Bijna iedereen herkent het wel. Een kind vraagt iets, je zegt nee, en je krijgt dat onverwoestbare argument terug: ‘Maar ik wil het gewoon hebben.’ Onderhandelen, compromissen sluiten, snappen dat de wereld niet om jou draait; dat leer je meestal pas later. Tenminste, dat is de bedoeling.
Maar sommige mensen groeien daar nooit overheen. En laten we eerlijk zijn: dat is vooral pijnlijk om te zien als het volwassenen betreft. Nog pijnlijker als ze rijk, machtig en invloedrijk zijn. En ja, daar komen we onvermijdelijk uit bij Donald Trump.
Trump wilde een Nobelprijs voor de Vrede voor de ‘8+ oorlogen’ die hij wel of niet heeft beëindigd. Die kreeg hij niet. Nu wil hij Groenland. Niet omdat het nodig is, niet omdat het logisch is, maar omdat hij het gewoon wil hebben. En dat terwijl de Verenigde Staten als sinds 1951 het wettelijke recht hebben om op Groenland defensie-infrastructuur te bouwen en het te gebruiken ter verdediging van zowel Groenland als zichzelf. Er is dus geen probleem dat opgelost moet worden. Behalve dan zijn frustratie.
Trump is eigenlijk een fascinerend studieobject voor de ontwikkelingspsychologie. Aan de ene kant denk je: stuur hem naar zijn kamer. Aan de andere kant is dit geen kinderachtig incident, maar een geopolitieke dreiging die de NAVO en daarmee de wereldvrede raakt. En dat maakt het ineens bloedserieus.
Misschien is dat wel het moment om opnieuw na te denken over wat vrede eigenlijk is. In de simpelste vorm: de afwezigheid van oorlog. Maar vrede is meer dan dat. Het is de zekerheid dat je in waardigheid kunt leven, met zelfbeschikking, zonder permanente dreiging.
Dat is precies het soort ‘zachte macht’ waar Trump niets mee heeft. Voor hem is vrede geen waarde, maar een product, een commodity. Noorwegen heeft hem geen Nobelprijs gegeven — alsof ze dat ooit kunnen doen — dus laat hij vrede vallen als een slechte deal. In plaats daarvan dreigt hij met strafheffingen tegen Nederland en andere Europese landen als zij Denemarken niet dwingen Groenland af te staan. Wat dat precies betekent? In zijn hoofd waarschijnlijk: slim onderhandeld.
Maar vrede is geen handelswaar. Voor christenen is het een genadegave. En ook voor veel niet-gelovigen is het nog steeds iets fundamenteel menselijks, iets dat je koestert en beschermt. Hoe dan ook: vrede is een absolute waarde. En dus een object dat je verkoopt aan de hoogste bieder.
Vrede is geen transactie, maar een geschenk. En alles wat kostbaar is, moet worden bewaakt. Een ander woord voor bewaken is defensie. Daarom hebben landen defensiebudgetten. Niet om te roven, maar om te beschermen wat kwetsbaar is. Daarom bestaat de NAVO. Omdat we samen sterker staan in het bewaren van vrede.
Trump houdt wel van kracht, maar alleen van de kracht van de pestkop. Zijn favoriete mantra ‘vrede door kracht’ lijkt verdacht veel op de Pax Romana: ik bepaal de vrede, want ik ben sterker dan jij. In die logica kan hij Groenland opeisen omdat Denemarken en zijn bondgenoten kleiner zijn.
Wat hij compleet negeert, is het idee van zwakte. In zijn wereld is zwakte iets om te verachten.
Wijzere mensen weten beter. Paulus schreef al dat kracht juist in zwakte kan schuilen. Ingenieurs snappen dat intuïtief: een constructie is maar zo sterk als haar zwakste punt. Wie de zwakken beschermt, erkent de collectieve kracht van het geheel.
Leiderschap in de vrije wereld betekent niet dat je zwakkere landen opslokt, maar dat je ze bijstaat, zeker wanneer ze onder druk staan van minder welwillende spelers. Zwakte is geen uitnodiging tot overname, maar tot solidariteit. Dáár hangt vrede van af.
Het is een klassieke denkfout om te geloven dat omdat je de grootste bent dat iedereen dus maar naar jou moet luisteren. Er komt altijd iemand die groter is. Altijd. Memento mori: herinner dat je sterfelijk bent.
Maar dat besef vraagt nederigheid. De erkenning dat je, hoe machtig je jezelf ook waant, altijd aan iemand verantwoording schuldig bent. En precies daar, in die nederigheid, ontstaat vrede.
De uitspraak van Jezus ‘Mijn vrede geef ik u’ is een gewaagde belofte. Maar we worden wel uitgenodigd haar serieus te nemen. Niet alleen Trump, die het niet lijkt te snappen, maar voor ons allemaal. Want eerlijk is eerlijk: het is een vrede die ons verstand te boven gaat.
Generatie Z, ook wel Gen Z of Zoomers genoemd, zijn mensen geboren tussen ongeveer 1997 en 2012. Ze staan bekend als ‘digital natives’ omdat ze zijn opgegroeid met internet en smartphones, wat hun snelle informatieverwerking en aanpassingsvermogen aan technologie verklaart. Belangrijke kenmerken van deze generatie zijn hun aandacht voor sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit, duurzaamheid en authenticiteit, en de focus op persoonlijke ontwikkeling en balans tussen werk en privé. Generatie Z vertoont een opvallende trend van hernieuwde interesse in geloof en de kerk, wat de gebruikelijke trend van afnemend geloof doorbreekt. Deze interesse wordt gedreven door een zoektocht naar zingeving en een onbevangen openheid om tradities te verkennen, vaak via sociale media. ‘Juist in deze tijd met veel onduidelijkheid zijn we op zoek naar standvastigheid.’ wordt dan gezegd. Hoewel er een algemene opleving is, wijzen sommige onderzoeken uit dat Gen Z-mannen vaker kerken bezoeken en dat vrouwen vaker religieus onafhankelijk zijn.
Hoewel Generatie Z zeker een hernieuwde interesse in Jezus toont, distantiëren ze zich tegelijkertijd van de kerk. Dit lijkt misschien een tegenstrijdigheid. Want hoe kan iemand, laat staan een hele generatie, Jezus zoeken zonder zich met de kerk in te laten? Dit fenomeen zou je kunnen beschouwen als een contradictio in terminis, of is dit misschien een opkomende trend?
Avonturier Bear Grylls verwoordde onlangs een sentiment dat, naar mijn mening, precies de essentie van de ‘nieuwsgierigheid naar Jezus’ van Generatie Z weergeeft en hun zoektocht naar betekenis buiten de traditionele kerkelijke context. Zijn woorden wijzen op een diep menselijk verlangen: een authentieke, oprechte en rauwe hoop op iets of iemand die een persoonlijk antwoord biedt op de diepe mysteries van het leven.
Hij zei: ‘Ik wil dat mensen weten dat de Jezus die ik uiteindelijk ontdekte intiem, mooi, sterk, zachtaardig, relevant, levensveranderend en levensverrijkend is. Mensen stellen me de vraag: “Wat trekt je aan in Jezus?” Het is moeilijk, want het is alsof je probeert te zeggen: wat vind je mooi aan het bloed dat door en rond je lichaam stroomt, of aan het water in de woestijn? Het is alsof je probeert te leven zonder dat bloed?’
Ik denk dat een groot deel van deze verschuiving; deze hernieuwde interesse in de persoon van Jezus; terug te voeren is op hoe de coronapandemie ons leven heeft veranderd, en met name dat van Generatie Z. Het droeg bij aan een nieuw en diep gevoel van wanhoop, een crisis van betekenis in alles wat we dachten te weten. Toen de pandemie toesloeg werden dagelijkse routines, zowel religieuze als wereldlijke, doorbroken. Het leven zoals we dat kenden, werd stilgelegd en we moesten buiten die routines kijken en naar wat we dachten te weten en in praktijk te brengen. We zaten vast in onze huizen, vaak alleen en geïsoleerd. Het gaf ons tijd om na te denken. Het creëerde ruimte om grotere, meer existentiële vragen te stellen en de essentie van zingeving en betekenis te verkennen. We werden allemaal gedwongen om het leven en wat we wisten door een nieuwe lens te bekijken. En voor Generatie Z was dit een katalysator.
Opvallend is dat deze bredere trend van hun afwijzing van religieuze instellingen een gepersonaliseerde, authentieke en maatschappelijk relevante spiritualiteit bevordert. Deze trend wordt gekenmerkt door hoe ze onderscheid maken tussen de figuur van Jezus en de instelling, terwijl ze op zoek gaan naar een dieper begrip van Hem via ongebruikelijke middelen. In plaats van bijvoorbeeld in de kerkbanken te zitten, verkennen ze de populaire tv-serie The Chosen en overpeinzen ze de zeer menselijke en eerlijke teksten van nieuwe artiesten zoals Forrest Frank, die beiden een toegankelijke weergave van Jezus bieden.
In een wereld waar digitale perfectie voorop staat, zoekt Generatie Z dus naar iets buiten de traditionele kerk, iets authentieks, een oprechte verbinding met iets reëels, iets voorbij deze tastbare wereld. Jezus vertegenwoordigt voor hen deze authenticiteit, iemand bij wie ze terechtkunnen met vragen en antwoorden kunnen vinden die mogelijk hun diepste nieuwsgierigheid bevredigen: Waarvoor zijn wij op aarde? Wat doen we? Is er meer?
Het interessante aan deze postchristelijke generatie is dat ze het geloof niet opgeven of spiritueel apathisch worden, zoals velen zouden vermoeden; Hun verkenning is eerder een oprechte reis naar een oprecht geloof, waardoor sommigen hen beschouwen als de meest spirituele, niet-religieuze generatie tot nu toe.
Deze toename van nieuwgierigheid betekent niet dat het christendom zijn relevantie verliest. Integendeel, het bewijst dat er iets nieuws, iets rauws, opkomt en een verschuiving in het spirituele landschap veroorzaakt. Het herdefinieert labels en verandert oudere definities die misschien niet meer passen. Het onderliggende menselijke verlangen blijft een constante: een zoektocht naar een diepere betekenis in het leven.
Als we kijken naar deze generatie en haar oprechte onderzoek naar de diepere dingen, zien we een spirituele vernieuwing, een schijnbare wereldwijde opleving, ongekend in de afgelopen decennia binnen een postchristelijke samenleving. Sommigen noemen het de Stille Opwekking. Generatie Z wil niets veinzen. Ze ‘willen het gewoon uitzoeken’. Ze zijn op een ware zoektocht. Centraal in hun reis staat Jezus, niet religie en niet de kerk.
Het is een zoektocht naar iets ongrijpbaars, iets onmeetbaars. om die te vinden, te zien en te kennen. Op zoek naar wat Paulus in Romeinen 1 vers 20 Gods onzichtbare dingen noemde: Zijn eeuwige kracht en goddelijke natuur, die duidelijk zichtbaar zijn in de schepping. Dit betekent dat hoewel je God niet direct kunt zien, je zijn eigenschappen kunt leren kennen door naar de zichtbare wereld te kijken.
Het lijkt erop dat Donald Trump de bestaande wereldorde op z’n kop zet: hij heeft – volgens hem – Venezuela overgenomen en richt nu zijn blik nu op Groenland, Mexico en tal van andere landen en organisaties. Dit heeft geleid tot veel discussie over een ‘nieuwe wereldorde’. Oude zekerheden lijken af te brokkelen, zowel op het gebied van internationale betrekkingen als politieke systemen.
Met wat een ‘Donroe’-doctrine wordt genoemd, proberen de VS controle uit te oefenen over hun eigen continent. Donald Trump is, vanuit het perspectief van de internationale diplomatie, een anarchistische figuur in de wereld, die de oude regels aan flarden scheurt en steeds brutaler wordt in zijn gebruik van Amerikaanse militaire macht om te krijgen wat hij denkt dat goed is voor Amerika. Tegelijkertijd wijst de toenemende wereldwijde invloed van China, met name de controle over onze technologie en digitale connectiviteit – die niet alleen onze mobiele telefoons, maar ook defensiesystemen, infrastructuur en industrie beïnvloedt – op een dreigende wereldwijde machtsstrijd tussen deze twee grootmachten, waarbij Europa niet weet welke kant het op moet.
Tegelijkertijd stort de politiek niet zo gemakkelijk in als nu. Vroeger vertrouwden we op linkse partijen die opkwamen voor de arbeiders en rechtse partijen die de belangen van het bedrijfsleven en de traditionele heersende klasse beschermden. Tegenwoordig hebben we onder andere Geert Wilders, die een grote aantrekkingskracht heeft op kiezers uit de arbeidersklasse, en linkse partijen die zich laten leiden door progressieve agenda’s.
Ik heb onlangs een boek gelezen over de overgang van het heidense Romeinse rijk naar de nieuwe, gekerstende wereld van de vroegmoderne tijd. Toen het Romeinse rijk vanaf de vijfde eeuw begon te desintegreren, was de snelgroeiende christelijke kerk uitstekend gepositioneerd om een nieuwe beschaving op te bouwen uit de ruïnes (letterlijk) van het heidense Rome. Heidense tempels maakten plaats voor een nieuwe geografie van kerken en parochies. Er ontstond een nieuwe tijdsbeleving, waarbij het jaar niet langer werd gevormd en gemarkeerd door de heidense feesten uit het verleden, maar door christelijke feesten: Kerst, Pasen, Pinksteren en een steeds groeiend aantal heiligenfeesten. In plaats van de chaotische mengelmoes van religies in het heidense Rome, bracht de vastberaden christelijke beweging de middeleeuwse wereld voort, waarbij geleidelijk een nieuwe christelijke wereld uit de oude ontstond.
Dit alles voedt het idee dat we het begin meemaken van een soortgelijke, tijdperkbepalende periode van culturele verandering, een die zich eens in de paar honderd jaar voordoet. We bewogen ons van de heidense wereld naar het christendom. We hadden de Reformatie, daarna de Verlichting. Dat gaf op zijn beurt geboorte aan de moderne seculiere, liberale wereldorde in het Westen. Er ontstaat iets nieuws in onze tijd, maar we weten nog niet wat het is.
Als dit waar is, dan is het nieuws over de ‘Stille Opwekking’ wellicht meer dan een vage opleving in de spirituele belangstelling van Generatie Z, maar onderdeel van iets veel, veel groters. Je ziet ineens overal mensen die, verre van hun geloof te verbergen, er juist veel opener over zijn.
Zou deze culturele verschuiving voortkomen uit de afbrokkeling van de zekerheden van het post-verlichtingsdenken? Want de opvatting dat wetenschap en technologie de oplossing zijn voor al onze problemen zijn blijken te kort te schieten; zo ook rotsvaste geloof in een rooskleurige toekomst.
Jongeren kunnen zich inmiddels niet meer voorstellen dat ze ooit een huis kunnen kopen. Ze vragen zich af of de planeet de impact van de enorme bevolkingsgroei van 1 miljard in 1800 tot 8 miljard in 2025 wel zal overleven. En hoewel ze verslaafd zijn aan sociale media en technologie, vinden ze die verslaving ook niet prettig en maken ze zich zorgen over de gevolgen voor henzelf en hun kinderen in de toekomst. De rooskleurige toekomst die onze snel ontwikkelende technologie en de val van de Berlijnse Muur beloofden, is niet werkelijkheid geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen elders naar antwoorden zoeken. Of zoals iemand laatst vertelde: ‘Het arrogante zelfvertrouwen van mijn seculiere leeftijdsgenoten is vrijwel verdwenen.’
De tijd zal het leren, maar misschien is de hernieuwde belangstelling voor religie onder westerlingen niet slechts een kortstondige opleving, maar een teken van een veel diepere culturele verschuiving van het ene tijdperk naar het andere, van het seculiere naar het post-seculiere tijdperk.
Wat wel duidelijk lijkt, is dat we waarschijnlijk geen terugkeer naar een of andere vorm van christendom zullen zien, niet in de laatste plaats omdat de christelijke kerk in het Westen niet sterk of zelfverzekerd genoeg is om het moment te grijpen zoals in de vijfde eeuw. We hebben geen equivalent van de grote figuren zoals Augustinus of Hiëronymus.
Wat waarschijnlijk zal ontstaan, is geen nieuw christendom – de christelijke kerk en de politieke macht gaan altijd niet goed samen, en we hebben te veel fouten gemaakt om er nu nog naar te verlangen – maar een nieuw religieus en spiritueel pluralisme; een beetje zoals het heidendom.
Als de belangrijkste trend niet de terugkeer van het christendom is, maar de achteruitgang van het secularisme, dan betekent dit dat we niet terugkeren naar de Middeleeuwen, toen het christendom de samenleving domineerde. In plaats daarvan lijkt het opkomende spirituele landschap meer op dat van de late oudheid: een uitgestrekte marktplaats van geloofsovertuigingen, culten en eclectische spirituele praktijken, die elk beloven een ooit onttoverd tijdperk opnieuw te betoveren.
De vraag is of de kerk de uitdaging van het verwarrende tijdperk die we op het punt staan te betreden, aankan. Als ze simpelweg de vermoeide tonen van links-liberalen napraat, of zelfs de schelle tonen van rechts-boze mensen, en zichzelf ziet als een zoveelste politieke actor of lobbygroep die probeert macht te verwerven in de nieuwe wereldorde, dán zal ze deze kans missen. Kan ze iets van het vertrouwen in haar eigen boodschap, haar eigen spirituele dynamiek herwinnen die de stervende heidense wereld 1500 jaar geleden bekeerde? Zo ja, dan belooft de toekomst interessant te worden.
In Moskou, zo vertelde de verbannen Russische journalist Michaïl Zygar op CNN, vergelijken ze de VS van nu met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989. Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden: mensen geloven niet meer in het officiële verhaal. Ze zijn cynisch geworden. En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde, stortte het systeem in.
De vraag is nu: zien we iets vergelijkbaars in het Westen? Gaat hier echt iets fundamenteels kapot? En zo ja, wat precies?
Als je naar Europa en de VS kijkt, zie je een politieke cultuur die steeds harder wordt. Radicale en autoritaire partijen winnen terrein, democratische regels worden opgerekt of genegeerd, en veel mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd. Tegelijk groeit de polarisatie. Mensen zijn somber, boos en wantrouwig. Het gevoel dat ‘het systeem’ er niet meer voor hen is, zit diep.
Daarbovenop komt een hele reeks andere problemen: online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat, steeds minder respect voor zorgverleners en andere publieke beroepen. Mensen leven in bubbels, de onderlinge verbondenheid brokkelt af. De sociale lijm laat los.
Dat is zorgwekkend, want de westerse democratie is eigenlijk een vrij nieuw experiment. Het idee dat iedereen dezelfde rechten, kansen en waardigheid heeft, komt voort uit de Verlichting en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm in democratische rechtsstaten. Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie. Toen die instortte, dacht het Westen: zie je wel, wij hebben gewonnen.
Maar zo simpel was het niet. De liberale democratie bleek geen eindpunt van de geschiedenis. China liet zien dat kapitalisme prima kan zonder democratie. Oorlogen brachten geen democratie. En zelfs binnen het Westen begonnen landen afstand te nemen van liberale waarden. Ook in de VS staat de democratie onder druk.
Langzaam veranderde daardoor de houding tegenover democratie zelf. Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen in instellingen en kiezen vaker voor het idee van een ‘sterke leider’. Media, rechters, universiteiten en parlementariërs worden verdacht gemaakt. Populisten zetten ‘gewone mensen’ tegenover elites, migranten en kosmopolieten.
Ironisch genoeg kwam dat juist na een periode van zelfgenoegzaamheid. Liberale samenlevingen gingen geloven dat hun succes bewijs was van morele superioriteit. Die overmoed maakte blind voor wat er ondertussen veranderde.
Globalisering haalde industrie weg, de arbeidersbeweging verzwakte, en links richtte zich steeds meer op identiteit en cultuur. Veel traditionele kiezers voelden zich achtergelaten. Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin, maar wel in perspectief. Sociale migratie stokte. De meerderheid gelooft inmiddels dat hun kinderen het slechter zullen hebben.
Daarbovenop kwam een groeiende kloof tussen hoogopgeleide, stedelijke elites en mensen die minder mobiel zijn, vaker op het platteland wonen en traditioneler denken. Hun waarden werden weggezet als achterlijk of fout. Maar groepen die zich structureel vernederd voelen, accepteren dat niet eindeloos. Economisch gebeurde iets soortgelijks. Winsten en macht kwamen steeds meer terecht bij een kleine groep, vooral in de techsector. Die bedrijven beschikken nu over ongekende invloed en technologie. Democratische controle loopt daar ver achteraan. Het risico is dat we afglijden naar een vorm van digitaal feodalisme: veel controle, weinig inspraak, alles verpakt in gemak en entertainment.
Dat is geen sciencefiction. Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.
De kern van het probleem lijkt dezelfde als in de late Sovjet-Unie: mensen zijn het geloof kwijtgeraakt. Niet in één leider of partij, maar in het idee zelf van een liberale democratie. Dat systeem kan alleen werken als er minimaal vertrouwen is, als mensen de spelregels accepteren en elkaar als legitieme tegenstanders zien.
Als grote groepen dat niet meer doen, houden ze op met meespelen. Dan zoeken ze iemand die belooft het hele spel kapot te maken.
Is dit dan het einde van het Westen? Ja, misschien het einde van een tijdperk. Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af in economie of geopolitiek. Ze speelt zich af in onze hoofden. Of zoals Hemingway schreef: eerst geleidelijk, en dan… INEENS.
De vraag is nu of de idealen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden. Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt. Maar zonder dat gedeelde verhaal blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over. En dat weten we in Europa maar al te goed.
Vandaag is het Blue Monday; de vermeend meest deprimerende dag van het jaar, de dag waarop we ons allemaal extra ellendig zouden voelen.
Maar laten we eerlijk zijn. Dat hele idee is nog helemaal niet zo oud. Het idee werd in 2004 verzonnen door psycholoog Cliff Arnall, niet uit diepe zorg voor onze ziel, maar als marketingstunt voor een reisorganisatie. Ze wilden simpelweg meer vakanties verkopen. Zijn zogenoemde formule bestond uit dingen zoals hoe lang Kerst geleden is, hoeveel schulden we hebben, ons salaris en hoe snel we onze goede voornemens alweer hebben opgegeven. Wetenschappelijk stelt het weinig tot niets voor.
Arnall zelf heeft dat later ook toegegeven. In 2013 zei hij dat die derde maandag van januari eigenlijk niet anders is dan elke andere dag. Volgens hem zou de dag vooral moeten helpen om ‘even perspectief te krijgen’ op ons leven.
En toch blijft Blue Monday elk jaar terugkomen. Iedereen weet eigenlijk dat het onzin is, maar het haalt nog steeds de kranten. Het wordt gebruikt om van alles aan ons te verkopen. Alles belooft ons een beter gevoel over onszelf.
Maar als christenen mogen we ook een andere vraag stellen: wat zegt de Bijbel hierover? Is er een Bijbelse manier om met sombere dagen, lege gevoelens en onrust om te gaan? Het antwoord is volmondig: ja.
Want de Bijbel is niet alleen een boek vol mooie verhalen en diepe geestelijke waarheden. Het zit ook boordevol praktische wijsheid voor het dagelijkse leven. Er is zelfs een genre in de Bijbel dat zich daarop richt: de wijsheidsliteratuur. Denk aan Spreuken, Prediker en Job. Die boeken geven eerlijk, soms confronterend, maar levensecht advies over hoe je goed, zinvol en gezegend kunt leven voor God.
In een tijd waarin life coaches, zelfhulpgoeroes en influencers grof geld verdienen door ons te vertellen hoe wij ‘ons beste leven’ kunnen leiden, is het des te belangrijker om terug te gaan naar de Bijbel. Want echte wijsheid begint niet bij onszelf, maar bij ontzag voor God.
Wat leren we daar dan? Dat we het goede moeten doen, verleiding moeten vermijden, nederig en gematigd moeten leven en vooral: God op de eerste plaats moeten zetten. Dat staat haaks op het populaire evangelie van zelfvervulling, ego en succes. De Bijbel draait het om. Niet ík sta centraal, maar God en de mensen om mij heen. Geen competitie en zelfverheerlijking, maar verantwoordelijkheid, trouw en liefde.
Hieronder acht verzen uit het boek Spreuken. Geen loze slogans, maar Gods wijsheid voor het echte leven. Ook op Blue Monday. Misschien juist dan!
1. Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft, terwijl je het hem geven kunt. (Spreuken 3:27).
2. Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt, inzicht najaagt met alles wat je bezit. (Spreuken 4:7).
3. Nog even slapen, nog even dutten, een ogenblik blijven liggen? Armoede komt je overvallen als een rover, gebrek als een gewapende man (Spreuken 6:10-11).
4. Mijn mond verkondigt slechts de waarheid, mijn lippen haten onbetrouwbaarheid. (Spreuken 8:7).
5. Een wijze laat zich gezeggen, een blaaskaak komt ten val. (Spreuken 10:8).
6. Een gulle gever zal gedijen, wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen. (Spreuken 11:25).
7. Boze mensen worden rustig als je vriendelijk tegen hen bent, maar ze worden woedend als je hen beledigt. (Spreuken 15:1).
8. Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, laat je niet in met een loslippig mens. (Spreuken 20:19).
Blue Monday hoeft geen dag van leegte te zijn. In Christus is er hoop, elke dag opnieuw. Niet omdat wij ons beter voelen, maar omdat God trouw is. Zijn Woord staat vast, ook op de donkerste maandag van het jaar.
De afgelopen weken werden gekenmerkt door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen onder het bewind van de regering-Trump: Op 26 december voerden de Verenigde Staten luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria. Kort daarna, op 3 januari, bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas, ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro en leverden hem uit aan New York om terecht te staan voor narco-terrorisme. Na een snelle militaire interventie in Venezuela richtte Trump, dronken van ‘succes’, zijn pijlen vorige week weer op Groenland, het autonome onderdeel van Denemarken dat hij al langer wil bezitten. Deze gebeurtenissen illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid, aangeduid als de Donroe-doctrine: een periode van agressieve militaire interventies en grillige geopolitieke machtsuitoefening.
Nigeria en Venezuela delen niet alleen een overvloed aan olie, maar ook structurele problemen zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede. De Amerikaanse interventies in deze landen versterken het idee dat de naoorlogse, op gedeelde regels gebaseerde wereldorde; deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort. De orde was gebouwd op internationale afspraken en morele verantwoordelijkheid. Ze lijkt nu te zijn vervangen door een doctrine die wordt gedreven door binnenlandse belangen en politieke willekeur.
De morele focus van de huidige Amerikaanse regering is sterk naar binnen gericht, met nadruk op thema’s als reproductieve rechten, het homohuwelijk en grensbeveiliging. Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap op het internationale toneel. Door het door de VS mede ontmantelen van de Reproductive and Behaviour Order (RBO) ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm. In een wereld waarin grootmachten als de VS, Rusland en China geen gezamenlijk moreel kompas tonen, rijst de vraag hoe dit vacuüm kan worden opgevuld. De RBO stelt dat religie – en in het bijzonder het christendom – hierin een cruciale rol kan spelen.
Een illustratief voorbeeld is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december. Dit gebaar werd internationaal geprezen als een poging tot interreligieuze harmonie. Toch werden binnen 24 uur de kerstversieringen vernield door hindoe-nationalisten in verschillende Indiase steden. Deze tegenreactie benadrukt hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is, vooral in landen met een dominante meerderheidsreligie. Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap ondubbelzinnig te veroordelen.
De motivatie achter deze aanvallen op christenen in India verschilt in essentie niet van het geweld tegen christenen door islamitische extremisten in Noord-Nigeria: beide komen voort uit angst voor het verlies van een vertrouwde beschaving. Geen enkele samenleving kan echter duurzaam bloeien wanneer zij geweld tegen religieuze minderheden negeert of rechtvaardigt. Tegelijk roepen deze gewelddaden op tot metacognitie: reflectie op de diepere motieven achter haat en vervolging. Juist daarin liggen de kiemen voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.
De oorspronkelijke RBO was gebaseerd op principes als soevereiniteit, gelijkheid, rechtsstaat, mensenrechten, multilateralisme en vreedzame conflictoplossing. Een nieuwe gemeenschappelijke moraal zou hierop moeten voortbouwen, maar ook geworteld zijn in religieuze waarden die gedeeld worden door de grote wereldreligies, zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten. Internationale documenten zoals het VN-Handvest (1945) en de VN-Verklaring inzake godsdienstvrijheid (1981) bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.
De grootste uitdaging ligt bij staten met een dominante meerderheidsreligie, zoals het christendom in de VS of het hindoeïsme in India. Hoe kunnen zij minderheden dezelfde bescherming bieden als de meerderheid? Is religieuze diversiteit een nulsomspel, of kan er een moreel evenwicht bestaan?
Het christendom, als grootste religie ter wereld, biedt het meest omvattende morele kader om deze balans te vinden. Zowel christendom als islam erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus. De leer van Christus, zoals beschreven in het evangelie van Johannes en uitgewerkt door Paulus, maakt een scherp onderscheid tussen goed en kwaad en leert dat de strijd niet tegen mensen is gericht, maar tegen de machten van het kwaad.
Daarom zou een vernieuwde, religieus gefundeerde wereldorde moeten voortbouwen op de leer van Christus. Deze christocentrische moraal herdefinieert mondiale conflicten niet als botsingen tussen mensen of religies, maar als een strijd tussen goed en kwaad. Zo ontstaat een inclusieve morele visie die alle mensen – gelovig of niet – uitnodigt om het kwaad te veroordelen en actief het goede te bevorderen in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.
Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte. Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie, leek het continent op weg naar een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld. Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting. Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen, en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming en geopolitieke afhankelijkheid.
Die zekerheid is verdwenen. Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren: klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid, demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid en het verval van democratische instituties. De omstandigheden veranderen sneller dan ooit, en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang. Politieke leiders spelen daarop in: sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden; anderen bieden radicale terugkeer naar een geïdealiseerd verleden dat nooit werkelijk heeft bestaan. Volgens politicoloog Ivan Krastev is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.
De oorzaak hiervan ligt in Europa’s ‘pauze van de geschiedenis’ na 1945 en later na de val van de Berlijnse Muur ook een ‘pauze als defensieve macht’. En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen, bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op. Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele, op regels gebaseerde wereldorde bestond. Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek — zichtbaar in het Amerika onder Trump en in de assertiviteit van Rusland en China — blijkt de EU slecht uitgerust. Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem, maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit. Europa zit niet aan tafel, maar ligt óp tafel. Er wordt óver hen beslist Europa heeft geen duidelijke plaats onder de wereldmachten en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.
Daarnaast heeft Europa moeite om zijn eigen macht te erkennen, belast door een geschiedenis die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz. Het resultaat is een houding van zelfverkleining: Europa zou te verdeeld, te bureaucratisch en te traag zijn om daadkrachtig op te treden. Deze ‘machteloosheid van de machtigen’ biedt moreel comfort, maar ondermijnt Europa’s vermogen om zijn belangen te verdedigen. In een wereld die wordt gedomineerd door autocratische grootmachten is precies dat echter noodzakelijk voor een democratische toekomst.
Toch is het continent rijker, beter opgeleid en technologisch capabeler dan ooit. Het beschikt over de middelen om zijn positie te herdefiniëren maar wat ontbreekt, is de politieke wil. Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:
‘sommige uitdagingen moet je aangaan omdat ze moeilijk zijn.’
Alleen door die houding opnieuw te omarmen kan Europa zijn toekomst terugwinnen.
Ik ben van nature altijd een optimist geweest. Dat zit gewoon in mij. Ik probeer het goede in mensen te zien. Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien. En ik geloof diep vanbinnen dat er altijd weer een morgen komt. Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn als je er eenmaal mee aan de slag gaat. Dat dingen kunnen veranderen.
Misschien is dat ook wel de reden dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek. Die serie ademt hoop. Het laat een toekomst zien waarin de mensheid haar grootste problemen achter zich heeft gelaten: oorlog, armoede, discriminatie. In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers. Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren. Op beter worden, samen, als mensheid, binnen die Verenigde Federatie van Planeten.
Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren, dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld. Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging. Kijk alleen al naar het wereldnieuws. Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen, een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld. De macht van de sterkste die lijkt te regeren. Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed. Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering: overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen, ecosystemen die instorten. Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.
En dan is er wat dichter bij huis gebeurt. De energiecrisis. De steeds hogere kosten van het dagelijks leven. Zorgen over de toekomst van de zorg, over speciaal onderwijs, over hoe we omgaan met vrouwenhaat en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes. En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.
Alsof dat nog niet genoeg is, komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media, de angst voor kunstmatige intelligentie die ons boven het hoofd groeit, de steeds fellere polarisatie in het publieke debat, en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie. Op een gegeven moment dacht ik: waar moet ik dit allemaal laten? Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?
Toen stuitte ik min of meer toevallig op een boek van Tom Ough: The Anti-Catastrophe League. De titel klinkt alsof het zo uit een Marvel-film komt, maar het boek gaat juist over heel concrete, aardse problemen. En over mensen die daar iets aan proberen te doen. Het lezen ervan zette iets in beweging. Het hielp me om voorbij de eerste laag van angst en doemdenken te kijken en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?
Ough is journalist en werkte een tijd bij een filantropische organisatie die zich bezighoudt met de grootste risico’s voor de mensheid. In zijn boek neemt hij je mee langs allerlei mogelijke rampen. Van een asteroïde die de aarde raakt, tot een extreme zonnestorm die onze wereldwijde elektriciteitsnetten kan uitschakelen. Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij: klimaatverandering, kunstmatige intelligentie en een toekomstige pandemie – die door de WHO zelfs alvast ‘Ziekte X’ wordt genoemd.
Wat het boek bijzonder maakt, is dat Ough niet blijft hangen in angst. Bij elk risico introduceert hij de mensen die ermee bezig zijn: wetenschappers, diplomaten, eigenzinnige denkers en stille doorzetters. Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen, maar er ook naar handelen. Vaak tegen de stroom in, soms met grote persoonlijke offers.
Na al dat onderzoek komt Ough uit bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt. Hij ontkent de ernst van de problemen niet, maar hij weigert te geloven dat het einde onafwendbaar is. Zoals hij zelf schrijft: ‘Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’
Die zin bleef bij me hangen. Want hoe we de wereld zien, wordt enorm beïnvloed door de verhalen die we horen. En daarin spelen de media een grote rol. Nee, dat is geen nieuwe gedachte. Al jaren wordt kritisch gekeken naar hoe nieuws wordt gebracht: de constante focus op wat er mogelijk mis kan gaan, de speculatie, het drama.
Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde. Er werd gewerkt met vaste clichés: de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind, het Westen als redder. Conflicten werden gepresenteerd alsof het sportwedstrijden waren, met duidelijke winnaars en verliezers.
En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd. Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen. Links of rechts. Voor of tegen. Pro-Israël of pro-Palestina. Klimaatactivist of ontkenner. Voor of tegen AI-regulering. Het is altijd een nulsomspel: ik win alleen als jij verliest.
Juist daarom vond ik het boek Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant. Deze Zweedse statisticus liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.
Rosling toonde, met data aan, dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan. Minder extreme armoede. Minder kindersterfte. Meer meisjes naar school. Meer vaccinaties. Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen, maar dat zegt weinig over het grote geheel.
Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen. Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren, raken mensen verlamd. Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is. Problemen worden aangepakt. Er wordt vooruitgang geboekt. En er zijn echte, haalbare oplossingen.
Ja, klimaatverandering is ernstig, maar het betekent niet automatisch het einde van de mensheid. Zelfs in de zwaarste scenario’s blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar. Het zou een tragedie zijn, zeker. Maar geen totale ondergang.
Ik pleit daarom voor een ander verhaal. Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt, maar misschien juist als de eerste generatie die echt een duurzame wereld bouwt. Dat vraagt geen naïef optimisme, maar hoop die gebaseerd is op feiten en mogelijkheden.
Wat me vooral raakt in dit hele verhaal, is hoe sterk het raakt aan theologie. Aan hoe we nadenken over het einde, over de mens, over hoop. Apocalyptische taal is overal. Maar in de christelijke traditie, zeker in het boek Openbaring, gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging. Het is beeldtaal. Het gaat over hoop. Over volhouden. Over God die de geschiedenis niet loslaat.
Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend: christendom is hoop. Geen vlucht uit deze wereld, maar een kracht die het heden verandert.
Vanuit dat perspectief is het idee dat alles eindigt in totale vernietiging eigenlijk slechte theologie. En hetzelfde geldt voor een mensbeeld waarin de mens alleen maar wordt gezien als een fout in de schepping. Ja, we zijn gebroken. Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld. Gezegend vanaf het begin. In staat tot liefde, zorg en verantwoordelijkheid.
En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop, heb ik mijn houvast weer teruggevonden. Geen blind optimisme. Maar een hoop die gevoed wordt door feiten, door geloof, en door het besef dat de toekomst nog openligt.
Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt: ‘het verleden ligt vast. Maar de toekomst? Die mogen we samen vormgeven. Met openheid. Met optimisme. En met een nieuwsgierige geest.’
Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start. Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop. Maar wees eens eerlijk? Zo voelt het nu niet echt. Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker dan ze in lange tijd is geweest, zeker vanuit westers perspectief.
Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’: mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen, gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk. Hun gevoel voor realiteit is verstoord. Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld door berichten over oorlog, corruptie en rampen, is het toch knap lastig om níét somber te worden. Denk aan drones en moderne oorlogsvoering, schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid, cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks, en AI die we steeds minder lijken te begrijpen. En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering, torenhoge kosten van levensonderhoud en toenemende polarisatie.
Optimistisch? Niet bepaald.
Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart, is hoe waarheid en verantwoordelijkheid lijken te verdwijnen uit het publieke debat. Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid. In plaats van gesprek is er geschreeuw. Macht wint het van argumenten. Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief, maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt hoe het kan dat mensen wegkomen met overduidelijke leugens, of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’. Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?
In die stemming raakte ik diep getroffen door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942. Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’: mensen met goede bedoelingen die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld wel weer recht kunt trekken. Ze willen recht doen aan alle kanten, maar worden vermalen tussen botsende krachten. Teleurgesteld trekken ze zich terug, of worden slachtoffer van hardere spelers.
En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag: wie houdt het dan wél vol? Volgens hem alleen degene die bereid is zijn eigen rede, principes en zekerheden los te laten wanneer hij geroepen wordt tot verantwoord handelen — niet vanuit eigen gelijk, maar vanuit gehoorzaamheid aan iets dat groter is dan hijzelf. Ja, waar zijn die mensen?
Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings. Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad, en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’. Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer. Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen: een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan; een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog. Maar beiden waren gevormd door de verschrikkingen van oorlog. Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en had geen romantische ideeën meer over de mensheid. En toch gaf hij de hoop niet op.
Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment. Galadriel, de elfenkoningin, zegt dat zij en haar volk al eeuwenlang die lange nederlaag strijden. Dat roept een vreemde vraag op: waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?
Het verhaal laat zien waarom. Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier. Zelfs Frodo, die de Ring draagt, bezwijkt op het allerlaatste moment. Hij kán de Ring niet vernietigen. Toch wordt het kwaad verslagen — niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval: Gollem valt in de afgrond. Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke maar eerlijke boodschap duidelijk: zelfs de besten onder ons falen. En tóch kan het goede winnen, op een manier die niemand gepland had.
Dat betekent overigens niet dat Frodo faalt als persoon. Immers, zonder zijn inzet was de Ring nooit op die plek gekomen. Tolkien schreef zelfs dat niemand, uitgeput en gekweld zoals Frodo, weerstand had kunnen bieden.
De vraag blijft dus: waarom blijven vechten? Omdat niet vechten erger is. In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad. De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is, maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten. En tóch zijn ze noodzakelijk.
Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei: ‘De boog van het morele universum is lang, maar hij buigt naar rechtvaardigheid.’ Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt door onze plannen. Integendeel: mensen falen voortdurend, zelfs met de beste bedoelingen. Maar het wijst op een hoger doel dat niet afhankelijk is van onze perfectie.
Hoop komt dan niet uit systemen, vooruitgang of natuurwetten — die lopen uiteindelijk allemaal vast. Hoop komt voort uit vertrouwen: dat er Iemand is die door chaos, toeval en zelfs menselijk falen heen werkt. Tolkien geloofde dat ook. Hij noemde het ‘eucatastrofe’: precies wanneer alles verloren lijkt, gebeurt er iets onverwachts dat het hele verhaal laat kantelen.
Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken. De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag. Het betekent dat onze pogingen om vrede, recht en genezing te brengen in een gebroken wereld – wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt – nooit compleet zullen zijn, misschien zelfs gedoemd zijn onvolledig of zelfs te mislukken — maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.
Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen. Niet omdat we denken dat we de wereld redden, maar omdat het goed is om het goede te doen. Dat is misschien geen grote overwinning, maar wel een voorzichtige hoop. En soms zijn onze daden korte momenten waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.