Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De schittering en vreugde van medaillewinnaars
op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien.
Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af
in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde.
Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn,
en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest
die nooit leuk zijn om te zien.
Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver.
Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.

Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken,
of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert
door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie.
Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging
om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken.
We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt
dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten.
Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit
– een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten,
maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede.
En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie
wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven
dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.

Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen.
Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt.
Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen,
omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers.
De winnaars zullen worden gefeliciteerd,
maar anderen zullen depressief worden van het falen.

Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’
zo onderdrukkend is geworden dat het leidt
tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out.
Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen
om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden.
Dus mensen uit alle lagen van de bevolking
raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen
van ‘prestatiegericht leven’
en voelen zich moe, gevangen en onrustig.
Ze lijden onder de valse overtuiging
dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties.
Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen
of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.

Er is een betere manier.
We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen
van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit
en de diepe waarheid te bevestigen
dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn
in wie we zijn als Gods geliefde kinderen.
We kunnen onze emoties verankeren
in de zekerheid van die ware identiteit.
Het is mogelijk om te besluiten
om de manie voor resultaten en onze cultuur
van voortdurende intensiteit onder ogen te zien.
Een daad van verzet tegen een wereld
die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes.
God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten,
maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid.
We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven
naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God.
Daar zit een diepe vrede in.
Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken
om te concurreren zonder angst voor falen.

In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid
nooit toegepast op prestatie,
alleen op karakter,
en de meest uitmuntende manier is liefde.
De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties,
maar vermijdt om er een afgod van te maken,
omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.

Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk.
Het is leren om uitstekende prestaties na te streven
zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen
door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren
of ons medailles toekennen.
Prestaties van topkwaliteit zijn superieur
en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen.
Maar God is een God van genade,
die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert,
inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden
voor de Olympische Spelen,
net zo goed als degenen die op het podium stonden.

 

De openingsceremonie van de Olympische Spelen van Parijs in 2024,
gehouden aan de rivier de Seine, heeft niet verrassend voor controverse gezorgd.
Zulke momenten, waarbij een land
zich door middel van pracht en praal aan alle anderen presenteert,
zorgen altijd voor commentaar,
niet in de laatste plaats degenen die beweerden
dat de ceremonie een ‘aanval op het christendom’ was.

Hoewel het weer de uitvoering enigszins dwarsboomde,
was het de inhoud van de voorstelling die kritiek kreeg.
De parade van atleten werd overschaduwd
door de kritiek op de creaties van theaterdirecteur Thomas Jolly,
het brein achter de hele ceremonie.
Extreemrechtse politici bekritiseerden Jollys creaties
als een schending van de Franse nationaliteit.
Conservatieve deskundigen richtten hun kritiek op Jollys
verheffing van de LHBTIQ+-cultuur.

Christelijke commentatoren hebben,
met verschillende mate van wrok,
een vreemde scène veroordeeld waarin Leonardo da Vinci’s beroemde schilderij
van het Laatste Avondmaal – volgens hen –
werd ondermijnd door een mengelmoes van ostentatief queer personages.
Centraal stond niet Jezus Christus,
maar een robuust ogende figuur die leek op Lady Liberty.

Voor de ceremonie vertelde Jolly aan het Britse Vogue over het hart achter zijn creatie:
‘er is ruimte voor iedereen in Parijs.
Misschien is het een beetje chaotisch,
dat is waar, maar dat geeft iedereen de mogelijkheid om een plek voor zichzelf te vinden.’
De openingsceremonie zal een succes zijn, zegt Jolly,
‘als iedereen zich erin vertegenwoordigd voelt.’
Ik denk dat dit niet het geval is voor de dertig procent van de wereld
die zich als christen identificeert.
Dat komt omdat elke familie en elke smaak van het christendom zou erkennen
dat de Heilige Communie, Het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende 2000 jaar,
waarvan de instelling is afgebeeld in het schilderij van da Vinci,
publiekelijk en wereldwijd werd verkracht.

Hoe kunnen we dit moment duiden?
Is er nog iets anders dat de christen kan bijdragen dan verontwaardiging of woede?
Wanneer zoiets gebeurt,
herinnert het me aan de centrale rol die het christendom
heeft gespeeld in de westerse cultuur.
Het onbegrip rondom de controversiële scène van de ceremonie
berust op het idee dat het schilderij van Da Vinci
een wereldwijd erkend symbool is.
Anders hadden we alleen maar naar een heel vreemd etentje zitten kijken zonder eten.
En met het beroemde schilderij van Da Vinci in gedachten,
komt de subversieve kracht van Jollys scène dan hard aan.

Ik heb een heel aantal artikelen gelezen van een bepaald soort rechtse journalist
die gedachten napraat als: ‘dat zouden ze niet doen met de Koran.’
en ideeën over de ‘neergang van het christelijke Westen en de westerse cultuur’,
Dan zou dat kunnen kloppen, maar het mist fundamenteel het punt.

De scène is alleen logisch vanwege de nu afnemende machtspositie van het christendom.
Wanneer je – zoals radicaal rechts vaak doet –
Jezus Christus en het christendom op één lijn brengt met de status quo,
wanneer het christendom moreel behang wordt
voor een hele beschaving en haar cultuur.
Dan wordt het niet verrassend genoeg een doelwit voor satire.
Vooral voor iedereen of een groep die zich vervolgd of gemarginaliseerd voelt.
Nee, ik verdedig geen moment wat Jolly deed,
maar probeer te begrijpen waarom het gebeurde.

Het soort culturele macht dat het christendom in het Westen heeft gehad,
gaat ten koste van de duidelijkheid, omdat het christendom
oorspronkelijk zelf een tegencultuur was.
Kruisiging, een opperste daad van keizerlijke overheersing,
werd de basis van het christelijk denken
en uiteindelijk het grootste symbool ervan.
De oorspronkelijke christelijke beweging
werd door zowel de Joodse als de Romeinse religieuze leiders van die tijd
als godslasterlijk gezien om tegenstrijdige redenen.

Het fundamentele verschil tussen het christendom
en het louter vasthouden aan conservatieve waarden
die niet overtreden mogen worden,
is God.
Het is een oprecht geloof in Jezus Christus
als de langverwachte Messias van het Joodse volk,
en de Redder van de hele wereld
een geloof dat zijn eerste verwaarloosde en verbijsterde discipelen
ertoe bracht om op zulke radicale en tegenculturele manieren te leven
dat velen door het Romeinse Rijk werden vermoord.

Het is terecht dat zijn volgelingen vandaag de dag hun mond opendoen
en zeggen hoe fout het is wanneer de speciale en heilige zaken
die hij voor hen deed opnieuw in het openbaar worden vertrapt,
maar het is ook de moeite waard om te onthouden dat het verhaal zo begon,
met het lichaam van Jezus dat werd mishandeld en gebroken.

Dat we op de een of andere manier, in momenten als deze,
de kracht van Jezus missen wanneer we Hem simpelweg verdedigen
op grond van ‘fatsoen’ en ‘respect.’ is meegaan in het narratief van radicaal rechts.

In plaats daarvan,
als we terugkeren naar de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf,
onthult Jollys uitbeelding, in zijn spot en subversiviteit,
juist de kracht van Het Laatste Avondmaal.

Laten we even duidelijk zijn:
Da Vinci’s schilderij was niet bedoeld voor een galerie,
maar werd oorspronkelijk geschilderd op de muur van een vrij onbekend klooster,
en pas jaren later getransporteerd naar een galerie
om ineens ‘kunst’ te worden.
Voor Da Vinci was het bedoeld als een fundamenteel hulpmiddel voor de gelovigen
om de oorspronkelijke gebeurtenissen te herinneren.

Het laatste avondmaal,
de maaltijd die Jezus de avond voor zijn kruisiging met zijn vrienden deelde,
was de openingsceremonie van het christendom.
Elke keer dat christenen deelnemen aan het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende meer dan 2000 jaar,
herinneren ze zich de openingsceremonie waarbij:

Jezus nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan Zijn discipelen, zeggende: Neemt en eet, dit is Mijn lichaam.” En Hij nam een beker, en toen Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen, zeggende: Drinkt allen hieruit. Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Maar het meest merkwaardige deel van de openingsceremonie van het christendom,
merkwaardiger dan alles wat we tijdens de openingsceremonie zagen,
is de aanwezigheid van Judas.
De Bijbelse verslagen beschrijven Jezus’ kennis van de intentie van Judas
om Hem aan de Romeinen te verraden,
en toch is Judas nog steeds welkom aan tafel.
Als er ruimte is voor Judas, dan is er ruimte voor ons allemaal.
De openingsceremonie van het christendom
kan niet worden herdacht zonder de aanwezigheid van Judas de verrader,
en Petrus de lafaard, of Thomas de twijfelaar.
De grote ironie en het grote mysterie van het christelijk geloof
is dat je de genade niet kunt overtreffen.
Je kunt het bespotten en ondermijnen, maar Christus stierf voor de goddelozen.

Daarmee komt de scène tijdens de openingsceremonie
niet in de buurt van de oorspronkelijke gebeurtenissen.
Jezus werd niet alleen verraden door zijn vrienden,
Hij werd vervolgens gemarteld, vernederd en publiekelijk geëxecuteerd
op ongeveer de meest pijnlijke manier die mensen hebben bedacht.
Dat was godslastering van een ander niveau,
maar het was ook een overwinning omdat God ervoor koos
om inclusief lief te hebben, voorbij elke menselijke norm.

Dit betekent dat er niets inclusiever is dan de openingsceremonie van het christendom
en tegelijkertijd ook niets exclusiever.
Wij zijn niet degenen die het eten verzorgen, maar God.
In Jollys uitvoering werd de scène van het Laatste Avondmaal
afgesloten door de Franse acteur Philippe Katerine,
die van top tot teen in het blauw was geverfd.
Terwijl deze ‘baardsmurf’ verbijsterde reacties over de hele planeet veroorzaakte, vertegenwoordigde Katherine blijkbaar Dionysius,
de Griekse god die geassocieerd wordt met wilde dronken feesten.
Het eten dat Jolly aanbiedt is een wild verlangen en zelfexpressie.
In het christendom is het eten God zelf, zijn lichaam en Zijn bloed.
Gods liefde wordt gegeven, zelfs aan degenen die hem zullen verraden.

Maar scenes als deze kunnen voor christenen voelen
alsof er nu een golf van seculier liberalisme
eindelijk de machtspositie wil veroveren
die het christendom eeuwenlang heeft gehad.
En wat je nu ziet dat er een nieuwe conservatieve voorhoede van verzet opstaat
om die afbrokkelende positie van het westers christendom te beschermen
of het in te schakelen voor zijn eigen doeleinden.
Uit de mond van Modi of in Trumps tirades
woedt een nieuw religieus bewapend populisme.
Dit zal het voor christenen moeilijker maken om te navigeren,
tussen het volgen van Christus of hen die:
‘ons proberen te misleiden met mooiklinkende filosofie en redeneringen’( Kolossenzen 2)

 

Bestaanszekerheid kreeg net als migratie
veel aandacht bij de verkiezingsdebatten.
Bestaanszekerheid gaat over armoedebestrijding.
De Thora, de wet van Mozes,
roept op om iemand die in armoede vervalt
niet te laten verkommeren:

Armen zullen er altijd zijn bij u.
Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land
die in armoede leeft of er slecht aan toe is.
(Deuteronomium 15)

Maar bestaanszekerheid is meer dan armoedebestrijding.
Het heeft ook te maken met de zekerheid van een woning,
van werk en inkomen, van vervoer,
schone lucht en water, van zorg en van onderwijs.
En met de toegankelijkheid van al die voorzieningen.

Eigenlijk is het een raar woord,
want het hoort bij ons bestaan
dat we geen zekerheid hebben.
Je kunt zomaar ziek worden, een ongeluk krijgen,
je baan kwijtraken.
Kwetsbaarheid hoort bij het menselijk bestaan.

Je hebt niet alles in de hand.
Veel zelfs niet:
waar je wieg staat, welke kansen je krijgt, hoe gezond je bent.
Of je niet toevallig op de verkeerde plaats bent.
In een gebouw dat instort door een aardbeving.
In een vliegtuig dat uit de lucht wordt geschoten.

Wij zijn ons bestaan juist níet zeker.

 

Rechtsstatelijkheid, dat woord dook opeens op in de verkiezingsdebatten.
De rechtsstaat heeft de afgelopen jaren deuken opgelopen.
Denk aan de toeslagenaffaire,
hoe de overheid om is gegaan met de gaswinning in Groningen,
de etnische profilering.
Zaken waarbij de overheid de burger ongelijk behandelde,
waar grondrechten met voeten zijn getreden.

Wat zou de kerk, wat zouden wij uit ons geloof, uit de Bijbel
kunnen inbrengen in het debat over de rechtsstaat,
de inrichting van de samenleving?
Nederland is een democratische rechtsstaat.
Er is een scheiding tussen kerk en staat.
Dus heeft de kerk wel recht van spreken?
Maar wat nu als de wetten in de staat indruisen
tegen de wetten van het koninkrijk van God?

 

Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer.
Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen.
We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn.
In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen.
Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond
tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken.
Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.

Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven.
De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect,
de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier.
De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier.
We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden.
Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben
roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje.
Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes.
Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig.  Vakmanschap, door God geschapen.
Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging.
We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier.
In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode.
De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus.
Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan.
Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.

Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren,
spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt.
De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn
in de taak, die we van God ontvangen hebben.
Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje.
Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren.
Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd.
Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk.
Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan.
De eendracht van dit volk maakt hen sterk.
Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk,
die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie.
Hoe groot is de onderlinge samenwerking!
Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen
en daardoor hun eigen welzijn.
Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop.
Zonder gedoe.

Begint het al te kriebelen?

 

Hoop heeft met toekomst te maken.

Eeuwenlang werd hoop in de christelijke traditie uitgelegd

als hoop op God, hoop op een hiernamaals.

Als wij nadenken over de toekomst

dan gaat het niet zozeer of niet alleen

om een leven na dit leven,

maar om de toekomst van onze aarde,

de toekomst van onze samenleving.

En daar vinden de christelijke en de niet religieuze mens elkaar.

Hoop op een betere wereld.

Er gaat van hoop op iets in de toekomst een kracht uit,

een oproep, in het heden.

Wat iemand hoopt,

daarvan zou je nu al iets moeten kunnen zien.

Als je hoopt dat de klimaatverandering stopt,

dan ga je zelf ook anders denken en doen.

Als je hoopt op vrede,

als je hoopt dat de liefde wint,

dan bepaalt dat jouw gedrag nu al.

Hoop is de rode draad door alle Bijbelse verhalen.

Hoop dat nochtans, ondanks alles wat je om je heen ziet

het goede zal overwinnen.

Een toekomst van vrede en gerechtigheid:

Een toekomst vol van hoop.

het beloofde land, het koninkrijk van God.

Hoop op een andere toekomst

maakt dat mensen opstaan en op weg gaan.

Zoals Abraham en Sara, zoals Mozes.

Op het moment dat mensen de eerste stap zetten

op weg naar Gods toekomst

komt die toekomst met elke stap dichterbij.

Is die toekomst al onder ons.

In zekere zin kun je dus zeggen

dat die toekomst al bestaat.

Hoop is een sterke kracht in mensen.

Emily Dickinson verwoordt dat mooi in dit gedicht.

Met een subtiele verwijzing naar een vogel.

Misschien naar de vogel Gods, de Geest?

 

Hoop is dat ding dat veren heeft

en neerstrijkt op de ziel,

en zijn liedjes zonder woorden zingt

en nooit stopt,

helemaal nooit.

 

Vorming, vernieuwing van ons karakter,
dat is waar het in de Bijbel vaak om gaat.
Jakob, Mozes, David,
stuk voor stuk kenden ze tijden waarin ze werden gevormd, gekneed.
En woestijnperioden, in tegenslagen en beproevingen, soms vele jaren lang.
Zo ontwikkelden ze het karakter dat ze nodig hadden
om hun roeping te vervullen en tot hun bestemming te komen.

Het is ook een belangrijk inzicht in het bedrijfsleven
In het beroemde boek ‘De zeven eigenschappen voor succes in je leven’
van managementgoeroe Stephen Covey
– die vooral inzet op het vlak van effectief leven en werken – staat:
‘wil je duurzaam succes hebben, focus dan op wie je bent als persoon.
Werk aan de ontwikkeling van je karakter.
Aan integriteit, aan loyaliteit, aan waarachtigheid.’
Duurzaam succesvol zijn, zegt ook Covey. Het is een kwestie van karakter.

Jezus mocht eerst opgroeien en gevormd worden.
‘Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid;
Gods genade rustte op hem.
Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe.
Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.’
Bij Jezus zien we dat juist Gods Geest zich bezig houdt met de vorming van karakter.
Als Jezus bij zijn doop in de Jordaan de Geest ontvangt
is het volgende wat we lezen dat diezelfde Geest
hem in de woestijn leidt voor een proces van beproeving, loutering.
Een karaktertest van maar liefst 40 dagen lang.

Jezus zelf is ook heel bewust bezig met karaktervorming.
Hij neemt mensen mee in een andere manier van leven.
Hij richt daarvoor geen klaslokaaltje in de lokale synagoge
maar vormt een leefgemeenschap.
Trekt intensief op met een kleine groep mensen
en door met elkaar op te trekken, samen door ervaringen heen te gaan,
en met vallen en opstaan vindt een proces plaats van karaktervorming.

Jezus noemt de Geest ‘een andere helper’
en wat hij bedoelt is:
Hij wil net als ik met je door alle dingen heen trekken
en werkelijk alles wat je meemaakt,
de kleinste dingen van iedere dag,
het zijn leermomenten, groeimomenten.
En ik wil erbij zijn, bij al die momenten
en stapje voor stapje je leren
hoe je in de stijl van Jezus om kunt gaan met wat er op je pad komt.

Misschien zit je erover na te denken en klinkt het je allemaal te maakbaar.
Je kunt zeggen: er is toch ook van alles wat invloed heeft op mijn karakter
waar ik weinig of geen invloed op heb?
Daar zit wat in. Je startpunt wordt sterk bepaald door anderen.
Je krijgt al van alles mee in je DNA.
In de opvoeding zetten anderen al een stempel op je.
Je kiest zelf niet je beginpunt, wat je meekrijgt.
En wellicht begin je in sommige opzichten aan een achterstand.
Maar bij karaktervorming draait het niet zozeer om waar je start, of waar je nu bent.
Maar veel maar om waar je heen gaat.
Je hebt de keuze waardoor je je laat leiden en vormen.

Er zit zeg maar een God-factor in en een mens-factor.
De God-factor is dat de groei zelf buiten mijn bereik ligt
De groei zelf kan ik niet realiseren.
Dat is aan Gods Geest.
Geestelijke groei is in de kern een geschenk dat je ontvangt.
Het is een vrucht van de Geest.

Tegelijk zit er ook een mensfactor aan.
Je kunt wel de juiste voorwaarden scheppen
waarin de groei kan plaatsvinden en doorzetten.
Zorgen voor voldoende voeding en zonlicht.
Zorgen dat er genoeg ruimte is, onkruid verwijderen.
Zo je leven inrichten dat je Geest niet in de hoek duwt
maar dat Geest steeds ruimer gaat wonen in je
en steeds meer vrij spel krijgt om diep in je binnenste te gaan schrijven
zodat je steeds meer wordt waar je voor bedoeld bent:
Een leesbare brief van Christus.

 

De mens heeft issues met grenzen.
Als we iemand grensdoorbrekend, grensverleggend noemen
bedoelen we dat als een compliment.
We leven liefst in een land van onbegrensde mogelijkheden.
Life-coaches vertellen je op hun websites en blogs:
Er zijn geen grenzen.
Alleen die je jezelf oplegt. Grenzen zijn illusies.

Dat grenzeloze mateloze zit ook wel in onze manier van leven.
De drang om steeds iets anders, nieuws, hogers, meer en beters te willen.
Iemand noemde dat: perfectieterreur, opgelegd geluk.
De versnelling van alles lokt uit tot meer en te veel doen in dezelfde tijd.
Het hiernamaals is praktisch uit beeld verdwenen
dus alles moet in dit ene leven worden gepropt.
YOLO, zeggen we dan: you only live once.

En er zit natuurlijk een waarheidselement in.
We kunnen onszelf en elkaar klein houden.
Zo druk in de weer zijn met muurtjes en grenzen,
met verwachtingen en conventies
dat we onszelf en elkaar kortwieken en we nooit echt de vleugels uitslaan.
Dat leidt tot een verkrampt, geremd, benepen leven.
Weer soms nog maar weinig vrijheid en spanning in zit.
En er kan vroeg of laat dan een moment komen
dat ineens de remmen los gaan en je losbreekt uit je kooi.

Maar als de mens zijn grenzen overschrijdt
kan dat negatieve impact hebben op de schepping.
De schepping zucht natuurlijk ook doordat we niet duurzaam leven
en te veel consumeren
wanneer we bossen omhakken zonder nieuwe aanplant aan te brengen.
Of de atmosfeer zo vervuilen dat ze niet meer kan absorberen.
Maar er is ook een bredere impact.
Van wie wij zijn en de keuzes die wij maken.
Grenzen overschrijden is als het kapot maken van een draad in een web van een spin.
Dat ontwricht het hele web.

Ik bedoel niet te zeggen dat natuurrampen altijd rechtstreeks te linken zouden zijn
aan menselijk gedrag en bijvoorbeeld een oordeel of straf is
voor wie erdoor worden getroffen.
Wat ik wel bedoel is dat we de oplossingen voor de milieucrisis
niet alleen gaan oplossen met onderwijs en wetenschap.
Of alleen met voorlichting en bewustwordingscampagnes.
Er ligt een dieper moreel, geestelijk probleem onder.
Wat echt nodig is is een verandering van ons hart.

Waar ben je, roept God.
Waar ben je, het betekent hier: wat bezielt je?
Waar ben je mee bezig? Waar ben je in verstrikt geraakt?
Wat is er met je mens?

God wandelt door de wereld steeds op zoek naar de mens
die zo geneigd is zich in de nesten te werken.
In iedere generatie zoekt hij naar mensen om een verbond mee te sluiten.
Mensen die de schepping willen dienen en bewaken.
Mensen die de grenzen weer in ere herstellen.
Mens, waar ben je, die roep klinkt door de hele schepping heen.
In Romeinen 8, 19 lezen we:
de schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Een paar verzen daarvoor lezen we:
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven.
U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn.
De schepping ziet reikhalzend uit naar mensen
die de geest van het zoonschap met zich mee dragen.
En steeds meer leren hun verantwoordelijkheid te nemen.
Mensen, die de stem horen roepen: waar ben je?
En dan uit hun schaamteboom tevoorschijn komen en zeggen:
Heer, hier ben ik, leer mij uw wil te doen.

 

Deze gelijkenis zegt namelijk ook iets over het leven.
Letterlijk zijn de gelijkenissen die Jezus hier,
aan het einde van het evangelie vertelt,
gelijkenissen van het Koninkrijk.
Het leven zoals God het bedoelt, het leven zoals het zou moeten zijn,
kunnen zijn, wordt door Jezus getekend in verhalen
die uit het leven zelf gegrepen zijn.
Verhalen die ieder begrijpen kan,
maar die toch ook weer verborgen diepten hebben.

Hoe dan ook,
de gelijkenis van de talenten is het verhaal van het vertrouwen
dat de heer (de Heer) in zijn mensen stelt.
Ieder naar wat hij of zij aankan.

Waarom groeit het bezit van de eerste twee knechten?
Omdat zij er mee de wereld in gaan.
Omdat zij zich onder de mensen begeven;
handel en wandel en wat al niet meer – het wordt verder niet uitgelegd.
Maar vertrouwen groeit als vertrouwen wordt gedeeld.
Zo is het menselijk leven.
Samen kun je meer; kun je meer dan je dacht aan te kunnen.

Dat doet die derde nu juist niet.
Hij durft de deur niet uit.
Hij begraaf het bezit en kruipt zelf het liefste weg.
Hij blijft alleen, verlegen met zijn bezit,
vertrouwen dat niet wordt gebruikt,
maar omslaat in wantrouwen en angst.

Je krijgt niet meer dan wat je aankan.
Of dat altijd zo is?
Het is moeilijk, eigenlijk onmogelijk,
om dat in zijn algemeenheid te zeggen,
laat staan dat jij dat voor een ander invult.
Misschien kun je het zo zeggen:
het is niet altijd dat je krijgt wat je aankan,
maar het is vaak wel: wat je krijgt, dat kun je aan.
Dat ontdek je pas gaandeweg en achteraf.
Maar dan moet je wel durven gaan.
De derde knecht kan dat niet.
Hij wordt verlamd door angst.
Zo jammer. Tandenknarsend.

Daarom is de boodschap:
Laat je niet verlammen door de angst.
Vertrouw op de Heer, die jou zijn vertrouwen geeft.
Hij weet wat jij aankan.
Hij ziet altijd meer in jou dan jij van jezelf geneigd bent te denken.

Durf daarop te vertrouwen.
Dan zal jouw vertrouwen zich vermenigvuldigen,
in het contact met anderen,
in de zorg en wederzorg,
in hoe mensen voor elkaar bestaan en elkaars bestaan verlichten, verrijken.