Willem Bouwman vertelt in het Nederlands Dagblad van een plaat die in het midden van de negentiende eeuw de boodschap moest uitdragen om de mensen terug te brengen naar de kerk. De plaat is typerend voor de negentiende eeuw, toen de zondagsrust werd bedreigd door de snelle groei van het aantal fabrieken en de trek van miljoenen plattelanders naar de grote steden. Daar woonden ze in verpauperde wijken, ver bij de familie vandaan en zonder toezicht van de pastoor. Het was verleidelijk om ’s zondagsochtends uit te rusten en niet meer naar de kerk te gaan, als die er al was. Velen konden niet eens, omdat ze op zondag moesten werken. In die tijd ging de regel gelden: hoe groter de steden, hoe minder mensen in de kerk.
En
tot ieders verrassing lijkt de weg die naar de kerk leidt verdacht veel op de brede die wij Nederlanders zo goed kennen van een heel andere plaat over de brede en de smalle weg en waar de brede weg de weg nou net niet de christelijke levensstijl uitbeeld. Ik vind dit een interessant gegeven. De laatste tijd komen er steeds meer zaken in het nieuws, al of niet geholpen door de spreekwoordelijke komkommertijd, dat christenen en/of christelijke organisaties het zelf niet zo nauw nemen met hun eigen christelijke ethische normen of dat ze het moeilijk vinden het christelijk geluid echt te laten klinken. ‘De brede weg’ lijkt ook voor christenen erg aanlokkelijk. Het begint er werkelijk op dat de brede weg naar de kerk leidt. Laatst las ik dat niet-christenen zich vooral ergeren aan het feit dat christenen zich niet houden aan hun eigen normen en waarden. Ik denk dat we ons dat moeten aantrekken. Het lijkt er op dat christenen zich schamen voor de boodschap die ze uit moeten dragen, dat ze graag willen opgaan in hun omgeving en daardoor ook hun normen en waarden aanpassen aan anderen. Eigenlijk willen we dat de brede weg naar de ‘kerk’ leidt. Niet te veel opvallen, niet te veel anders dan anders zijn. Terwijl de boodschap die het christendom kan en moet uitdragen er een is van een totaal ander beeld met betrekking tot de hele wereld en de samenleving.
De brede weg leidt naar de kerk?
Ik heb daar zo mijn twijfels bij…
De vraag is alleen ‘kan dat altijd en is altijd even “zinvol”‘. Is het verantwoord om een patiënt te ‘redden’ als daarmee zijn leven voor de rest een ondraaglijke hel wordt? Een opmerking uit de praktijk: De techniek verfijnt, maar het vervolgtraject wordt vaak vergeten. ‘Nu zeg je tegen een tachtigjarige: gooi er maar een paar nieuwe hartkleppen in. Het automatisme is nog vaak: opereren. Of de patiënt daarna ooit nog thuis zal komen is de vraag.’ Moet je dan opereren? Kortom, mag een mens nog overlijden?
, omdat ze veel eerlijke producten gebruikt of promoot.
Het heeft er mede toe bijgedragen dat calvinistische leefstijlen verder zijn verwaterd.’ meldde het Nederlands Dagblad vanochtend. (Aanvullende berichtgeving van het CBS meldde dat het kerkbezoek onder protestanten eigenlijk nauwelijks afneemt, dat in tegenstelling tot rooms-katholieken en bezoekers van de moskee.)
Ik ben ervan overtuigd dat het christendom in het Westen nog steeds een zeggingskracht heeft voor de hele maatschappij, dat uitdagend kan zijn, prikkelend, dat aantrekkingskracht heeft, maar bovenal maatschappijkritisch dient te zijn. Dat is ook wat ik heb proberen duidelijk te maken in mijn post over Calvijn en het calvinisme. Ik denk dat we ons niet hoeven neer te leggen bij de geest van de tijd. Misschien worden we marginaal, maar dat betekent niet dat we ons niet hoeven te onderscheiden. Laten we eerlijk zijn, het christendom is zo ook begonnen, als een kleine splintergroepering die door wat zij deed verbazing, soms zelfs afkeuring oogstte. En ja, wanneer dan de traditionele kerken moeten worden hervormd, misschien opnieuw uitgevonden, het zij zo. Wat 0p de eerste plaats moet staan is dat de kerk, de christenen, een zoutend zout moeten zijn dat reinigt, misschien zelfs soms bijt, maar een boodschap heeft die uniek is! En dat is meer dan een soort algemeen spiritueel gevoel.
Dus: natuurrecht (dit begrip staat hier voor de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur) is zeer zeker belangrijk voor burgerlijke rechtvaardigheid en de publieke orde, maar uiteindelijk zullen al onze sociale instituties moeten vallen onder de kritiek van Gods Woord. Calvijns ethos sprak uit zijn uiteenzetting over het leven van een christen. Dit is het hart van de ethiek van Calvijn. Zijn verstaan van het leven van een christen berust op de kennis dat wij niet aan onszelf toebehoren, maar aan God door Jezus Christus.Wij zijn niet van onszelf, hierop gebaseerd ontwikkelde Calvijn zijn ‘ethiek’ als volgt. Aangezien wij bij God behoren, worden we opgeroepen te zoeken naar rechtvaardigheid en gerechtigheid in onze relaties met anderen en met God. Dat is het hart van het leven van een christen. God toebehoren in Jezus Christus betekent ook dat we elkaar toebehoren. Je zou dit kunnen omschrijven als een wereldtransformerend christendom waarin rechtvaardigheid en vrede elkaar omarmen of sociaal humanisme. De World Alliance of Reformed Churches (dat is een christelijke organisatie met meer dan 200 kerken) zou de economische en sociale getuigenis van Calvijn met betrekking tot het huidige leven van een christen omschrijven als een kritische uitdaging voor onze huidige economische politiek en praktijk.
en zelfverrijking. Zijn waarschuwing tegen ‘overtollige overvloed’ (of zoals adagium van Mahatma Gandhi luidde: ‘Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders begeerte.’) en oproep tot ‘onthouding, soberheid, matigheid en ingetogenheid’ klinken ouderwets en wereldvreemd in de oren en zijn dan ook volstrekt niet wervend, maar bevatten een diepere waarheid: overmaat belet het genieten, omdat men de waarde van de dingen niet meer kent. Goede relaties, een democratische samenleving, bestaanszekerheid, veiligheid en een zinvol bestaan blijken dan veel belangrijker dan egoïsme en ongelimiteerde zelfverrijking.
De varens zijn al een zeer oude groep waarvan fossielen bekend zijn uit het midden van het Devoon, in het Carboon was de groep zeer vormen en talrijk, hoewel de meeste van deze soorten in het Perm zijn uitgestorven is de groep altijd nadrukkelijk aanwezig geweest. Hmm, wij protestanten, van allerlei pluimage overigens, hebben getracht het oude geloof te ontdoen van allerlei aankleefsel, we zijn daarvoor bijna ‘uitgestorven’ (denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van o.a. de hussieten, de waldenzen, de albigenzen) maar we bleven een groep die steeds nadrukkelijk aanwezig zijn geweest. De wortelstok is voor de meeste varens uit koude en gematigde gebieden het enige deel van de plant dat winterhard is. In dat geval ontstaan iedere lente opnieuw nieuwe bladen vanuit de top of vanuit verspreid liggende knopen van de wortelstok zo vervolgt de informatie. Ja dat herken ik ook: protestanten hebben de neiging om, wanneer het in een gevestigde gemeenschap te ‘gevestigd’ lijkt te worden, de kern van het geloof in ‘een nieuw voorjaar’ weer in jonge bladeren te laten ontspruiten (zie hiervoor de initiatieven van de ‘emerging churches’ bijvoorbeeld). Jonge bladen zijn opgerold en hebben dan de vorm van een bisschopsstaf. Zou dit te maken hebben met het feit dat de jonge initiatieven zichzelf soms zien als ‘de enige richting die de kerk nog uit kan’? Ten slotte nog dit: De sporenhoopjes zijn de voorplantingsorganen van de varen. Wanneer de sporendoosjes rijp zijn barsten ze openen en laten de sporen vrij. Uit zo’n kleine spore ontstaat niet direct een varenplant. Eerst komt er een voorkiem, een hartvormig blaadje. Prachtig hoe het werk van de Geest in beeldspraak te berde wordt gebracht!! ‘Gij zaait uw naam in onze diepste dromen’ verwoordt gezang 487 dit wonder. Door dit wonder van de Geest mogen we het woord van God in ons laten groeien, Prachtig!! En eerst komt er dan een hartvormig blaadje. ‘Was ons hart niet brandende in ons’ verteld ons Lucas 24. Zo mogen we zijn, als mens met hartvormige blaadjes, brandende harten; zoals Aurelius Augustinus vaak wordt afgebeeld.
‘Er is vandaag een gastspreker’, zo doet hij verslag, ‘die prompt begint over de kredietcrisis. Hij geeft voorbeelden van de ernst ervan. Hij vertelt over een oude vrouw in Amerika die haar hypotheek niet meer kon aflossen en toen de mannen aan de deur verschenen om haar uit te zetten, schoot ze zich met een revolver door de borst. De uitbundigheid is veranderd in grimmigheid, iedereen is nu muisstil en ik ben benieuwd hoe hij zo’n werelds gegeven als de kredietcrisis zal verbinden met het woord van God. De voorganger vertelt over een tolmeester in bijbelse tijden die zichzelf flink verrijkte en door iedereen werd gehaat. Maar hij kreeg tegen het eind van zijn leven wroeging, en toen hij hoorde dat Jezus naar zijn stad kwam, wilde hij hem zien. Jezus keek hem aan en zag zijn berouw. De tolmeester kreeg vergiffenis, waarop hij al zijn bezittingen verdeelde onder de armen en de benadeelden. Crisis opgelost. De voorganger besluit: “Obama zegt: yes we can. Maar alleen Jezus kan het.” Als Hij nu maar snel komt.’
Op dit moment wordt het debat over de wenselijkheid van het koesteren van een doodswens niet gevoerd, omdat men vindt dat het recht op zelfbeschikking van een individu te allen tijde moet worden gerespecteerd. Maar dodend handelen een responsief handelen is tussen de doodswens van het individu en hetgeen een samenleving toestaat. Er is sprake van een sterk gesubjectiveerde oordeelsvorming en dat lijkt me een doodlopende weg. Ik pleit dan ook voor het ontwikkelen van standaarden over het goede leven en de goede dood waaraan individuen hun opvattingen kunnen toetsen. Wij dienen woorden als ‘ontluisterend’ en ‘mensonwaardig’ te herijken, waar ze nu vaak in het debat rond euthanasie worden gebruikt als angstig voorland waar een ieder zijn eigen nachtmerries over heeft. Actief-initiërend handelen optreden bij een euthanasieverzoek door artsen en andere hulpverleners wordt gelegitimeerd onder de vlag van ‘barmhartigheid’ in een situatie die zij interpreteren als ontluisterend, uitzichtloos of mensonwaardig. Artsen, maar ook andere hulpverleners, zien zich als een Verlosser, die hun handelen als daad van barmhartigheid beschouwen. Hier treedt een verschuiving op op het medisch-ethisch gebied bij het handelen van artsen. Waar vroeger de medische traditie het in dubio abstine hoog hield, treedt een aantal artsen ten onzent op als evidente actor in alle levensprocessen. In feite treedt dan een arts ook op als Verlosser die doodt op verzoek, en de goede dood bewerkt. Maar wat je in feite ook doet bij een ethanasieverzoek is dat je de ander die je opdraagt jouw wil uit te voeren, maakt tot het instrument waarmee jij jezelf doodt. Je kunt niet zomaar zeggen dat het bij zelfbeschikking alleen maar draait om jouw verhouding tegenover de ander. Ook je verhouding met God als Gever van het leven komt hier in het geding. In essentie gaat hier om het idee dat het leven aan de mens gegeven is en dat hij zodoende er zelf over mag beslissen. Dit is mijns inziens geen argument, maar eerder een voorstelling van zaken: je kunt erin geloven dat het leven ons eigendom is, of je kunt erin geloven dat je het leven ontvangen hebt. Ik geloof het laatste. Mijns inziens maakt het uit hoe je dood plaats in het door God gegeven leven. Ikzelf denk dat de dood een onderdeel uitmaakt van het door God gegeven leven en dat het tot de ars vivificandi hoort, en dat we ook het sterven en de dood niet in onze hand mogen nemen. Dit betekent niet dat we geen gebruik mogen maken van de door de medische wetenschap ons aangereikte hulpmiddelen om het lijden te verzachten middels sedatie. De arts dan dan nog altijd het doel voor ogen om het lijden van de patiënt te verlichten en hoeft niet in een ‘conflict van plichten’ te verzeilen. Naast het sterven en de dood meen ik dat ook het lijden een plaats heeft in het leven dat God ons toebedeeld.
