Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

 

De mens heeft issues met grenzen.
Als we iemand grensdoorbrekend, grensverleggend noemen
bedoelen we dat als een compliment.
We leven liefst in een land van onbegrensde mogelijkheden.
Life-coaches vertellen je op hun websites en blogs:
Er zijn geen grenzen.
Alleen die je jezelf oplegt. Grenzen zijn illusies.

Dat grenzeloze mateloze zit ook wel in onze manier van leven.
De drang om steeds iets anders, nieuws, hogers, meer en beters te willen.
Iemand noemde dat: perfectieterreur, opgelegd geluk.
De versnelling van alles lokt uit tot meer en te veel doen in dezelfde tijd.
Het hiernamaals is praktisch uit beeld verdwenen
dus alles moet in dit ene leven worden gepropt.
YOLO, zeggen we dan: you only live once.

En er zit natuurlijk een waarheidselement in.
We kunnen onszelf en elkaar klein houden.
Zo druk in de weer zijn met muurtjes en grenzen,
met verwachtingen en conventies
dat we onszelf en elkaar kortwieken en we nooit echt de vleugels uitslaan.
Dat leidt tot een verkrampt, geremd, benepen leven.
Weer soms nog maar weinig vrijheid en spanning in zit.
En er kan vroeg of laat dan een moment komen
dat ineens de remmen los gaan en je losbreekt uit je kooi.

Maar als de mens zijn grenzen overschrijdt
kan dat negatieve impact hebben op de schepping.
De schepping zucht natuurlijk ook doordat we niet duurzaam leven
en te veel consumeren
wanneer we bossen omhakken zonder nieuwe aanplant aan te brengen.
Of de atmosfeer zo vervuilen dat ze niet meer kan absorberen.
Maar er is ook een bredere impact.
Van wie wij zijn en de keuzes die wij maken.
Grenzen overschrijden is als het kapot maken van een draad in een web van een spin.
Dat ontwricht het hele web.

Ik bedoel niet te zeggen dat natuurrampen altijd rechtstreeks te linken zouden zijn
aan menselijk gedrag en bijvoorbeeld een oordeel of straf is
voor wie erdoor worden getroffen.
Wat ik wel bedoel is dat we de oplossingen voor de milieucrisis
niet alleen gaan oplossen met onderwijs en wetenschap.
Of alleen met voorlichting en bewustwordingscampagnes.
Er ligt een dieper moreel, geestelijk probleem onder.
Wat echt nodig is is een verandering van ons hart.

Waar ben je, roept God.
Waar ben je, het betekent hier: wat bezielt je?
Waar ben je mee bezig? Waar ben je in verstrikt geraakt?
Wat is er met je mens?

God wandelt door de wereld steeds op zoek naar de mens
die zo geneigd is zich in de nesten te werken.
In iedere generatie zoekt hij naar mensen om een verbond mee te sluiten.
Mensen die de schepping willen dienen en bewaken.
Mensen die de grenzen weer in ere herstellen.
Mens, waar ben je, die roep klinkt door de hele schepping heen.
In Romeinen 8, 19 lezen we:
de schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Een paar verzen daarvoor lezen we:
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven.
U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn.
De schepping ziet reikhalzend uit naar mensen
die de geest van het zoonschap met zich mee dragen.
En steeds meer leren hun verantwoordelijkheid te nemen.
Mensen, die de stem horen roepen: waar ben je?
En dan uit hun schaamteboom tevoorschijn komen en zeggen:
Heer, hier ben ik, leer mij uw wil te doen.

 

We gaan verder met het thema tweestrijd:

Bij Paulus, Jezus en Jakob zien we een tweestrijd.
Paulus lijkt te stikken in zijn tweestrijd en zegt:
‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan.’
Maar hij vindt een tweede adem
als hij zich in zijn tweestrijd wendt naar zijn God:
‘God, zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.’ (Romeinen 7,24-25)
Zo verzoent Paulus zich met zijn gebroken bestaan.
En begint hij aan de mooiste, meest krachtige passage die hij ooit heeft geschreven.
Romeinen 8 dat uitloopt op de vaststelling dat niets,
ook geen enkele tweestrijd,
ons zal scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer.

Jezus wordt innerlijk verscheurd door tweestrijd.
Hij kruipt als een worm door het stof in bloed, zweet en tranen.
Hij hervindt zichzelf als hij zich in zijn tweestrijd
tot driemaal toe wendt naar zijn hemelse vader.
‘Abba, Vader’, horen wij hem bidden in de nacht.
Zo richt hij zichzelf op en zegt daar in Getsemané:
‘Sta op, laten wij gaan.’
Zo verzoent Jezus zich met zijn weg.
Met het kruis dat Hij zal dragen.

En ook bij Jakob gebeurt iets van heelheid juist
in de ontmoeting met de ander.
Eerst wordt hij gedwongen God in de ogen te kijken bij Pniël.
En daarna kijkt hij Ezau in het gezicht.
En voor beide ontmoetingen gebruikt Jakob soortgelijke woorden.
Na Pniël zegt hij:
‘Ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is gered.’ (Genesis 32,30)
En als hij Ezau ontmoet:
‘Ik heb uw aangezicht gezien, alsof ik het aangezicht van God zag
en u bent mij goedgezind geweest.’ (Genesis 33,10)

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

Wat de komende tijd – het postcovidium – zal brengen: we weten het niet.
Of de kerk openblijft, we weten het niet.
Of de diensten weer als vanouds opstarten, we weten het niet.
Eén ding hoop ik in elk geval.
Dat de Bijbel open blijft bij de mensen thuis.
Juist als we meer thuis waren, meer samen aten,
lees dan ook uit het Woord van God.
Zoals kerkvader Augustinus al zei:
‘De Schrift is een eerlijk en betrouwbare tekst.
Zij probeert vat te krijgen op de geest
zonder mooie woorden en zij ziet af van iedere opsmuk van de taal
en maakt geen kabaal met een ijdele en zweverige boodschap.
De Schrift inspireert mensen
die meer op daden dan op woorden zijn gesteld.
Aanvankelijk schrikt zij lezers af, maar later neemt zij alle afkeer weg.’
Laat die gewoonte, waarvan ik vrees dat hij kwijnt bij velen,
maar weer dagelijkse praktijk worden.
Ik hoor met regelmaat dat in de hectiek van alle dag
het er soms gewoon niet van komt om met het Woord bezig te zijn.
Druk. Veel aan je hoofd. Spitsuur aan tafel. Gebrek aan discipline. Sporten. Er kan van alles zijn,
maar het gaat niet goed met je geloof
als je het Woord van God dicht laat of weinig opendoet.
Weet je wat de gevolgen zijn?
Als de Bijbel het boek van de Geest en van de Hoop is,
dan geef je de Geest minder gelegenheid om tot je te spreken,
dan kan de Geest niet langer vanuit het Woord in je hart stromen,
dan ervaar je minder van God, en uiteindelijk doet het wat met de hoop. Minder hoop, meer wanhoop. Minder hoop en zekerheid, meer twijfel.
Dat staat met elkaar in verband.
Als God zulke rijke beloften aan Zijn Woord verbonden heeft,
en je laat het vaak dicht, dan leidt je geloof schade.
De levende omgang met God loopt gevaar op te drogen.
Maak er een gewoonte van: na de lichamelijke voeding, ook de geestelijke.
Lees de Bijbel en praat er liefst ook over na.
En ook persoonlijk, als je de dag begint of eindigt: Open het heilige Boek. Of zomaar midden op de dag.
Dan kan deze vreemde tijd van veel thuiszijn nog een gezegende tijd zijn. Want
‘Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven
om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden
en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen’.
Ook nu!

Pinksteren-L-uitsnijding-20190527_155808-770x1024

naar aanleiding van Romeinen 8:14-17

In deze tijden van corona is er ook aandacht voor verzekeringen.
Ik las dat organisatoren van grote evenementen een verzekering hadden
voor situaties als waarin wij nu leven: een pandemie.
Dit keer konden ze er nog beroep doen zei de verzekeraar,
maar deze ‘calamiteit’ zal in de toekomst uitgesloten worden van dekking.
Ja, wat heb je dan aan zo’n verzekering?
Waarom zou je verzekerd willen zijn?
Het woord zegt het al, het heeft met zekerheid te maken.
Maar daaronder zit denk ik nog iets anders: angst. Dat je ergens bang voor bent.
Bang voor wat er kan gebeuren in je leven, en angst voor de gevolgen.
Je kunt ziek worden – en dan? Je kunt geen gezondheidsgarantie kopen,
maar je kunt je in elk geval verzekeren voor de beste zorg.
Ja, zelfs tegen het ultieme risico kun je je verzekeren:
een overlijdensrisicoverzekering.
Maar of het nu echt helpt? Je risico op overlijden wordt er niet kleiner door…
Zo is eigenlijk het met alle verzekeringen:
ze kunnen dat wat je vreest niet wegnemen, ze verzachten alleen de gevolgen.
Met Pinksteren hebben we het over een heel andere verzekering,
één die wel altijd helpt en alles altijd dekt:
de verzekering die de Heilige Geest geeft.
Een geweldige verzekering te midden van alles wat er kan gebeuren in het leven!

Eerst maar eens even: want waarom kwam de Heilige Geest ook al weer?
Als ik u vertel over God en Jezus,
over vergeving en een nieuw begin dan kunnen er twee dingen gebeuren.
Óf je vindt het allemaal onzin – wie zegt dat het waar is, dat God er is?
En opstaan uit de dood, dat kan toch niet?
Óf je hoort het, maar het is te mooi om waar te kunnen zijn,
te groot om te kunnen geloven.
Een nieuw leven voor altijd, voor mij? God die van mij houdt, wat ik ook doe?
Je kunt het gewoon niet geloven.
In beide gevallen kom je niet tot de geloofsrelatie die de Here met je wil, waar Jezus voor kwam!
En dáárom is nu de Heilige Geest gekomen, de grote verzekeraar.
Hij maakt dat de boodschap wel binnendringt en aanvaard wordt
en mensen vernieuwt, dat ze vergeving, vrede en vreugde krijgen!
Zonder de Geest gaat het niet.
Stel je voor dat Petrus en de andere apostelen direct na Jezus’ hemelvaart waren gaan preken in Jeruzalem, dat Jezus, de man die onlangs gekruisigd was, leeft en de Messias is – zou dat gewerkt hebben? Ik denk het niet!
Maar met Pinksteren kwam de Heilige Geest.
Hij gaf zijn kracht, en toen Petrus tóen preekte, kwamen er 3000 tot geloof.
Dát doet de Geest!

De Geest is dé grote verzekeraar. En waarvan hij verzekert?
Heel eenvoudig: dat wij Gods kinderen zijn.
Wie gelooft, mag gaan weten dat hij of zij bij Gods gezin hoort.
Dat de grote God je Váder is, dankzij Jezus zijn zoon.
Ja, dat betekent dat Zijn Vader de jouwe is,
en dat Hij jou liefheeft met dezelfde liefde waarmee Hij Jezus liefheeft.
Is dat niet onvoorstelbaar? Is dat geen grote zekerheid?
We zeggen het zo vaak gedachteloos, bijvoorbeeld in het gebed ‘Vader’,
maar besef eens hoe bijzonder dat is! Hoe Hij nabij is.
Zorgend, liefdevol, trouw, en tegelijk gezaghebbend –
want ook dat hoort bij vader-zijn, zeker in die tijd.
Jezus, de grote Zoon, maakt ook ons zonen en dochters van deze Vader.
En de Heilige Geest verzekert ons ervan, Hij maakt het waar voor u persoonlijk!
Goddank dat de Geest is gekomen.
Ik hoop dat u iets van zijn werk in uw leven herkent,
momenten van geloof en zekerheid.
En als je dat nu niet herkent, bid er maar om. Want de Geest is gekomen!
En hij doet niet liever dan mensen verzekeren.
Dan tenslotte nog eens: hoeveel verzekeringen hebt u?
Of laat ik eens iets anders vragen: hoeveel verzekering hebt u nodig?
Hoe zeker bent u van dat u een Vader in de hemel hebt en dat u zijn kind bent?
Want dát is de verzekering die we boven alles nodig hebben,
om hier zonder angst en zorgen te leven.
Die verzekering geeft de Heilige Geest,
uitgestort in mensen met het Pinksterfeest!
Dat is de levensverzekering die écht zorgt
dat je een nieuw leven krijgt als je overlijdt.
Ja, het is echt waar! Geloof het maar!
Je mág het geloven, en zéker weten.

kruis lucht

Romeinen 8 (met name 31-37)

Het is een prachtige tekst die we vanuit de brief aan de Romeinen krijgen aangereikt.
Een loflied op de liefde van God. en loflied dat begint met deze woorden:
‘Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’
Paulus, die deze woorden schrijft aan de gemeente in Rome, staat met beide benen op de grond.
Hij heeft het gezien, hoe mensen die in Jezus geloven soms moeten lijden en moeten strijden.
En hoe hou je dan stand in je geloof? Hoe hou je het vol om te blijven geloven?
Want je kunt soms – ook als christen, ook als iemand die gelooft in Jezus Christus,
dat gevoel dat je er helemaal alleen voor staat. Dat benauwende gevoel hebben:  God is tegen mij!
Maar Paulus zegt het met kracht: ‘God is niet tégen je, God is vóór je!’
Je mag het geloven. God is vóór je. En waar zou je dan nog bang voor zijn?
‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?
Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven
heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’
Aan een kruis op Golgotha. Daar brengt God zélf het offer van de verzoening.
Het liefste, het kostbaarste dat Hij kon geven. God houdt van ons.
En Hij laat ons dat zien aan het kruis van Golgotha en in het geopende graf van Pasen.
Verzoening door voldoening. Opstanding uit de doden.
‘Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte,
die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.’

Paulus ziet een wereld bezeten door machten en krachten.
Hij worstelt zelf net als anderen met tegenslagen, ellende, vervolging,
honger, armoede, gevaar, geweld.
En toch komt hij tot die ene krachtige uitspraak in vers 37:
Wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad.
Heel precies staat er: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. In dit alles zegt Paulus: niet er na.
Midden in dit onzekere bestaan met alles wat er zich in voordoet gaan we niet ten onder,
zullen we toch de eindstreep halen. En niet maar ternauwernood, op het nippertje.
Maar ruimschoots, glansrijk, met vlag en wimpel.
Dat is geen misplaatste zelfoverschatting. Dat is geen wereldvreemd halleluja-christendom.
Het is de taal van een gelovig man.
Die heeft geleerd om verder te kijken. Die ook meer ziet en hoort dan een wereld in pijn en nood. Het is de taal van een mens die zijn identiteit vindt in Christus. In Christus Victor om precies te zijn. Dat is:Christus de overwinnaar. Hij heeft de beslissende slag geleverd op Golgotha.
Hij heeft glansrijk overwonnen en is op Pasen glorieus verrezen.
In dit alles, zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
En niets kan ons daar nog van scheiden.

‘(Want) Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd
in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.’
Dat wil alweer niet zeggen dat het gemakkelijk is om het vol te houden. Maar tegelijk heel hoopvol.
En in ons lijden zijn we niet alleen.
Jezus zelf riep ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’
Maar daar eindigde zijn leven niet. Hij stond op uit de dood. Dat geeft hoop.

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.