Hemelvaartsdag

 

Macht is een ingewikkeld thema.
Mensen streven ernaar.
Wie macht heeft, is geneigd om anderen naar zijn hand te zetten.
In je eigen voordeel.
Of in lijn met wat jij denkt dat het beste is.
Het werkt verslavend.
Maar het roept ook verzet op als iemand zijn macht inzet.
De verhalen van machthebbers worden met wantrouwen gevolgd.
Je gelooft niet dat dit het hele verhaal is.
Wat probeert iemand echt te bereiken?
Politici proberen erachter te komen wat er gebeurt.
Vooral als het fout gaat.
Wie is waar verantwoordelijk voor?
De Tweede Kamer moet de regering toch controleren?
Journalisten vragen door, zoeken het uit, leggen verborgen verhoudingen bloot,
onderzoeken wie er rijker van wordt.
Macht is een ingewikkeld thema.
Wie of wat trekt er achter de schermen aan de touwtjes?
En kan ik dat vertrouwen? Waarom?
Of waarom beter niet?

Hemelvaartsdag draait om macht.
Onze Heer Jezus Christus heeft de hoogste macht gekregen.
God heeft hem de plaats aan zijn rechterhand gegeven,
lezen we in de Bijbel.
Alles heeft God aan de voeten van Christus gelegd.
‘Mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde,’

Hemelvaartsdag, waarop de macht in de wereld definitief gekanteld is,
brengt ons tot het gebed om het beter te begrijpen.
Om beter zicht te krijgen op Gods werk.
De wonderlijke gebeurtenissen van die dag toen Jezus opsteeg,
die wekken nieuwsgierigheid.
Wat gebeurde er? Wat gebeurde er echt?
Wat betekent het dat Hij alle macht heeft?
Maar laat Hemelvaartsdag je niet alleen tot gebed voor de kerk brengen.
Want gebed helpt je om zelf je weg te zoeken.
In de brieven van Paulus komen vaak geloof, hoop en liefde voor.
Als een prachtige samenvatting van de nieuwe levensstijl in Christus.
Een onafscheidelijke drietal.
Maar Paulus begint eerst met danken voor het geloof en voor de liefde.
Maar waar blijft de hoop?
Waar blijft de hoop?
De zekerheid van de bestemming?
Het anker in de hemel?
Het kompas voor je route?
Kennelijk blijft die achter.
En niet alleen bij Paulus, denk ik.
Het gebed om meer zicht op Gods werk is daarop gericht.
Dat je goed zicht blijft houden op de heerlijkheid die komt.
Dat je weet waar het op uit loopt.
Dat je besef hebt van Gods macht.
En je laat meenemen door zijn kracht.
Dan leer je wat belangrijk is.
Dan wordt niet alleen geloof en liefde,
maar ook de hoop een krachtbron voor je leven.

Wie trekt er achter de schermen aan de touwtjes?
Jezus Christus, je Heer, onze Koning!

 

Ze hebben het wel eens over

‘als Pasen en Pinksteren op één dag vallen’.

Ofwel: nooit, dat kan niet.

Maar toen ik met de Paasdagen hier in de buurt rondreed,

kreeg ik een moment de indruk dat Pasen en Kerst op één dag vielen.

Ik zag namelijk iets, met Pasen dus,

dat mijn gedachten direct naar de Kerst voerde.

Het zal wel een beroepsafwijking zijn…

Wat zag ik dan? Wel, onderweg zag ik verschillende bomen

die bij de grond waren afgezaagd.

Meer boomstronken dan bomen dus eigenlijk.

Maar nu zo mooi: uit die boomstronken groeiden allemaal nieuwe uitlopers,

er kwamen takken omhoog.

Het leven is er niet zomaar onder te krijgen!

Direct moest ik denken aan woorden van de profeet Jesaja

‘er zal een twijg voortkomen uit de afgehakte stronk van Jesse’

woorden die gewoonlijk klinken in de tijd net voor Kerst.

Een belofte in de vorm van een beeld:

als alle hoop vervlogen lijkt, zal er tóch een nieuw begin zijn.

Dat nieuwe begin is dan het kindje Jezus dat geboren wordt met Kerst.

Echter, past dit beeld ook niet prachtig bij Pasen?

De weg van de mensheid lijkt dood te lopen:

mensen gaan voor zichzelf, gebruiken geweld, onderdrukken onschuldigen…

In de kruisiging van Jezus werd het allemaal onthullend zichtbaar,

en anders wel in het wereldnieuws.

Is er dan nog een toekomst?

Of is de mensheid een afgehakte boomstronk waar het niets meer mee wordt?

Maar dan is daar het antwoord van Pasen.

Na Jezus’ kruisiging kwam zijn opstanding.

De boomstronk loopt uit!

Pasen zegt ons: er is een leven dat sterker is dan de dood!

Liefde overwint uiteindelijk de haat.

Er is hoop, want Jezus leeft! Hij als eerste ‘uitloper’,

toont dat er toekomst is bij God vandaan.

Wat zijn die boomstronken dan mooi!

Tekens zijn ze, om nooit op te geven,

maar verwachting te blijven hebben.

Jezus leeft, en deelt leven uit.

Geloof dat maar!

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

‘Hodie Mihi, Cras Tibi’, vandaag ik, morgen gij.

Deze tekst zie je nog wel eens op rouwborden in oude kerken of boven begraafplaatsen.

De mens wordt er aan herinnerd dat de dood niemand uitsluit.

Ook in tijden van crises zijn we uiteindelijk aan elkaar gelijk.

In haar boekje Crisis! uit 2022 schrijft Beatrice de Graaf

over de noodzaak tot een nieuwe vorm van crisisbeheersing.

‘In de eeuwen vóór de moderne tijd werd het crisisverhaal wel verteld

aan de hand van de metafoor van de “de dodendans”.

Jong en oud, arm en rijk is met elkaar verbonden

in een dodendans, want sterven gaan we allemaal.

En vanwege die gezamenlijke lotsbestemming

is het zaak elkaar bij de hand te houden.

De dans was een “memento mori”,

zorg dat je tijdens je leven eerzaam, eerlijk en oprecht leeft.

Dat je aalmoezen geeft, en omziet naar elkaar.

Want in een dodenhemd is iedereen gelijk. (…)

destijds wisten burgers wel dat er niets anders op zat

dan om met het onheil te leren leven. (…)

de dodendans moest gedanst worden.

Die voormoderne burgers wist eveneens allang

dat rampen nooit alleen kwamen. (…)

heldere simpele uitwegen uit de crisis waren en zijn er niet.

Er ziekt altijd wel iets door. Of breekt weer uit.’

De maakbaarheid van de mens en het menselijk leven

blijkt steeds weer duidelijk begrenst en/of maakt niet gelukkig.

Laatst las ik een artikel over een man die koste wat het kost

zolang mogelijk wil doorleven en het ultieme doel was eigenlijk eeuwig leven.

Gevolg wel was dat hij om die reden

invloeden van buitenaf zo veel mogelijk tegen te gaan,

geen tot extreem weinig contact heeft met de buitenwereld.

Hij is extreem eenzaam, maar alles voor het ultieme doel: eeuwig leven.

Maar eigenlijk heeft hij géén leven.

Aanvaarding van je lot maakt je – mijns inziens – tot een beter mens.

En ja, als christen geloof ik een een beter leven na dit leven,

namelijk het eeuwig leven in Gods koninkrijk.

 

Op een bepaalde leeftijd val je van je van je geloof.
Kleuters geloven nog heilig in Sinterklaas en zijn goede gaven.
Iets oudere kinderen weten van ‘hulpsinterklazen’
maar geloven toch ook nog in een échte.
Maar ergens in de onderbouw blijkt dat niet meer dan een verhaal.
Wil je cadeautjes, dan zullen we die elkaar moeten geven!
Op een bepaalde leeftijd van je van je geloof.
Tenminste, als je de hoofdlijn van krant en televisie volgt.
In veel artikelen in tijdschriften en kranten
vertelt bijna wekelijks iemand hoe hij of zij ergens in de tienertijd
stopte met geloof serieus te nemen.
Geloven in God als fase in de ontwikkeling naar volwassenheid,
zo wordt het vaak in de media neergezet, ook bijvoorbeeld bij verscheidene praatprogramma’s.
Over geloof en geloven wordt een beetje smalend gedaan. Grow up!!
Een weldenkende volwassene die nog gelovig is?
Dan is er zeker iets mis gegaan!
Lijkt Sinterklaas op God? In bepaalde opzichten wel.
Alwetend over ieders daden, het goede belonend en het kwade straffend.
In het bezit van een groot boek.
Wensen verhorend, vanwaar die ook worden opgezonden.
Als contrast een duistere figuur
– Zwarte Piet is echt geen ‘onderdrukte slaaf’
maar oorspronkelijk een symbool van duistere machten.
Is het dan niet logisch dat je na je geloof in Sinterklaas
ook van je geloof in God afvalt?
Er zijn genoeg mensen die God zien als een soort hemelse Sinterklaas,
met eerbied gesproken.
Doe je goed dan word je beloond, doe je fout dan zwaait er wat.
Echter, is dat nu de God waar christenen in geloven?
Zo’n god is slechts een projectie van het gevoel voor goed en kwaad.
Ik wenste wel dat meer mensen van dat geloof vielen!
De God waar ik in geloof is heel wat meer.
Hij leert me wat liefde is, en genade.
Hij geeft geen cadeautjes,
maar Hij geeft zichzelf – in de kribbe en aan het kruis.
Hij komt niet ééns per jaar, maar is er altijd.
Hij inspireert mensen tot goede daden,
in plaats van ze erop af te rekenen.
Nee, God is geen Sinterklaas.
En ik geloof nog steeds.
In Hem.

 

Laatst las ik een column in de NRC (02082023) van de hand van Nicolien Mizee.

Eerst even een korte samenvatting van deze column

‘Een hindoeïstische mevrouw gaat uit eten in een hip, vegan restaurant in Amsterdam.
In de wc van het restaurant staat een beeld van Ganesha naast het fonteintje.
Ganesha, zoon van Shiva, is een god met een olifantskop.
Dat heeft iets grappigs, dat begrijpt die mevrouw ook.
Toch hindert het haar en als de ober komt vragen of alles naar wens is, zegt ze er iets over.
De ober stelt voor Ganesha naar een respectvoller plek te verplaatsen.
Naast de plantenbak in de hoek?’
(…)
Op een gegeven moment gaat de columniste naar een pizzeria.
Ik laat Mizee weer aan het woord:
‘ik ga met mijn twee zusjes naar onze favoriete pizzeria.
Na een uurtje ga ik naar de wc en wat zie ik?
Een kruisbeeld is tot wc-rolhouder gemaakt:
Jezus heeft aan elke arm een wc rol en een derde rol over zijn hoofd.
Terug aan tafel, overleg ik fluisterend met mijn beide zusjes. Wat moeten we doen?
Een foto op Instagram zetten? Maar we zitten niet op Instagram.
Mijn jongste zusje haalt haar schouders op. „Ik snap niet waar jullie je druk om maken. Ik wil een dame blanche en daarna koffie.”
“Het kan Jezus natuurlijk niks schelen”, zegt mijn oudste zus.
“Die is wel erger bespotting gewend. Ik wil een sorbet.”
“Nog iets toe, dames?” Daar is de ober.
“Een dame blanche, twee sorbets”, begin ik, „iets anders: dat kruisbeeld op de wc…”
“Dat heeft mijn vader gemaakt! Ik vind het zó geinig!
Altijd aan het knutselen, die ouwe! Een dame blanche, twee sorbets.”
We zijn direct verzoend.’

Waar ik met deze blog naar toe wil?
Ik vraag mij oprecht af in hoeverre iets ons als christenen nog kan shockeren
als het om onze godsdienst en symbolen gaat?
Natuurlijk weet ik niet of de hier boven aangehaalde columniste christelijk is,
maar dat doet er ook niet toe.
In een tijd dat moslims in bepaalde landen de straat op gaan
als een stel radicalen in een ander land misschien de koran dreigen te verbranden,
vraag ik me af waar de grens bij christenen ligt.
En moeten we ergens een grens trekken?
Is het de vrijheid van een ander mensen te beledigen?
Tot mijn verbazing zie dat cabaretiers zichzelf bevragen en beperken
als het gaat om over de islam, omdat er dan misschien bedreigingen kunnen worden geuit.
Dat geldt meestal niet als christenen of het christendom worden beledigd.
Dan is vaak prijsschieten met de meest gevatte ‘opmerkingen’.
Heeft dit te maken met het feit dat ook wij westerse christenen
door de wasmachine van de Verlichting zijn gegaan
waarbij grote ideologieën en godsdienstige overtuigingen
niet meer ‘onkwetsbaar’ zijn.

 

Het is verkiezingstijd.
En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen
is het topic over de instroom van vluchtelingen.
Het kabinet is er zelfs over gevallen.
Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid
of simpelweg een boterham willen verdienen.
Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven?
Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…

Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan
de Hongaarse premier Orbán is een persoon
die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint.
Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen,
want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent.
En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement,
gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán,
voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring:
‘Wij willen geen immigratieland worden.’
De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv.
Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije,
die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen.
Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig.
Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen?
Weet u trouwens wat verbazend is?
Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement
ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken
om gastarbeiders van buiten de Europese Unie
op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen.
Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media.
Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren
door emigratie en lage geboortecijfers.
En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd,
is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren.
Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000
– een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van.
Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden
een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt.
Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt?
En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood?
Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen.
‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’.
‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven,
dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven.
Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op…
want alles wat jullie gedaan hebben
voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.

Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt
en er komen vluchtelingen op zijn pad,
dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen?
Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen.
Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’
– want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.

‘En toen Barnabas daar gekomen was en de genade van God zag,
werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan
om met een hartelijk voornemen bij de Heer te blijven.’
(Handelingen 11,23)

 

Hoe kijk je naar de dingen, de situaties, de mensen die je tegenkomt?

En welke woorden geef je eraan?

Barnabas heeft daarin een heel eigen stijl.

 

In Handelingen 11 lezen hoe het christendom zich verspreidt

vanuit Jeruzalem naar onder meer de stad Antiochië.

Daar ontstaat een gemeenschap van gelovigen

waaronder ook mensen met een niet-Joodse achtergrond.

Deze geruchten bereiken de moedergemeente in Jeruzalem.

Daar bevinden zich ook alle apostelen

die zelf met Jezus zijn opgetrokken en door Hem zijn aangesteld.

En vanuit het hoofdkwartier van de kerk

wordt iemand naar Antiochië gestuurd

om eens poolshoogte te namen en te zien wat daar gaande is.

 

En de man die gestuurd wordt is Barnabas.

Zelf is hij een Leviet, houdt zich strikt aan de wetten.

En dan ziet hij daar in Antiochië voor het eerst van zijn leven

niet-Joden, onbesnedenen, die zich laten dopen,

die Jezus willen volgen, een gemeente vormen.

Het ziet er allemaal zo anders uit, zo niet vertrouwd.

En je kunt je helemaal voorstellen dat bij Barnabas alle alarmbellen afgaan.

Dit is allemaal zo niet kosher, zo niet hoe hij het gewend is.

Hij had ze tot de orde kunnen roepen en

uit kunnen leggen hoe we dat in Jeruzalem doen.

Hij had kunnen wijzen op het hellend vlak.

Jullie weten toch:

van het een komt het ander en waar zal dit allemaal toch toe leiden.

 

Misschien kunnen we ons eens spiegelen aan iemand als Barnabas.

In hoeverre kijken wij op deze manier?

Zijn wij in de ander op zoek naar sporen van genade?

Kunnen wij ook oprecht blij zijn als we iets waarnemen van genade bij de ander?

En: durven we dat dan ook als zodanig te benoemen?

 

We leven in een tijd van secularisatie

waarin veel van wat te maken heeft met geloof

en God wordt verdrongen naar de marge van de samenleving.

Geloof wordt steeds meer gezien als iets wat thuishoort in de privésfeer.

Het gevolg er van kan zijn dat je je ontwent

om op een geestelijke manier naar de dingen te kijken

en op een geestelijke wijze erover te spreken.

 

Wat zeg je tegen elkaar in de gemeente: Succes? Zet hem op? Of: zegen van God.

Als je diep wordt aangesproken door woorden van God, zeg je:

fijne dienst, mooie preek, wat een spreker is dat.

Of: ik denk dat de Heer me vandaag iets wilde duidelijk maken.

 

Hoe vertel je over je genezing? Wat kunnen ze tegenwoordig toch veel hé?

Ja, ik ben echt een bijtertje, mij krijgen ze niet klein.

Of: het is de Heer die mij draagt, en heelt en geneest.

Slaan we elkaar bemoedigend op de schouder

of durven we ook eens de ander een hand op het hoofd om hem, haar

te zegenen in de naam van Jezus?

Zeg je tegen iemand die je de vrede van God brengt:

bedankt voor je bezoek, een beetje aandacht doet goed.

Of: ik heb in jou vandaag iets van Jezus gezien.

 

‘We leven niet in een tijdperk van verandering,

maar beleven de verandering van een tijdperk’, zegt paus Franciscus.

Daarbij veranderen ook de vormen van religie

en hun rol in de afzonderlijke samenlevingen en culturen.

De secularisatie heeft niet het einde van de religie gebracht,

maar een transformatie.

Terwijl sommige vormen van religie heftig door elkaar worden geschud,

zijn andere zo vitaal dat ze zich juist uitbreiden, over hun eerder grenzen heen.

Traditionele religieuze instellingen hebben hun monopolie op religie verloren.

In de geschiedenis openbaart God zich in het geloof,

de liefde en de hoop van mensen, ook van mensen in de marge van de kerken

en buiten de zichtbare grenzen daarvan.

De zoektocht naar God ‘in alle dingen’ en in alle historische situaties

bevrijdt ons leven van een ik-gerichtheid en leidt ons naar een openheid.

Hierin zie ik een teken van de tijd, een licht van hoop, zelfs in moeilijke tijden.

 

Deze wereld heeft en houdt Barnabassen nodig.

Mensen in wie de Geest van God woont en werkt.

Mensen die door de dingen heen kunnen kijken

en zien waar God zijn werk aan het doen is.

En die dat ook bij anderen opmerken, benoemen en versterken.

Je bent een gezegend mens als je iets hebt van Barnabas.

Dat als mensen jou ontmoeten en meemaken

ze zich gezien voelen en gekend, bemoedigd, versterkt.

En we zo bij elkaar verlangen oproepen

om samen nog veel meer te gaan zien en meemaken

van de genade en glorie van onze God.

 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.