet meer geneest verword
tot littekenweefsel dat altijd blijft schrijnen.
En de woede die ten grondslag ligt aan de rellen
van afgelopen weekend is dit soort woede.

Het geeft uiting aan het gevoelen verhaal van teloorgang.
Voor groepen uit de maatschappij
is het Nederland dat men zich herinnert of verbeeld, is verdwenen.
Verbeeld, want er wordt een zwart sprookjesverleden geschetst
waarin Nederlanders hun maatschappij hebben vormgegeven.
Feit is dat veel soldaten die vochten
in de afhankelijkheidsstrijd van Nederland – de 80-jarige oorlog –
vaak buitenlanders waren.
Ook de bemanning van de VOC-schepen
waren vaak buitenlanders.
En de rijkdom van de ‘Gouden Eeuw’ hebben we
voor een groot deel te danken aan
gevluchte Belgen die met hun kennis en kapitaal
neerstreken in de Noordelijke Nederlanden.
Maar de angst tegen wat buitenlands, vreemd is
is voor groepen mensen voelbaar.
Voor hen is hun bekende omgeving ingeruild voor een samenleving
die niet meer herkend wordt:
multicultureel, politiek gevoelig, zich losmakend van het verleden.
Een kop in een krant schreef ooit:
‘de voornaam Henk is op weg naar het uitsterven’,
terwijl Muhammad,
in al zijn spellingsvarianten,
de meest voorkomende babynaam was geworden.

En daarmee wordt gesproken over immigratie
Beelden van massa’s mensen in Ter Apel
die over het beeldscherm rolden:
meer verandering waar men geen controle over heeft.
Huisvesting waar men geen vat op heeft.
De weigering om ooit nog te stemmen
is dan eerder een gebaar van berusting.
Omdat ‘ze’ toch niets om hem geven.

Zo onthullen deze mensen met hun woede
een politiek die hen in de steek heeft gelaten,
een economie die geen hoop biedt
en een cultuur die hen
tot vreemdelingen in hun eigen land maakt.
Nee, ‘tuurlijk, rellen zijn geen remedie;
ze scheuren wonden open zonder te helen.
Maar de reactie daarop is verhelderend:
want meteen wordt er gewezen naar de ander
en volgt er weinig tot geen zelfreflectie.
Van je af wijzen in plaats van luisteren.
Dat verscherpte de bitterheid.

Maar woede fluistert hier niet en wacht niet.
Het relt.

En misschien hadden veel van relschoppers
nog nooit eerder van Charlie Kirk gehoord,
maar Kirks retoriek kanaliseerde precies de angsten
die deze mensen kenmerken
– over verlies, ontheemding en verwaarlozing.
Deze resonantie verklaart mede
hoe zijn stem zo wijdverspreid was.

En eerlijk gezegd: ik heb Charlie Kirk ook niet gevolgd.
Zijn filmpjes verschenen op Instagram of YouTube,
maar het was niet mijn algoritme dat ze vastgreep.
Maar toen ik het nieuws zag, verraste mijn reactie me.
Het was vreemde reactie voor iemand die nooit
zo’n belangrijke rol in mijn leven had gespeeld.
Ik voelde me bijkans misselijk.
Omdat hij dood was.
Omdat hij geen politicus achter glas
of generaal achter medailles was.
Hij was weliswaar een publiek figuur,
maar ook vreemd normaal.
Met een vrouw en jonge kinderen.

En hij had het lef om met mensen te praten.
Hoeveel van ons kunnen zeggen
dat we net zo luidkeels recht in de ogen van anderen
zeggen wat we geloven
als we wel dapper genoeg zijn
om dat op sociale media te doen?
Charlie Kirk was zichtbaar.
Toegankelijk.
Hij was van vlees en bloed, niet alleen in pixels.
Ik zag op Facebook mensen van zijn generatie
een eerbetoon plaatsen.
Voor hen was zijn verdediging geen woede, maar dialoog.

En toen het fatale schot.

De moordenaar haalde de trekker over.
Woede was versmald tot enkele, precieze kogels met slogans erop.
Maar dit was geen gerechtigheid, zelfs geen protest.
Het was woede die verworden was tot moord; een executie.

Woede veroorzaakt hier geen opstand.
Het wordt versmalt tot kogels.
Het verandert in kannibalisme.

Want wat zal dit vergoten bloed
teweegbrengen in hen die luisteren, kijken en geloven?

In Amerika zijn vlaggen meubilair.
Ze staan op elke veranda, bij elke school, in elk stadion.
Maar hier in Nederland,
wanneer Nederlandse vlaggen worden omgekeerd
of de Prinsenvlag wordt geheven
voelt dat niet gewoon aan.
Ze zijn een uiting van verzet, van opstand.
Ze voelen onheilspellend aan.

Nee, de vlaggen schreeuwen niet; ze fluisteren.
Elke dag.
Een langzaam, koppig signaal van verbondenheid en verzet.
Niet de opstand van de mensen. Niet de kogel voor Charlie.
Maar iets stillers, op de een of andere manier blijvenders.
Woede in stof genaaid, wortel schietend in stilte.
Volharding echoot de wrok.
De stille volharding is op de een of andere manier
verontrustender dan de kogels die Charlie troffen.
En wanneer ze op bepaalde plaatsen duidelijker worden,
wanneer ze zich opstapelen en clusteren, vormen ze een bepaalde sfeer.

De omgekeerde vlaggen, de prinsenvlaggen betekenen
voor de één trots en voor de ander bedreiging.
En voor de meesten misschien helemaal niets.
Maar als de vlag van de mast worden afgescheurd
blijft er een rafelige naad over,
een bungelende strook gescheurde stof
die nog steeds aan het rechtopstaande metaal vastzit.
Dat voelt nog onheilspellender.
Niet als zomaar een teken van verdeeldheid, maar van reactie.
En merk je op dat ze,
waar ze slechts zo hoog hangen als een ladder reikt,
ze er bijna uitzien als vlaggen halfstok?
Alsof er onder de weerstand een onbewust verdriet schuilt.

En dus blijft de vraag: wat zal er van dit alles terechtkomen?
Deze woede kwam niet zomaar uit de lucht vallen,
maar gistte al heel lang in de samenleving.

Welke toekomst hebben we voor ogen?
Woede veroorzaakt hier geen opstand of vernauwing.
Het schiet wortel en woekert verder.

Hoe zou Christus spreken?
En hoe kan woede, die niet gehoord wordt
voordat ze zich tot toorn verhardt,
met de stem van Christus spreken?

Ik was boos, en jij noemde me achterlijk.
Ik was boos, en jij noemde me woke.
Ik was boos, en jij hoorde alleen je politiek,
niet mijn pijn.

Ik was boos, en jij maakte ruzie over stammen en partijen.
Ik was boos, en jij beoordeelde mij als stem, als bedreiging, als oorzaak.
Ik was boos, en jij luisterde niet echt naar mij.

Voorwaar, ik zeg je:

toen je de bozen zag
en hen alleen maar naar links of rechts riep,
begreep je er niets van.

Je kende mij niet.

En die boosheid – nog steeds ongehoord – zal nooit weggaan,

hun woede groeit in de schaduwen, wachtend om uit te barsten.

citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)

 

De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij.
De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten
op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen.
Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief
die zich waagde aan universiteitscampussen
– over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken –
en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging.
Hij was eigenzinnig, provocerend,
niet bang om impopulaire meningen te uiten,
hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken.
Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben
voor degenen die hem aanvielen
en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.

Nee, zijn mening was vaak niet de mijne.
Zijn opvattingen over wapenbeheersing,
over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld,
staan mijlenver van mijne af.
Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties,
het proberen om de mening van anderen te veranderen
door middel van discussie en redelijke argumenten,
is de kern van het publieke debat
en een goed functionerende democratie.
Er zijn maar weinig plekken
waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten
en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van.
Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.

In onze tijd worden zulke gruwelijke daden
meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek,
maar vaak door een losgeslagen
of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling,
beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur.
Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot,
James L. Ray die Martin Luther King vermoordde,
en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald
die John F. Kennedy vermoordde;
In Nederland kennen we natuurlijk
de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh.
De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame,
onevenwichtige mensen die doden
vanwege een of andere wrok,
soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend.
Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.

Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici
zulke daden voor het eigen gewin,
zoals afgelopen bleek
door de uitspraken van de Amerikaanse president.
Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere
politieke en culturele lessen oplevert.
En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest.
‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’,
zo ging een cliché.
Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben.
Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan.
De suggestie dat elke linkse persoon
in de VS of elders op de een of andere manier
verantwoordelijk is voor Kirks dood,
staat ironisch genoeg haaks
op de duistere motieven achter deze daad.

Het is Jezus die uitlegt waarom:
‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd:
“Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.”
Maar ik zeg jullie:
“iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan.
Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “
Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’

Dat klinkt hard.
Want we vinden moord allemaal verkeerd,
maar je geduld verliezen met een collega?
Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?

Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is.
En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.

Er zijn verschillende soorten woede.
Er is de gloeiendhete, woedende soort
waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt.
Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede:
een verharde, vastberaden kwaadaardigheid,
een aanhoudende haat jegens de persoon
die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt
en een vastberadenheid om wraak te nemen,
of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Wat beide soorten gemeen hebben,
is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen,
waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap,
een weigering om de menselijkheid in de ander te zien;
het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde;
een blindheid voor de essentiële overeenkomst
tussen jou en de persoon die je haat.

Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden,
van Julius Caesar tot Abraham Lincoln,
van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin.
En dat zal altijd zo blijven.
Geen enkele politieke oplossing
zal ooit de mogelijkheid uitwissen
dat een gestoord of boos persoon
het heft in eigen handen neemt
om een ander mens te vermoorden,
vooral niet iemand met politieke bekendheid.

Toch kunnen we iets doen.
Wanneer we algoritmes bouwen
die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen,
een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt,
weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid
te zien in mensen met wie we het oneens zijn,
wanneer we de oppositie demoniseren
en hen de schuld geven
van alle maatschappelijke misstanden die we zien,
zaaien we het zaad
dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.

Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid
uit het Nieuwe Testament luidt:
‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent,
en geef de duivel geen voet aan de grond.’

Het is een goed advies.
Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden.
Maar laat het niet wortel schieten.
Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn
maar dat is zeldzaam.
Woede is gevaarlijk voor ons mensen.
Het misleidt ons door te denken dat,
omdat we denken dat we gelijk hebben
– en dat zouden we best kunnen hebben –
het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen.
De kern van de christelijke wijsheid over woede
is dat het Gods recht is om toorn te uiten.
Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook,
heeft de neiging te verharden tot iets sinisters.
Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden
die werkelijk gerechtigheid brengt.

De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk,
de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt
dat zo belangrijk voor hem was,
is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen,
om hen te bestempelen, te demoniseren
als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging,
maar om de essentiële menselijkheid
die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien.
Het is het actief cultiveren van een cultuur
die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede.
Het is leren meedogenloos om te gaan
met onze eigen neiging om wrok te koesteren,
onze eigen diepgewortelde vijandigheid
jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden.
Het gaat erom racisme te haten,
maar tegelijk racisten lief te hebben,
misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.

Verstandig reageren betekent
erkennen dat zelfs mijn vijand
– of hij nu progressief of conservatief is –
een mens is, geschapen en geliefd door God,
een mede-zondaar zoals ik,
en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben,
meer dan naar onze verschillen.
Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben,
vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks,
maar het is het enige
wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen
die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.

 

Ja, wat zeggen we dat tegenwoordig vaak tegen elkaar:
onze maatschappij is meer gepolariseerd dan ooit tevoren.
Maar we hebben het mis.
Misschien ervaart de VS nu een bijzonder scherpe tweedeling,
maar ze hebben in het verleden hun eigen, veel heftigere problemen gehad.
En ook in Europa weten we aardig wat over cultuuroorlogen
die oorlogen waren.

Voor de Nederlanden hoeven we maar te denken
aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)
met de daarbij behorende Beeldenstorm (1566)
waarin wij elkaar letterlijk vermoordden over religie en politiek.
De Fransen deden iets soortgelijks en nog veel wreedaardiger, een paar eeuwen later.
Dát is pas echte polarisatie.
Hoe wrokkig de discussies op een X of andere sociale media ook mogen worden,
ik denk niet dat Dick Schoof in zijn bed ligt te trillen met het idee
dat ze hem binnenkort terecht zullen stellen voor verraad.

Dus misschien heeft onze geschiedenis ons iets te leren
over hoe we omgaan met cultuuroorlogen.

Ooit werd er over onze tijd geschreven:

‘de wereld is dienovereenkomstig verdeeld tussen
degenen die te veel geloven en degenen die te weinig geloven.
Terwijl sommigen alle overtuiging missen,
zijn anderen vol van gepassioneerde intensiteit.’

We denken vaak dat onze hedendaagse kloof tussen links en rechts,
progressieven en conservatieven iets nieuws is.
Maar we kunnen echo’s hiervan vinden in eerdere tijden.

Een voorbeeld hiervan was het midden van de 17e eeuw,
de tijd van vele andere omwentelingen in Europa.
Een deel van de koortsachtige sfeer van die tijd
zag felle discussies tussen rationalisten en sceptici.

Er waren destijds twee brede stromingen
in het denken over het mensdom
Aan de ene kant waren er de ‘Dogmatici’
die er zeker van waren dat ze alles wisten
door gebruik te maken van de rede
of de toepassing van filosofische
of wetenschappelijke methoden (zoals René Descartes).
Aan de andere kant waren er de ‘Sceptici’
die dachten dat alles willekeurig was, of gewoonte,
en dat er geen definitieve Waarheid te vinden was
(zoals Michel de Montaigne, iemand uit de eeuw daarvoor).

Natuurlijk heeft onze eigen tijd een behoorlijk aantal mensen
met een overweldigend vertrouwen in de kracht van menselijke kennis,
en met name de natuurwetenschappen,
om de geheimen van het leven, het universum en alles te ontsluiten.
Het ‘nieuwe atheïstische’ project van Richard Dawkins en vrienden
had een enorm vertrouwen in de rede
en haar vermogen om ons alles te vertellen wat we moeten weten,
waardoor religie in de prullenbak van de geschiedenis belandde
en in plaats daarvan een onwrikbaar geloof
in de empirische methoden van de wetenschap werd geplaatst.
Het had – en heeft – duidelijke overeenkomsten met dit beeld van menselijke kennis.

Maar aan de andere kant hebben we
in het progressieve postmoderne project
ook degenen die elke vorm
van onderliggende rationaliteit of heilige orde,
boven of onder ons, verwerpen.
Voor hen is er geen onderliggende Waarheid te ontdekken
en ze scheppen er genoegen in om de instabiliteit
en illusoire aard van elke claim op waarheid te onthullen.
Het klinkt heel erg als de cultuuroorlogen van onze tijd.

Blaise Pascal, een homo universalis uit de 17e eeuw
bracht een uitweg uit dit dilemma in kaart.
Toen hij naar de cultuuroorlog van zijn eeuw keek,
dacht hij dat beide kanten een punt hadden.
Dan is er, merkte hij op…

‘…open oorlog tussen mensen aan de gang
waarin iedereen verplicht is partij te kiezen,
hetzij voor de dogmatici,
hetzij voor de sceptici,
omdat iedereen die denkt neutraal te kunnen blijven,
een scepticus bij uitstek is….
Wie zal zo’n kluwen ontwarren?
Dit gaat zeker verder dan dogmatisme en scepticisme,
verder dan alle menselijke filosofie.
De mensheid overstijgt de mensheid.
Laten we de sceptici dan toegeven wat ze zo vaak hebben verkondigd,
dat de waarheid buiten ons bereik ligt en een onbereikbare prooi is,
dat ze geen aardse bewoner is, maar thuis in de hemel,
liggend in de schoot van God,
om alleen te worden gekend
voor zover het hem behaagt haar te openbaren.’

Tot zover, zegt hij, hebben de sceptici, zoals Montaigne, gelijk.
De waarheid ligt buiten ons bereik,
ze bevindt zich niet hier op aarde,
openlijk en klaar om gevonden te worden.
Als ze bestaat,
dan bestaat ze in een wereld boven ons, buiten ons bereik.
Hoe weten we überhaupt of we slapen of wakker zijn,
aangezien we er bij dromen net zo van overtuigd zijn
dat we wakker zijn als wanneer we echt wakker zijn?

En dus genieten moderne progressieven,
die de veronderstelde resultaten van eerdere inzichten willen ontmantelen,
vanwege het inherente koloniale, patriarchale of misbruikende verleden,
ervan om te laten zien hoe willekeurig en willekeurig zoveel is
van wat we als vanzelfsprekend beschouwen uit het verleden.
En, zou Pascal toevoegen, ze hebben een punt.
Veel van onze juridische, politieke en culturele aannames
zijn puur cultureel en willekeurig,
en dienen soms gewoon in het voordeel van de rijken en machtigen
in plaats van de armen en gemarginaliseerden.

Maar aan de andere kant hebben de ‘dogmatici’, zoals Descartes,
hun sterke punt, namelijk dat we natuurlijke principes niet in twijfel kunnen trekken.
De zuren van deconstructie kunnen je maar tot op zekere hoogte brengen.
De meest sceptische filosoof zet nog steeds de waterkoker aan
in de veronderstelling dat het water kookt om een kop thee te zetten.
Ze staat ’s ochtends op
in de veronderstelling dat de zon aan het eind van de dag opkomt en weer ondergaat.
Ondanks de ontwrichtende effecten van scepticisme, schreef Pascal:

“Ik beweer dat er nooit een volkomen oprechte scepticus heeft bestaan.
De natuur ondersteunt de hulpeloze rede
en voorkomt dat deze zo ongecontroleerd op het verkeerde pad raakt.”

Ondanks al onze twijfels leven we nog steeds
in een wereld met orde en voorspelbaarheid.
Scepticisme blijft botsen met de realiteit.

Moderne conservatieven wijzen
dus op een diepere ‘gegevenheid’ van dingen,
een orde binnen de natuurlijke wereld die we niet hebben gecreëerd,
en toch, op mysterieuze wijze, lijkt te zijn geregeld voordat we hier kwamen.
Wetenschappelijk onderzoek is zinvol.
Er is een regelmaat in de natuur waar we op kunnen, en moeten, vertrouwen.
We zijn niet helemaal vrij om de natuurlijke orde van dingen te negeren,
er is een dieper ritme in de natuur
en haar vermogen tot vernieuwing waar we alleen op eigen risico aan sleutelen,
zoals klimaatverandering ons heeft geleerd.
Als gevolg hiervan zal de eeuwenoude strijd
tussen rationalisten en sceptici, progressieven en conservatieven,
nooit worden opgelost, aangezien de discussies op en neer gaan.

Het christelijk geloof omvat zowel progressieve als conservatieve impulsen.
Christenen zijn zich bewust van de gebrokenheid van de wereld
en verlangen er daarom naar dat deze verandert.
Het progressieve ongeduld met de manier waarop dingen zijn
én het verlangen naar een betere wereld
hebben hun wortels in het christelijk geloof.

Tegelijkertijd onderscheidt het christendom
een Goddelijk geschapen orde in de wereld,
een ritme in de natuurlijke wereld,
dat niet kan worden verbroken en gerespecteerd moet worden.
Daarom is een inherent conservatisme
ook onderdeel van het christelijk geloof.
Met andere woorden,
het christelijke verhaal kan beide verklaren
en een groter beeld bieden dan beide.

Voor Pascal biedt het christendom
een diagnose voor dit mysterie van de mensheid,
de complexe mix van grootsheid en ellende, oneindigheid en niets,
scepticus en rationalist,
in het eenvoudige, maar eindeloos generatieve idee
dat wij mensen glorieus geschapen zijn,
diep gevallen en toch verlossing aangeboden krijgen
door Jezus Christus.
Ons verdriet is heroïsch en tragisch.
In Pascals suggestieve beeld is het
‘de ellende van een grote Heer, de ellende van een onteigende koning.’

‘We tonen onze grootsheid’, zegt Pascal,
‘niet door aan het ene uiterste te staan,
maar door beide tegelijk aan te raken en alle ruimte ertussen in te nemen.’
Voor hem wijst het bestaan van zulke cultuuroorlogen
op de waarheid van de christelijke diagnose van de menselijke conditie.

Pascal biedt ons een manier om te navigeren
tussen de Scylla van het progressivisme
en de Charybdis van het conservatisme,
of misschien beter, om het beste van beide te omarmen.
In cultuuroorlogen is het lastig te navigeren.
Toch kunnen ze een oplossing vinden
als we ze ons laten wijzen op een diepere realiteit,
onze vreemde mix van grootsheid en verdriet.
En zonder beide kanten van deze blijvende waarheid uit het oog te verliezen.

 

Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje.
‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar.
Laten we het goed beschermen!’
Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland.
Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie.
Want die staat mijns inziens ook onder druk, 
zowel nationaal als internationaal.

Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet
zou kunnen opschorten
om een derde termijn als president na te streven,
en nog duisterdere dreigingen
dat zijn regime zelfs autocratische ambities
zou kunnen koesteren,
hebben het Westen eraan herinnerd
dat we democratie
niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.

Parlementaire democratie,
zo hebben we algemeen aangenomen,
is een goede zaak.
Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen,
maar ook aan andere landen wilden opleggen.
De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld
werd, zo werd ons verteld,
uitgevochten voor vrijheid en democratie,
maar zo liep het niet helemaal.

Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording,
waarbij regeringspartijen macht uitoefenen
via de wil van de bevolking die ze dienen,
uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen
die ervoor zorgen
dat niemand zich ongestraft
aan de macht kan vastklampen.

Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen
op het vooruitzicht van een volkswil
die een regeringsvorm bepleit
die niet overeenkomt
met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten.
Er klinken stemmen,
waaronder die van schrijfster Margaret Atwood,
die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten
als gevolg van de waanzin van de huidige president.

De meesten van ons in Nederland
zullen waarschijnlijk zeggen
dat democratie meer moet zijn dan een systeem
waarin meerderheden hun zin krijgen.
Want we willen ook dat onze regering
zich aan de wet houdt.
En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet,
maar ook wiens wet.
Voor degenen met een religieuze overtuiging
zal die vraag deels en in belangrijke mate
beantwoord worden door Gods wet,
waarop de westerse beschaving
aantoonbaar is gebouwd.

Hier komt pluralisme om de hoek kijken,
zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren.
Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen,
waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.

Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht,
die sterk gecentraliseerd was
en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen,
wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd.
De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter,
waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.

Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde,
gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus.
En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen.
Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven,
omdat de demos, de gewone mensen,
er niet bij betrokken zijn
en ook niet vertegenwoordigd zijn.

De Kerk is geen democratie,
net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping.
Eerder andersom
– sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’,
degenen die Hij kiest voor verlossing.
In het christelijk denken is God een dienende koning,
maar desalniettemin een absolute en,
zoals sommigen die zich tegen God verzetten,
een tirannieke autoriteit.

Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid?
Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden
in dat pluralistische kenmerk van democratie.
We zijn er eerlijk gezegd niet goed in
om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen.
Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie
– je gelooft, of je gelooft niet.
Een pluralistisch model zou er een zijn
waarin we de goddelijke wil leren kennen
via de gehele schepping,
alle uitingen van geloof en ongeloof,
in plaats van alleen via onze eigen wil.

Pluralisme is gezond,
zowel in de seculiere politiek
als in religieuze gebruiken.
Het is de tegenpool van de groeiende autocratie
zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika
en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.

Dit is geen pleidooi voor theocratie,
maar de overtuiging dat de christelijke traditie
berust op het principe dat geen enkele politieke orde
de autoriteit van God kan claimen,
behalve het Lichaam van Christus.
En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras.
In tegenstelling tot politieke partijen
concurreren wij niet om de macht,
maar vormen wij een gemeenschap
die wijst naar een geredde en genezen wereld.

De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap,
een vorm van multiculturalisme
dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen
op basis van universeel verlichte principes.
Of we kunnen reageren op de energie
waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden,
door bereidwillige gemeenschappen te bouwen
die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede.
Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.

Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme.
En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen,
wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest.
We kunnen alleen maar hopen en bidden
dat het een missie wordt die ook centraal staat
in de beraadslagingen die de komende dagen
zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.