In de boeken van de profeten lijkt het heel normaal

dat ze de stem van God horen en vervolgens doen wat hun gezegd wordt.

Je kunt je afvragen:

sprak God alleen in die dagen tot mensen

en is dat op een gegeven moment opgehouden?

Of verkondigt een profeet zijn eigen visie en probeert hij die gezag te geven

door het een woord van God te noemen.

In de profetische boeken staat het duidelijk:

de profeet treedt op in naam van de Levende.

Ze zijn niet blij met die zending.

Voor alle profeten geldt dat ze met grote moeite en oprechte tegenzin het woord nemen.

Ze zijn niet uit op aanzien en erkenning, ze zijn niet voldaan over wat ze gezegd hebben,

ze gaan gebukt onder hun boodschap.

Ze worstelen met de grote vragen van het leven.

Vragen van lijden, pijn, onrecht en geweld.

Men roept het naar de Heer.

Waarom gebeurt dit Heer? Waarom handelt U zo, God?

Wat is hiervan de bedoeling?

Dit past toch niet bij U, die de Rechtvaardige en Liefdevolle bent?

Waar bent U, Heer? Het zijn grote vragen.

Geboren in verbijstering. Geboren in verdriet. Geboren in bewogenheid.

Bij mensen die getuige zijn van het kwaad.

Het maakt mensen boos. Soms bang. Of bezorgd.

Habakuk bijvoorbeeld roept het naar God.

En zegt dan: ‘Ik ga op mijn wachtpost staan.

Ik ga uitkijken naar het antwoord van de Heer.’

En hij kreeg antwoord. Een Godswoord.

‘Onrecht gaat te gronde, maar de rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’

Is het een antwoord op onze vragen? Ja toch wel! Geloof betekent leven!

Dat is Gods reactie. Op bidders, smekers, klagers en huilers.

Daarmee worden de emoties niet gedempt.

Maar klinkt er tegelijk een ander geluid. Een andere stem. Een Godswoord.

Dat licht geeft in het donker.

De weg wijst in de verwarring.

Rust brengt in de worsteling.

Nee, nog steeds weten we niet waarom er zoveel onrecht en lijden is.

Nog steeds begrijpen we niet

waarom er zoveel pijn en spanning moet zijn.

Maar wel weten we: Gods recht zal zegevieren.

Jezus Christus nam het op zich. Hij bracht vrede, het herstel van Gods recht.

En ieder die gelooft, zal leven. LEVEN!

Van dit Godswoord staat de definitieve vervulling nog open.

Zeker als het gaat over de verwijdering van het kwaad.

Maar dit woord over later is een woord voor nu en hier.

Voor al Gods kinderen, die willen weten waar de Heer is.

Hoe God tegen de wereld aankijkt. Wat Hij gaat doen.

God opent de toekomst. In Jezus Christus.

In Hem ontvangen mensen het eeuwig leven.

Door zijn dood heeft Hij de vrede gebracht.

Die door de Geest over ons wordt afgekondigd:

Geloof betekent leven!

‘Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren,
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee,
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.’

Lucas 24,15-16

‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’
Dat zei Friedrich Nietzsche. Filosoof in de 19e eeuw en domineeszoon.
Want het evangelie is goed nieuws, tintelt van hoop.
Maar in hoeverre is dat ook te merken aan wie ik ben, de taal van mijn lichaam.
De sfeer die ik om me heen heb hangen.
Zien anderen die met mij leven en optrekken
in mijn leven van iedere dag iets van een blij en verlost mens?
Zou Nietzsche niet een punt hebben met deze uitspraak?
‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’

De twee wandelaars op de Emmausweg zien er in elk geval niet erg blij en verlost uit.
Je krijgt de indruk dat zij geestelijk gezien nu juist wel te pletter zijn geslagen
nu zij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Overspannen verwachtingen stukgelopen op de weerbarstige realiteit.

En dan is daar die derde in het gesprek.
Het is de opgestane Heer zelf die zich incognito bij deze wandelaars voegt.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Er zit iets genadigs, iets pastoraals in dit meegaan.
Jezus had hun gesprek ook abrupt kunnen afbreken.
Hij had hun wandeling tot stilstand kunnen brengen.
Maar dat is niet wat hij doet.
Terwijl zij zo met elkaar in gesprek waren
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Hij loopt met hen mee de hele Emmausweg uit. Zo lang als dat nodig is.

Hij voegt zich naar het proces dat in hen gaande is.
Hij luistert, stelt af en toe een vraag en luistert opnieuw.
Nee, het klinkt bij hen allemaal niet zo blij, niet zo verlost.
Maar het weerhoudt de Heer er niet van bij hen te zijn.
Al luisterend en vragend brengt Jezus deze twee bij hun verdriet, hun verwondheid.
En ook ons als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Toen kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.

Ja, Nietzsche heeft volkomen gelijk.
‘Als christenen zo echt léven vanuit de blijde boodschap,
zouden we er samen een stuk verloster uit zien.’
Niet als mensen met een Messiascomplex
die zichzelf en elkaar voortdurend overroepen en overvragen.
Maar als imperfecte mensen die weten dat we aanvaard zijn.
Aanvaard inclusief onze schaduwkanten, ons tekortschieten, onze schuld en onze schaamte.
Dat hij vertrouwd is met al mijn wegen, zelfs met verkeerde afslagen,
dwaalwegen, zijsporen en doodlopende stukken.
Dat lang voordat ik hem zien, herken en lief heb, Hij mij ziet, kent en liefheeft.

Toen zeiden ze:
‘Laten we een stad gaan bouwen met een toren die tot in de hemel komt.
Dan worden we heel beroemd.
En als we in die stad blijven, raken we niet over de hele aarde verspreid.’

Genesis 11,4

De mensen in Babel bouwen voor zichzelf een toren bouwen.
Ze willen voor zichzelf een naam maken.
Ze willen het allemaal zelf voor het zeggen hebben, ze dulden niemand boven zich.
Zien we het vandaag niet om ons heen?
Dat mensen, wijzelf, God naar de kroon willen steken.
Wanen onszelf God. We denken Hem niet nodig te hebben.
Wetenschappelijk aantonen dat God niet bestaat.
Zekerheden voor onszelf bouwen?

Zo willen mensen – in Babel en ook nu – zich een naam verwerven. Dat ze niet vergeten worden.
Ze willen zichzelf verheffen. Opklimmen naar boven. Kapitaal, carrière.
Misschien zelfs wel op godsdienstig terrein door ernstig en vroom te leven.

Ze willen zelf bepalen wat ze willen worden.
Zo bouwen ze aan hun eigen torentje.
Ik als middelpunt van de aarde.

Toen de geleerde Blaise Pascal was overleden
werd ergens in de voering van zijn jas een stukje perkament gevonden.
Daarop stonden een paar losse woorden,
halve zinnen waarmee Pascal kennelijk een ervaring wilde beschrijven en vastleggen.
De meest intieme ervaring die hem was overkomen, een ontmoeting met God.
Op het papiertje stond met grote letters: VUUR!
En daaronder: God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob.
Niet van filosofen niet van geleerden.
Zekerheid, zekerheid, gevoel, vreugde,
vrede van God en Jezus Christus, Uw God zal mijn God zijn.

Zekerheid, zekerheid, dat schreef Pascal op dat kleine stukje perkament.
Hij had kunnen kiezen voor het woordje:
securité, wij kennen dat van het Engelse woordje security.
Het is een soort van zekerheid zonder enig risico de zekerheid die volledige controle wil hebben.

Dat is de soort zekerheid van de polis van veiligheidsdiensten en verzekeringsmaatschappijen.
Van de hoogste gebouwen van onze steden zeg maar.

Maar als Pascal schrijft: zekerheid, zekerheid,
dan gebruikt hij heel bewust een ander woordje:
certitudo. We kennen het van het Engelse certain.
Dat is een ander soort van zekerheid, een zekerheid die durft te leven met onzekerheid.
Een zekerheid die uit uithoudt te midden van vragen.
En dat is wat Pascal vond in God.
Niet een alles dekkende verzekering zonder eigen risico.
Wel de zekerheid dat Hij er is en was en altijd zal zijn.

De God die afdaalt en mij en jou wegroept uit onze zelfgebouwde schijnzekerheden.
Een God die afdaalt en mij en jou roept.
Om in plaats van altijd maar te klimmen, ook zelf te leren af te dalen.
Een God van onderweg die mij en jou uitnodigt om niet te verzanden,
te blijven steken in vrome idealen en goede voornemens.
Maar echt stappen te zetten on de richting van het goede leven.
Leven met God is één groot avontuur.
Als je Jezus volgt geef je het heft uit handen.
Leven met God is één avontuur, soms hachelijk, soms spannend,
maar altijd uitdagend.
Want waar Hij je ook brengt, Hij is er altijd bij.

Met deze God heeft Pascal het gewaagd.
Met deze God is ook Abram onderweg gebleven.
Met deze God komen ook jij en ik nooit beschaamd uit.

 

Hij moet groter worden, en ik kleiner.

Johannes 3,30

Ik ken in de hele Bijbel bijna geen boeiender figuur dan Johannes de Doper.
U weet, hij gaat voor Jezus uit, om in zijn tijd
om de mensen voor te bereiden op de komst van Jezus.
En hij doet dat met een ongekende impact.
Met zijn radicale levensstijl en krachtige prediking beroert hij het hart van vele duizenden.
Zelfs de politieke en geestelijke leiders zijn onder de indruk.
En ook Jezus zegt dat hij niemand kent die groter is dan juist deze Johannes de Doper.
Johannes is een sterk leiderstype met veel charisma en zeggingskracht.
Hij zorgt hij voor een enorme volksbeweging, een revival.
En zo’n succes zou bij menigeen naar het hoofd stijgen.
Maar niet bij Johannes de Doper.
Hij verliest hij zijn rol, zijn roeping nooit uit het oog.
Hij blijft met beide benen op de grond blijft staan en is opvallend nederig, bescheiden.
Hij noemt zichzelf een stem die roept in de woestijn.
Als hij over Jezus spreekt zegt hij consequent: die groter is dan ik.
En, zegt hij erbij: wie ik niet waard ben zijn sandalen los te maken.
Johannes is nooit voor zichzelf begonnen.
Hij heeft altijd beseft dat het in het leven niet om hemzelf draaide.
Hij wist zich altijd deel van een groter geheel
en speelde in het bedrijf van het koninkrijk van God.
Met hart en ziel die ene rol die hem was toebedeeld.
Tot het moment dat de hoofdakte begint en de hoofdrolspeler, de echte ster het toneel betreedt.
En Johannes weet dat hij een stapje terug mag toen.
Die hele beweging van minder van mij en meer van Hem
heeft Johannes keer op keer zichtbaar gemaakt in het dopen.
De een na de ander dompelt hij compleet onder
om hem of haar daarna uit het water te laten verrijzen.
Zo mag ik oude denkbeelden en levenspatronen loslaten
en een nieuwe levensstijl inoefenen en aantrekken.
Een nieuw bestaan waarin het minder draait om mijn grote ik
en ik steeds meer toekom aan datgene waar ik voor ben bestemd:
God in het middelpunt van mijn leven plaatsen en de ander uitnemender te achten dan mijzelf.

De bekende Amerikaanse theoloog Eugene Peterson schreef eens het volgende:
‘Opstanding heeft niets te maken met wat er gebeurt nadat we begraven zijn.
Natuurlijk, daar gaat het ook over,
maar in de eerste plaats heeft het te maken met de manier waarop we leven in het hier en nu.
We oefenen voor onze dood door onze wil
om te leven op onze eigen voorwaarden op te geven.
Alleen door zo los te laten en onszelf te verloochenen,
kunnen we leven vanuit de opstanding.’

Het opstandingsleven wordt beoefend in de praktijk.
Je hoeft er niet voor naar conferenties of speciale bijeenkomsten.
Het opstandingsleven wordt in praktijk gebracht
in het leven van alledag, thuis en op de werkplek.
Een paar kernpunten:
– rust en ontspanning.
We cultiveren het opstandingsleven niet door iets aan ons leven toe te voegen,
maar juist door het jachtige leven dat draait om het ego af te zweren,
de culturele en religieuze warboel op te ruimen,
en wat we meestal samenvatten als ‘de wereld’ de rug toe te keren.
Onze levens zijn te druk en onze agenda’s te vol, en onze kerken,
die hierin onze bondgenoot zouden moeten zijn,
veel en veel te druk bezig.
– Jezus volgen. In de doop worden onze levens door opstanding gekenmerkt.
We kennen en worden gekend door de levende Jezus Christus te kennen
en door Hem gekend te worden.
Dit is het begin.
Een begin dat elke dag van ons leven opnieuw beleefd wordt.
Denk terug aan je doop,
want in dit leven kunnen we niet op onszelf vertrouwen.
Het is maar een begin, maar weet dit:
‘Bij God zijn we altijd beginners’ (Karl Barth).

 

God kan ons uitschelden. God kan ons best pijn doen. Omdat het nodig kan zijn.
Wij blijven niet buiten schot.
Het Woord van God kan ons treffen als een open-hart-operatie.
God weet precies wat er bij je van binnen zit.
En als Hij daar niet blij mee is, gaat het mes er in.
Dan heb je een nieuw hart nodig. En dat is wel diep ingrijpend.

Moet Jesaja dan wel van die harde woorden spreken?
Dat deed hij in eerste instantie tegen de inwoners van Jeruzalem en dus nu ook tegen ons.
‘Maar’ denk je misschien ‘kan hij niet beter troosten, gerust stellen, moed in spreken?
Gelukkig komt Jesaja dat wel op uit,
maar eerst moet het even pijn doen, moeten we even doorbijten.

‘Maar, hoezo, wat is er mis met ons dan?’
Dat hebben de mensen zich in Jeruzalem vast ook afgevraagd.
Ze vonden zichzelf hele vrome mensen. Ze dienden de HEERE voorbeeldig.
Wij zijn toch Jeruzalem, Gods eigen stad!

Maar als we God willen leren kennen, dan kan het niet anders dan zo:
de weg die voor ons geopend is door Jezus Christus gaan, achter Hem aan.
Alleen die zijn leven zal willen verliezen, die zal het vinden,
maar die het wil behouden, zal het verliezen.

Gewillig zijn en luisteren. Accepteren wat God over je leven te zeggen heeft. Je laten gezeggen.

Dat is voor ons moderne mensen niet gemakkelijk. Wij zijn mondige mensen.
Maar voor nu: Mond houden en luisteren. God zegt: Het is je redding als je het doet.
Luisteren, dat is hier meer dan horen alleen. Het is ook gehoorzamen.
Doe nou gewoon wat God van je vraagt. Open staan voor God zelf.
Wat je gezegd wordt in de kerk, door Zijn Woord. Neem dat nou eens echt serieus.
Niet alleen ernstig knikken, maar het ter harte nemen. En er handen en voeten aan geven.

Als je maar wilt luisteren…

Het verhaal van Jezus’ lijden en uiteindelijke dood aan het kruis, is geen punt. Het is een komma. Want het verhaal gaat door.
Met dat zelfde beeld zou je het verhaal van Pasen kunnen samenvatten.
Het woord zelf, betekent zoveel als, doortocht, voorbij gaan.
Geen punt, maar een komma. Het leven gaat door. Zijn leven gaat door.
Het contact is niet verbroken,
ook al is het lijntje dat wij daarmee onderhouden misschien wel dun geworden,
of ben je het soms even kwijtgeraakt, dat kan.
Maar Pasen vieren, is toch steeds ook weer van ons uit bezien, de draad oppakken.
Weer gaan staan in het licht van dat verhaal, het verhaal van Jezus,
waarin jij zelf ook betrokken bent, hoe dan ook.

Pasen daagt ons uit, ten slotte, om na te gaan,
waar in ons eigen leven, punten in komma’s kunnen worden veranderd.
De liefde die van elke punt, een komma kan maken.
Het verhaal gaat door.
Het leven van Jezus is niet voorbij.
Hij leeft verder, in ons verhaal, in daden van bevrijding,
in elke nieuwe generatie, die opstaat en zich tot Hem bekent.
Hij zelf trekt ons in het licht en neemt ons mee op die weg.
De kracht van Pasen is toch ook, om onwrikbare situaties open te breken,
om ons uit onze stellingen te halen, waarin we onszelf hebben teruggetrokken,
in eigen gelijk of in verongelijktheid. Het kan altijd anders.
Maar dan moet je wel zelf ook op staan, in beweging komen,
meegaan in de beweging van bevrijding en van leven, die Jezus zelf heeft ingezet.

Wat moet bij jou in beweging komen, of blijven?
Brengt je werk, je geld, je twijfel, je gewone leven, het Paasevangelie in jou tot stilstand,
of is het andersom: brengt dit evangelie jouw geld, jouw werk,
jouw twijfel, jouw gewone leven, in beweging?

Pasen is juist: leven midden in de dood.
‘Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen’.

Petrus schrijft:
‘God heeft ‘ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop’.
Nee, de opstanding van Jezus tovert deze wereld niet om in een paradijs.
Maar die geeft wel hoop.
Niet alleen op een betere toekomst, maar zeker ook op een beter heden.
Omdat de opstanding ons in beweging zet.
Omdat de opstanding ons duidelijk maakt: God is een God van leven.
Omdat we ertoe aangezet worden om ons leven, om het leven, met anderen te delen.

Wat doet het evangelie van Jezus’ opstanding met mij?

O vlam van Pasen, steek ons aan,
de Heer is waarlijk opgestaan!

Jezus’ woorden aan het adres van degenen die erop vertrouwen
dat hun geld hun een vorm van veiligheid kan bieden,
zijn net zo scherp als die aan het adres van degenen
die vertrouwen op een verzameling religieuze vormen.
De leerlingen zijn geschokt al ze merken hoe weinig respect Jezus heeft voor de rijken.
Als hij bijvoorbeeld zegt:
‘Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan
dan voor een rijke het koninkrijk van God binnen te gaan’ (Mattheüs 19,24),
is dat zo’n fundamentele ondermijning van wat zij tot op dat moment onder macht hebben verstaan,    dat ze zijn woorden maar nauwelijks kunnen geloven.
Ze zijn er altijd van uitgegaan dat rijkdom en status tekenen waren van Gods goedkeuring,
en de basis van die overtuiging werd gevormd
door het onbewuste idee dat alle vormen van rijkdom en aanzien
in wezen hetzelfde zijn en dat God daardoor op de een of andere manier
een onderdeel is van de heersende elite.
Nu zie je ook waar je je op moet richten als je radicaal christen wilt zijn.
Namelijk op de liefde van je Vader in de hemel. Ga bij Vader in de leer.
Kijk naar zijn liefde. Bedenk wat Hij zich ontzegde voor jou.
Hij gaf zijn eigen Zoon. Zo zocht Hij jou, zo is Hij op jouw geluk gericht.
Wie radicaal wil zijn moet zich focussen op de wortel. Dat is Gods Vaderliefde.
Maar dan je christelijke levenshouding….
Daar loop ik vaak mee te worstelen. Hoe doe je dat nu?
Vooral toen ik in aanraking kwam met Filippenzen 2,5:
‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had’.
Dit betekend een soort jas die als het ware gegoten om je heen zit.
Maar hoe doe je dat? Hoe onthoud je dat?
Kolossenzen 3,23 zegt:
‘Wat u ook doet, doe het van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen’.
Alles in het teken te zetten van het koninkrijk?
Als je s ’morgens op staat, eten gaat, naar je werk of school gaat….
Ik probeer bij veel dingen dan te denken dat ik het voor Jezus doe, alsof hij staat te kijken.
Een soort Big Brother alleen dan op een hele positieve manier.
Wat als je alles doet voor Jezus?
Rijdt je dan nog harder dan 100 km per uur? Download je dan nog een film?
Roddel je dan nog over je familie of de buren? Praat je dan nog negatief over buitenlanders?
Voor mij is het een Bijbeltekst die inmiddels mijn leven bepaald.
Het schrijven van dit stukje, het maken van mijn preken maar ook de strijk en het huishouden,
doe ik voor de Heer. Het is niet meer een hele zware opgave. Ik ben er van gaan genieten.
Laat je keuzes hun oorsprong hebben in de genade van Vader.
In de Bergrede in Mattheüs 5 preekt Jezus geen werkheiligheid.
Hij legt geen last op je schouders van doe dit en doe dat.
Je kunt de toegang tot het hemelrijk niet verdienen.
Denk daarom in het beeld van de wortel en de plant.
Of een plant vrucht draagt hangt af van de wortel.
Wat is de grond waarin die wortel staat? God heeft je in goede grond geplant.
Daarom zegt Paulus:
‘blijf in hem (in Jezus, dat is Gods zichtbare Vaderliefde) geworteld en gegrondvest’.
Dan zal je leven vruchten voortbrengen van gerechtigheid.

Als we voor Jezus kiezen, dan is dat niet zomaar iets.
Niet iets dat je doet in je vrije tijd of als je er zin in hebt.
Het is een ongewis avontuur. Het vraagt om een focus.
Je leven staat daar in dienst van.
Met scherpe woorden roept Jezus ons daartoe op:
‘Weet wat je doet als je voor mij kiest.’
Trouw zijn aan God gaat soms tegen de wereld in,
soms zelfs tegen je eigen familie of tegen je eigenbelang.
Het is geen gemakkelijke weg: je moet je kruis dragen.
Anderen verklaren je voor gek.
Want niet bouwen op mensen maar op God
is in onze tijd een vreemd fenomeen. We hebben de tijd niet mee.
De wetenschap komt met grootse inzichten,
terwijl religie als gevaarlijk wordt gezien.
De Kerk is regelmatig in opspraak.
Geloof wordt beschouwd als achterhaald.
We leren vooral in ons zelf geloven.

Iets van wat het betekent om te geloven
en dus achter Christus aan te gaan
laat Jezus nu zien in de woorden die Hij spreekt,
niet alleen tot Petrus maar tot alle discipelen en zo ook tot ons.
‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen,
zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.’

‘Zelfverloochening’ betekent dat je nee zegt
tegen je eigen wil en nee tegen je eigen verlangens
en nee tegen je eigen dromen.
Want die eigen wil en die eigen verlangens
en die eigen dromen zijn op jezelf gericht.
Je wilt eer en geld en een plaats vooraan in de rij,
niet om er een ander blij mee te maken,
niet om God ermee te dienen maar om er zelf beter van te worden.
En dat zit er bij ons allemaal diep in.
Het is zo moeilijk om jezelf opzij te zetten voor een ander.
Het is zo moeilijk om iets van je tijd of je aandacht af te staan.
Het is zo moeilijk om te geven als je ook ontvangen kunt.
Maar als je achter Christus aangaat,
dan wordt dat een weg van zelfverloochening.
En op die weg zal er steeds weer een gebed klinken,
een gebed om het leren van de zelfverloochening :

Heer, laat mij leren,
niet om getroost te worden,
maar om te troosten.
Niet om begrepen te worden,
maar om te begrijpen.
Niet om geliefd te worden,
maar om lief te hebben.

(Franciscus van Assisi)

Zelfverloochening betekent: er zijn voor God en voor de naaste
en daarom je eigen verlangens opzij zetten.
En zo volg je Christus na: Zijn leven was één grote Zelfverloochening.
Hij zette Zichzelf opzij om ons bij God terug te brengen.
Hij heeft van Zichzelf afgezien om Zich over ons te ontfermen.

En die navolging omvat ook het kruisdragen.
‘Neem je kruis op’ zegt Jezus.
Dat is misschien wel een wat al te bekende uitdrukking geworden
die daarom geen indruk meer maakt.
Maar voor de discipelen was dat nog anders.
Kruis dragen betekende toen nog iets dat je heel concreet voor je kon zien.                                                                    Een veroordeelde misdadiger is op weg naar zijn terechtstelling.
Zelf draagt hij op zijn schouders het kruis waaraan hij straks zal sterven.                                                                    Rondom hem is er een grote menigte van mensen.
En die mensen staan maar niet wat te kijken,
nee, die schreeuwen en brullen en schelden en vloeken.
Kruisdragen is een verschrikkelijk vernedering:
de kruisdrager wordt uit de samenleving gestoten, uitgespuugd, weggegooid als een stuk vuil in de container.

Maar dat kruisdragen van Christus maken we niet mee.
Waar waar zien wij in ons eigen leven
de realiteit van het kruisdragen terug?
Dat zien we daar waar we heel concreet ondervinden
dat geloven ook pijn doet
en dat Christus navolgen ook diep verdriet met zich meebrengt.
En dat is voor ieder weer anders.
Kruisdragen, ja je kunt het proberen te ontlopen
door bijvoorbeeld God vaarwel te zeggen:
als je niet langer gelooft kan geloven immers ook geen pijn meer doen.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld twijfel goed te praten: `daar doen wij niet moeilijk over’.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld zonde
niet langer zonde te noemen. Dan is de strijd uit je leven weg.
Dan is het kruis uit je leven weg. Dan is Christus uit je leven weg.
De Christus die je voorging in het kruisdragen en die je verloste,
niet van het kruis, wel van de eeuwige dood.
Of wat deed Petrus deed toen hij tegen Jezus zei:
‘Dat verhoede God, Here! Dat zal U geenszins overkomen’?
Hij schopte het kruis aan de kant.
Misschien is het begrip ‘kruisdragen’ wel per definitie bedoeld
om de kloof tussen geloven en leven te signaleren
en behoort zo’n woord onrustig te maken,
zodat wij gedwongen worden onze veilige levensinstelling te verlaten
en met ons onrustige hart rust te zoeken bij God zelf.
Want het zit in ons allemaal:
het kruis aan de kant schoppen om het niet te hoeven dragen.
Dan wordt het leven een stuk gemakkelijker,
maar het loopt uit op de dood.
En juist dat hoeft niet omdat Christus die dood is ingegaan in onze plaats. En door zijn opstanding ontvangen wij de kracht om ons kruis te dragen.

Want als je je kruis draagt, zul je merken dat het kruis jou draagt
(Thomas à Kempis).

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…