Het moet me als protestant dan toch van het hart: ik vind dat we na de Reformatie iets te rigoureus te werk zijn gegaan met het uitbannen van allerlei rooms-katholieke uitwassen. Een van die zaken die je zou kunnen typeren met ‘het kind met het badwater weggooien’ is het afschaffen van de biecht.Biechtstoel Natuurlijk hebben protestante pastores ook de verplichting tot zwijgen over alles wat hun ter ore komt, maar toch… het instituut biecht, dat zo heb ik me laten vertellen ook niet overal meer in de rooms-katholieke wereld wordt gebezigd, heeft wel iets duidelijks. En dan bedoel ik het feit  dat je bij een geestelijke in een bepaalde setting je hart kun uitstorten…

Het blijkt ook wel dat door alle tijden heen veel mensen, kerkelijk en niet-kerkelijk,  op zoek zijn naar een onbevooroordeeld klankbord, een klaagmuur, een praatpaal. Dat bracht organisatieadviseur Richard Koopman op een idee. Hij bedacht een site waarop werknemers kunnen biechten. „Een werkzonde is een van de grootste taboes van een organisatie.” Op de site (biechtenophetwerk.com) kunnen werkzonden anoniem opgebiecht worden. Op de site kunnen mensen met een slecht geweten kiezen tussen de zeven hoofdzonden. Zo schrijft iemand onder de hoofdzonde jaloezie: „Ik ben jaloers op een collega. Ik heb uit afgunst enkele knopen van haar nieuwe jas afgeknipt terwijl ik wist dat het een hele dure jas was.”

Wat is dat toch dat mensen redelijk openhartig zijn over hun zonden als ze die anoniem ergens kunnen uiten? Voelt men zich opgelucht als men de zonden toegeeft?

Ik denk dat de biecht, in een bepaalde vorm, best ingevoerd zou kunnen worden, ook in een protestante cultuur. Ik denk zelfs dat het zo’n verlichting voor bepaalde personen kan betekenen die de overbelaste geestelijke gezondheidszorg zou kunnen ontlasten.

Oké, ik weet het: het klinkt als een persoonlijke biecht… maar het lucht enorm op!

Het blijft toch een fascinerend onderwerp: ‘geloofwaardigheid’; nu weer in het weeralarm. BliksemWat is het toch met de mens? Aan de ene kant wil men geen onduidelijkheden. Gerrit Hiemstra zei gister in het praatprogramma Knevel en Van den Brink dat mensen die contact opnemen met het KNMI altijd precies willen weten wat voor weer het op welke plaats wordt, wanneer er een bui gaat vallen of men geconfronteerd wordt met andere weersveranderingen. Men wil gewoon niet meer voor verrassingen worden geplaatst. Weers’voorspellingen’ moeten worden omgebogen naar weers’waarheden’. En als dan er toch iets verkeerd gaat, ach dan lopen we toch naar de rechter…  Ik vraag me af hoe mensen zouden hebben gehandeld als het KNMI geen weeralarm had uitgegeven en het weer zich toch had ontwikkeld zoals het voorspeld was: hevige rukwinden, overal verwoestende hagel en verschrikkelijke blikseminslagen.  Zouden bijvoorbeeld de organisatoren van evenementen als Lowlands en het Xnoizz Flevo Festival de betreffende autoriteiten niet aansprakelijk stellen voor de opgelopen schade? Voorspellingen hebben ook een preventief karakter, maar het zijn en blijven voorspellingen.

Het blijft toch een fascinerend onderwerp: ‘geloofwaardigheid’; aan de ene kant wil men zekerheid. Wij Nederlanders behoren tot de top-10 van de best verzekerde en oververzekerde mensen van de hele wereld. Maar aan de andere kant heeft de Nederlander, de westerse mens moeite met het geloven van  voorspellingen. Want waar men zich ook voor laat verzekeren doet men dat ook allemaal op risico-aannames. Het wil nog niet zeggen dat die ongelukken je echt overkomen.Voorspellingen moeten een zeker waarheidsgehalte hebben. Een soortgelijke reflex zie je volgens mij het geloof in de zin van godsdienst. Voorspellingen, profetieën worden niet geloofd, garanties en zekerheden worden immers niet afgegeven met de noodzakelijke vertrouwenwekkende ondersteuning van allerlei cijfers en wetenschappelijke claims. Het blijft trouwens grappig, tussen twee haakjes, dat mensen zich al snel een loer laten draaien door allerlei ‘wetenschappelijke claims’ kijk naar de enorme ineenstorting van verschillende teakbeleggingsfondsen die bijna letterlijk voorspelden, met een ronkende verwijzing naar ‘wetenschappelijk verantwoorde gegevens’  dat de bomen tot in de hemel zouden groeien. Maar als je mensen de  zekerheid wilt geven van een bestaan dat niet zinloos is en dat niet aan deze zijde van de dood ophoudt, dan wordt het heel veel mensen toch allemaal te gortig…

Het blijft toch een fascinerend onderwerp: ‘geloofwaardigheid’…

Televisiepresentatrice en voorzitter van de Taskforce Deeltijdplus Pia DijkstraPia Dijkstra, bekend van programma’s als het Journaal en Vinger aan de pols en getrouwd met CDA-coryfee en oud-directeur van Schiphol Gerlach J. Cerfontaine die destijds een functie in het openbaar bestuur afsloeg omdat hij de pensioenvoorzieningen wat ondermaats vond, kreeg laatst last van enkele feministische oprispingen à la Opzij-redacteur Ciska Dresselhuys.

Dijkstra vindt dat mannen en vrouwen de zorg voor de kinderen beter moeten verdelen. Als een bezorgde oma vindt ze ook dat de houding van de jonge generatie vrouwen er een is van dat de overheid en de werkgever alles voor hen moeten regelen. Ik word altijd erg moe van dit soort oprispingen. Laat die jonge vrouwen het toch lekker zelf uitzoeken!! Als vrouwen het leuk vinden om geen baan, een parttimebaan of een baan te nemen zonder verder te ambitie te hebben ‘hogerop’ te komen, Laat ze dan toch!!!

En dan komt er weer zo’n vrouw aan die zelf een mooie carrière heeft (gehad)  en die vindt dat élke vrouw hetzelfde gevoel móét hebben. Jarenlang hebben zíj gestreden voor die openstelling van mogelijkheden voor alle vrouwen en dan is het toch onverteerbaar dat niet alle vrouwen daar gebruik van willen maken.

Nogmaals: mevrouw Dijkstra, mevrouw Dresselhuys, mevrouw Kroes of wie zich dan ook maar aangesproken voelt door mijn oproep:

Volgens mij hebt u gestreden voor de onafhankelijkheid van de vrouw. Laat die vrouwen dan onafhankelijk zijn en laat ze zelfstandig beslissingen nemen over de invulling van hun leven, ook als die keuze u niet welgevallig is…

Oké, misschien is het komkommertijd maar het blijven toch altijd weer leuke onderzoeken die gedaan worden in de zomer. Neem nou dit onderzoek: Nederlandse christenen sparen meer en beleggen minder risicovol dan niet-christenen. Dat blijkt uit een onderzoek van twee economen van de Universiteit van Tilburg.Ook vinden zij het belangrijker om geld na te laten aan hun kinderen. In het onderzoek ‘Where angels fear to trade: The role of religion in household finance’ stellen Luc Renneboog en Christophe Spaenjers dat religieuze huishoudens meer geld opzij zetten dan niet-religieuze huishoudens.

Het enige wat je kunt met dit soort onderzoeken is er een beetje over doormijmeren. Want laten we eerlijk zijn: wat is er verder de relevantie van…

Wat me eigenlijk altijd weer verbaasd is dat christenen het altijd lukt om zoveel geld over te houden: meestal hebben grotere huishoudens en geven ze meer geld uit aan goede doelen (en dat is nog exclusief het geld dat ze kwijt zijn aan hun eigen geloofsgemeenschap).  spaarvarkenEn het geld wat ze dan overhouden zetten ze weg op een spaarrekening of beleggen ze.

Protestanten en mensen van evangelische kerken hebben meer gevoel van financiële verantwoordelijkheid. zo besluit het artikel. Ik vraag me af of dit te maken heeft met het ouderwetse weberiaanse idee dat de protestant een arbeidsethos heeft van hard werken en sober leven, het voorportaal van het kapitalisme? Immers, zo stelde Max Weber voor een protestant kon het kapitalisme niet alleen een uitwendig gebeuren zijn, maar moest het ook bezield zijn door een bepaalde ‘geest’. Deze ‘kapitalistische geest’ uitte zich in de levensstijl van individuen, zoals hard werken, een door blijven werken ook als men voor het levensonderhoud al genoeg had, een niet verspillen van tijd, een continu streven naar gewin, sparen van geld in plaats van uitgeven (sober leven en een uitgestelde behoeftenbevrediging) (hierdoor waren nieuwe investeringen mogelijk) en een positieve waardering van welvaart. In landen waar wel de materiële voorwaarden voor het kapitalisme aanwezig waren, maar deze geest ontbrak, zette het kapitalisme zich niet door. Nodig was een religieus gevoed ethos dat mensen krachtig motiveerde tot dat nieuwe, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Weber wilde aantonen dat het calvinisme en in bijzonder het engelse puritanisme de weg baanden voor deze kapitalistische geest. Het calvinisme zag de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Deze roeping gold een ieder en niet alleen zoals in de Middeleeuwen voor de monniken. De calvinisten droegen de gedisciplineerde levensstijl de wereld in: ‘innerweltliche Askese’. En hoort daar dan ook sparen bij als het hebben van een appeltje voor de dorst?

Maar je kunt het bericht ook negatief uitleggen: christenen potten juist meer hun geld, zijn toch gericht op het hier en nu, terwijl ze juist goed zouden kunnen weten dat het niet alleen draait om het heden.

Zou een christen niet moeten streven naar een economie die in sociaal en ecologisch opzicht duurzaam is, dat wil zeggen niet het milieu vernietigt en niet leidt tot sociale uitsluiting, armoede en vergroting van sociale ongelijkheid. Specifieke aandacht behoeft de verhouding tussen armoedebestrijding en milieu. Om armoede te bestrijden is economische groei noodzakelijk, die onvermijdelijk beslag legt op milieu en schaarse hulpbronnen. Met tegengaan van verspilling en technologie zijn schadelijke gevolgen van deze groei en van de consumptie van middenklassen en rijken in te perken, maar dat zal niet voldoende zijn. Onvermijdelijk is dan ook als men verdere milieuvernietiging wil tegengaan dat middenklassen en rijken een consumptiepatroon ontwikkelen dat minder een beslag legt op het milieu. Dat betekent anders en minder consumeren.  Kortom, die ouderwetse terminologie van rentmeesterschap. En dat kost een paar centen…
Christenen sparen meer…

Is dat een deugd, een goed teken voor een christen dat hij zoveel geld overhoudt voor de spaarrekening?

Willem Bouwman vertelt in het Nederlands Dagblad van een plaat die in het midden van de negentiende eeuw de boodschap moest uitdragen om de mensen terug te brengen naar de kerk.  De plaat is typerend voor de negentiende eeuw, toen de zondagsrust werd bedreigd door de snelle groei van het aantal fabrieken en de trek van miljoenen plattelanders naar de grote steden. Daar woonden ze in verpauperde wijken, ver bij de familie vandaan en zonder toezicht van de pastoor. Het was verleidelijk om ’s zondagsochtends uit te rusten en niet meer naar de kerk te gaan, als die er al was. Velen konden niet eens, omdat ze op zondag moesten werken. In die tijd ging de regel gelden: hoe groter de steden, hoe minder mensen in de kerk.

EnDe brede en de smalle weg tot ieders verrassing lijkt de weg die naar de kerk leidt verdacht veel op de brede die wij Nederlanders zo goed kennen van een heel andere plaat over de brede en de smalle weg en waar de brede weg de weg nou net niet de christelijke levensstijl uitbeeld. Ik vind dit een interessant gegeven. De laatste tijd komen er steeds meer zaken in het nieuws, al of niet geholpen door de spreekwoordelijke komkommertijd, dat christenen en/of christelijke organisaties het zelf niet zo nauw nemen met hun eigen christelijke ethische normen of dat ze het moeilijk vinden het christelijk geluid echt te laten klinken. ‘De brede weg’ lijkt ook voor christenen erg aanlokkelijk. Het begint er werkelijk op dat de brede weg naar de kerk leidt. Laatst las ik dat niet-christenen zich vooral ergeren aan het feit dat christenen zich niet houden aan hun eigen normen en waarden. Ik denk dat we ons dat moeten aantrekken. Het lijkt er op dat christenen zich schamen voor de boodschap die ze uit moeten dragen, dat ze graag willen opgaan in hun omgeving en daardoor ook hun normen en waarden aanpassen aan anderen. Eigenlijk willen we dat de brede weg naar de ‘kerk’ leidt. Niet te veel opvallen, niet te veel anders dan anders zijn. Terwijl de boodschap die het christendom kan en moet uitdragen er een is van een totaal ander beeld met betrekking tot de hele wereld en de samenleving.

De brede weg leidt naar de kerk?

Ik heb daar zo mijn twijfels bij…

Deze uitspraak tekende NRC redacteur Freek Schravesande op uit de mond van een ic-verpleegkundige in een ziekenhuis in Breda waar hij enkele diensten op de afdeling intensive care meeliep.

Eerlijk gezegd werd ik wel getroffen door deze uitspraak. Hoe vaak denken mensen niet dat de huidige geneeskunde wel tot in het oneindige het leven van een mens in de hand kunnen houden. ‘Mensen denken dat dokters alles kunnen. Op tv gaat het toch ook goed?’  Onwillekeurig moest ik ook denken aan die woorden van gezang 1: God staat aan het begin /en Hij komt aan het einde. / Zijn woord is van het zijnde / oorsprong en doel en zin.

Het artikel gaat over de dagelijkse gang van zaken op de intensive care afdeling waar het verplegend personeel steeds bezig is met de strijd voor behoud van het leven. En het idee bestaat bij veel mensen dat dat leven onder alle omstandigheden te redden is. traptredenDe vraag is alleen ‘kan dat altijd en is altijd even “zinvol”‘. Is het verantwoord om een patiënt te ‘redden’ als daarmee zijn leven voor de rest een ondraaglijke hel wordt? Een opmerking uit de praktijk: De techniek verfijnt, maar het vervolgtraject wordt vaak vergeten. ‘Nu zeg je tegen een tachtigjarige: gooi er maar een paar nieuwe hartkleppen in. Het automatisme is nog vaak: opereren. Of de patiënt daarna ooit nog thuis zal komen is de vraag.’ Moet je dan opereren? Kortom, mag een mens nog overlijden?

De VVD schreef in 1981: in de eerste plaats heeft de mens feitelijk niet de vrije keuze over leven en dood. Ziekte of ongeval zullen voor een belangrijk deel het tijdstip bepalen waarop hij zijn leven zal beëindigen. Bovendien leeft de mens in een gemeenschap en draagt hij verantwoordelijkheid jegens de andere leden van de gemeenschap. Hij zal zijn rechten alleen kunnen uitoefenen in het licht van die verantwoordelijkheid.(…) Aangezien hij voor de beëindiging van zijn leven de hulp van een ander of anderen inroept, betrekt hij deze medemensen bij zijn levenseinde en maakt hen mede verantwoordelijk. Ook hun belangen en gevoelens moeten dus geaccepteerd worden

Hoewel deze argumentatie zich vooral richt op het intermenselijk aspect zet het het sterven wel degelijk in een breder aspect. In heel zijn leven leeft de mens in sociale verbanden die aan het eind van het leven niet zomaar ophouden. Als christen zou ik daar nog het volgende aan toe willen voegen: als geboren en sterven beiden tot de goede schepping horen, en als wij door het geloof beide weer als weldaad weten te ervaren, dan moeten we ook aanvaarden dat God ons op zijn tijd het – natuurlijke – einde aandoet. Hiermee wordt  het sterven verheven tot een ars vivificandi, een onderdeel dat bij de kunst van het leven hoort.

De Bijbel verwoordt dit als volgt Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. (Rom. 14,8) Dit geeft wat mij betreft juist die band aan die ik in het bredere perspectief zie in het mensenleven: we hebben niet alleen een verantwoordelijkheid naar de medemens, maar hebben die evenzeer naar God toe.

‘Wij zijn geen God de Vader, het houdt een keer op.’ Eigenlijk een prachtige uitspraak die de diepe afhankelijkheid van een mens jegens zijn God in beeld brengt.

De bovenstaande zin is de slogan van de postbus 51 campagne over anti-discriminatie. Nederland is een land waar niemand zijn eigen ik hoeft te verstoppen. zo wil ons deze campagne doen geloven: Het is een plek waar niet geoordeeld wordt over bijvoorbeeld huidskleur, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn en zich thuis kunnen voelen.

Dit staat volgens mij haaks op het volgende bericht

De uitval van studenten met een lichamelijke en/of geestelijke beperking die een opleiding volgen in het hoger beroepsonderwijs (hbo), is twee keer zo hoog als bij studenten met een handicap op de universiteit. Ook blijken de studenten met een beperking in het hbo vaker hun opleiding voortijdig af te breken dan hbo’ers zonder handicap. Terwijl dit verschil niet te zien is in het wetenschappelijk onderwijs. Daarmee kunnen hbo-studenten met een handicap gezien worden als een „risicogroep”.

Mijns inziens ligt het probleem bij het feit dat onze samenleving is geconstrueerd op de idee van het sociaal contract. In het sociaalcontractenken wordt geprobeerd onze huidige maatschappelijke samenleving te verklaren vanuit de fictie dat mensen ooit zonder regels en in onbeperkte vrijheid (in een soort natuurtoestand) leefden, maar om uiteenlopende redenen (maar altijd uit eigenbelang) een contract met elkaar hebben gesloten.  Volgens het sociaal contract gaat het bij het afsluiten van een contract om partijen die relatief gelijk zijn in capaciteiten zoals intelligentie en lichaamskracht, dat wil zeggen dat ze een min of meer gelijke onderhandelingspositie hebben. In ieder geval zijn ze allemaal in staat om productieve arbeid te verrichten. Door deze aanname, denk ik, dat mensen met een beperking buiten de orde van rechtvaardigheid plaatst, of in ieder geval ‘marginaliseert’. Daarbij beschouwen de contractdenkers de contractanten niet alleen als subjecten van het contract, maar ook als enige ‘objecten van rechtvaardigheid’. Rechtvaardigheid is enkel verschuldigd aan hen die rechtvaardigheid kunnen betrachten. Een filosofe die zich hiermee heeft beziggehouden is de Amerikaanse Martha Craven Nussbaum.  Zij  is een toonaangevende en productieve filosofe. Zij werkt als hoogleraar recht en ethiek aan de universiteit van Chicago en schreef de voorbije jaren een indrukwekkend aantal essays en boeken over de relatie tussen filosofie en literatuur, menselijke emoties, feminisme, sociale rechtvaardigheid en wereldburgerschap. Het ethisch karakter van een samenleving kan volgens Nussbaum afgelezen worden aan de inspanningen die men zich getroost om ook voor diegenen die het fysiek of mentaal moeilijker hebben al deze ontwikkelingsmogelijkheden te waarborgen. Een aantal beperkingen zijn natuurlijk wel in de idee van het sociaal contract meegenomen. Contractanten kennen allemaal de frequent voorkomende klachten als rugpijn. Blindheid of doofheid zijn minder frequent voorkomende klachten de samenleving wordt ingericht door de mensen die alleen rekening houden met de meer frequent voorkomende klachten. de rolstoelHet is echter vreemd dat de contractanten zich dan wel de wetenschap toedichten dat hun fysieke vermogens binnen het zogenaamde ‘normale’ bereik vallen. Nussbaum schrijft dan dat de omgeving aangepast was aan mensen met een ‘normale’ handicap. Geluid kan worden gehoord door mensenoren en niet alleen voor hondenoren, bijvoorbeeld. De samenleving houdt geen rekening met mensen met atypische beperkingen. Er wordt soms geen rekening gehouden met de protheses van mensen met beperkingen. ‘Normale’ mensen kunnen ook gebruik maken protheses, die heten dan bus of auto. Voor mensen die afhankelijk zijn van anderen is er geen plaats in de basisstructuur van de samenleving. Globale gelijkheid als structureel kenmerk, en wederkerig voordeel als het beoogde doel, bepalen nog steeds wie er oorspronkelijk participeren en wat elke betrokkene uit de samenwerking probeert te halen.  In het sociaal contractdenken vigeert de de aanname dat burgers over ‘normale capaciteiten’ moeten beschikken om in ieder geval productieve arbeid te kunnen verrichten. Er is geen plaats voor atypische maatschappelijke voorzieningen die mensen met een beperking in staat kunnen stellen zo goed mogelijk te participeren. Want vervolgens moet niemand opdraaien voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassingen die gedaan moeten worden voor speciale voorzieningen. Vooral deze laatste toevoeging maakt  het interessant om over mensen met een beperking na te denken in de huidige context. Mensen worden steeds ouder en zullen op een bepaalde leeftijd moeten gaan leven met beperkingen die inherent zijn aan het ouder worden. Als we het sociaal contractdenken nu extreem doorvoeren zou dit betekenen dat deze mensen die tijdelijk met een beperking leven, niet meer meetellen in de samenleving van ‘normale’ mensen. Deze theorie schaart mensen met een levenslange beperking en zij die met een tijdelijke beperking onder dezelfde noemer: het zijn beide personen die niet meetellen in de ‘normale’ samenleving. Zeker in de huidige context waarin mensen een steeds hogere leeftijd bereiken, met alle tijdelijke beperkingen vandien, is een ‘herwaardering’ van de sociaal contracttheorie op zijn plaats.

Dat de uitval van hbo-ers met een beperking momenteel zo hoog is, heeft volgens mij ook te maken met dit denken waar onze samenleving op gebaseerd is. Aanpassingen zijn er voor de beperkingen van ‘normale’ mensen. Maar mensen met een atypische beperking zullen door ‘stroperige’ instanties die bepaalde voorzieningen zouden moeten faciliteren en door het feit dat onze samenleving niet ingericht is op mensen met atypische beperkingen niet snel op een volwaardige wijze kunnen deelnemen aan de samenleving!

Sinds 19 juli is Nederland in het bezit van een ‘eerlijke kerk’ staat in een bericht: een protestantse wijkgemeente in Delft mag zich de eerste Nederlandse kerk noemen met het fairtrade keurmerkFairtrade, omdat ze veel eerlijke producten gebruikt of promoot.

Dan vind ik nou opmerkelijk nieuws: een filiaal van de christelijke kerk dat eindelijk voor het eerst in haar meer dan 2000 jaar bestaan dit keurmerk opgespeld krijgt. Volgens waren wij al eeuwenlang verkondigers van een eerlijke ‘weg’ (zoals je het Engelse trade ook kunt vertalen). Als aankomend  ‘makelaar in ongeziene waren’  zoals een dominee  door Constantijn Huygensz. wordt omschreven, ben ik mij al degelijk bewust van dit keurmerk, deze opdracht. Ik probeer vele ‘ongeziene’ eerlijke ‘producten’ te promoten en te gebruiken. 😮

Maar goed, fijn dat het rentmeesterschap van de kerk in deze vorm erkenning krijgt en ik hoop dat vele gemeentes zullen volgen. En wat mij persoonlijk betreft: ik hoop nog jarenlang deze eerlijke en ware ‘weg’ te promoten.

In het kader van het Calvijnjaar 2009 dan ook een post van mij over Johannes Calvijn.

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

Waar andere artikelen al heel veel andere en achtergrondinformatie over Jehan Cauvin (want zo heet hij natuurlijk eigenlijk) hebben gegeven en ook verschillende andere kanten van Calvijn hebben belicht, wil ik mij graag beperken en richten op de ethische kant van Calvijn. Je bent ten slotte ethicus of je bent het niet.

‘Calvinism was an active and radical force. It was a creed which sought, not merely to purify the individual, but to reconstruct Church and State, and to renew society by penetrating every department of life, public as well as private, with the influence of religion’ schreef Tawney in 1926. In zijn tijd nam Calvijn zelf actief deel aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van de zogenaamde minder geprivilegieerde bevolkingsgroepen omdat volgens Calvijn geestelijke en politieke waarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens Calvijn moeten christenen altijd storende elementen zijn in hun samenleving omdat zij zich verzetten tegen elke vorm van onrechtvaardigheid. Dat was de reden waarom Calvijn zo hartstochtelijk sprak over armoede en rijkdom, rente en arbeidsloon. De eigen activiteiten die Calvijn in zijn tijd ontplooide op het gebied van sociale hervorming geven duidelijk een voorbeeld van het feit hoe anders zijn inzichten over sociale kwesties waren dan de gangbare mening. Calvijn was namelijk niet geïnteresseerd in conservatieve restauratie, maar hield zich bezig met het plaatsen van alle gegevens onder de norm van het Woord van God. Natuurlijk was hij ook een kind van zijn tijd en daarom was het voor hem onmogelijk recht te doen aan veel aspecten van de sociale ethiek die pas veel later aan de orde kwamen. Zijn uitgangspunt schiep echter ruimte voor een benadering waarin het sociale aspect niet is beperkt tot het individu en waarin de bestaande orde en sociale en politieke structuren en de publieke instituties niet zomaar worden geaccepteerd als een gegeven met eeuwigheidswaarde. De Heilige Schrift is voor Calvijn ook de uiteindelijke norm voor het scheppen van humaan leven in de samenleving. BijbelDus: natuurrecht (dit begrip staat hier voor de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur)  is zeer zeker belangrijk voor burgerlijke rechtvaardigheid en de publieke orde, maar uiteindelijk zullen al onze sociale instituties moeten vallen onder de kritiek van Gods Woord. Calvijns ethos sprak uit zijn uiteenzetting over het leven van een christen. Dit is het hart van de ethiek van Calvijn. Zijn verstaan van het leven van een christen berust op de kennis dat wij niet aan onszelf toebehoren, maar aan God door Jezus Christus.Wij zijn niet van onszelf, hierop gebaseerd ontwikkelde Calvijn zijn ‘ethiek’ als volgt. Aangezien wij bij God behoren, worden we opgeroepen te zoeken naar rechtvaardigheid en gerechtigheid in onze relaties met anderen en met God. Dat is het hart van het leven van een christen. God toebehoren in Jezus Christus betekent ook dat we elkaar toebehoren. Je zou dit kunnen omschrijven als een wereldtransformerend christendom waarin rechtvaardigheid en vrede elkaar omarmen of sociaal humanisme. De World Alliance of Reformed Churches (dat is een christelijke organisatie met meer dan 200 kerken) zou de economische en sociale getuigenis van Calvijn met betrekking tot het huidige leven van een christen omschrijven als een kritische uitdaging voor onze huidige economische politiek en praktijk.

Het standaardbeeld dat we van Calvijn hebben is er een van gebod, verplichting, verantwoordelijkheid en de oproep tot gehoorzaamheid. Maar de zorg voor rechtvaardigheid vanaf haar begin; de zoektocht naar sterkere vormen van gemeenschapszin en solidariteit in onze huidige wereld; de overtuiging van het belang van menselijke waardigheid en mensenrechten; ondersteuning bieden aan de worsteling tegen racisme, uitsluiting en onrechtvaardigheid. Dat zijn nu juist de connotaties die het denken van Calvijn stempelen, en die ook belangrijke kenmerken (dienen te) zijn van de hedendaagse calvinisten. Calvinisme wil mensen krachtig motiveren tot nieuw, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Het calvinisme ziet de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Calvijn legt zo de vinger op de zere plek van het egoïsme egoisten zelfverrijking. Zijn waarschuwing tegen ‘overtollige overvloed’ (of zoals adagium van Mahatma Gandhi luidde: ‘Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders begeerte.’) en oproep tot ‘onthouding, soberheid, matigheid en ingetogenheid’ klinken ouderwets en wereldvreemd in de oren en zijn dan ook volstrekt niet wervend, maar bevatten een diepere waarheid: overmaat belet het genieten, omdat men de waarde van de dingen niet meer kent. Goede relaties, een democratische samenleving, bestaanszekerheid, veiligheid en een zinvol bestaan blijken dan veel belangrijker dan egoïsme en ongelimiteerde zelfverrijking.

Calvinisme achterhaald? Nee dus!

Dus ten bate van een ieder: Lang leve Johannes Calvijn!!

Op 16 juli 1969 sprak de astronaut Neill Armstrong deze legendarische woorden toen hij tijdens de Apollo 11 missie op de maan landde en daar zijn eerste maanwandeling maakte. Vanwege de veertigjarige herdenking van dit feit worden we rond deze tijd meermalen aan deze missie en deze woorden herinnert. moonwalk

Wie zich meer verdiept in de geschiedenis van de gebeurtenissen die tot deze missie ziet, moet toch een een behoorlijk cynische grimas trekken bij de herdenking van deze gebeurtenis. Volgens de huidige geschiedschrijvers blijkt deze missie alleen van belang te zijn geweest als een gebeurtenis in de wedloop van de toenmalige Koude Oorlog. Een bewijs daarvoor, zo zeggen deze mensen, is het feit dat er daarna nooit meer een missie naar de maan gestuurd is. Het bleek dus een prestigeproject te zijn in geweest in de wedloop van de twee grootmachten van destijds, de USA en USSR.

That’s one small step for man; one giant leap for mankind…

Misschien kun je deze woorden uitgesproken door Armstrong ook iets breder trekken. Misschien zou je deze woorden kunnen plaatsen in de langlopende geschiedenis van de mens die probeert meer en meer aan zijn toren van Babel te bouwen.  De mens probeert steeds maar weer op de troon van God plaats te nemen. Hiervan getuigen eigenlijk al heel veel verhalen in de Bijbel. Maar ook de buitenbijbelse geschiedenis getuigd van deze worsteling van de mens om zijn leven in eigen hand te nemen. Niet dat ik zeg dat elke uitvinding van de mens of verkenning van het heelal een aanval op God betekent. Nee, ik denk dat God de mens heeft geschapen met de opdracht om de schepping te verkennen en te onderhouden. Daarom zijn er erg veel goede uitvindingen gedaan, heeft de mens zich ontwikkelt en tracht de mens elke uithoek van de schepping te ontdekken. Maar ik meen dat God de mens ook heeft begiftigd met een geweten en juist daar zit hem de kneep. Juist die mens met een vrije wil gebruikt zijn mogelijkheden vaak niet ten bate van zijn medeschepselen of van de schepping. Dit is te zien in de vele oorlogen die door de eeuwen heen zijn gevoerd en alle haat en nijd die er onder de mensen onderling broeit. Er wordt gesleuteld aan de mens zowel aan het begin als aan het eind van het leven en dat niet altijd ten voordele van de mens zelf.

Zou je nog steeds kunnen zeggen dat de mens een stap vooruit heeft gedaan? ik vraag het me af!