Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Loop een willekeurige verjaardag binnen
en je hoort het meteen:
Nederland is kapot. Gebroken.
Beste mensen,
We zijn één van de rijkste landen ter wereld
en toch klinkt het alsof we collectief
op een doorgezakte campingstoel zitten
te mopperen over alles.
Over de politiek.
Over “de staat van het land”.
Over elkaar.
Alsof het ergens onderweg mis is gegaan
en niemand precies weet wanneer.

Dus ja, de vraag dringt zich op:
is Nederland kapot?
Is dat tere vaasje
waar Mark Rutte
het ooit over had gebroken?

Eerlijk antwoord: ja.
Natuurlijk.

Maar nieuwsflash:
dat geldt voor élke samenleving
die ooit door mensen is gebouwd.
De grote kerkvader Augustinus
zei het al, zestien eeuwen geleden:
‘geen enkele menselijke samenleving is onschuldig.
Geen enkele cultuur is puur.
Elk land is gebouwd op onrecht, geweld,
machtsmisbruik of uitbuiting
of een mix van die vier.
Het Romeinse Rijk,
het grote voorbeeld van beschaving in zijn tijd,
draaide op onderwerping en geweld.

En wij?
Wij zijn niet ineens een morele uitzondering.

Volgens diezelfde Augustinus
is er maar één stad die écht heel is:
de Stad van God.
Een samenleving die niet draait
om eigenbelang,
maar om zelfopoffering.

En die bestaat hier niet.
Althans, nog niet.
Alles wat mensen bouwen,
is in meer of mindere mate gebroken.

Dus ja,
de mensen die zeggen
dat Nederland gebroken is,
hebben gelijk.

Maar meestal gaan ze
tegelijk de mist in op drie punten.

Eén:
ze doen alsof dát het enige is
wat je over Nederland kunt zeggen.
Gebroken of niet
en kies je het verkeerde antwoord,
dan hoor je bij ‘de verkeerde kant’.
Maar het leven is geen ja/nee-vraag.

Het christelijk verhaal kijkt anders.
Het zegt:
Nederland is tegelijk geschapen, gevallen
én hier en daar verlost.
Het is een goed land,
bevolkt door mensen
die door God geschapen en geliefd zijn.
Een land met creativiteit,
zorgzaamheid
en een enorme potentie
voor het goede.
Maar ook een land
waarvan de rijkdom
deels is gebouwd op slavernij, kolonialisme,
uitbuiting en milieuschade.
En tóch:
ook een land met instellingen
en tradities die hoe gebrekkig ook
iets van genade laten zien.

Neem de zorg.
‘Die is kapot,’ horen we dagelijks.
Wachttijden, personeelstekorten,
managers met spreadsheets.
Papierwerk.
En ja, dat is allemaal waar.
Maar vergis je niet:
het gros van de wereld
zou een moord doen
voor ons zorgstelsel.
Hetzelfde geldt voor onze rechtsstaat, onze economie,
onze politie en krijgsmacht.
Niet perfect, vaak onder druk,
maar meestal geen corrupte puinhopen.
Gods genade
werkt ook in gebroken systemen.
Dat mogen we best hardop zeggen.

Twee: het idee dat er ooit een gouden tijd was.
Een moment waarop Nederland wél soepel,
harmonieus en rechtvaardig functioneerde
totdat zíj het kwamen verpesten:
Immigranten.
Woke-activisten. kapitalisten.
Fascisten.
Kies je vijand.
Maar die tijd heeft nooit bestaan.
Onvrede hoort bij het menselijk bestaan.
Alles wat we bouwen,
draagt de kiem van verval al in zich.
Niets blijft.
Geen systeem.
Geen ideologie.
Geen kabinet.
(lekker positief voor Jetten, dit)

En drie:
het idee dat wij, of onze favoriete partij
het wel even gaan fixen.
Elke hervormingspartij belooft redding.
Net als Trump.
Net als Biden of Obama.
Net als iedere nieuwe leider ooit.
Ze móéten wel.
Maar politiek is, zoals Bismarck zei,
de kunst van het haalbare.
Van het op-één-na-beste.
Dat is geen cynisme,
dat is realisme.

We hebben politiek nodig.
We moeten samenleven,
compromissen sluiten,
het een beetje draaglijk houden.
Maar laten we asjeblieft ophouden
te doen alsof politici ons gaan redden.
Of de markt.
Of de staat.
Zij kunnen ons niet vergeven.
Onze zelfzucht niet genezen.
Onze gebroken harten niet helen.

Dus ja: Nederland is gebroken.
Net als elke menselijke samenleving.
Laten we stoppen met slogans
en beginnen met eerlijkheid.
We waarderen wat goed is.
We erkennen wat fout is.
We proberen samen te leven
met bescheiden verwachtingen
van de politiek.
En met het besef
dat echte redding
van elders moet komen.

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Wat er nu rond Trump gebeurt,
is eigenlijk niet zo nieuw.
Buitenlandse leiders arresteren.
Luchtaanvallen uitvoeren
zonder toestemming van het Congres.
Bondgenoten onder druk zetten.
De VS deden dit al decennia.
Altijd.
Het verschil zit ’m ergens anders in.
Niet in wat ze doen,
maar in wat ze níét meer doen:
zich rechtvaardigen.

Vroeger deed Amerika alsof.
Alsof het ging om mensenrechten.
Om democratie.
Om het internationaal recht.
Dat was vaak hypocrisie, ja.
Maar hypocrisie is tenminste
nog een knikje richting moraal.
Een knipoog naar het idee
dat goed en kwaad bestaan.

De schok van Trump 2.0
is dat dit dunne laagje vernis van moraliteit verdwenen is.
Niet: “We doen dit voor de democratie.”
Maar: “We doen dit omdat we het kunnen.”
Toen Trump werd gevraagd
wat hem internationaal zou kunnen tegenhouden,
zei hij:
“Mijn eigen morele kompas.”
Dat is… niet bepaald geruststellend.

Zijn rechterhand Stephen Miller
was nog eerlijker:

‘de wereld wordt geregeerd door kracht, geweld en macht.
Wij zijn een supermacht.
Dus we gaan ons gedragen als een supermacht.’

En voilà: paniek.
Is dit het einde van het internationaal recht?
Zijn we terug bij pure machtspolitiek?
Mensen halen Thucydides erbij:
‘de sterken doen wat ze kunnen,
de zwakken lijden wat ze moeten.’
Alsof moraal een dun laagje verf was
dat nu definitief is afgebladderd.

Maar wacht even.
Wat gebeurt er als een land stopt
met doen alsof het moreel is?
Als het kwaad stopt
met het betalen van hypocrisie aan de deugd?
Dan zijn er twee opties:

De eerste – en die zit diep in ons systeem –
is: dit is nazisme.
Macht maakt recht. Klaar.
Dietrich Bonhoeffer noemde dat in 1933 al
een misdaadsyndicaat.
Met zulke regimes kun je niet praten, alleen vechten.
Sinds 1945 is dit onze ultieme nachtmerrie.
Hitler is het ijkpunt van het absolute kwaad.
Iemand demoniseren?
Teken er een snorretje bij en klaar.

Maar dat is een wankele basis
voor een moreel wereldbeeld.
Niet al het kwaad draagt een hakenkruis.
En eerlijk:
deze obsessie heeft ons niet geholpen
om de echte problemen
van deze eeuw aan te pakken.
Noch om te ontdekken
wat we wél belangrijk vinden.

En dat systeem brokkelt nu af.
Rechts negeert oude taboes.
Links heeft het morele middelpunt
verlegd naar kolonialisme, slavernij, apartheid, Israël.
Het enige waar beide kanten
het met ijzingwekkende
vanzelfsprekendheid over eens zijn:
Joden zijn verdacht.

Maar zijn Trumps mensen nazi’s?
Waarschijnlijk niet.
Echte morele leegte is zeldzaam.
Mensen zijn morele wezens.
Ethiek haat een vacuüm.
Niemand gelooft echt dat alles mag.

Wat hier gebeurt,
lijkt eerder op een brandgrens.
Een moreel niemandsland.
De oude naoorlogse consensus
wordt in brand gestoken.
Wat ervoor in de plaats komt?
Dat weet niemand.

Maar één ding is vrijwel zeker:
het wordt niet “niets”.
We gaan graven in oude ideeën.
Christelijke moraal.
Liberale waarden.
Spiritueel en seculier door elkaar.
Een rommelige, ongemakkelijke mix.

En eerlijk?
Dat is misschien precies wat we nodig hebben.

Dus nee, paniek is niet nodig.
Maak je geen zorgen.
De hypocrisie komt wel weer terug.

Gebed door een aantal evangelicale voorgangers voor president Trump

‘Het verleden is een vreemd land’, schreef L.P. Hartley.
‘Ze doen het daar anders.’
Nou, zet dat maar gerust in hoofdletters
als je het over Amerika hebt.
De Verenigde Staten zijn een vreemd land.
Zeker voor ons, kijkend vanaf de zijlijn
met koffie in de hand en opgetrokken wenkbrauwen.

Ik heb lang geprobeerd te snappen
waarom zóveel evangelicals Donald Trump omarmen.
Want nee, dat zijn lang niet allemaal
die karikaturen die wij hier graag opvoeren:
witte mannen in pick-ups en countrymuziek keihard aan,
Confederatievlag achterop.
De evangelicale wereld in de VS is veel diverser.
Er zijn megakerken vol kleur, migrantenkerken,
jonge gemeenschappen die Trump verafschuwen.
Maar het woord ‘evangelical’? Dat is inmiddels gekaapt.

Het label is verworden tot een politiek sjibolet.
Ben je pro-Trump, anti-woke en Republikeins?
Dan ben je blijkbaar ‘evangelical’.
Theologie optioneel.
Zo absurd dat zelfs moslims
in enquêtes die term zijn gaan gebruiken.
Ik zei toch: vreemd land.

Laat één ding duidelijk zijn:
zelfs de meeste evangelicals
die Trump steunen,
zien hem niet als moreel lichtend voorbeeld.
Niemand noemt hem een heilige.
Ze kennen zijn geschiedenis
met vrouwen, geld en waarheid.
En toch stemmen ze op hem. Waarom?
Grofweg zijn er twee smaken.

De eerste is koud en zakelijk:
karakter slecht, beleid goed.
Een deal.
Stem voor beleid dat abortus beperkt,
traditionele gezinswaarden verdedigt,
transdebatten afremt, wapens beschermt,
China wantrouwt, illegale immigratie aanpakt
en de kosten van levensonderhoud niet verder opjaagt.
Trump als noodzakelijk kwaad. Niet mooi, wel nuttig.

De tweede smaak is rauwer en gevaarlijker:
Trump als instrument van God.
Net als David, Salomo of Cyrus.
Gebrekkig, ja. Maar uitverkoren.
Door God ingezet om Amerika weer ‘christelijk’ te maken.
Zijn tekortkomingen? Bijzaak. God gebruikt wie Hij wil.

In beide verhalen zit dezelfde aanname verstopt:
karakter is wenselijk, maar niet essentieel voor leiderschap.

En daar haak ik af.

De Bijbel is daar namelijk veel kritischer
over dan men nu doet voorkomen.
David kwam pas tot bloei ná diep berouw.
Salomo’s morele zwakte sloopte zijn koninkrijk.
En Cyrus?
Die was nooit leider van Israël, alleen een handige buurman.
Het idee dat een niet-berouwvolle leider
met structurele morele gebreken
een zegen is voor een natie,
is van het soort wishful thinking met Bijbelcitaten.

Want leiders zetten de toon.
Altijd.
Op scholen, in kerken, bedrijven en landen.
Wat ze doen, wordt normaal.
Hoe ze praten, wordt acceptabel.
Een leider die pest, kleineert, liegt
en alles meet in geld,
leert zijn volk
dat pesten werkt, liegen loont en geld god is.

Dat is geen politiek punt,
dat is menselijk gedrag.
Kinderen worden hun ouders.
Kerkenleden lijken op hun voorgangers.
Bedrijfsmedewerkers op hun CEO’s.

Beleid doet ertoe, absoluut.
We kunnen ruziën over importheffingen,
China, Oekraïne of migratie.
Maar hóé je dat beleid voert,
zegt vaak meer dan wát je voert.

Competentie en chemie zijn handig.
Maar op de lange termijn?
Is karakter alles.

 

Drill, baby, drill‘, riep Donald Trump
in januari 2025 tijdens zijn inauguratiespeech,
onder luid gejuich van de Republikeinen.
Hij ondertekende er presidentiële decreten
om de Amerikaanse olie- en gasindustrie ‘los te laten’
om precies dat te doen: to drill: boren.
Dit ondanks het feit dat de Verenigde Staten
volgens hun eigen Energy Information Administration
al de grootste ruwe-olieproducent van alle landen zijn,
en dat al zes jaar op rij.

De verbranding van fossiele brandstoffen
is onmiskenbaar de grootste bron
van broeikasgasemissies wereldwijd, aldus het IPCC.
Olie is verantwoordelijk voor ongeveer 34 procent
van de wereldwijde CO2-uitstoot van fossiele brandstoffen.
Statistieken van het Wereld Economisch Forum
laten zien dat de landen met de laagste inkomens
slechts een tiende van de uitstoot produceren,
maar het zwaarst worden getroffen door klimaatverandering.

Hier klopt iets niet.

Velen van ons zijn op de hoogte van de statistieken,
het beleid en de retoriek rond klimaatverandering.
Het gonst allemaal rond op de achtergrond in ons leven,
in het nieuws, op sociale media of in een webpost zoals deze.
Maar eerlijk gezegd is het voor de meesten van ons
die in het Westen wonen nog steeds theorie.

Maar de gevolgen van het veranderende klimaat
zijn voor mensen in de ‘ontwikkelingslanden’
al enige tijd voelbaar.
Tijdens periodes van waterschaarste,
die steeds onvoorspelbaarder en langduriger worden,
drogen lokale rivieren op,
waardoor oogsten mislukken
en gezinnen honger lijden.

Waarom zouden rijke, machtige landen
die grotendeels verantwoordelijk zijn
voor de wereldwijde CO2-uitstoot,
niet alleen weigeren degenen
die de gevolgen van klimaatverandering
ondervinden te compenseren,
maar juist actief proberen
meer schade aan te richten?

Het doet denken aan een pestkop op een schoolplein
die een jonger kind pijn doet, en zo aan populariteit,
macht en zelfvertrouwen wint
terwijl sommigen hen opjutten,
anderen toekijken,
terwijl de ontvanger van het misbruik
al zijn resterende kracht aanwendt
om te overleven en de dag te overleven.

Trump beweert een praktiserend christen te zijn…
Ik vraag me af wat Jezus te zeggen zou hebben
over de manier waarop Amerika
en andere rijke landen met de klimaatcrisis zijn omgegaan?

Een van Jezus’ bekendste en krachtigste leringen was:
heb je naaste lief.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan in de Bijbel
laat zien hoe we onze naasten moeten behandelen:
handelen met liefde, mededogen en barmhartigheid,
niet alleen jegens degenen die we kennen
of die in ons netwerk, onze gemeenschap of ons land wonen,
maar jegens ieder mens,
ongeacht nationaliteit, achtergrond of sociale groep.
Ook in de context van klimaatverandering
worden christenen opgeroepen
om onze naasten wereldwijd lief te hebben.
Dit omvat ook het ondersteunen
van de armste gemeenschappen ter wereld.
Jezus leert ons zeker niet
om onszelf ‘op de eerste plaats’ te zetten.

Stel je een wereld voor waarin elke natie
zich zou aansluiten bij Jezus’ leer
over hoe we onze buren moeten behandelen.
Zou de klimaatverandering abrupt stoppen,
het menselijk lijden ophouden
en er wereldvrede heersen?
In werkelijkheid waarschijnlijk niet,
want de mensheid is onvolmaakt
en we doen dingen verkeerd,
zelfs als we het goed bedoelen.
Maar als de intentie er was,
en als wereldleiders
Jezus’ voorbeeld in deze zouden volgen,
dan zouden we ongetwijfeld veel dichterbij zijn.

 

Het is nu twee jaar geleden dat Hamas
een meedogenloze aanval uitvoerde
op Israëlische burgers tijdens het Nova-muziekfestival.
Twee jaar later ligt een groot deel van Gaza in puin,
zijn er bijna 70.000 mensen omgekomen
en zet Israël zijn campagne voort om zich voor eens en altijd
te ontdoen van Hamas, een vijandige buur.
Het spook van het antisemitisme steekt opnieuw de kop
op in de straten van Nederlandse steden.
Ondertussen wacht de wereld af
of het vredesplan van Trump een kans van slagen heeft.

De wereld is ook diep verdeeld
over de vraag wie hier de schuld draagt.
Is het, zoals de Israëli’s zeggen, de schuld van Hamas,
het resultaat van een fanatieke islamistische groep,
gesponsord door Iran, die vastbesloten is
om de militante moslimcontrole over het Midden-Oosten in het algemeen
en Israël in het bijzonder uit te breiden?
Of, zoals de pro-Palestijnse menigte scandeert,
zijn we getuige van een genocide
die het onvermijdelijke gevolg is
van de voortdurende Israëlische bezetting
van de Westelijke Jordaanoever en Gaza?
Iedereen wordt onder druk gezet om een beslissing te nemen.
Aan welke kant staan we?

Maar wat als we dit conflict eens in een ander licht zouden bekijken;
niet zozeer in termen van schuld, maar van pijn?

Natuurlijk is dit niet de eerste keer dat er oorlog is
tussen het volk Israël en hun vijanden aan de kust van Gaza.

Het boek Richtere in de Bijbel
beschrijft een reeks confrontaties
van ongeveer 3400 jaar geleden tussen de Israëlieten en de Filistijnen,
die de Hebreeuwse stammen lastigvielen
en uitdaagden in hun strijd om zich in het land Kanaän te vestigen.
(NB: de Filistijnen zijn niet de etnische voorouders
van de moderne Palestijnen, ondanks de naamsgelijkenis.
De Romeinen, deels om de Joden te sarren,
besloten simpelweg
de naam van de regio te veranderen van Judea naar Palestina.)

Een van die oude verhalen vertelt over Simson,
een immens sterke Israëlitische strijder,
die talloze Filistijnen doodt
in een jarenlange golf van geweld. (Richteren 13-16)
Simson trouwt uiteindelijk met een Filistijnse vrouw, Delila,
die hem verraadt en aan zijn vijanden overlevert.
Hij wordt gevangengenomen en zijn ogen worden uitgestoken.
In een laatste gewelddaad
laat hij het dak van de Filistijnse tempel instorten
tijdens het hoogtepunt van een religieus feest,
waarbij hij zowel zichzelf als meer vijanden doodt
dan hij in zijn leven heeft gedood.

Maar naast een tragedie is dit ook een trauma.
De wortels van het trauma liggen diep verborgen
in de geschiedenis tussen Israël
en de verschillende stammen die hen omringen.
Simson is een van de velen die worden meegesleurd
in een geschiedenis van oog-om-oog geweld
die eindigt in deze scène van dood en verwoesting.
In het Bijbelverhaal raakt hij verstrikt
in een lange geschiedenis van menselijk onrecht
– als slachtoffer én dader –
die teruggaat tot Adam en Eva in het paradijs.
Het resultaat is dat Simson en zijn vijanden
allemaal dood liggen in het puin
van een ingestort gebouw in het hart van Gaza.

Dit conflict is zowel een tragedie als een trauma.
Dat klinkt somber. Toch kan dit perspectief,
ondanks de schijnbare somberheid,
een sprankje hoop bieden.

Tragedie en trauma vermijden de schuldvraag niet,
maar ze beginnen daar niet.
Ze beginnen met een houding van empathie.
Tragedie zorgt ervoor dat we even stilstaan
voordat we morele oordelen vellen
en in plaats daarvan simpelweg het verdriet,
de rouw ervan,
opmerken en ons erin verdiepen.
Wanneer we het verhaal van Simson, bekijken,
worden we simpelweg in stilte gelaten.
We overhaasten ons oordeel niet,
maar erkennen simpelweg het hartverscheurende verdriet
dat de gewone mensen ervaren die hierin verstrikt raken.
Tragedie staat naast het verdriet en de duisternis
en grijpt niet meteen naar de schuld,
omdat we beseffen dat het echte leven
meestal complexer is
en de oorzaken van conflicten ondoorzichtiger.

Tegelijkertijd dwingt het begrijpen hiervan
als trauma ons om de pijn
die aan het conflict ten grondslag ligt, te doorgronden.
Simson wordt geboren in traumatische tijden,
waarin zijn volk wordt aangevallen,
en uiteindelijk leeft hij het trauma
dat hij heeft ervaren door brute wraak op zijn vijanden.
Op dezelfde manier vinden we vandaag de dag
in dit ene kleine stukje land twee volkeren
die het trauma
van wat hen in het verleden is overkomen, beleven.
En zonder een nieuwe aanpak
zal het resultaat hetzelfde zijn:
vernietiging en verwoesting.

Het Joodse volk van vandaag, met name in Israël,
blijft diep getraumatiseerd
door de geschiedenis van antisemitisme,
die culmineerde in de Holocaust van de jaren 30 en 40.
Een vastberaden poging van een verfijnde,
moderne Europese natie
om systematisch ieder lid van het Joodse ras uit te roeien,
is niet alleen een historische gebeurtenis,
maar een waarvan de rimpelingen,
of misschien beter gezegd, stormachtige golven,
ons vandaag de dag bereiken.
Daarnaast is er de verdrijving van Joden in de 20e eeuw
uit moslimlanden zoals Syrië, Irak, Jemen,
Algerije, Tunesië en Libië.
Voor degenen onder ons die niet Joods zijn,
is de impact van zo’n realiteit moeilijk voor te stellen,
niet alleen als een historisch feit,
maar ook als een reëel gevaar in de toekomst.
Immers, als het één keer gebeurt,
kan het opnieuw gebeuren.
Het verklaart waarom Israël altijd weinig aandacht heeft besteed
aan de internationale opinie
en de resoluties van de VN
voor een staakt-het-vuren,
zoals die waartoe onlangs werd opgeroepen.

Of, zoals de Joodse schrijver Daniel Finkelstein het verwoordde:

De oorsprong van de staat Israël is niet religie of nationalisme,
maar de ervaring van onderdrukking en moord,
de angst voor totale vernietiging
en de bittere conclusie dat er niet op de wereldopinie
kon worden vertrouwd om de Joden te beschermen.
Dus wanneer Israël wordt aangespoord
om de wereldopinie te respecteren
en zijn vertrouwen te stellen
in de internationale gemeenschap,
wordt het punt gemist.
Het idee van Israël zelf is een verwerping van deze optie.
Israël bestaat alleen omdat Joden zich niet veilig voelen
als beschermelingen van de wereldopinie.
Zionisme, dat woord dat zo misbruikt en verguisd wordt,
is gebaseerd op de vastberadenheid
dat de Joden uiteindelijk op de een of andere manier
zichzelf en hun mede-Joden
zullen verdedigen tegen vernietiging.
Als de wereldopinie voldoende was, zou er geen Israël zijn.

Met zo’n trauma achter de rug
is het dan ook niet verwonderlijk
dat wanneer een moslim Joden doodt,
wanneer raketten neerregenen op Israëlische steden,
of wanneer Hamas-terroristen
door kibboetsen razen
en mensen neerschieten
alleen maar omdat ze Joods zijn,
dit precies de herinnering oproept
aan het trauma dat zij als volk hebben doorgemaakt.
Wat Palestijnen beschouwen als verzet
tegen de bezetting van hun land,
wordt door Israëliërs ervaren
als een echo van de wens
om het hele Joodse volk uit te roeien,
op een manier die rillingen over de rug doet lopen
bij iedereen die dit verhaal heeft meegemaakt.

Toch heeft het Palestijnse volk ook een eigen trauma.
In 1948, ten tijde van de oprichting van de staat Israël,
werden honderdduizenden Palestijnen
dakloos en staatloos gemaakt,
van hun huizen en land beroofd,
vaak onder bedreiging met een geweer,
en velen werden gedood door zionistische strijders.
De Arabische landen deden weinig om te helpen,
ze waren alleen geïnteresseerd
in hun eigen belangen.
De Europese landen keken toe.
Amerika bleef Israël financieren,
waardoor hun leger
elk ander leger in de regio ruimschoots overtreft,
en zeker genoeg om de stenen, messen en bommen
van verschillende intifada’s te vermorzelen.
Hun diepe gevoel van onrecht
laat ook een litteken achter,
een litteken dat door groepen zoals Hamas
nog steeds voor hun eigen doeleinden
kan worden gebruikt.

En dus, wanneer de inwoners van Gaza
vandaag de dag hun steden tot stof zien vergaan,
wanneer Palestijnen in de rij moeten staan
bij controleposten
om van de ene naar de andere plaats te reizen,
wanneer land wordt afgenomen
door de bouw van een veiligheidsmuur,
en Israëlische nederzettingen vergunningen blijven krijgen
om te bouwen op Arabisch grondgebied,
terwijl het voor Palestijnen veel moeilijker is
om een bouwvergunning te krijgen
voor de bouw van een nieuw huis,
roept dit alles de herinnering op
aan wat Palestijnen de Nakhba of de ramp noemen.
Wat Israëliërs zien als legitieme zelfverdediging,
veiligheidsmaatregelen om terroristen
op afstand te houden
en hun bevolking te beschermen,
ervaren Palestijnen als een echo
van hun eigen trauma van onteigening uit het verleden.

Het resultaat is dat beide partijen
opnieuw gevangen zitten in een cyclus van geweld,
net als Simson en zijn vijanden.
Oog om oog leidt ertoe
dat beide partijen oogloos eindigen in Gaza.

Natuurlijk kunnen we discussiëren
over welk trauma het zwaarst weegt.
We kunnen debatteren over de zwaarte van elk moreel geval,
of over waar de werkelijke schuld ligt.
Maar trauma werkt niet zo.
Trauma huist in de geest en het lichaam
en verspreidt zich, waardoor elk vermogen
om normaal te handelen
en met gevoel voor verhoudingen
en evenwicht te reageren,
wordt overschaduwd.
De effecten van trauma zijn niet opzettelijk
of logisch, maar onvrijwillig.
Reacties op trauma zijn notoir complex
en verschillen per individu.
Trauma blijft jarenlang bij individuen
en generaties lang bij gemeenschappen.

Het begrijpen van dit conflict
niet zozeer door de lens van schuld,
maar door die van pijn,
kan ons helpen dit conflict anders te begrijpen.
Natuurlijk ontwijkt het de schuldvraag niet,
want hier zijn vreselijke dingen gebeurd.
Het ontkent ook niet het recht van Israël
om zich met legitiem geweld te verdedigen
tegen de aanval van Hamas.
De meesten van ons neigen
naar de ene of de andere kant van het conflict.
Toch legt deze benadering
misschien de verantwoordelijkheid op ons,
die toekijken, om te proberen
de pijn van de andere kant te ervaren.
En wanneer het stof van de strijd neerdaalt,
belooft dat misschien een betere manier
om de cyclus van geweld in de toekomst te doorbreken.

Door dit conflict te begrijpen als zowel tragedie als trauma,
kunnen we het in een nieuw licht zien.
En misschien geeft het ons een sprankje hoop op een uitweg.
De herinnering verdwijnt nooit,
maar traumaslachtoffers kunnen manieren vinden
om de herinnering aan wat hen is overkomen
op verschillende manieren te benaderen.

Het verhaal van Simson eindigt
met vernietiging en zijn begrafenis in het familiegraf.
Het eindigt met de dood.
Binnen het lange verhaal van de Bijbel
wordt de chaotische periode van de Richteren
echter vervangen door de monarchie
– de koningen van Israël, van wie koning David de beste is –
een heerser met gebreken,
maar beschreven als ‘een man naar Gods hart’.
Daarnaast wijst het verhaal van David
op een latere heerser,
eveneens geboren in Bethlehem,
wiens heerschappij niet inhield
dat hij zijn vijanden haatte en doodde,
maar dat hij hen liefhad tot het punt
dat hij voor hen stierf,
en zo uiteindelijk vrede bracht.

Het is dat soort Jezus-achtige,
zelfopofferende, radicale leiderschap
voor beide kanten
dat een uitweg kan bieden
uit de cyclus van geweld en haat
die er was in de tijd van Simson,
en die er vandaag de dag nog steeds is.

Alleen leiders die er niet op uit zijn
om alles te doen wat nodig is
om aan de macht te blijven,
noch bereid zijn anderen op te offeren
voor hun eigen doeleinden,
die zich niets aantrekken
van hun persoonlijke reputatie,
maar bereid zijn om de riskante weg
van verzoening te bewandelen,
alleen dit soort leiderschap
kan ons voorbij de tragedie
en het trauma van het verleden
naar een hoopvollere toekomst leiden.

Het laatste woord komt misschien van Audeh Rantisi,
een Palestijn die in 1948 uit zijn huis in Lydda werd gezet.
Hij werd later Anglicaans priester
en activist voor verzoening
tussen Joden en Arabieren
voor de noodzaak voor beiden
om de littekens en de menselijkheid
van de ander te erkennen.
Hij zei:

Ik draag nog steeds
de emotionele littekens van de zionistische invasie.
Toch zie ik als volwassene
wat ik toen niet helemaal begreep:
dat de Joden ook mensen zijn,
zelf gedreven door angst,
slachtoffer van de ergste gruweldaden
uit de geschiedenis,
fanatiek, soms bijna gedachteloos op zoek naar veiligheid.
Vier jaar na onze vlucht uit Lydda
wijdde ik mijn leven
aan de dienst van Jezus Christus.
Net als ik en mijn medevluchtelingen
had Jezus in barre omstandigheden geleefd,
vaak met slechts een steen als kussen.
Net als zijn mede-Joden tweeduizend jaar geleden
en de Palestijnen vandaag de dag,
beheerste een externe macht
zijn thuisland – mijn thuisland.
Ze martelden en vermoordden
hem in Jeruzalem,
op slechts vijftien kilometer van Ramallah,
mijn nieuwe thuis.
Hij was het slachtoffer van vreselijke vernederingen.
Niettemin bad Jezus
voor degenen die zijn dood bewerkstelligden:
“Vader, vergeef hun…”

Kan ik minder doen?

 

We kennen zo langzamerhand
allemaal wel het christelijk nationalisme
uit de Verenigde Staten van Amerika:
De beelden van een knielende Donald Trump
die vlak na zijn inauguratie gezegend werd
door een behoorlijk aantal voorgangers.
Voorgangers en christenen
die ‘hun’ Trump te vuur en te zwaard verdedigden
en zijn radicale plannen ondersteunen,
al was het alleen maar
om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen.
We deden het vaak af als een typisch Amerikaans iets.

Maar wat schetste mijn verbazing
toen ik laatst bij de Malieveldrellen in Den Haag
een houten kruis tussen de prinsenvlaggen en fakkels ontwaarde.
Onderzoekers hadden echter al eerder gewaarschuwd:
ook in Nederland wordt de christelijke symboliek
door radicaal- en extreemrechtse bewegingen
vaker ingezet om de ‘strijd’ tussen ‘goed’ en ‘kwaad’
een diepere lading te geven.

Vanaf het podium op het Malieveld
klonk tijdens de gewelddadige demonstratie een Bijbeltekst.
Els Noort, beter bekend als ‘Els Rechts’,
zwaait met een vlag waarop
de vermoorde Pim Fortuyn
en Charlie Kirk zijn afgebeeld.
Ondertussen leest ze voor uit Psalm 4:
In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen,
want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.
De 26-jarige Noort noemt het
‘een tekst die troost geeft in deze donkere tijd’.

Wat is de link tussen
uiterst rechts gedachtegoed en het christelijke geloof?
En is christelijk nationalisme
dat geweld niet schuwt een gevaar voor Nederland?

De Zoetermeerse Noort maakt er op sociale media
geen geheim van dat ze christen is.
Ze is gedoopt,
ging naar een reformatorische school
en deed drie jaar geleden belijdenis van haar geloof.
‘Ik kies volledig voor Hem en wil Hem dienen in mijn leven.’
Ze dankt God op X niet alleen
dat Hij haar zonden heeft vergeven,
maar ook: dat ze ‘geen linkse mening’ heeft.
‘God is goed, Geert wordt groot.’
stond er op een kruis te lezen.

Het kruis met ‘God is goed, Geert is groot.’ – beeld: YouTube

Noort gebruikt haar geloof ook om anderen aan te vallen.
Over oud-minister Hugo de Jonge zegt ze dat ze hoopt
dat hij zich straks kan verantwoorden tegenover God.
Oud-ChristenUnie-leider Gert Jan Segers noemt ze een ‘nepchristen’.
Mensen waar ze het niet mee eens is, noemt ze regelmatig ‘demonen’.

In London liepen eerder nog enkele anti-migratiedemonstranten
met kruizen en vlaggen door de straten.
Sommigen kwamen in een kruisvaarderskostuum.
Volgens de AIVD speelt daarbij het christendom en fluïde rol:
het kan gebruikt worden
om anderen het label van ‘het kwaad’ op te plakken,
om een witte, christelijke beschaving te claimen,
en soms om bruggen te bouwen naar conservatieve christenen.

Kort na deze demonstratie namen 36 Britse kerkleiders
uit conservatieve en progressieve stromingen
in een verklaring afstand van het gebruik
van die christelijke symbolen.
‘Jezus roept ons op om onze vijand
en onze naaste lief te hebben.
Het is onacceptabel dat het christelijk geloof
wordt misbruikt om anderen buiten te sluiten’,
schrijven zij.

Zo’n verklaring zou in Nederland ook een goed idee zijn,
zegt onderzoeker Marietta van der Tol van de Cambridge University.
‘In landen waar kerken zich duidelijk hebben uitgesproken
tegen misbruik van het geloof
door radicaal-rechtse groepen,
zoals in Noorwegen en Duitsland,
zwakken radicaal-rechtse groepen
hun claim op het christendom af.’

maar Van der Tol wijst wel
op de Amerikaanse invloed
op Nederlandse christenen,
bijvoorbeeld in de muziek, de liturgie,
of geestelijke literatuur.
‘De Amerikaanse samenleving is aan het radicaliseren
en dat zie je steeds meer in kerken en in de theologie terug.
Het zou goed zijn als gelovigen en kerken hier
nadenken over de vraag hoe welkom
die tendensen van radicalisering
zouden zijn in Nederland,
en of dat bij ons past.’

Het probleem zit ook bij het begrip ‘christelijk nationalisme’.
Voor de één betekent het iets anders dan voor de ander.
Christelijk nationalisme kan worden gedefinieerd als
‘liefde voor je natie, identificatie ermee
en speciale zorg voor haar welzijn’
Zo gelezen is er vanuit christelijk oogpunt
niets verkeerds aan.
Maar de term wordt tegenwoordig
ook anders ingevuld..
Dan duidt het eerder op een ideologie
die politieke macht nastreeft
om de christelijke identiteit
te verenigen met de nationale identiteit.
Met andere woorden,
het zou betekenen dat christenen
christelijke waarden willen opleggen
aan álle burgers van een natie
door middel van de wet.

Maar voor veel christenen zit juist hier
een addertje onder het gras.
‘Christelijke waarden’ omvatten
namelijk niet het dwingen van mensen
die zich niet als christen identificeren
om een christelijke levensstijl te leiden.
Christelijke waarden zijn gebaseerd
op de leer en het voorbeeld van Jezus,
en Hij was nooit dwingend.
Hij richtte zich op de harten van mensen
en streefde naar vrijwillige,
in plaats van afgedwongen gehoorzaamheid.
Zijn doel was dat mensen
Hem zouden volgen
en naar Zijn leer zouden leven
omdat ze dat meer dan wat ook ter wereld wilden,
niet omdat ze anders gevangen zouden worden gezet
of benadeeld zouden worden als ze dat niet deden.
Het evangelie is een uitnodiging
tot het meest lonende en vervullende leven
dat je je kunt voorstellen,
geen bevel dat uit angst
moet worden opgevolgd.

Jezus leerde expliciet dat christelijke politiek
anders zou moeten zijn
dan alles wat de wereld ooit heeft gezien:

‘Jullie weten’ zei Hij
‘dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn.’ (Marcus 10,42-43)

Met deze woorden zette Jezus
een politieke agenda
voor zijn volgelingen neer
die radicaal verschilde van
elke andere beweging, religie,
instelling of natie.

Waar anderen altijd macht hebben gebruikt
om te domineren, te controleren
en gehoorzaamheid af te dwingen,
moeten christenen macht gebruiken
om degenen die onder hen staan
te dienen en hun bloei na te streven.
Met zijn eigen leven liet Jezus zien hoe dit eruitziet.
Veel mensen verwachtten dat de Messias
een groot militair leider zou zijn
die een leger onder zijn banier zou verzamelen,
dat hij de Romeinse onderdrukking zou afschudden,
Israël als natie zou vestigen
en het met absolute macht en gezag zou regeren.
In plaats daarvan, in plaats van geweld te plegen,
onderwierp hij zich aan de dood
door toedoen van de Romeinse onderdrukkers.

Nee, Jezus bedoelde niet dat zijn volgelingen
geen macht en invloed
in de wereld zouden moeten nastreven,
of dat ze zich zouden moeten neerleggen
en zich als een voetveeg
zouden moeten laten vertrappen.
Het ‘christelijke verschil’
is niet dat het apolitiek is,
zich terugtrekkend
van alle betrokkenheid bij wereldse zaken,
alsof God zich niet bekommert
om wat er in de wereld gebeurt.

Het christelijke verschil is tweeledig:

(1) nooit de macht grijpen of behouden
door middel van geweld, dwang, leugens,
manipulatie of welke middelen dan ook
die zogenaamd het doel rechtvaardigen,

en (2) macht gebruiken
(wanneer die ons vrijwillig wordt gegeven)
in dienst van iedereen,
ongeacht hun geloof of levensstijl,
en vooral van de machtelozen.

Nee. christenen hebben zeker niet altijd
op deze manier politiek bedreven.
In de eeuwen sinds Jezus op aarde rondwandelde,
zijn ze vaak bezweken voor de verleiding
om politiek te bedrijven
zoals de rest van de wereld:
grepen ze naar autoriteit
om er zich vervolgens
met alle mogelijke middelen aan vast te houden,
het gebruiken om jezelf
en de eigen agenda te bevoordelen
op manieren die anderen te schaden en te onderdrukken.
De behandeling van Joden
in de late middeleeuwen
is een ontnuchterend
en afgrijselijk voorbeeld:
Joden werden gedwongen in getto’s te leven
en kegelvormige hoeden te dragen.
Het was hun verboden openbare ambten te bekleden,
synagogen te bouwen
die hoger waren dan welke kerk dan ook,
of op zondag over straat te lopen.
Uiteindelijk werden ze met geweld
uit verschillende Europese landen verdreven
om geen belemmering meer te laten
voor de vorming
van een waarlijk ‘christelijke natie’,
oftewel een natie met alléén christenen.

Tegenwoordig zetten veel christenen
in westerse landen zich in
om zich te verzetten tegen wereldbeelden
waarvan zij vinden dat ze hen binnendringen
zoals secularisme, islam en liberalisme.
Ze willen het christendom opnieuw
als de dominante culturele kracht bevestigen.
Het lijkt mij dat deze inspanningen
grotendeels worden ingegeven
door angst, veroorzaakt
door de afnemende christelijke invloed.
Er is een sterke drang tot zelfbehoud
wanneer iemand zich steeds meer gemarginaliseerd voelt.
Men heeft het gevoel dat als men de macht niet terugkrijgt,
alle waarden en de levensstijl
die men koesterde, zullen worden weggevaagd.
Je moet je dan zelf beschermen en proberen
de christelijke waarden met alle mogelijke middelen te behouden.
Je dient de controle terug te nemen
en financieel, politiek en cultureel kapitaal
in te zetten om het bestuur te herwinnen
en de christelijke wetten in ‘ons land’ te herstellen.

Toch is angst nimmer een goede drijfveer geweest
voor wijs, rechtvaardig en rechtschapen handelen.
Angst leidt onze aandacht af van de armen en behoeftigen
en richt zich op onze eigen benarde situatie.
Angst zorgt ervoor dat we terugslaan
met een instinctieve zelfbescherming.
Wanneer we bang zijn,
voelen we ons gerechtvaardigd
om onze eigen behoeften
en prioriteiten voorop te stellen.
Gewelddadig gedrag wordt bestempeld
als ‘zelfverdediging’,
het korten op hulpbudgetten
wordt bestempeld
als voorzichtigheid,
en het weigeren van toegang
aan vluchtelingen die alles verloren hebben
en op de vlucht zijn voor vervolging,
wordt gezien als de enige verstandige handelwijze
in een wereld met eindige middelen.
Angst drijft ons ertoe ons eigen voordeel te zoeken,
iets wat Jezus zelf nooit deed.
Misschien wist Jezus
dat angst de grootste kracht kan zijn
die ons ervan weerhoudt
een christelijk leven van dienstbaarheid te leiden.
Misschien is het geen toeval dat
“wees niet bang”
de meest voorkomende zin in de Bijbel is.

Voor christenen, zoals ik,
zijn er betere drijfveren
voor politieke actie:
dingen zoals
wijsheid, rechtvaardigheid en vrede.
(Durf ik te zeggen: liefde
Of is dat te controversieel?)
Maar de allerbeste motivatie
is de wens om Jezus’ leer en voorbeeld te volgen,
niet alleen als we eenmaal macht hebben verworven,
maar ook in de manier waarop we die zoeken en vasthouden.

Er is op zich niets mis met het idee van een ‘christelijke’ natie,
als dat in ieder geval een natie betekent
die zich gedraagt tegenover mensen
– zowel burgers als niet-burgers –
zoals Jezus deed
(en ervan uitgaande dat de natie
in de eerste plaats
niet door geweld is gevormd
– maar dat is een ander verhaal).
Een werkelijk ‘christelijke’ natie
zou nooit proberen christelijk gedrag
van wie dan ook af te dwingen.
Het zou de vrijheid van mensen respecteren
om te leven en te geloven wat ze willen,
en zou gelijke kansen, gelijke voordelen
en gelijke rechten bieden
aan christenen, moslims, atheïsten en joden.
Het zou zijn macht gebruiken
om alle mensen te dienen,
met name de meest kwetsbaren
en de minsten
die voor zichzelf kunnen zorgen.
Het zou elke buitenlander
verwelkomen en beschermen
die daarheen vluchtte
om zijn leven of vrijheid te redden,
nadat hij thuis alles verloren had.

Zo’n natie zou niet gekenmerkt worden
door angst om haar macht te verliezen.
Het zou er niet naar streven
haar invloed te behouden
door niet-christenen
het burgerschap
of posities in de regering te ontzeggen.
Als het tij zich tegen haar zou keren,
zou ze nederig afstand doen
van de macht
in plaats van dwang te gebruiken
om die te behouden,
net zoals Jezus nederig naar het kruis ging
in plaats van geweld te gebruiken
tegen zijn onderdrukkers.

Dat brengt me bij het primaire probleem
dat volgens mij het christelijk nationalisme vormt.
Ik heb geprobeerd de sociale en historische realiteit ervan
te verbinden met de huidige politieke macht.
Maar de grootste fout lijkt mij de opmars naar suprematie.
Jezus’ afwijzing van politieke macht in de woestijn
en zijn verzet tegen politieke macht door het kruis
gaan verloren in de opkomende vloedgolf van christelijk nationalisme.
Christenen hebben geen natuurlijke of goddelijke aanspraak
op gezag over anderen op basis van hun geloof.
De kerk heeft altijd een ‘ja’ en een ‘nee’ tegen de staat gezegd.
We moeten meer nadenken over
wat het ‘ja’ en ‘nee’ van de kerk zou moeten zijn.

citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)

 

De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij.
De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten
op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen.
Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief
die zich waagde aan universiteitscampussen
– over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken –
en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging.
Hij was eigenzinnig, provocerend,
niet bang om impopulaire meningen te uiten,
hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken.
Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben
voor degenen die hem aanvielen
en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.

Nee, zijn mening was vaak niet de mijne.
Zijn opvattingen over wapenbeheersing,
over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld,
staan mijlenver van mijne af.
Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties,
het proberen om de mening van anderen te veranderen
door middel van discussie en redelijke argumenten,
is de kern van het publieke debat
en een goed functionerende democratie.
Er zijn maar weinig plekken
waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten
en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van.
Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.

In onze tijd worden zulke gruwelijke daden
meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek,
maar vaak door een losgeslagen
of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling,
beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur.
Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot,
James L. Ray die Martin Luther King vermoordde,
en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald
die John F. Kennedy vermoordde;
In Nederland kennen we natuurlijk
de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh.
De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame,
onevenwichtige mensen die doden
vanwege een of andere wrok,
soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend.
Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.

Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici
zulke daden voor het eigen gewin,
zoals afgelopen bleek
door de uitspraken van de Amerikaanse president.
Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere
politieke en culturele lessen oplevert.
En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest.
‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’,
zo ging een cliché.
Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben.
Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan.
De suggestie dat elke linkse persoon
in de VS of elders op de een of andere manier
verantwoordelijk is voor Kirks dood,
staat ironisch genoeg haaks
op de duistere motieven achter deze daad.

Het is Jezus die uitlegt waarom:
‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd:
“Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.”
Maar ik zeg jullie:
“iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan.
Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “
Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’

Dat klinkt hard.
Want we vinden moord allemaal verkeerd,
maar je geduld verliezen met een collega?
Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?

Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is.
En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.

Er zijn verschillende soorten woede.
Er is de gloeiendhete, woedende soort
waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt.
Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede:
een verharde, vastberaden kwaadaardigheid,
een aanhoudende haat jegens de persoon
die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt
en een vastberadenheid om wraak te nemen,
of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Wat beide soorten gemeen hebben,
is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen,
waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap,
een weigering om de menselijkheid in de ander te zien;
het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde;
een blindheid voor de essentiële overeenkomst
tussen jou en de persoon die je haat.

Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden,
van Julius Caesar tot Abraham Lincoln,
van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin.
En dat zal altijd zo blijven.
Geen enkele politieke oplossing
zal ooit de mogelijkheid uitwissen
dat een gestoord of boos persoon
het heft in eigen handen neemt
om een ander mens te vermoorden,
vooral niet iemand met politieke bekendheid.

Toch kunnen we iets doen.
Wanneer we algoritmes bouwen
die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen,
een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt,
weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid
te zien in mensen met wie we het oneens zijn,
wanneer we de oppositie demoniseren
en hen de schuld geven
van alle maatschappelijke misstanden die we zien,
zaaien we het zaad
dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.

Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid
uit het Nieuwe Testament luidt:
‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent,
en geef de duivel geen voet aan de grond.’

Het is een goed advies.
Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden.
Maar laat het niet wortel schieten.
Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn
maar dat is zeldzaam.
Woede is gevaarlijk voor ons mensen.
Het misleidt ons door te denken dat,
omdat we denken dat we gelijk hebben
– en dat zouden we best kunnen hebben –
het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen.
De kern van de christelijke wijsheid over woede
is dat het Gods recht is om toorn te uiten.
Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook,
heeft de neiging te verharden tot iets sinisters.
Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden
die werkelijk gerechtigheid brengt.

De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk,
de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt
dat zo belangrijk voor hem was,
is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen,
om hen te bestempelen, te demoniseren
als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging,
maar om de essentiële menselijkheid
die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien.
Het is het actief cultiveren van een cultuur
die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede.
Het is leren meedogenloos om te gaan
met onze eigen neiging om wrok te koesteren,
onze eigen diepgewortelde vijandigheid
jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden.
Het gaat erom racisme te haten,
maar tegelijk racisten lief te hebben,
misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.

Verstandig reageren betekent
erkennen dat zelfs mijn vijand
– of hij nu progressief of conservatief is –
een mens is, geschapen en geliefd door God,
een mede-zondaar zoals ik,
en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben,
meer dan naar onze verschillen.
Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben,
vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks,
maar het is het enige
wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen
die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.

Waar staat ‘de wereld’ als het gaat om het uitleggen van wat zíj gelooft?
‘Zijn we seculier, christelijk of heidens?’,
werd bijvoorbeeld na een analyse van de Olympische Spelen in Parijs gevraagd.
Staat één manier van denken over onszelf
op het punt te worden overschaduwd?
Wat is dan secularisme?

De filosoof Charles Taylor
maakt onderscheid tussen drie soorten secularisme.
Eén daarvan houdt in dat de religieuze aanwezigheid
in het openbare leven wordt weggevaagd.
De output van veel omroepen weerspiegelt deze tendens.
Ten tweede kan secularisme ook worden gezien
in een afname van persoonlijke religieuze praktijken,
vaak gelijktijdig met een terugtrekking
uit de gemeenschap naar het individualisme.
Taylors derde vorm van secularisme
berust op de teloorgang van kerken en andere geloofsgemeenschappen
als bronnen van normen die persoonlijk gedrag bepalen.

Dat christenen last hebben van alle drie de vormen is duidelijk genoeg.
Zij zouden ook hun deel van de schuld op zich moeten nemen.
De kerk heeft duidelijk soms desillusie of scepsis gevoed.
Maar alternatieve visies zouden ook kritisch bekeken moeten worden.

‘Type één’ secularisme komt erop neer
dat mensen van geloof wordt verteld
dat ze vrij zijn om te geloven en te praktiseren
als ze dat willen,
maar dat hun overtuigingen volledig transcendent moeten zijn
en helemaal niet immanent.
Met andere woorden, religie is acceptabel
als een excentrieke privéhobby
omdat zowel type één als type twee secularisme inhoudt
dat gemeenschappen van spirituele overtuiging
in deze betuttelende termen worden gezien.

Wat betreft de vraag hoe secularisme
het uitgeholde publieke plein vult:
tegenstanders van ‘publieke’ religie hebben weinig aansluiting
bij Taylors derde categorie.
Dit betekent dat hun standpunt
zowel zelf-tegenstrijdig als in wezen negatief kan lijken.
Zeggen ‘niemand mag beweren dat zijn opvattingen normatief zijn’
is op zichzelf een normatieve uitspraak doen.

Bij nadere beschouwing lijken de zaken dus nog duisterder.
Hoewel het zichzelf presenteert als een gunstig negatief groot verhaal,
bevindt seculier rationalisme
zich in een ongemakkelijke en onopgeloste relatie met postmodernisme,
waarvan exponenten gevaarlijk
en/of vervelend ‘alternatieve’ feiten of ‘mijn waarheid’ (Donald Trump) beweert.
Als zelfs een atheïstische vaandeldrager als Friedrich Nietzsche 
al voorspelde dat de dood van God nihilisme en totalitarisme zou voortbrengen,
dan is de westerse samenleving wellicht in veel groter gevaar
dan algemeen wordt aangenomen.
Misschien – zoals rabbijn Jonathan Sacks waarschuwde –
zou zo’n ‘spirituele klimaatverandering’
op één lijn moeten worden gesteld met de milieucrisis.

Het is dan ook geen wonder dat
deze ‘punten’ van het christendom
vanwege de sociale zegeningen
die het met zich meebrengt
regelmatig worden onderschreven
door zowel de niet-gelovigen als de gelovigen.