In de vorige eeuw dachten veel mensen dat religie op zijn retour was.
Zoals politicoloog Francis Fukuyama het verwoordde,
werd er algemeen aangenomen dat
‘religie zou verdwijnen en alleen vervangen zou worden door seculier,
wetenschappelijk rationalisme.’
Maar weinig mensen geloven dit nog.
Ook Fukuyama zelf is van gedachten veranderd en zegt dat religie ‘niet zal verdwijnen.’

Maar waarom weigert religie te verdwijnen?
We willen suggereren dat een van de belangrijkste redenen voor het voortbestaan van geloof
is dat er vragen zijn waar niemand volledig aan kan ontsnappen die leiden naar religie.
Religie, of geloof, richt zich op vragen waar niemand volledig aan kan ontsnappen:
waarom is er iets in plaats van niets?
Waar komt het allemaal vandaan?
Heeft dit leven zin?
En wat gebeurt er na de dood?
Geloofstradities zijn experts in zulke ultieme vragen
en het is heel moeilijk voor iemand om deze vragen volledig te vermijden.

Deze vragen die de meeste mensen op een bepaald moment in hun leven tegenkomen,
draaien om betekenis:
Wat is het nut van opgroeien, zou een tiener kunnen vragen?
Wat is het nut van mijn werk, vragen we ons later misschien af.

Vooral wanneer we te maken krijgen met frustraties, mislukkingen en uitdagingen,
dan vragen we ons misschien af wat voor verschil we maken voor de wereld.
Zou iemand me missen als ik er niet was, vragen we ons misschien af?
Zal iemand zich me herinneren als ik sterf?

Want uiteindelijk komt iedereen op een gegeven moment in aanraking met de dood.
Ook al worden we gespaard van de pijn van vrienden die jong sterven,
het is de natuurlijke oorzaak van de wereld dat onze grootouders en onze ouders
op een dag zullen sterven.
Wat doen we als we worden geconfronteerd met zo’n verlies?
Het is moeilijk om niet te vragen: ‘waar is mijn geliefde nu?’
En ‘is er hoop om onze geliefden ooit weer te zien?’

Dit zijn het soort vragen waar niemand in zijn leven volledig aan kan ontsnappen:
ze komen altijd weer op en dringen zich op aan ons bewustzijn.
Toch zijn deze vragen over het begin, de betekenis
en het einde de vragen waar religie zich mee bezighoudt.
En hier ligt een belangrijk antwoord, denken we,
op de vraag waarom geloof niet zomaar zal verdwijnen:
omdat wetenschappelijk rationalisme ze niet echt kan aanpakken.

Zeker, seculier wetenschappelijk rationalisme biedt wel wat antwoorden op de vraag
hoe het leven begint – we kennen de biologie ervan verbazingwekkend goed.
En toch is biologie niet alles,
en in feite zijn het niet de biologische aspecten ervan die ons raken.
Het wonder, de hoop, de liefde die we ervaren
wanneer we worden geconfronteerd met het begin van het leven,
is meer dan wat rationeel of wetenschappelijk kan worden verklaard.

Ook is wetenschappelijk rationalisme niet goed toegerust
om vragen over betekenis te beantwoorden.
Wetenschap is geweldig in het beantwoorden
van hoe iets werkt of hoe het zou moeten worden gedaan,
maar waarom-vragen vallen in een andere categorie.
Gevraagd naar de zin van het leven en rond het einde van het leven:
wetenschappelijk rationalisme kan en zal, op basis van zijn methoden en benaderingen,
niets (kunnen) zeggen over het hiernamaals.

De vragen over begin, betekenis en einde
kunnen dus niet door wetenschappelijk rationalisme worden beantwoord.
En toch komen die vragen in ieders leven voor.
Precies hier ligt een belangrijke reden waarom geloof niet is verdwenen.
Geloof houdt zich bezig met precies deze vragen.
Het is goed in het omgaan met deze vragen – ze vormen het kerndomein van geloof.

Geloof biedt antwoorden op vragen over begin, betekenis en einde,
maar net zo belangrijk is dat het een gemeenschap biedt
waarin dergelijke vragen kunnen worden aangepakt en besproken.
Het biedt een ruimte waarin mensen kunnen nadenken
over de ultieme vragen en andere mensen kunnen vinden
die dat met hen willen doen, misschien door hen manieren te laten zien
waarop men antwoorden kan vinden.
Verschillende geloven en verschillende uitingen van geloven doen dit heel anders:
georganiseerde religies doen het anders om de associatie van degenen
die ‘spiritueel maar niet religieus’ zijn, los te maken,
maar in alle gevallen is het geloof – in brede zin –
dat de vragen aanpakt en behandelt die opkomen en niet anders worden aangepakt.
Geloof zal niet verdwijnen, omdat de vragen van het geloof niet zullen verdwijnen.

Maar waarom moet dit gezegd worden?
Is het niet duidelijk dat religie gaat over ultieme vragen die iedereen aangaan?

Het probleem is dat het moderne westerse leven vol zit met mogelijkheden
om ons af te leiden van deze vragen.
We zijn rijk, comfortabel, worden overspoeld met entertainment
en zijn vaak ook nog eens druk met carrières en kinderen.
Al deze dingen helpen ons om de diepere vragen
over de oorsprong en het doel van ons bestaan te onderdrukken.

Veel mensen behandelen de vraag naar de zin van het leven
als een vraag die ze eindeloos over kunnen uitstellen:
‘Op een dag wil ik erachter komen, waar het allemaal voor is en waar het allemaal naartoe gaat: maar vandaag wil ik nog een aflevering op Netflix kijken, op Instagram browsen
of naar een sportwedstrijd gaan.’
De entertainmentindustrie vestigt onze aandacht op vluchtige genoegens
zoals geld, seks, roem en succes.
Rijkdom is vooral nuttig omdat het ons helpt te krijgen wat we willen, wanneer we het willen,
en voorkomt dat we de hardere realiteit van het leven onder ogen zien.
Het is gemakkelijk om onszelf bezig te houden
en we kunnen onszelf geen tijd gunnen voor diepe reflectie op de grotere vragen.
Dit alles draagt bij aan wat we de ‘verdovende middelen van het dagelijks leven’
zouden kunnen noemen, de manieren waarop het dagelijks leven en de maatschappij
als een drug fungeren om onze visie te vertroebelen,
ons denken te verwarren en ons ervan te weerhouden de dingen in het leven
die er het meest toe doen, duidelijk onder ogen te zien.

Maar het probleem is dat zelfs het gewone dagelijkse leven wordt geleefd
volgens (althans voorlopige) antwoorden op die grote vragen.
Elke dagelijkse beslissing die we nemen, toont onze waarden, wat wij denken dat ertoe doet.
Als we chocolade kopen die niet eerlijk is verhandeld,
kiezen we actief voor ons eigen plezier als belangrijker
dan rechtvaardigheid en gelijkheid in de armste plekken ter wereld.
Als we tot laat doorwerken in plaats van naar huis te komen om met de kinderen te spelen,
als we vliegen voor een vakantie, of rundvlees kopen,
waardoor we onze CO2-voetafdruk enorm vergroten en bijdragen aan klimaatverandering,
dan laten we zien dat we meer om onze genoegens geven dan om de vernietiging van de planeet.
Al onze keuzes zijn gebaseerd op waarden die onze overtuigingen onthullen
over wat het leven de moeite waard maakt en wat we uit het leven willen halen.
Je kunt geen agnost zijn. Je leven toont geloof in het een of het ander.
Denk aan een duidelijk voorbeeld:
Een zwangere vrouw kan gewoon niet lang agnostisch zijn over abortus.
Ze heeft maar twee opties: abortus of bevallen.
De keuze die ze maakt, zal een praktisch gevolg zijn
van haar overtuigingen en waardeoordelen.
Er is geen agnosticisme, geen ‘niet te beantwoorden’ van de vraag.

Zoals elke religieuze traditie roept het christendom ons op
om een leven te leiden dat geworteld is in dingen van ultieme en blijvende waarde,
in plaats van oppervlakkige of egocentrische zorgen.
Het daagt ons uit om te vechten tegen de verdovende middelen van het dagelijks leven
door onze aandacht voortdurend terug te trekken
naar de dingen die er het meest toe doen.
Door middel van aanbidding,
Bijbellezen en gebed vraagt het ons onophoudelijk:
Gaat het echt allemaal om het verdienen van bakken met geld?
Gaat het om promotie maken?
Wat zijn je ultieme waarden en hoe laat je die zien in je leven?
De echte kracht van secularisme is niet dat het alternatieve antwoorden biedt
op deze vragen, maar dat het afleidt van de vraag.
Het enige wat we hoeven te doen, is ons los te maken.

Nu is het christendom niet alleen een reeks gemakkelijke antwoorden op deze vragen.
Het is een weg, een reis naar de waarheid.
Christen zijn betekent dat je tot een gemeenschap behoort
die vertrouwt op wat Jezus heeft onthuld
over de oorsprong, betekenis en het einde van ons leven.
In die gemeenschap zijn er enkele impliciete antwoorden om ons op weg te helpen.
We leven in de overtuiging dat het leven zinvol is,
dat egoïsme en persoonlijk plezier niet het belangrijkste zijn.
Er is genoeg ruimte voor debat en discussie,
maar laten we in ieder geval beginnen met praten over de dingen die ertoe doen.

Bij elke statistische berekening moet de kans – als uw luxe jacht plotseling en onverklaarbaar zinkt –
op verdrinking in de Middellandse Zee extreem laag zijn.

‘Bayesiaanse statistiek’

 

Dat is de wrede ironie voor de dood van techmagnaat Mike Lynch.
Hij wijdde zijn hele commerciële leven aan de toepassing
van dergelijke statistische waarschijnlijkheden.
Hij stierf samen met zijn dochter en vijf anderen op 19 augustus in slecht weer op een zeiljacht.

Hij had zijn jacht Bayesian genoemd,
naar de stelling uit de 18e eeuw die het idee introduceerde
dat waarschijnlijkheid een mate van geloof in een gebeurtenis uitdrukt.

Dat betekent trouwens niet uitdrukkelijk religieus geloof.
Maar interessant genoeg sluit het ook niet uit.
Want volgens Thomas Bayes, die zijn stelling in 1763 publiceerde,
kan de berekenbare mate van geloof gebaseerd zijn
op eerdere kennis over een gebeurtenis,
zoals de resultaten van eerdere experimenten,
of op persoonlijke overtuigingen erover.

We kunnen deze methode overbrengen naar de religieuze handelswijze.
Christelijk geloof in het geval van wederopstanding
kan bijvoorbeeld worden berekend in de waarschijnlijkheid
dat de dood van Lynch en anderen aan boord van de Bayesian
niet het einde van hun bestaan betekent.

Het is een intrigerende erfenis van Lynchs werk voor theologen.
Maar het is het pure gebrek aan waarschijnlijkheid
dat de dodelijke gebeurtenis überhaupt plaatsvindt
waaraan het zijn willekeurige banaliteit verleent.

Er zijn bittere observaties op sociale media geweest
dat de slachtoffers van de Bayesian grenzeloos
meer aandacht hebben gekregen dan de vele duizenden vluchtelingen
die elk jaar in kleine boten sterven bij het oversteken van de Middellandse Zee.

Zeker, ook hierbij kan de Bayesiaanse theorie worden ingezet:
ervaring ondersteunt onze overtuiging dat het oversteken van de zee
in overvolle en niet-zeewaardige vaartuigen
maar al te vaak kan leiden tot tragisch terminale gebeurtenissen.
De kans op overlijden is duidelijk.
Maar het is de pure willekeur van de Bayesiaanse theorie,
als we afzetten tegen de ondergang van het gelijknamige jacht.

Die willekeur brengt ons terug naar de banaliteit
van de plotselinge dood onder ons,
bijna de gewoonheid ervan, iets dat gewoon gebeurt,
vaak helemaal uit het niets.
Het zijn vaak gebeden ware woorden bij een begrafenis
‘in het midden van het leven zijn we in de dood’.
Dit betekent dat de dood onze constante levende metgezel is.
Maar dat is voor mij niet helemaal genoeg,
omdat het ons vertelt dat het er is,
maar niets over de ware betekenis ervan.

De leerstellingen van het christelijk geloof
worden regelmatig die van een doodscultus genoemd;
dat het een diepgewortelde angst voor de dood is
die ons ertoe aanzet om het te vermijden
met de verzekering van het eeuwige leven.
Maar het is de pure banaliteit van de dood,
zoals blijkt uit de willekeur van de Bayesiaanse gebeurtenis,
die dat idee lijkt te ondermijnen.
In zijn willekeur lijkt de dood eerder belachelijk dan slecht.

Auteur Hannah Arendt bedacht de term ‘de banaliteit van het kwaad’
toen ze verslag deed van het proces
tegen de nazi-holocaustarchitect Adolf Eichmann in Jeruzalem.
Ik zou willen stellen dat het diezelfde banaliteit,
die basale menselijke gewoonheid is,
die de ware aard van de vermeende Magere Hein onthuld, in plaats van zijn kwaad.

Uiteindelijk is de dood geen Bayesiaanse waarschijnlijkheid,
maar een zekerheid, voor ons allemaal.
Het verschil, in de Bayesiaanse theorie, moet het geloof zijn
dat we meenemen in onze persoonlijke berekeningen
van de waarschijnlijkheid van de gebeurtenis.

 

Is de kerk een vrijwilligersorganisatie?
Ik was onlangs op een kerkelijke bijeenkomst, waarop iemand dat zei.
Hij had het over de moeilijkheden waarmee ze in hun kleine gemeente worstelen.
Het bekende verhaal: gebrek aan ambtsdragers,
aan vrijwilligers, vergrijzing, minder kerkbezoek,
de noodzaak tot samenwerking met andere kleine gemeenten misschien.
De kerkorde zit daarbij in de weg, volgens de spreker,
met allemaal regels en voorschriften.
We moeten niet zo moeilijk doen,
de kerk is gewoon een vrijwilligersorganisatie.
We hebben een reglement nodig, geen dikke kerkorde.

Nu was er op diezelfde bijeenkomst
gelukkig ook iemand die meteen antwoordde dat er,
vanuit de kerkelijke organisatie volop meegedacht wordt
om creatieve oplossingen te zoeken.
De kerkorde hoeft geen keurslijf te zijn,
er is meer mogelijk dan je soms denkt.

Nou gaat het mij niet per se om de kerkorde,
maar wel even over die typering
van de kerk als vrijwilligersorganisatie.
Is dat zo?
Zelf zeg ik dat ook wel eens, een beetje gekscherend.
Als iemand van buitenaf vraagt naar mijn werk bijvoorbeeld, dan zeg ik:
ik ben de enige beroepskracht in een vrijwilligersorganisatie.
Dat is toch zo?
Kijk, de meeste mensen zitten voor hun plezier in de kerk, maar als predikant MOET ik er zijn.
Nou ja, ik zei al: gekscherend. En het klopt ook niet helemaal,
want vaak ook kosters en ook organisten horen bij de beroepskrachten,
en natuurlijk kerkelijk werkers
en in sommige plaatsen heb je ook betaalde scriba’s of ledenadministrateurs.

Toch is de kerk vooral een organisatie die drijft op vrijwilligers.
Op die talloze mensen die iets doen voor of namens de kerk,
heel vaak ook op de achtergrond, buiten het zicht van de camera’s.
Als die vrijwilligers er niet zouden zijn,
dan zouden al die betaalde dominees hopeloos onthand zijn.

Dat is allemaal waar.
En toch heb ik op die bijeenkomst
waarop nogal stellig de kerk een vrijwilligersorganisatie werd genoemd,
iets anders daar tegenin gebracht.
Want de kerk is volgens mij in de eerste plaats een geestelijke gemeenschap.
Dat moet voorop staan.

….

 

Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De openingsceremonie van de Olympische Spelen van Parijs in 2024,
gehouden aan de rivier de Seine, heeft niet verrassend voor controverse gezorgd.
Zulke momenten, waarbij een land
zich door middel van pracht en praal aan alle anderen presenteert,
zorgen altijd voor commentaar,
niet in de laatste plaats degenen die beweerden
dat de ceremonie een ‘aanval op het christendom’ was.

Hoewel het weer de uitvoering enigszins dwarsboomde,
was het de inhoud van de voorstelling die kritiek kreeg.
De parade van atleten werd overschaduwd
door de kritiek op de creaties van theaterdirecteur Thomas Jolly,
het brein achter de hele ceremonie.
Extreemrechtse politici bekritiseerden Jollys creaties
als een schending van de Franse nationaliteit.
Conservatieve deskundigen richtten hun kritiek op Jollys
verheffing van de LHBTIQ+-cultuur.

Christelijke commentatoren hebben,
met verschillende mate van wrok,
een vreemde scène veroordeeld waarin Leonardo da Vinci’s beroemde schilderij
van het Laatste Avondmaal – volgens hen –
werd ondermijnd door een mengelmoes van ostentatief queer personages.
Centraal stond niet Jezus Christus,
maar een robuust ogende figuur die leek op Lady Liberty.

Voor de ceremonie vertelde Jolly aan het Britse Vogue over het hart achter zijn creatie:
‘er is ruimte voor iedereen in Parijs.
Misschien is het een beetje chaotisch,
dat is waar, maar dat geeft iedereen de mogelijkheid om een plek voor zichzelf te vinden.’
De openingsceremonie zal een succes zijn, zegt Jolly,
‘als iedereen zich erin vertegenwoordigd voelt.’
Ik denk dat dit niet het geval is voor de dertig procent van de wereld
die zich als christen identificeert.
Dat komt omdat elke familie en elke smaak van het christendom zou erkennen
dat de Heilige Communie, Het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende 2000 jaar,
waarvan de instelling is afgebeeld in het schilderij van da Vinci,
publiekelijk en wereldwijd werd verkracht.

Hoe kunnen we dit moment duiden?
Is er nog iets anders dat de christen kan bijdragen dan verontwaardiging of woede?
Wanneer zoiets gebeurt,
herinnert het me aan de centrale rol die het christendom
heeft gespeeld in de westerse cultuur.
Het onbegrip rondom de controversiële scène van de ceremonie
berust op het idee dat het schilderij van Da Vinci
een wereldwijd erkend symbool is.
Anders hadden we alleen maar naar een heel vreemd etentje zitten kijken zonder eten.
En met het beroemde schilderij van Da Vinci in gedachten,
komt de subversieve kracht van Jollys scène dan hard aan.

Ik heb een heel aantal artikelen gelezen van een bepaald soort rechtse journalist
die gedachten napraat als: ‘dat zouden ze niet doen met de Koran.’
en ideeën over de ‘neergang van het christelijke Westen en de westerse cultuur’,
Dan zou dat kunnen kloppen, maar het mist fundamenteel het punt.

De scène is alleen logisch vanwege de nu afnemende machtspositie van het christendom.
Wanneer je – zoals radicaal rechts vaak doet –
Jezus Christus en het christendom op één lijn brengt met de status quo,
wanneer het christendom moreel behang wordt
voor een hele beschaving en haar cultuur.
Dan wordt het niet verrassend genoeg een doelwit voor satire.
Vooral voor iedereen of een groep die zich vervolgd of gemarginaliseerd voelt.
Nee, ik verdedig geen moment wat Jolly deed,
maar probeer te begrijpen waarom het gebeurde.

Het soort culturele macht dat het christendom in het Westen heeft gehad,
gaat ten koste van de duidelijkheid, omdat het christendom
oorspronkelijk zelf een tegencultuur was.
Kruisiging, een opperste daad van keizerlijke overheersing,
werd de basis van het christelijk denken
en uiteindelijk het grootste symbool ervan.
De oorspronkelijke christelijke beweging
werd door zowel de Joodse als de Romeinse religieuze leiders van die tijd
als godslasterlijk gezien om tegenstrijdige redenen.

Het fundamentele verschil tussen het christendom
en het louter vasthouden aan conservatieve waarden
die niet overtreden mogen worden,
is God.
Het is een oprecht geloof in Jezus Christus
als de langverwachte Messias van het Joodse volk,
en de Redder van de hele wereld
een geloof dat zijn eerste verwaarloosde en verbijsterde discipelen
ertoe bracht om op zulke radicale en tegenculturele manieren te leven
dat velen door het Romeinse Rijk werden vermoord.

Het is terecht dat zijn volgelingen vandaag de dag hun mond opendoen
en zeggen hoe fout het is wanneer de speciale en heilige zaken
die hij voor hen deed opnieuw in het openbaar worden vertrapt,
maar het is ook de moeite waard om te onthouden dat het verhaal zo begon,
met het lichaam van Jezus dat werd mishandeld en gebroken.

Dat we op de een of andere manier, in momenten als deze,
de kracht van Jezus missen wanneer we Hem simpelweg verdedigen
op grond van ‘fatsoen’ en ‘respect.’ is meegaan in het narratief van radicaal rechts.

In plaats daarvan,
als we terugkeren naar de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf,
onthult Jollys uitbeelding, in zijn spot en subversiviteit,
juist de kracht van Het Laatste Avondmaal.

Laten we even duidelijk zijn:
Da Vinci’s schilderij was niet bedoeld voor een galerie,
maar werd oorspronkelijk geschilderd op de muur van een vrij onbekend klooster,
en pas jaren later getransporteerd naar een galerie
om ineens ‘kunst’ te worden.
Voor Da Vinci was het bedoeld als een fundamenteel hulpmiddel voor de gelovigen
om de oorspronkelijke gebeurtenissen te herinneren.

Het laatste avondmaal,
de maaltijd die Jezus de avond voor zijn kruisiging met zijn vrienden deelde,
was de openingsceremonie van het christendom.
Elke keer dat christenen deelnemen aan het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende meer dan 2000 jaar,
herinneren ze zich de openingsceremonie waarbij:

Jezus nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan Zijn discipelen, zeggende: Neemt en eet, dit is Mijn lichaam.” En Hij nam een beker, en toen Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen, zeggende: Drinkt allen hieruit. Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Maar het meest merkwaardige deel van de openingsceremonie van het christendom,
merkwaardiger dan alles wat we tijdens de openingsceremonie zagen,
is de aanwezigheid van Judas.
De Bijbelse verslagen beschrijven Jezus’ kennis van de intentie van Judas
om Hem aan de Romeinen te verraden,
en toch is Judas nog steeds welkom aan tafel.
Als er ruimte is voor Judas, dan is er ruimte voor ons allemaal.
De openingsceremonie van het christendom
kan niet worden herdacht zonder de aanwezigheid van Judas de verrader,
en Petrus de lafaard, of Thomas de twijfelaar.
De grote ironie en het grote mysterie van het christelijk geloof
is dat je de genade niet kunt overtreffen.
Je kunt het bespotten en ondermijnen, maar Christus stierf voor de goddelozen.

Daarmee komt de scène tijdens de openingsceremonie
niet in de buurt van de oorspronkelijke gebeurtenissen.
Jezus werd niet alleen verraden door zijn vrienden,
Hij werd vervolgens gemarteld, vernederd en publiekelijk geëxecuteerd
op ongeveer de meest pijnlijke manier die mensen hebben bedacht.
Dat was godslastering van een ander niveau,
maar het was ook een overwinning omdat God ervoor koos
om inclusief lief te hebben, voorbij elke menselijke norm.

Dit betekent dat er niets inclusiever is dan de openingsceremonie van het christendom
en tegelijkertijd ook niets exclusiever.
Wij zijn niet degenen die het eten verzorgen, maar God.
In Jollys uitvoering werd de scène van het Laatste Avondmaal
afgesloten door de Franse acteur Philippe Katerine,
die van top tot teen in het blauw was geverfd.
Terwijl deze ‘baardsmurf’ verbijsterde reacties over de hele planeet veroorzaakte, vertegenwoordigde Katherine blijkbaar Dionysius,
de Griekse god die geassocieerd wordt met wilde dronken feesten.
Het eten dat Jolly aanbiedt is een wild verlangen en zelfexpressie.
In het christendom is het eten God zelf, zijn lichaam en Zijn bloed.
Gods liefde wordt gegeven, zelfs aan degenen die hem zullen verraden.

Maar scenes als deze kunnen voor christenen voelen
alsof er nu een golf van seculier liberalisme
eindelijk de machtspositie wil veroveren
die het christendom eeuwenlang heeft gehad.
En wat je nu ziet dat er een nieuwe conservatieve voorhoede van verzet opstaat
om die afbrokkelende positie van het westers christendom te beschermen
of het in te schakelen voor zijn eigen doeleinden.
Uit de mond van Modi of in Trumps tirades
woedt een nieuw religieus bewapend populisme.
Dit zal het voor christenen moeilijker maken om te navigeren,
tussen het volgen van Christus of hen die:
‘ons proberen te misleiden met mooiklinkende filosofie en redeneringen’( Kolossenzen 2)

 

Bestaanszekerheid kreeg net als migratie
veel aandacht bij de verkiezingsdebatten.
Bestaanszekerheid gaat over armoedebestrijding.
De Thora, de wet van Mozes,
roept op om iemand die in armoede vervalt
niet te laten verkommeren:

Armen zullen er altijd zijn bij u.
Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land
die in armoede leeft of er slecht aan toe is.
(Deuteronomium 15)

Maar bestaanszekerheid is meer dan armoedebestrijding.
Het heeft ook te maken met de zekerheid van een woning,
van werk en inkomen, van vervoer,
schone lucht en water, van zorg en van onderwijs.
En met de toegankelijkheid van al die voorzieningen.

Eigenlijk is het een raar woord,
want het hoort bij ons bestaan
dat we geen zekerheid hebben.
Je kunt zomaar ziek worden, een ongeluk krijgen,
je baan kwijtraken.
Kwetsbaarheid hoort bij het menselijk bestaan.

Je hebt niet alles in de hand.
Veel zelfs niet:
waar je wieg staat, welke kansen je krijgt, hoe gezond je bent.
Of je niet toevallig op de verkeerde plaats bent.
In een gebouw dat instort door een aardbeving.
In een vliegtuig dat uit de lucht wordt geschoten.

Wij zijn ons bestaan juist níet zeker.

 

Rechtsstatelijkheid, dat woord dook opeens op in de verkiezingsdebatten.
De rechtsstaat heeft de afgelopen jaren deuken opgelopen.
Denk aan de toeslagenaffaire,
hoe de overheid om is gegaan met de gaswinning in Groningen,
de etnische profilering.
Zaken waarbij de overheid de burger ongelijk behandelde,
waar grondrechten met voeten zijn getreden.

Wat zou de kerk, wat zouden wij uit ons geloof, uit de Bijbel
kunnen inbrengen in het debat over de rechtsstaat,
de inrichting van de samenleving?
Nederland is een democratische rechtsstaat.
Er is een scheiding tussen kerk en staat.
Dus heeft de kerk wel recht van spreken?
Maar wat nu als de wetten in de staat indruisen
tegen de wetten van het koninkrijk van God?

 

Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.
Daarmee vertel ik u niets nieuws.
Het is oneerlijk verdeeld, als je kijkt naar rijk en arm, zeker wereldwijd.
De één baadt in weelde;
de ander weet nauwelijks hoe hij de dag van vandaag door moet komen,
laat staan de dag van morgen.

Het is oneerlijk verdeeld, ook als je dichter bij huis blijft.
Het leven lacht de één toe: goede baan, mooi huis, succesvolle kinderen,
noem het maar op – tenminste, dat is de buitenkant die we zien.
Maar toch…
De ander, ach dat is zo’n gezin, daar is de ene ellende na de andere,
gezondheidsproblemen, kinderen met een rugzakje,
twaalf ambachten dertien ongelukken, er is altijd wat.
Zorgen genoeg, en dan komen er soms ook nog de zorgen van anderen bij;
want dat lijkt elkaar soms aan te trekken.

Het is oneerlijk verdeeld.
Dat geldt eigenlijk in voor deze gelijkenis.
Meteen al vanaf het begin.
Een heer gaat voor lange tijd op reis
en draagt het beheer van zijn bezit over aan zijn personeel.
De één krijgt vijf talent – dat is een bepaald bedrag;
de ander drie en de derde één talent. Oneerlijk verdeeld, zou je zeggen.

Ja, de één heeft nu eenmaal meer talenten dan de ander.
Of moet je zeggen, we hebben allemaal talenten gekregen,
maar wel verschillende?
Bij ons is het woord talent gaan betekenen,
een bepaalde begaafdheid die je hebt meegekregen.
De één is nu eenmaal muzikaal, de ander is handig
allemaal talenten die ik bijvoorbeeld mis.
Maar ik kan weer andere dingen.
Iedereen heeft een talent, en dan zeggen wij:
je moet je talenten ontwikkelen.
Woekeren met je talenten.
Dat komt letterlijk bij deze gelijkenis vandaan.

Dat mag zo zijn, toch klopt dat niet helemaal.
Want talent betekent hier, zoals ik al zei,
een bepaald bedrag aan geld, nog preciezer een bepaald gewicht.
Talent is een Bijbelse gewichtsmaat.
De heer verdeelt zijn bezit en geeft het in beheer, voor de tijd dat hij weg is.
Hij vertrouwt het toe aan zijn personeel.
Dat is de betekenis van de talenten.
Het staat voor het vertrouwen dat de heer schenkt aan zijn personeel.

Maar dan blijft dat het oneerlijk verdeeld wordt.
De één vijf, de ander twee, de derde maar één.
En als aan het einde de heer weer terugkeert
en verantwoording vraagt,
dan is het verschil nog groter geworden.
De eerste heeft er tien van gemaakt, de tweede vier.
Beiden hebben ze het bezit verdubbeld.
De derde heeft er niks mee gedaan.
Uit angst heeft hij het begraven,
zodat hij het ongeschonden maar ook ongebruikt aan zijn heer terug kan geven.
‘Ik heb er toch goed op gepast?’
Maar daar komt hij dus niet mee weg.

Pinksteren

 

Wat is de overeenkomst tussen water en vuur?

Niets, zou je zeggen, het zijn absolute tegenpolen.

Of wat hebben water en olie met elkaar?

Ook niets zo op het eerste gezicht, ze mengen zich niet.

Toch zijn deze dingen allemaal symbolen van de Geest van God.

De Heilige Geest wordt in Bijbel en traditie

op allerlei manieren symbolisch weergegeven.

Dat moet ook wel, wat ja, hoe moet je je anders een ‘geest’ voorstellen?

Zonder beeldtaal lukt het niet!

Gelukkig reikt de Bijbel ons allerlei mooie symbolen aan.

Gods Geest als een duif, die neerdaalt van omhoog.

Als wind die waait en frisse lucht brengt, en dus als water, vuur of olie.

Water dat nodig is om te leven, dat de natuur fris en groen maakt.

Vuur staat voor enthousiasme, ergens ‘in vuur en vlam’ voor staan.

En olie staat voor toegewijd worden aan God,

zoals in de Rooms-katholieke kerk nog steeds gebeurt,

bijvoorbeeld bij het vormsel.

Alles bij elkaar geven deze symbolen tóch een beeld.

Niet zozeer van wat de Heilige Geest ís, maar van wat Hij doet.

Met Pinksteren vieren christenen dat de Geest van God gekomen is.

Jezus ging weg, dat gedenken we met Hemelvaart,

maar met Pinksteren kwam de ‘vervanger’: God als Geest.

Onzichtbaar en ontastbaar, maar toch aanwezig.

Zelfs nog dichterbij dan toen Jezus op aarde was.

God komt met zijn Geest ín ieder die gelooft.

Een intieme band ontstaat tussen een mens en zijn God – dát is Pinksteren.

En dan ga je ervaren hoe passend

al die symbolen zijn die ik hierboven noemde.

Je wordt enthousiast voor het leven met de Heer

alsof er een vuur is ontstoken!

Er waait een frisse wind in je leven, je durft dingen te veranderen.

Het is alsof er fris water op je innerlijke tuin regent, zodat je opbloeit!

Is dat niet heerlijk?

Pinksteren is een feest van ervaring, van gevoel.

Want geloof is niet slechts iets wat je aanneemt met je verstand,

nee, het is een levensveranderende ervaring.

Die ervaring wens ik u allen toe.

Goede Pinksterdagen gewenst!

 

Thomas van Aquino,

de grote filosoof en theoloog uit de 13e eeuw

voegde aan de vier klassieke deugden,

drie ‘theologale’ of goddelijke deugden toe:

geloof, hoop en liefde.

Die drie deugden komen

uit de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinthe.

Daar schrijft Paulus

‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie,

maar de grootste daarvan is de liefde’ (1 Korintiërs 13,13).

De grootste, de belangrijkste is de liefde,

en met die deugd zullen we deze serie dan ook afsluiten.

Geloven is volgens Thomas

een gerichtheid op het ultieme goede, op Gód.

Maar geloof is volgens hem ook een geschenk,

een genadegave van God.

God is oorsprong en doel en zin.

We zijn van nature gericht op het goede,

maar dan wel het goede voor onszelf.

Het gaat er om dat wij ons richten op het goede

voor de gemeenschap.

Er is een kracht of een impuls buiten onszelf nodig

die ons richt op dat goede dat ons overstijgt.