‘All shall be well, and all shall be well and all manner of thing shall be well.
(Alles zal goed komen, en alles zal goed komen, en alle dingen zullen goed komen.) Juliana van Norwich

 

Kortgeleden verscheen het nieuwste album Wild God
van de Australische zanger en schrijver Nick Cave.
Al enige tijd volg ik Cave op zijn lange weg van zwartgallige verslaafde,
nieuwsgierige onderzoeker, drager van onmenselijk veel leed
naar nu heilbrenger en gelukzaaier.
Zelfs in en door het ergste verdriet mag er vreugde zijn,
liefst woest en onbeperkt.
Nu onderzoekt hij in tien songs de ruimtes en momenten tussen geloof en ongeloof,
deze wereld en de volgende.

In de songs van Wild God begint Cave vaak herkenbaar;
ijle lijnen, droeve geluiden.
Maar in het midden verandert de kleur, het temperament.
Dat hoor je het meest indrukwekkend in ‘Conversion’,
waarin Cave naar extatische hoogten zingt,
opgejaagd door een koor van twintig mensen.
Bekering lijkt een versleten woord.
Bij Cave is het een proces met vele, mystieke bochten.
‘Ik ben bezig, maar bekeerd ben ik nog niet’, zegt hij.

In de veertiende en vijftiende eeuw leefde er een anonieme mystica
die we inmiddels kennen als Juliana van Norwich.
Nadat ze op dertigjarige leeftijd
huiveringwekkend dicht bij de dood was gekomen,
bracht ze de daaropvolgende decennia van haar leven door
in een kleine kluis in de kerk van Julian van Norwich
(de inspiratie achter haar pseudoniem),
waar ze alleen via ramen met mensen sprak en meesterlijk schreef
over haar bovennatuurlijke visioenen van God.

Haar anonimiteit, bescheidenheid en creativiteit zorgden ervoor
dat ze vrij was om over God te schrijven zonder de druk om
theologisch ‘correct’ te zijn.
Ze was er niet zozeer op uit om haar schrijven
academisch kogelvrij te maken,
en ze hield zich ook niet zo bezig met gevestigde ‘juistheid’.

In plaats daarvan ervoer ze, en ze schreef.
Ze peinsde en ze schreef. Ze leed en ze schreef.
Ze verheugde zich en ze schreef.

Ze was volkomen gegrepen door God,
en dat betekende dat ze vrij was.

Ik denk dat Nick Cave ook vrij is.

Want zijn nieuwste album doet me denken
aan het werk van Julian van Norwich;
verbijsterend, subversief, mystiek,
geworteld in een Waarheid die niet bewezen kan worden.
Een Waarheid die hij toch niet zou willen bewijzen.
Ook die ontwijkt ‘juistheid’.
Ook die weigert de vreemdheid van het geloof te verwateren.
Ook die is onweerstaanbaar intens.
Het album is een tien nummers tellende ode aan een wilde God (Wild God).
die Cave op de donkerste plekken heeft ontmoet.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit naartoe wilde.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit helemaal weg zal gaan.
Zo’n wilde God is een uitdaging
voor een cultuur die comfort op de troon heeft gezet.
We laten ons te snel bang maken.
Maar Cave lijkt comfort volledig te hebben geschuwd.
En dus is hij in een uitstekende positie om ons kennis te laten maken
met een God die ons in verwarring zal brengen.

Ja, het boek van Juliana van Norwich en het album van Nick Cave
liggen eeuwen uit elkaar,
maar toch voelt het alsof ze op de een of andere manier
van hetzelfde materiaal zijn gemaakt:
diep ongemak en pure verwondering.

Dit is Caves achttiende album met The Bad Seeds.
Samen hebben ze muziek gecreëerd om in te verdwalen,
een veranderlijk klimaat dat wordt aangestuurd door hun instrumenten:
je wordt meegesleurd in een cycloon tijdens de titeltrack,
de cimbalen beuken als golven op de kust
in ‘The Final Rescue Attempt’,
je hoort de zachte regendruppels vallen in ‘Frogs’,
de strijkers klinken op de een of andere manier
als een zonsondergang in ‘As The Waters Cover The Sea’.

Het is muziek die je zintuigen verbijstert.

En dan zijn er nog de verhalen die de nummers vertellen.

In 2015 verloren Nick en zijn vrouw Susie hun tienerzoon.
In 2022 verloor Nick nog een zoon.
De laatste twee albums die Nick Cave and the Bad Seeds maakten:
Skeleton Tree’ en ‘Ghosteen
die zijn doorspekt met verdriet en voelbare pijn.
En dus, als we dit album halverwege een maat beginnen,
is het alsof Nick ons vertelt dat we een gesprek oppakken waar we in 2019 waren gebleven.
Het album ‘Wild God’ zou niet bestaan als de vorige twee niet bestonden.

Hij gebruikt het openingsnummer om ons te herinneren
aan de tragische omstandigheden
waarin hij zijn tienerzoon Arthur verloor,
door te verwijzen naar het kinderrijmpje Humpty Dumpty,
die natuurlijk ‘een grote val maakte’.
Cave citeert ‘… en alle paarden van de koning en alle…’
voordat hij zichzelf onderbreekt met ‘… ach, laat maar, laat maar.’

Wat is de betekenis van dit terugkerende ‘laat maar’?
Is het pijn of acceptatie? Misschien is het beide.
Misschien is het geen van beide.
Misschien wil Cave, zoals gewoonlijk, niet te kenbaar zijn.

Sommige van zijn gedachten voelen af en vast,
andere voelen onontgonnen en nieuw,
alsof we ze tegelijkertijd horen als Cave.
Soms voelt het alsof hij ons iets leert,
soms is hij degene die de vragen stelt.
Het gaat over hem, en dan weer niet over hem.
Het is intens persoonlijk en dan weer kosmisch gericht.
Het is stevig, dan weer kwetsbaar.
Het is geschreven vanuit het perspectief van een godheid,
dan weer vanuit het perspectief van een kikker in zijn zak.

Het is behoorlijk onbeheersbaar.

Maar het nummer waar mijn geest in vast lijkt te zitten is ‘Joy’,
dat ongeveer een kwart van het album duurt.
Opnieuw begint hij het nummer door ons te vertellen hoe hij
‘vanmorgen wakker werd met de blues om mijn hoofd heen…
Ik voelde me alsof iemand in mijn familie dood was’,
hij spreekt over zijn ‘pijn en hunkerend verdriet’
wat je allemaal raakt,
omdat zulke regels volkomen onverwacht zijn
in een nummer met de titel ‘Joy’.

Je zou een dik boek kunnen lezen over de theologie van vreugde.
Of je kunt gewoon naar dit liedje luisteren.
Ik denk dat het je alles leert wat je moet weten.

Ondanks de verwijzingen naar zijn verdriet,
deelde Nick onlangs dat hij het album bijna de titel ‘Joy‘ had gegeven.
En ik snap waarom.
Als je vreugde ziet als een soort licht en luchtig iets,
zie je het misschien niet.
Maar als je, net als Nick Cave en zijn band The Bad Seeds,
vreugde ziet als iets dat spanning, verwarring en zelfs verdriet kan bevatten,
zul je zien dat het overal in dit project te vinden is.
Zoals Cave ons al heeft geleerd, kunnen geloof en hoop
worden gevonden te midden van bloedbad.
En Caves nieuw(er) gevonden geloof heeft hem duidelijk op zijn kop gezet.

Zijn Wild God heeft hem duidelijk omver geblazen.

De resterende nummers op het album
de nummers waarvan ik niet het aantal woorden heb om recht te doen
nemen God/dood/leven en overdenken ze vanuit elke hoek.
Er zit een kinderlijke verwondering in dit album, een puur soort opwinding.
Het soort waarvan je zou denken dat het onverenigbaar zou zijn
met de realiteit van verdriet,
maar dat er op de een of andere manier toch naast kan staan.
Nick Cave probeert niet de God die hij heeft gevonden,
of de ‘bekering’ die hij heeft ervaren, uit te leggen
hij viert het gewoon en nodigt ons allemaal uit om te luisteren.

Hij houdt gewoon van God en geniet ervan dat hij ook geliefd wordt.
Het is allemaal heel erg ‘Juliana van Norwich-achtig’.
Het zal je beledigen als je te hard probeert het in een keurig krat te stoppen.
Het citaat van Juliana van Norwich ‘all is well’ boven deze blog
is meer een verklaring dat deze niet alle ongeluk, ziekte of dood uitsluit.
Het verwijst eerder naar het vermogen om vrede en zelfs vreugde te vinden
in het oog van de storm;
om te gaan vertrouwen dat het God is die alle chaos en vergankelijkheid overstijgt.

Ik wil nog aandacht vragen voor het het laatste nummer.
Het is een hymne.
Een echte, zij het aangepaste, hymne
het laatste nummer is een uitvoering van ‘As the Waters Cover the Sea’.

Opeens is er een versnelling om mee te worstelen.
Nick plaatst zichzelf in een kerk,
hij verbindt zichzelf aan een bepaalde religieuze traditie,
hij sluit zich aan bij een bepaalde gemeenschap
en associeert zich met een bepaalde geschiedenis.
Het blijkt dat de God over wie hij spreekt niet abstract is,
Hij is de christelijke God.
Je wordt eraan herinnerd dat je hebt zitten te luisteren naar een man
die zijn zoon is verloren,
en dat je in gesprek bent met een God die ook Zijn Zoon is verloren.
De teksten hebben hier de hele tijd op gezinspeeld,
maar Nick besluit het op een manier die hij ons openlijk vertelt.
Zijn afscheid is een richting, zijn epiloog is een uitnodiging. Hij zegt eigenlijk –

Als je geïntrigeerd bent door the Wild God, hier is precies waar ik hem heb gevonden…

En dit soort religieuze invulling wordt gebruikt om een album
zo vol metaforen en mysteries af te sluiten.
Een album waarvan ik dacht dat ik het had uitgevlooid,
een artiest waarvan ik dacht dat ik het eindelijk had begrepen,
een boodschap waarvan ik dacht dat ik het had ontcijferd…

… Ach, laat maar, laat maar.

 

Vanwege deze menselijke, lichamelijke kant van de geloofsbeleving
hoeft het geen verbazing te wekken dat discussies
over onderhoud aan kerkgebouwen soms snel verhit raken.
Theologisch is het kerkgebouw weinig anders
dan een willekeurig ander gebouw,
psychologisch is het kerkgebouw
de plek waar men ‘thuiskomt bij de Vader’.
En hoewel de liefde van God geen gebouw nodig heeft,
krijgt het gebouw wel betekenis
als daar regelmatig de liefde van God ondervonden werd.

Die psychologische verbondenheid
aan een vaste plek om God te ontmoeten
kan heel sterk zijn.
Zij krijgt onder meer vorm
in zogenaamde ‘invented traditions’ (‘uitgevonden tradities’).
Een voorbeeld daarbij is een gemeentelid dat erop hamert
dat een kerkzaal écht niet zonder avondmaalstafel kan
‘omdat die daar al generaties lang zo staat’.
Maar in werkelijkheid zijn avondmaalstafel
in protestantse kerkgebouwen een noviteit.
Als gevolg van de Liturgische Beweging
uit de jaren ’70 van de vorige eeuw
kwamen deze tafels in kerkinterieurs terecht.
Omdat deze persoon emotioneel gehecht is geraakt
aan de vormgeving van het kerkgebouw,
herschrijft hij de geschiedenis
zodat de vormgeving gehistoriseerd wordt,
en daarmee zijn beleving bij het kerkgebouw veiliggesteld.

Omdat kerkgangers emotioneel verbonden raken met ‘hun’ kerkgebouw,
neigen ze ernaar dat gebouw te verabsoluteren.
Vormgeving, inrichting en zelfs bouwkundige details
krijgen emotionele of zelfs geloofsinhoudelijke waarde.
Wie de vorm verandert (of afschaft),
verandert ook iets aan de ‘beleving’ bij het kerkgebouw,
of aan de herinnering daaraan.
ja, kerkmensen neigen dikwijls naar nostalgie.
maar vorm is in de kerkzaal ook inhoud.

 

Op die manier raken ze aan elkaar verbonden:
dat praktische, dienstbare ouderlijk huis
en de herinneringen die daaraan verbonden zijn.
Het ‘ouderlijk huis’ krijgt een symbolische waarde:
de tastbare plek verwijst naar herinneringen en gevoelens.
Dat is onvermijdelijk:
we zijn als lichamelijke wezens geschapen.
We kunnen niet anders dan
herinneringen, ervaringen en gevoelens
koppelen aan een bepaalde plek.

Een kerkgebouw is het ‘Vaderlijk huis’:
hier werden mensen gedoopt, deden ze belijdenis, trouwden ze,
hier vandaan werden zij begraven.
Het kerkgebouw draagt geschiedenis bij zich:
generaties kerkgangers, en vooral:
generaties vol verhalen en gevoelens.
Dat is niet alleen negatief, of lastig.
Het is zoals wij geschapen zijn.

Het kerkgebouw als aards ‘Vaderlijk huis’
verwijst in die zin naar het hemels Vaderhuis:
hier woont God bij de mensen.
De hemel is vanuit ieder gebouw bereikbaar;
maar in het eigen kerkgebouw voelt alsof de regelmatige gebeden
daar het plafond van de hemel
een stukje dunner gebeden hebben.
Hij woont op alle plekken,
maar hier was Hij vaak thuis,
en daarom Zijn kinderen ook.

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

 

In de vorige eeuw dachten veel mensen dat religie op zijn retour was.
Zoals politicoloog Francis Fukuyama het verwoordde,
werd er algemeen aangenomen dat
‘religie zou verdwijnen en alleen vervangen zou worden door seculier,
wetenschappelijk rationalisme.’
Maar weinig mensen geloven dit nog.
Ook Fukuyama zelf is van gedachten veranderd en zegt dat religie ‘niet zal verdwijnen.’

Maar waarom weigert religie te verdwijnen?
We willen suggereren dat een van de belangrijkste redenen voor het voortbestaan van geloof
is dat er vragen zijn waar niemand volledig aan kan ontsnappen die leiden naar religie.
Religie, of geloof, richt zich op vragen waar niemand volledig aan kan ontsnappen:
waarom is er iets in plaats van niets?
Waar komt het allemaal vandaan?
Heeft dit leven zin?
En wat gebeurt er na de dood?
Geloofstradities zijn experts in zulke ultieme vragen
en het is heel moeilijk voor iemand om deze vragen volledig te vermijden.

Deze vragen die de meeste mensen op een bepaald moment in hun leven tegenkomen,
draaien om betekenis:
Wat is het nut van opgroeien, zou een tiener kunnen vragen?
Wat is het nut van mijn werk, vragen we ons later misschien af.

Vooral wanneer we te maken krijgen met frustraties, mislukkingen en uitdagingen,
dan vragen we ons misschien af wat voor verschil we maken voor de wereld.
Zou iemand me missen als ik er niet was, vragen we ons misschien af?
Zal iemand zich me herinneren als ik sterf?

Want uiteindelijk komt iedereen op een gegeven moment in aanraking met de dood.
Ook al worden we gespaard van de pijn van vrienden die jong sterven,
het is de natuurlijke oorzaak van de wereld dat onze grootouders en onze ouders
op een dag zullen sterven.
Wat doen we als we worden geconfronteerd met zo’n verlies?
Het is moeilijk om niet te vragen: ‘waar is mijn geliefde nu?’
En ‘is er hoop om onze geliefden ooit weer te zien?’

Dit zijn het soort vragen waar niemand in zijn leven volledig aan kan ontsnappen:
ze komen altijd weer op en dringen zich op aan ons bewustzijn.
Toch zijn deze vragen over het begin, de betekenis
en het einde de vragen waar religie zich mee bezighoudt.
En hier ligt een belangrijk antwoord, denken we,
op de vraag waarom geloof niet zomaar zal verdwijnen:
omdat wetenschappelijk rationalisme ze niet echt kan aanpakken.

Zeker, seculier wetenschappelijk rationalisme biedt wel wat antwoorden op de vraag
hoe het leven begint – we kennen de biologie ervan verbazingwekkend goed.
En toch is biologie niet alles,
en in feite zijn het niet de biologische aspecten ervan die ons raken.
Het wonder, de hoop, de liefde die we ervaren
wanneer we worden geconfronteerd met het begin van het leven,
is meer dan wat rationeel of wetenschappelijk kan worden verklaard.

Ook is wetenschappelijk rationalisme niet goed toegerust
om vragen over betekenis te beantwoorden.
Wetenschap is geweldig in het beantwoorden
van hoe iets werkt of hoe het zou moeten worden gedaan,
maar waarom-vragen vallen in een andere categorie.
Gevraagd naar de zin van het leven en rond het einde van het leven:
wetenschappelijk rationalisme kan en zal, op basis van zijn methoden en benaderingen,
niets (kunnen) zeggen over het hiernamaals.

De vragen over begin, betekenis en einde
kunnen dus niet door wetenschappelijk rationalisme worden beantwoord.
En toch komen die vragen in ieders leven voor.
Precies hier ligt een belangrijke reden waarom geloof niet is verdwenen.
Geloof houdt zich bezig met precies deze vragen.
Het is goed in het omgaan met deze vragen – ze vormen het kerndomein van geloof.

Geloof biedt antwoorden op vragen over begin, betekenis en einde,
maar net zo belangrijk is dat het een gemeenschap biedt
waarin dergelijke vragen kunnen worden aangepakt en besproken.
Het biedt een ruimte waarin mensen kunnen nadenken
over de ultieme vragen en andere mensen kunnen vinden
die dat met hen willen doen, misschien door hen manieren te laten zien
waarop men antwoorden kan vinden.
Verschillende geloven en verschillende uitingen van geloven doen dit heel anders:
georganiseerde religies doen het anders om de associatie van degenen
die ‘spiritueel maar niet religieus’ zijn, los te maken,
maar in alle gevallen is het geloof – in brede zin –
dat de vragen aanpakt en behandelt die opkomen en niet anders worden aangepakt.
Geloof zal niet verdwijnen, omdat de vragen van het geloof niet zullen verdwijnen.

Maar waarom moet dit gezegd worden?
Is het niet duidelijk dat religie gaat over ultieme vragen die iedereen aangaan?

Het probleem is dat het moderne westerse leven vol zit met mogelijkheden
om ons af te leiden van deze vragen.
We zijn rijk, comfortabel, worden overspoeld met entertainment
en zijn vaak ook nog eens druk met carrières en kinderen.
Al deze dingen helpen ons om de diepere vragen
over de oorsprong en het doel van ons bestaan te onderdrukken.

Veel mensen behandelen de vraag naar de zin van het leven
als een vraag die ze eindeloos over kunnen uitstellen:
‘Op een dag wil ik erachter komen, waar het allemaal voor is en waar het allemaal naartoe gaat: maar vandaag wil ik nog een aflevering op Netflix kijken, op Instagram browsen
of naar een sportwedstrijd gaan.’
De entertainmentindustrie vestigt onze aandacht op vluchtige genoegens
zoals geld, seks, roem en succes.
Rijkdom is vooral nuttig omdat het ons helpt te krijgen wat we willen, wanneer we het willen,
en voorkomt dat we de hardere realiteit van het leven onder ogen zien.
Het is gemakkelijk om onszelf bezig te houden
en we kunnen onszelf geen tijd gunnen voor diepe reflectie op de grotere vragen.
Dit alles draagt bij aan wat we de ‘verdovende middelen van het dagelijks leven’
zouden kunnen noemen, de manieren waarop het dagelijks leven en de maatschappij
als een drug fungeren om onze visie te vertroebelen,
ons denken te verwarren en ons ervan te weerhouden de dingen in het leven
die er het meest toe doen, duidelijk onder ogen te zien.

Maar het probleem is dat zelfs het gewone dagelijkse leven wordt geleefd
volgens (althans voorlopige) antwoorden op die grote vragen.
Elke dagelijkse beslissing die we nemen, toont onze waarden, wat wij denken dat ertoe doet.
Als we chocolade kopen die niet eerlijk is verhandeld,
kiezen we actief voor ons eigen plezier als belangrijker
dan rechtvaardigheid en gelijkheid in de armste plekken ter wereld.
Als we tot laat doorwerken in plaats van naar huis te komen om met de kinderen te spelen,
als we vliegen voor een vakantie, of rundvlees kopen,
waardoor we onze CO2-voetafdruk enorm vergroten en bijdragen aan klimaatverandering,
dan laten we zien dat we meer om onze genoegens geven dan om de vernietiging van de planeet.
Al onze keuzes zijn gebaseerd op waarden die onze overtuigingen onthullen
over wat het leven de moeite waard maakt en wat we uit het leven willen halen.
Je kunt geen agnost zijn. Je leven toont geloof in het een of het ander.
Denk aan een duidelijk voorbeeld:
Een zwangere vrouw kan gewoon niet lang agnostisch zijn over abortus.
Ze heeft maar twee opties: abortus of bevallen.
De keuze die ze maakt, zal een praktisch gevolg zijn
van haar overtuigingen en waardeoordelen.
Er is geen agnosticisme, geen ‘niet te beantwoorden’ van de vraag.

Zoals elke religieuze traditie roept het christendom ons op
om een leven te leiden dat geworteld is in dingen van ultieme en blijvende waarde,
in plaats van oppervlakkige of egocentrische zorgen.
Het daagt ons uit om te vechten tegen de verdovende middelen van het dagelijks leven
door onze aandacht voortdurend terug te trekken
naar de dingen die er het meest toe doen.
Door middel van aanbidding,
Bijbellezen en gebed vraagt het ons onophoudelijk:
Gaat het echt allemaal om het verdienen van bakken met geld?
Gaat het om promotie maken?
Wat zijn je ultieme waarden en hoe laat je die zien in je leven?
De echte kracht van secularisme is niet dat het alternatieve antwoorden biedt
op deze vragen, maar dat het afleidt van de vraag.
Het enige wat we hoeven te doen, is ons los te maken.

Nu is het christendom niet alleen een reeks gemakkelijke antwoorden op deze vragen.
Het is een weg, een reis naar de waarheid.
Christen zijn betekent dat je tot een gemeenschap behoort
die vertrouwt op wat Jezus heeft onthuld
over de oorsprong, betekenis en het einde van ons leven.
In die gemeenschap zijn er enkele impliciete antwoorden om ons op weg te helpen.
We leven in de overtuiging dat het leven zinvol is,
dat egoïsme en persoonlijk plezier niet het belangrijkste zijn.
Er is genoeg ruimte voor debat en discussie,
maar laten we in ieder geval beginnen met praten over de dingen die ertoe doen.

Bij elke statistische berekening moet de kans – als uw luxe jacht plotseling en onverklaarbaar zinkt –
op verdrinking in de Middellandse Zee extreem laag zijn.

‘Bayesiaanse statistiek’

 

Dat is de wrede ironie voor de dood van techmagnaat Mike Lynch.
Hij wijdde zijn hele commerciële leven aan de toepassing
van dergelijke statistische waarschijnlijkheden.
Hij stierf samen met zijn dochter en vijf anderen op 19 augustus in slecht weer op een zeiljacht.

Hij had zijn jacht Bayesian genoemd,
naar de stelling uit de 18e eeuw die het idee introduceerde
dat waarschijnlijkheid een mate van geloof in een gebeurtenis uitdrukt.

Dat betekent trouwens niet uitdrukkelijk religieus geloof.
Maar interessant genoeg sluit het ook niet uit.
Want volgens Thomas Bayes, die zijn stelling in 1763 publiceerde,
kan de berekenbare mate van geloof gebaseerd zijn
op eerdere kennis over een gebeurtenis,
zoals de resultaten van eerdere experimenten,
of op persoonlijke overtuigingen erover.

We kunnen deze methode overbrengen naar de religieuze handelswijze.
Christelijk geloof in het geval van wederopstanding
kan bijvoorbeeld worden berekend in de waarschijnlijkheid
dat de dood van Lynch en anderen aan boord van de Bayesian
niet het einde van hun bestaan betekent.

Het is een intrigerende erfenis van Lynchs werk voor theologen.
Maar het is het pure gebrek aan waarschijnlijkheid
dat de dodelijke gebeurtenis überhaupt plaatsvindt
waaraan het zijn willekeurige banaliteit verleent.

Er zijn bittere observaties op sociale media geweest
dat de slachtoffers van de Bayesian grenzeloos
meer aandacht hebben gekregen dan de vele duizenden vluchtelingen
die elk jaar in kleine boten sterven bij het oversteken van de Middellandse Zee.

Zeker, ook hierbij kan de Bayesiaanse theorie worden ingezet:
ervaring ondersteunt onze overtuiging dat het oversteken van de zee
in overvolle en niet-zeewaardige vaartuigen
maar al te vaak kan leiden tot tragisch terminale gebeurtenissen.
De kans op overlijden is duidelijk.
Maar het is de pure willekeur van de Bayesiaanse theorie,
als we afzetten tegen de ondergang van het gelijknamige jacht.

Die willekeur brengt ons terug naar de banaliteit
van de plotselinge dood onder ons,
bijna de gewoonheid ervan, iets dat gewoon gebeurt,
vaak helemaal uit het niets.
Het zijn vaak gebeden ware woorden bij een begrafenis
‘in het midden van het leven zijn we in de dood’.
Dit betekent dat de dood onze constante levende metgezel is.
Maar dat is voor mij niet helemaal genoeg,
omdat het ons vertelt dat het er is,
maar niets over de ware betekenis ervan.

De leerstellingen van het christelijk geloof
worden regelmatig die van een doodscultus genoemd;
dat het een diepgewortelde angst voor de dood is
die ons ertoe aanzet om het te vermijden
met de verzekering van het eeuwige leven.
Maar het is de pure banaliteit van de dood,
zoals blijkt uit de willekeur van de Bayesiaanse gebeurtenis,
die dat idee lijkt te ondermijnen.
In zijn willekeur lijkt de dood eerder belachelijk dan slecht.

Auteur Hannah Arendt bedacht de term ‘de banaliteit van het kwaad’
toen ze verslag deed van het proces
tegen de nazi-holocaustarchitect Adolf Eichmann in Jeruzalem.
Ik zou willen stellen dat het diezelfde banaliteit,
die basale menselijke gewoonheid is,
die de ware aard van de vermeende Magere Hein onthuld, in plaats van zijn kwaad.

Uiteindelijk is de dood geen Bayesiaanse waarschijnlijkheid,
maar een zekerheid, voor ons allemaal.
Het verschil, in de Bayesiaanse theorie, moet het geloof zijn
dat we meenemen in onze persoonlijke berekeningen
van de waarschijnlijkheid van de gebeurtenis.

 

Maar wat wordt daar dan mee bedoeld, geestelijke gemeenschap?
Maak je het dan niet onnodig vroom, wat hoogdravend misschien.
Het is toch gewoon mensenwerk…
met alle menselijke kleinheden en kleinigheden, vertel ons wat.
Laten we het alsjeblieft een beetje nuchter houden…

Ja, daar ben ik ook wel van. En toch.
Een wezenlijk kenmerk van de kerk is,
dat wij een gemeenschap zijn van mensen
die elkaar niet hebben uitgezocht.
We horen bij elkaar, niet omdat we familie zijn,
niet omdat we uit hetzelfde dorp of gemeenschap stammen;
we horen niet bij elkaar omdat we verwante eigenschappen,
politieke overtuigingen, voorkeuren of smaken hebben;
we zijn niet per se bevriend met elkaar,
delen niet vanzelf dezelfde interesses of meningen.
We zijn geen gemeenschap van mensen die hetzelfde denken,
zelfs niet hetzelfde geloven,
of op dezelfde manier in het leven staan.
De kerk is geen gezelligheidsvereniging, van mensen met dezelfde voorkeuren.
Nee, we hebben elkaar niet uitgezocht, onze karakters botsen soms,
we zijn heel verschillend, maar we zijn allemaal,
ieder op een eigen wijze, geroepen, geboeid,
geraakt door het verhaal van het evangelie.
Door het evangelie van Jezus Christus
die de onvoorwaardelijke liefde van God belichaamt.

Vaak is je dat van huis uit meegegeven
en heb je dat op een eigen manier
een plaats gegeven in jouw leven.
Soms ben je er op een andere manier bij betrokken geraakt,
ieders verhaal is weer anders.
Maar dat is de kern van wat ik dan maar even ‘geestelijke gemeenschap’ noem.
De kerk vindt haar basis niet in een menselijke voorkeur,
maar in een roepstem, een appèl van de andere kant,
of hoe je dat ook wilt noemen.
De kerk vindt haar grondslag niet in een menselijke beslissing,
zoals een vrijwilligersorganisatie wordt gevormd.
De kerk is een gevolg van een beweging die buiten ons om op gang is gebracht
en waar wij in worden meegenomen,
waar wij ons in laten voegen en die wij, als het goed is,
op een eigen manier weer doorgeven aan een volgende generatie.

 

Is de kerk een vrijwilligersorganisatie?
Ik was onlangs op een kerkelijke bijeenkomst, waarop iemand dat zei.
Hij had het over de moeilijkheden waarmee ze in hun kleine gemeente worstelen.
Het bekende verhaal: gebrek aan ambtsdragers,
aan vrijwilligers, vergrijzing, minder kerkbezoek,
de noodzaak tot samenwerking met andere kleine gemeenten misschien.
De kerkorde zit daarbij in de weg, volgens de spreker,
met allemaal regels en voorschriften.
We moeten niet zo moeilijk doen,
de kerk is gewoon een vrijwilligersorganisatie.
We hebben een reglement nodig, geen dikke kerkorde.

Nu was er op diezelfde bijeenkomst
gelukkig ook iemand die meteen antwoordde dat er,
vanuit de kerkelijke organisatie volop meegedacht wordt
om creatieve oplossingen te zoeken.
De kerkorde hoeft geen keurslijf te zijn,
er is meer mogelijk dan je soms denkt.

Nou gaat het mij niet per se om de kerkorde,
maar wel even over die typering
van de kerk als vrijwilligersorganisatie.
Is dat zo?
Zelf zeg ik dat ook wel eens, een beetje gekscherend.
Als iemand van buitenaf vraagt naar mijn werk bijvoorbeeld, dan zeg ik:
ik ben de enige beroepskracht in een vrijwilligersorganisatie.
Dat is toch zo?
Kijk, de meeste mensen zitten voor hun plezier in de kerk, maar als predikant MOET ik er zijn.
Nou ja, ik zei al: gekscherend. En het klopt ook niet helemaal,
want vaak ook kosters en ook organisten horen bij de beroepskrachten,
en natuurlijk kerkelijk werkers
en in sommige plaatsen heb je ook betaalde scriba’s of ledenadministrateurs.

Toch is de kerk vooral een organisatie die drijft op vrijwilligers.
Op die talloze mensen die iets doen voor of namens de kerk,
heel vaak ook op de achtergrond, buiten het zicht van de camera’s.
Als die vrijwilligers er niet zouden zijn,
dan zouden al die betaalde dominees hopeloos onthand zijn.

Dat is allemaal waar.
En toch heb ik op die bijeenkomst
waarop nogal stellig de kerk een vrijwilligersorganisatie werd genoemd,
iets anders daar tegenin gebracht.
Want de kerk is volgens mij in de eerste plaats een geestelijke gemeenschap.
Dat moet voorop staan.

….