In Moskou, zo vertelde de verbannen Russische journalist Michaïl Zygar op CNN, vergelijken ze de VS van nu met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989. Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden: mensen geloven niet meer in het officiële verhaal. Ze zijn cynisch geworden. En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde, stortte het systeem in.
De vraag is nu: zien we iets vergelijkbaars in het Westen? Gaat hier echt iets fundamenteels kapot? En zo ja, wat precies?
Als je naar Europa en de VS kijkt, zie je een politieke cultuur die steeds harder wordt. Radicale en autoritaire partijen winnen terrein, democratische regels worden opgerekt of genegeerd, en veel mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd. Tegelijk groeit de polarisatie. Mensen zijn somber, boos en wantrouwig. Het gevoel dat ‘het systeem’ er niet meer voor hen is, zit diep.
Daarbovenop komt een hele reeks andere problemen: online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat, steeds minder respect voor zorgverleners en andere publieke beroepen. Mensen leven in bubbels, de onderlinge verbondenheid brokkelt af. De sociale lijm laat los.
Dat is zorgwekkend, want de westerse democratie is eigenlijk een vrij nieuw experiment. Het idee dat iedereen dezelfde rechten, kansen en waardigheid heeft, komt voort uit de Verlichting en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm in democratische rechtsstaten. Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie. Toen die instortte, dacht het Westen: zie je wel, wij hebben gewonnen.
Maar zo simpel was het niet. De liberale democratie bleek geen eindpunt van de geschiedenis. China liet zien dat kapitalisme prima kan zonder democratie. Oorlogen brachten geen democratie. En zelfs binnen het Westen begonnen landen afstand te nemen van liberale waarden. Ook in de VS staat de democratie onder druk.
Langzaam veranderde daardoor de houding tegenover democratie zelf. Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen in instellingen en kiezen vaker voor het idee van een ‘sterke leider’. Media, rechters, universiteiten en parlementariërs worden verdacht gemaakt. Populisten zetten ‘gewone mensen’ tegenover elites, migranten en kosmopolieten.
Ironisch genoeg kwam dat juist na een periode van zelfgenoegzaamheid. Liberale samenlevingen gingen geloven dat hun succes bewijs was van morele superioriteit. Die overmoed maakte blind voor wat er ondertussen veranderde.
Globalisering haalde industrie weg, de arbeidersbeweging verzwakte, en links richtte zich steeds meer op identiteit en cultuur. Veel traditionele kiezers voelden zich achtergelaten. Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin, maar wel in perspectief. Sociale migratie stokte. De meerderheid gelooft inmiddels dat hun kinderen het slechter zullen hebben.
Daarbovenop kwam een groeiende kloof tussen hoogopgeleide, stedelijke elites en mensen die minder mobiel zijn, vaker op het platteland wonen en traditioneler denken. Hun waarden werden weggezet als achterlijk of fout. Maar groepen die zich structureel vernederd voelen, accepteren dat niet eindeloos. Economisch gebeurde iets soortgelijks. Winsten en macht kwamen steeds meer terecht bij een kleine groep, vooral in de techsector. Die bedrijven beschikken nu over ongekende invloed en technologie. Democratische controle loopt daar ver achteraan. Het risico is dat we afglijden naar een vorm van digitaal feodalisme: veel controle, weinig inspraak, alles verpakt in gemak en entertainment.
Dat is geen sciencefiction. Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.
De kern van het probleem lijkt dezelfde als in de late Sovjet-Unie: mensen zijn het geloof kwijtgeraakt. Niet in één leider of partij, maar in het idee zelf van een liberale democratie. Dat systeem kan alleen werken als er minimaal vertrouwen is, als mensen de spelregels accepteren en elkaar als legitieme tegenstanders zien.
Als grote groepen dat niet meer doen, houden ze op met meespelen. Dan zoeken ze iemand die belooft het hele spel kapot te maken.
Is dit dan het einde van het Westen? Ja, misschien het einde van een tijdperk. Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af in economie of geopolitiek. Ze speelt zich af in onze hoofden. Of zoals Hemingway schreef: eerst geleidelijk, en dan… INEENS.
De vraag is nu of de idealen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden. Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt. Maar zonder dat gedeelde verhaal blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over. En dat weten we in Europa maar al te goed.
Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte. Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie, leek het continent op weg naar een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld. Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting. Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen, en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming en geopolitieke afhankelijkheid.
Die zekerheid is verdwenen. Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren: klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid, demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid en het verval van democratische instituties. De omstandigheden veranderen sneller dan ooit, en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang. Politieke leiders spelen daarop in: sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden; anderen bieden radicale terugkeer naar een geïdealiseerd verleden dat nooit werkelijk heeft bestaan. Volgens politicoloog Ivan Krastev is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.
De oorzaak hiervan ligt in Europa’s ‘pauze van de geschiedenis’ na 1945 en later na de val van de Berlijnse Muur ook een ‘pauze als defensieve macht’. En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen, bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op. Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele, op regels gebaseerde wereldorde bestond. Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek — zichtbaar in het Amerika onder Trump en in de assertiviteit van Rusland en China — blijkt de EU slecht uitgerust. Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem, maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit. Europa zit niet aan tafel, maar ligt óp tafel. Er wordt óver hen beslist Europa heeft geen duidelijke plaats onder de wereldmachten en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.
Daarnaast heeft Europa moeite om zijn eigen macht te erkennen, belast door een geschiedenis die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz. Het resultaat is een houding van zelfverkleining: Europa zou te verdeeld, te bureaucratisch en te traag zijn om daadkrachtig op te treden. Deze ‘machteloosheid van de machtigen’ biedt moreel comfort, maar ondermijnt Europa’s vermogen om zijn belangen te verdedigen. In een wereld die wordt gedomineerd door autocratische grootmachten is precies dat echter noodzakelijk voor een democratische toekomst.
Toch is het continent rijker, beter opgeleid en technologisch capabeler dan ooit. Het beschikt over de middelen om zijn positie te herdefiniëren maar wat ontbreekt, is de politieke wil. Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:
‘sommige uitdagingen moet je aangaan omdat ze moeilijk zijn.’
Alleen door die houding opnieuw te omarmen kan Europa zijn toekomst terugwinnen.
Philipp Blom schreef een essay: ‘Het grote wereldtoneel, over de kracht van verbeelding in tijden van crisis’. Hij schetst de grote problemen van onze tijd: Het klimaat, democratie die uitgehold wordt… Hoe moet je daar samen uit komen? Blom gebruikt het beeld van een toneel, Op het podium van het wereldtoneel hebben we behoefte aan een nieuw verhaal, aan een nieuwe manier van samenleven.
Verbeelding dus, in tijden van crisis. Nu dat is precies wat de profeten in de Bijbel ook doen: De toekomst staat op het spel, maar zij dromen van een andere toekomst. Grote woorden gebruiken ze: Trouw en waarheid, gerechtigheid en vrede, solidariteit.
Advent is dromen. Dromen van de toekomst. De evangelist Lucas laat zijn kerstverhaal beginnen bij twee mensen Zacharias en Elisabeth die het dromen misschien wel verleerd zijn. Lucas vertelt dat de engel Gabriël de boodschap van God aan Zacharias doorgeeft: Het wonderlijke nieuws dat God op bezoek komt en dat Hij een kind schenkt aan Zacharias en Elisabeth dat de wegbereider voor dit bezoek zal zijn. Verwachten zij nog wat? Zacharias blijft hangen in zijn ongeloof. In zijn hart is geen ruimte voor de woorden van God. Hij had om een teken gevraagd. Dat tekent ontvangt hij nu: hij moet zwijgen. Het ongeloof verhindert dat hij de zegen van God mag doorgeven. Ongeloof verhindert een mens altijd om tot zegen te zijn.
Dit jaar herdenken we dat het zeventienhonderd jaar geleden is dat de vroege christenen langzaam op weg gingen naar een historische verklaring: De Geloofsbelijdenis van Nicea was het resultaat van 300 jaar worstelen met een vraag die centraal stond in deze nieuwe beweging: als de Jezus die zij aanbaden in zekere zin de ‘Zoon van God’ was, wat betekende dat dan? Was hij een menselijke profeet, beter dan de meesten, maar in wezen net als wij? Was hij God in menselijke gedaante? Of een soort halfbloed – half mens en half goddelijk? Theologen verspilden bloed, zweet en tranen (letterlijk) aan deze vragen. Simplistische antwoorden werden aangedragen, maar bleken tekort te schieten. Er werden verhandelingen geschreven, synodes gehouden, tegenstanders werden gegeseld en geëxcommuniceerd. Er braken zelfs rellen uit toen de debatten in de Romeinse wereld hevig oplaaiden.
Uiteindelijk, in 325, bracht het Concilie van Nicea een zorgvuldig geformuleerde en moeizaam verkregen verklaring uit. Er stond dat Jezus ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit ware God, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader’ was. Elk woord was zorgvuldig gekozen en het resultaat van lang debat, diep gebed en overpeinzingen. Het loste niet alle problemen op, maar het heeft de tand des tijds doorstaan en wordt nog steeds in kerken over de hele wereld uitgesproken.
Ik heb hier deze zomer over nagedacht, terwijl onze politieke debatten woedden.
Neem de kwestie van immigratie. Aan de ene kant zijn er de spandoeken met ‘vluchtelingen welkom’, en dat de uitingen van tegenstanders een teken is van beginnend fascisme, en dat beweren dat we een immigratieprobleem hebben inherent racistisch is.
Aan de andere kant is er de ‘Nederland is vol’-campagne, zijn er oproepen tot massadeportaties, protesten tegen de komst van AZC’s, de suggestie dat alle immigranten profiteurs zijn die de ziel ‘de Nederlander’ vernietigen en er wordt opgeroepen om de grenzen snel te sluiten.
Maar het is veel ingewikkelder. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de claims van legale migranten, asielzoekers en illegale immigranten. De meesten zullen het er waarschijnlijk over eens zijn dat het bieden van welkom aan mensen die oorlog, vervolging en hongersnood in hun thuisland ontvluchten, juist en gepast is, en in lijn met een lange traditie van Nederland dat een toevluchtsoord bood aan anderen in nood. Mensen zullen altijd onderweg zijn, en het sluiten van alle grenzen is onrealistisch en onrechtvaardig. Het gematigde, vruchtbare Nederlandse klimaat, onze historische economische en politieke stabiliteit, ons goed gereguleerde rechtssysteem, het christelijk geloof dat onze cultuur heeft gevormd, zelfs de relatieve netheid van onze straten en platteland, zijn geschenken die we uit het verleden erven en waar we gul mee moeten zijn.
Toch zijn dit zegeningen die niet als vanzelfsprekend kunnen worden beschouwd. Ze moeten worden beschermd, niet alleen omwille van ons, maar ook voor degenen die een legitieme claim hebben om hier een thuis te hebben.
De meesten zullen het er dus ook over eens zijn dat illegale immigratie een plaag is, waarbij de meedogenloze schurken wanhopige migranten verleiden om op hun wankele bootjes de Middellandse Zee over te steken en weinig anders verdienen dan een strafrechtelijke straf. Toch zal zelfs massale ‘legale’ migratie het karakter van het land veranderen. Wanneer 40% van de kinderen in de basisschoolleeftijd minstens één in het buitenland geboren ouder heeft, en voor één op de vijf Nederlands niet hun moedertaal is, kan dat niet anders dan een impact hebben op het karakter van het land.
Maar deze complexiteit gaat verloren in de behoefte aan een pakkende kop. Noch ‘stuur ze naar huis’, noch ‘alle migranten welkom’ vat het dilemma samen. Het behoeft nuance. Er is zorgvuldig en geduldig werken nodig om de juiste balans te vinden tussen de verschillende eisen; medeleven met de vreemdeling en het behoud van de dingen die juist de vluchtelingen hierheen trekken.
Hetzelfde geldt voor Israël en Gaza. Voor de pro-Israëllobby is het bijna al antisemitisch om alleen al de aandacht te vestigen op het lijden in Gaza. Aandringen op terughoudendheid met betrekking tot Israëls vastberadenheid om Hamas te vernietigen, zelfs als dat betekent dat Gaza en een groot deel van de bevolking in de tussentijd vernietigd moeten worden, is een echo van de vernietigingskampen en een manier om de zionistische woede te temperen. Maar voor de pro-Palestinabeweging en haar aanhangers lijkt Israëls legitieme behoefte om in vrede te leven zonder een buurstaat die zich erop toelegt haar te vernietigen, niets te betekenen. Hoe kan van Israël verwacht worden dat het naast een regime leeft dat op brute wijze 1400 burgers op één dag heeft vermoord?
Het is ingewikkeld. De belangrijkste dingen wel. Iedereen die ooit een grote organisatie heeft geleid, weet dat het vaak een delicate kwestie is om een pad voorwaarts uit te stippelen en tegelijkertijd concurrerende belangen en perspectieven te behouden. Je verliest onderweg wel wat mensen, maar je kunt het je niet veroorloven om iedereen te verliezen, vooral niet als beide kanten van het debat enige legitimiteit hebben.
De lange strijd van de vroege kerk om orthodoxie te definiëren vergde tijd, geduld, zorgvuldige overweging en zelfbeheersing; ook al was ze daar soms niet erg goed in. Het resultaat was een genuanceerde uitspraak die tussen de ene pool; dat Jezus gewoon een heel goed mens was en de andere; dat hij God was, gekleed in menselijke kleding. De waarheid die uiteindelijk werd blootgelegd en omarmd, was niet het ene uiterste of het andere, en zelfs geen slap compromis, maar het zorgvuldig uitgewerkte, onwaarschijnlijke idee dat de beste inzichten van beide kanten samenbracht; dat hij niet ‘slechts menselijk’ of ‘slechts goddelijk’ was, of 50% van beide, maar 100% menselijk en 100% goddelijk, en dat dit (om redenen die te ingewikkeld zijn om hier op in te gaan) geen contradictio in terminis was.
De waarheid en de oplossing van onze dilemma’s over immigratie, of Gaza, zijn zelden eenvoudig. Ze vereisen nuance. Ze vereisen geduld. Ze vereisen zorgvuldige aandacht en luisteren naar de mensen met wie je het instinctief oneens bent om de waarheid te achterhalen. Toch pleiten ons verlangen naar een dramatische headline, onze honger naar simpele oplossingen, onze algoritmes die de meest extreme meningen promoten, allemaal tegen dit soort geduldige, waakzame politieke en sociale cultuur die ons zou helpen tot betere oplossingen te komen.
Het leven is ingewikkeld. Mensen zijn ingewikkeld. Oplossingen voor lastige kwesties zijn zelden eenvoudig. We hebben nuance nodig.
De titel van deze post is gebaseerd op het effect bekend uit de politicologie genaamd het ‘rally ‘round the flag’: pas tijdens een crisis zien we dat burgers van een land zich massaal achter hun leider(s) scharen. Ik pas het in deze post natuurlijk letterlijk toe als ‘rondom de vlag’.
In de aflopen campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen nam de Nederlandse vlag ineens een prominente plaats in toen Rob Jetten de vlag als teken van nationale eenheid en identiteit ging inzetten. Hij zei: ‘Ik vertel daarin waarom we de Nederlandse vlag niet mogen overlaten aan de PVV. Want die vlag is niet van één partij. Ze is van ons allemaal.’
Een vlag symboliseert die eenheid binnen een natie. Maar de afgelopen tijd werden vlaggen in het Nederland minder een bron van saamhorigheid en meer een brandpunt van verdeeldheid. Rechtse partijen en groeperingen zetten de vlag doelbewust daarvoor in. We hoeven alleen maar te kijken naar de pins met de Nederlandse vlag op de kleding van Kamerleden, of de Nederlandse en geuzevlaggen die meegevoerd werden met diverse demonstraties.
Eerder verschenen deze vlaggen – vaak ondersteboven – In dorpen en steden, op bruggen, lantaarnpalen en gebouwen door het hele land. De motieven van degenen die de vlaggen hijsen waren divers, maar de manier waarop verschillende groepen mensen deze vlaggen ervaren, draagt een alarmerende boodschap uit over de groeiende kloof die nu in onze natie bestaat.
Mensen met racistische motieven eisen de natie van hen ‘terug’, want zij voelen dat zij stateloos achterblijven en nergens meer bij horen. Maar voor hen die zich in het centrum of links van het politieke spectrum bevinden, voelen de vlaggen daarentegen als een regelrechte machtsclaim van extreemrechts en een teken van de groeiende populariteit van hun beleid en retoriek. Voor deze mensen zijn de vlaggen sinister en roepen een diep gevoel van dreiging op. De vlaggen dragen een intimiderende boodschap uit.
Maar er speelt nog een ander verhaal mee. Want terwijl de vlaggen blijven wapperen in de herfstbries, is iets wat voor de ene groep mensen een symbool van angst is, voor de andere groep een welkom teken van hoop: de vlaggen staan voor het herwinnen van een zelfverzekerde Nederlandse identiteit, die verloren was gegaan door een mislukt experiment in multiculturalisme dat de eigen gemeenschap diep angstig heeft gemaakt. En beide groepen hebben zo lijkt geen mogelijkheid meer om elkaar te verstaan.
Ik denk dat ‘de kerk’ hierbij een essentiële taak heeft om de verschillende groepen weer met elkaar in gesprek te brengen. Geloofsgemeenschappen zijn als geen ander staat om in een cultuur van echokamers en algoritmen, om elke kant van een conflict te begrijpen.
Want aan de ene kant moeten we ons bewust zijn van de duistere kant van het vlagfenomeen. Maar we dienen ook te begrijpen wat de behoeften en angsten zijn van de mensen voor wie de vlaggen welkom zijn.
En de grens tussen mensen is soms heel dubbel. Het kan bijvoorbeeld best zo zijn dat een vrijwilliger die in haar kerk meehelpt met projecten voor kwetsbaren en goed bevriend is met asielzoekers in haar gemeente, toch nog steeds een vlag laat wapperen omdat ze vindt dat de immigratie ‘te ver is gegaan’.
Want de vlaggen kunnen fungeren als een uitlaatklep voor de intense frustratie van mensen die zich achtergesteld en genegeerd voelen of leven met de chronische desillusie over een politiek systeem dat hen in de steek heeft gelaten. Vlaggen wapperen soms als uiting van een wanhopige roep om een land dat beter voor hen zou zorgen. Een beetje zoals een verwaarloosd kind dat iedereen eraan probeert te herinneren dat ook hij deel uitmaakt van de familie. Anderen voelen zich gefrustreerd omdat hun instellingen bereid lijken om veel verschillende vlaggen te voeren – de Oekraïense vlag of de LGBTQI+-vlag – maar zij vinden dat diezelfde instellingen zich schamen voor de vlag van hun eigen land.
Uiteindelijk zijn veel mensen oprecht trots op de vlaggen die boven hun gemeenschap wapperen, omdat het hen de kans geeft om hun trots te uiten voor een land dat zich vaak overdreven verontschuldigt voor zijn verleden en zich schaamt voor patriottisme.
Voor veel groepen is de globalisering en het transnationalisme, die door degenen die de macht hebben als de weg naar meer welvaart worden gezien, slecht nieuws geweest. Het heeft banen uitbesteed, lonen verlaagd, waardoor veel werkenden nog steeds afhankelijk zijn van uitkeringen, en het heeft geleid tot grote demografische veranderingen in gemeenschappen waarbij de lokale bevolking geen inspraak had.
Dit gecombineerd met jaren van slopende bezuinigingen en een politieke klasse die snel belooft maar traag levert, heerst er een krachtige en intense woede in veel groepen mensen en voor hen zijn de vlaggen een bliksemafleider geworden.
Het lijkt erop dat één vlag nu twee naties symboliseert. En wat zo alarmerend is, is dat de ene kant de andere nauwelijks begrijpt.
Hoe moeten christenen reageren? Want een verdeelde natie wil dat de kerk partij kiest en ziet ons zelfs als zwak en wankelmoedig als we dat niet doen. Maar de taak van een christen is niet om in elk binair debat de ene of de andere kant te kiezen. De opdracht is om aan de kant van de Heer te staan. En in deze context denk ik dat dat een tweeledig antwoord betekent.
Het betekent aandachtig luisteren naar iedereen. We moeten de angsten horen van hen voor wie vlaggen een teken zijn van groeiende intolerantie en daarom racisme en haat veroordelen. Maar even belangrijk is dat we, zelfs als we het niet met elkaar eens zijn, de woede van mensen moeten begrijpen en er een stem aan moeten geven. Want zij vrezen dat de natie die ze liefhebben, hen wordt afgenomen. Als die stem niet gehoord en begrepen wordt, zal extreemrechts maar al te graag het vacuüm opvullen dat ontstaat. In een verdeelde natie is het een deel van de roeping van de kerk om de ene kant te helpen de andere te begrijpen.
Het betekent ook om op de plek van conflict woorden van christelijke vrede te spreken. We mogen wijzen op het verlossende werk van Jezus Christus, waardoor we verzoend worden met de Vader en zo met elkaar. Laten we luisteren en begrijpen, maar bovenal het kruis hoog houden, want in dat symbool schuilt de enige ware en blijvende bron van eenheid.
de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971
Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa. Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich, terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait. Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen. En jongeren – maar zij niet alleen – verliezen hun vertrouwen in de democratie.
Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis, of zelfs een politieke of een identiteit of etnische. Het is eerder een spirituele crisis. En als je er met deze bril op naar kijkt, zie je overal de tekenen ervan.
Zoals afgelopen zomer toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken, een nationale militaire opbouw aankondigde, met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera. Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd door de algemene Noord-Europese angst voor het expansionistische Rusland. Kort daarna sprak ze een groep studenten van de Universiteit van Aalborg toe waar ze iedereen verraste door te zeggen:
‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’
Ze sprak over het onderscheidingsvermogen dat nodig is om waarheid van onwaarheid te onderscheiden in een wereld waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist, niet meer technologie. Herinvoering van de dienstplicht is één ding, maar mensen overtuigen om te vechten en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders. Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken. Waarom zou Generatie Z vechten voor een economisch systeem dat niet in hun voordeel lijkt te werken, hen geen uitzicht biedt op een eigen huis of een vaste baan, en weinig te bieden heeft om tot heldendom te inspireren? John Lennon stelde zich een wereld voor met ‘niets om voor te doden of te sterven’. Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven, is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.
De oproep van Frederiksen is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa. Een ander is de opkomst van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd. Elites mogen dan neerkijken op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen, maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert en die het verlies betreuren van het culturele en breed christelijke kader dat, in de herinnering van vorige generaties, eeuwenlang het besturingssysteem van het Nederlandse leven vormde. Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig en het gebrek aan iets om het te vervangen, vormen een probleem. Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme, gericht op het vernietigen van het geloof, maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.
Een andere is wat wel de ‘Stille Opwekking‘ wordt genoemd: tekenen van hernieuwd kerkbezoek onder (vooral) jonge mensen. Oplevingen van religie vinden meestal plaats wanneer een gemeenschap voelt dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd. In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels, naar beschikbare bronnen van wijsheid en geruststelling. Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’, maar het is veeleer een teken van een verlangen naar een spirituele betekenis, naar iets heiligs, iets dat niet voor geld te koop is en een waarde heeft die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.
Dus, terug naar verrassende oproep tot spirituele vernieuwing van Mette Frederiksen, in haar eigen land. Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa, Nee, Frederiksen staat niet bekend als een regelmatige kerkganger en haar sociaaldemocratische partij is de afgelopen decennia stond over het algemeen lauw tegenover religie. Toch was ze eerlijk genoeg om het probleem te erkennen. Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden dat de waarheid niet bestaat, is het niet verwonderlijk dat we het moeilijk vinden om waarheid van onwaarheid te onderscheiden. Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd dat de belangrijkste stem om naar te luisteren onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ – is het niet verwonderlijk dat we geen idealen meer hebben om ergens voor te leven of te sterven. Jongeren gaan misschien de straat op vanwege klimaatverandering of Palestina, maar zijn ze bereid hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs, dat dat alles te boven gaat, zelfs als het hun beschaving al generaties lang in stand houdt?
Waarschijnlijk niet. En er is geen reden om te denken dat Denemarken anders is dan welk ander Europees land dan ook. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland, ook al zijn onze politici niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen in het signaleren van het probleem.
Dus waar is het antwoord te vinden? Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:
‘Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken, omdat die een natuurlijke gemeenschap en een nationale basis biedt… Als ik de Kerk was, zou ik nu denken: hoe kunnen we zowel een spiritueel als een fysiek raamwerk zijn voor wat de Denen doormaken?’
Maar daarin schuilt nu juist het probleem. De Deense Kerk, één van de lutherse kerken in Noord-Europa, verkeert niet bepaald in een goede gezondheid: 70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk, maar slechts 2,4 procent van hen komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk – wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.
Filosoof John Gray is vernietigend over de gevangenschap van de westerse kerken in de tijdgeest. Hij beschouwt ze als ‘een weerspiegeling van de verwarring van de tijdgeest in plaats van een coherent alternatief te bieden… dit soort christendom is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’
Dat is misschien wel het probleem, maar het is ook de kans. Het christendom is de standaard spirituele traditie van het Westen. Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit. Anderen komen en gaan, maar dit geloof zit in onze aderen, in ons landschap, onze kunst en ons geheugen. Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen, heeft het talloze mensen geïnspireerd tot een leven van onbaatzuchtige toewijding. Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk, toen een nieuwe middeleeuwse, gekerstende beschaving ontstond uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen, of tijdens de hervormingsbewegingen van de zestiende en zeventiende eeuw, of tijdens de missionaire bewegingen van de negentiende eeuw. Keer op keer is het een katalysator gebleken voor wijsheid om de uitdagingen van de crisis het hoofd te bieden, voor individuele zelfopoffering, culturele vernieuwing en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling: iets om voor te leven en te sterven.
En dat is nog steeds zo. Je hoeft alleen maar terug te denken aan de 21 Libische martelaren – voornamelijk gewone Koptische christenen uit een eenvoudig dorp die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen en die een gruwelijke dood verkozen in plaats van hun geloof in de liefde van Christus te verloochenen, om te laten zien hoe het christelijk geloof iets biedt niet om voor te doden, maar wel om voor te sterven.
Ik twijfel er niet aan dat het christendom dat opnieuw kan bieden. Niet als een terugkeer naar iets uit het verleden, maar in een nieuwe vorm die trouw blijft aan zijn wortels, maar op een manier die er nieuw uitziet; misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.
Kunnen christenen, zoals John Gray het verwoordde, een coherent alternatief bieden voor de verwarring van de tijdgeest in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?
De toekomst, niet alleen van het Europese christendom, maar ook van Europa, hangt er mogelijk van af.
Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen. Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?
‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’
‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’
‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’
Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.
Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord: het westers christendom krimpt! En de gesprekken die er dan over werden gevoerd werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid. Het geluid werd zelfs zo sterk dat we zelf er ook in begonnen te geloven.
En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.
De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen – en later geflankeerd door Nederlands onderzoek dat zelfs de landelijke media haalde – de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren, met name onder jonge mannen. Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk, de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen en spirituele openheid onder jongeren. Dus ook in Nederland zie en hoor je van hernieuwde en nieuwe belangstelling voor het christelijk geloof. Het schetst een beeld van een multi-etnische en multi-generationele kerk die transformeert, samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap. En dat het allemaal erg spannend. Welke kant gaat het op en wat beklijft?
Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen die minstens één keer per maand naar de kerk gaan en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent. Het laat een radicale verschuiving zien onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar, allemaal binnen de Generatie Z, die vaker aan deze definitie van kerkgangers voldoen dan welke andere generatie dan ook, met uitzondering van degenen boven de 65. Een verdere omkering van de normen is dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen, in de meeste leeftijdsgroepen, maar vooral onder mensen onder de 35. Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om ‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’, maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.
Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.
Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig. Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt, en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten. Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden, naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden. Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen, komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen. Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen: ‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’ Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren belangstelling tonen voor het christelijk geloof. In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering. Jongeren die zich via sociale media tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten. Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1 als in de Gereformeerde Gemeente. Hij is op zoek naar zijn plek in de muziekwereld als jonge gelovige. ‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.
Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit; dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond in een opkomende spirituele generatie, ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.
Naar de kerk gaan is goed voor je. In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises. Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig, hebben meer hoop voor de toekomst en geloven dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers, en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen. Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers, wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.
Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen – die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd. Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding met mensen in de bredere gemeenschap, waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen zich verbonden voelt met mensen in hun buurt, vergeleken met slechts een kwart van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten. Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk, loopt dit percentage op tot 68 procent, wat kerken een ongelooflijke kans biedt om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.
‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op. ‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan, die zich verbonden voelen met hun gemeenschap en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten – ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap. Dit is niet het beeld dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien, maar het is wel een krachtig beeld.
Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf, maar ook voor je gemeenschap. De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik die het biedt op een christendom dat geloof in actie uitstraalt. Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn, maar ook het leven van anderen willen verbeteren – 78 procent van alle kerkgangers is het erover eens dat het belangrijk is om een verschil te maken in de wereld.
Vooral de jongere generaties van de kerken die verlangen naar sociale verandering, hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen van positieve verandering, en voelen zich verantwoordelijk om bij te dragen aan hun gemeenschap. Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel, een lokale voedselbank steunen en deelnemen aan activiteiten ter verbetering van het milieu worden gezien als de gevolgen van christelijk geloof in actie. Het geeft de gevolgen aan van kerkgang door een diepe belichaming van Gods liefde en het doorgeven van deze liefde aan anderen.
‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd, waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld. Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt. Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet: ‘Ik had honger en jullie gaven me te eten, ik had dorst en jullie gaven me te drinken.’
Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over. Hoe kunnen we reageren? Waar leidt dit toe? Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus? Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast, is misschien een understatement. We leven in tijden van politieke onrust. Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt. De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.
De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben. Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen. De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers meer te erkennen, iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers. Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk: om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven, er moet nadruk gelegd worden op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.
Laten we echter dit mooie nieuws ook met een korreltje zout nemen; nuchter blijven en niet meteen té euforisch worden. Want de populariteit van het christendom is de afgelopen tweeduizend jaar vaker toegenomen én ook weer afgenomen. Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was, zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie van het Romeinse Rijk begon te worden.
Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee. Wanneer de aantrekkelijkheid van het christendom bekoeld is, heeft het de neiging zijn ziel te verliezen, zijn radicale aard verwaterd zeker door de mensen die zich tot het kruis trokken als een soort modeaccessoire. Op sommige momenten is het geslonken tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden, zoals de elf angstige discipelen die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus. Of tot een groepje stoere, ruige christenen dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.
Ook zijn de waarheidsaanspraken van het christendom vaak niet populair. Maar voor ons christenen blijft ons geloof waar, of mensen het nu geloven of niet. Dus het feit dat er nu meer mensen geloven dan een paar jaar geleden, maakt het christelijk geloof niet meer of minder waar.
Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen over de ondergang van de kerk toch nooit al te serieus genomen. Daarom ben ik ook niet iemand die meteen de slingers ophangt als de voorspellingen voor het christendom nu positief uitpakken.
Ik denk dat zij die geloven in Jezus, een beetje sceptisch moeten zijn over onderzoeken en statistieken. Getalsmatige projecties en kansberekening zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken, maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen. Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt, zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.
De aantrekkingskracht van het christelijk geloof is juist dat het niet gebaseerd is op hoeveel mensen erin geloven. Het draait om een gebeurtenis waarbij het eeuwige tijdelijk werd, waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad in de gedaante van een rabbi uit Galilea. Het overstijgt daarom tijd en ruimte, opiniepeilingen en enquêtes. Het geeft een vertrouwen dat niet geworteld is in de wisselende stemming van de publieke opinie, die het ene moment op en het andere moment weer neer gaat, maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.
Wees dus blij, als je dat wilt, met het vooruitzicht op een komende, hernieuwde golf van geloof. Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst. Zoals Jezus ooit zei: ‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen, maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)
En toch…. Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom resoneert een zacht, laag en constant gezoem. Het eist niets; het deelt. Het overstemt anderen niet; het luistert. Het houdt niets achter; het nodigt uit. Het waardeert daden boven woorden. Is dit het geluid van een stille opwekking?
Ergens in een kloostertuin in het Atlasgebergte in Algerije liggen zeven eenvoudige grafstenen naast elkaar. Ze horen bij evenzovele vermoorde monniken. Onder hen de abt: frère Christian de Chergé. Het verhaal achter deze grafstenen wordt gevangen in de film ‘Des hommes et des dieux’ uit 2010. Frère Christian en zijn zes medebroeders bewonen een klooster in Algerije. Christian was aanvankelijk Frans officier. Hij werd vrienden met de Algerijnse politieagent Mohammed. Mohammed was moslim, Christian christen. Het stond hun vriendschap niet in de weg. Maar anderen rond Mohammed hadden hier grote moeite mee. Christian was voor hen een vijand: Fransman, militair en christen. Op een dag werd Christian ingesloten door moslimfundamentalisten. Hij vreesde voor zijn leven. Maar Mohammed sprong er tussen en redde zo Christians leven.
Een paar dagen later werd Mohammed gevonden bij de put achter z’n huis: gewurgd. Zijn vriendschap met Christian en zijn reddingdaad kostten hem zijn leven. Dit bepaalde Christians verdere leven: iemand had létterlijk zijn leven voor hem overgehad. Dat deed hem zoveel dat hij besloot in te treden in het klooster, om zich te wijden aan God en de mensen. In zijn denken en geloven werd een bepaald begrip belangrijk: het martelaarschap van de liefde. Dat had hij van zijn vriend Mohammed geleerd: de liefde is bereid om te lijden omwille van de ander. Zelfs voor de vijand.
Toen een tijd later een stel moslimfundamentalisten de omgeving onveilig maakte, kwamen ze ook bij het klooster. Hun leider eiste drie dingen: de dokter van het klooster, medicijnen en geld. Christian weigerde. Hij schreef later: ‘Niet alleen omdat ik mijn broeders hoeder ben, maar ook omdat ik deze broer moest hoeden, die voor me stond, die het nodig had om iets te ontdekken in hemzelf, dat anders was dan wie hij geworden was (…) ik wil niet sterven met haat, ik geloof in God, die onze Vader is. Ik geloof in genade, voor jou en mij.’ Zo wilde Christian getuige zijn.
Maar de spanningen lopen op. Het wordt steeds gevaarlijker en angstiger. Op een dag zijn de kloosterlingen bijeen in de kapel om te bidden. Ineens horen ze het geluid van een naderende gevechtshelikopter. De helikopter richt z’n boordmitrailleur op de kapel. Christian begint te zingen, de broeders slaan de armen om elkaars schouder. En tegen die herrie boven hen, tegen het dreigend geweld in, zingen ze.
Ik vind het een prachtig beeld voor ons als kerk, als gelovige. Om tegen alles in, tegen de dreiging, de terreur, de haat, de onverschilligheid, de lauwheid, de crisis, de oorlog, de verdeeldheid. Om tegen dat alles te zingen. En moed te houden. Te blijven hopen. Vanwege Hem, die is en die was. Die gekomen is en komen zal.
Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld: de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen de komende tijd zullen decimeren en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt naar de eigen rol te kijken. Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’ of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten van het idee van een levenslang predikantschap. (sic) Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op: een apostel en verkondiger van het evangelie maar daarnaast een tentenmaker. Ergens klinkt bij deze gedachte door bij het aankijken tegen het ambt van predikant: of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord; of een persoon die naast een betaalde baan de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet. Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting, zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt. Moet je dan koste wat het kost vasthouden aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is – of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?
Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen. Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom het zo geplaagde ambt van de predikant. Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten, maar herinvesteren een groot deel van hun winst in hun organisatie en in de gemeenschap om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken. De maatschappelijke impact van social enterprises wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde) producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft. Een social enterprise:
1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first. 2. Realiseert dat doel als private onderneming, met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert. 3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel of andere vormen van waarde uitruil: is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies 4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd: de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers, en bewust van haar ecologische voetafdruk.
Een social enterprise onderscheidt zich van een traditioneel commercieel bedrijf omdat dat zij haar maatschappelijke missie boven financiële doelen heeft gesteld. Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na. Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren, dan moeten zij ook financieel gezond zijn. Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken. Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen in dat zij financieel zelfvoorzienend is. Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.
ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt – iets waar ik dus echt over na wil denken, misschien van roeping naar beroep – maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’, dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren. Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden zoals de predikant te zien als social entrepeneur en de kerk als social enterprise, maar om alleen maar zo’n concept te doordenken kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.