In Moskou,
zo vertelde de verbannen
Russische journalist Michaïl Zygar op CNN,
vergelijken ze de VS van nu
met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989.
Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden:
mensen geloven niet meer in het officiële verhaal.
Ze zijn cynisch geworden.
En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde,
stortte het systeem in.

De vraag is nu:
zien we iets vergelijkbaars in het Westen?
Gaat hier echt iets fundamenteels kapot?
En zo ja, wat precies?

Als je naar Europa en de VS kijkt,
zie je een politieke cultuur
die steeds harder wordt.
Radicale en autoritaire partijen winnen terrein,
democratische regels worden opgerekt of genegeerd,
en veel mensen voelen zich
niet meer vertegenwoordigd.
Tegelijk groeit de polarisatie.
Mensen zijn somber, boos en wantrouwig.
Het gevoel dat ‘het systeem’
er niet meer voor hen is, zit diep.

Daarbovenop komt een hele reeks
andere problemen:
online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat,
steeds minder respect voor zorgverleners
en andere publieke beroepen.
Mensen leven in bubbels,
de onderlinge verbondenheid brokkelt af.
De sociale lijm laat los.

Dat is zorgwekkend,
want de westerse democratie
is eigenlijk een vrij nieuw experiment.
Het idee dat iedereen dezelfde rechten,
kansen en waardigheid heeft,
komt voort uit de Verlichting
en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm
in democratische rechtsstaten.
Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie.
Toen die instortte, dacht het Westen:
zie je wel, wij hebben gewonnen.

Maar zo simpel was het niet.
De liberale democratie bleek
geen eindpunt van de geschiedenis.
China liet zien dat kapitalisme
prima kan zonder democratie.
Oorlogen brachten geen democratie.
En zelfs binnen het Westen
begonnen landen afstand te nemen
van liberale waarden.
Ook in de VS staat de democratie onder druk.

Langzaam veranderde daardoor
de houding tegenover democratie zelf.
Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen
in instellingen en kiezen vaker
voor het idee van een ‘sterke leider’.
Media, rechters, universiteiten en parlementariërs
worden verdacht gemaakt.
Populisten zetten ‘gewone mensen’
tegenover elites, migranten
en kosmopolieten.

Ironisch genoeg kwam dat juist
na een periode van zelfgenoegzaamheid.
Liberale samenlevingen
gingen geloven
dat hun succes bewijs was
van morele superioriteit.
Die overmoed maakte blind
voor wat er ondertussen veranderde.

Globalisering haalde industrie weg,
de arbeidersbeweging verzwakte,
en links richtte zich steeds meer
op identiteit en cultuur.
Veel traditionele kiezers
voelden zich achtergelaten.
Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin,
maar wel in perspectief.
Sociale migratie stokte.
De meerderheid gelooft inmiddels
dat hun kinderen
het slechter zullen hebben.

Daarbovenop kwam
een groeiende kloof tussen
hoogopgeleide, stedelijke elites
en mensen die minder mobiel zijn,
vaker op het platteland wonen
en traditioneler denken.
Hun waarden werden weggezet
als achterlijk of fout.
Maar groepen die zich
structureel vernederd voelen,
accepteren dat niet eindeloos.
Economisch gebeurde iets soortgelijks.
Winsten en macht kwamen
steeds meer terecht bij een kleine groep,
vooral in de techsector.
Die bedrijven beschikken nu
over ongekende invloed en technologie.
Democratische controle loopt
daar ver achteraan.
Het risico is dat we afglijden
naar een vorm van digitaal feodalisme:
veel controle, weinig inspraak,
alles verpakt in gemak en entertainment.

Dat is geen sciencefiction.
Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.

De kern van het probleem lijkt dezelfde
als in de late Sovjet-Unie:
mensen zijn het geloof kwijtgeraakt.
Niet in één leider of partij,
maar in het idee
zelf van een liberale democratie.
Dat systeem kan alleen werken
als er minimaal vertrouwen is,
als mensen de spelregels accepteren
en elkaar als legitieme tegenstanders zien.

Als grote groepen dat niet meer doen,
houden ze op met meespelen.
Dan zoeken ze iemand
die belooft het hele spel kapot te maken.

Is dit dan het einde van het Westen?
Ja, misschien het einde van een tijdperk.
Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af
in economie of geopolitiek.
Ze speelt zich af in onze hoofden.
Of zoals Hemingway schreef:
eerst geleidelijk, en dan… INEENS.

De vraag is nu of de idealen
van vrijheid, gelijkheid en solidariteit
sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden.
Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt.
Maar zonder dat gedeelde verhaal
blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over.
En dat weten we in Europa maar al te goed.

 

De afgelopen weken werden gekenmerkt
door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen
onder het bewind van de regering-Trump:
Op 26 december voerden de Verenigde Staten
luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria.
Kort daarna, op 3 januari,
bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas,
ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro
en leverden hem uit aan New York
om terecht te staan voor narco-terrorisme.
Na een snelle militaire interventie in Venezuela
richtte Trump, dronken van ‘succes’,
zijn pijlen vorige week
weer op Groenland,
het autonome onderdeel van Denemarken
dat hij al langer wil bezitten.
Deze gebeurtenissen
illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid,
aangeduid als de Donroe-doctrine:
een periode van agressieve militaire interventies
en grillige geopolitieke machtsuitoefening.

Nigeria en Venezuela delen niet alleen
een overvloed aan olie,
maar ook structurele problemen
zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede.
De Amerikaanse interventies in deze landen
versterken het idee dat de naoorlogse,
op gedeelde regels gebaseerde wereldorde;
deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet
om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort.
De orde was gebouwd op internationale afspraken
en morele verantwoordelijkheid.
Ze lijkt nu te zijn vervangen
door een doctrine
die wordt gedreven
door binnenlandse belangen
en politieke willekeur.

De morele focus van de huidige Amerikaanse regering
is sterk naar binnen gericht,
met nadruk op thema’s
als reproductieve rechten,
het homohuwelijk en grensbeveiliging.
Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap
op het internationale toneel.
Door het door de VS mede ontmantelen
van de Reproductive and Behaviour Order (RBO)
ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm.
In een wereld waarin grootmachten
als de VS, Rusland en China
geen gezamenlijk moreel kompas tonen,
rijst de vraag
hoe dit vacuüm kan worden opgevuld.
De RBO stelt dat religie
– en in het bijzonder het christendom –
hierin een cruciale rol kan spelen.

Een illustratief voorbeeld
is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi
aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december.
Dit gebaar werd internationaal geprezen
als een poging tot interreligieuze harmonie.
Toch werden binnen 24 uur
de kerstversieringen vernield
door hindoe-nationalisten
in verschillende Indiase steden.
Deze tegenreactie benadrukt
hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is,
vooral in landen
met een dominante meerderheidsreligie.
Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid
om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap
ondubbelzinnig te veroordelen.

De motivatie achter deze aanvallen
op christenen in India
verschilt in essentie
niet van het geweld tegen christenen
door islamitische extremisten in Noord-Nigeria:
beide komen voort uit angst
voor het verlies van een vertrouwde beschaving.
Geen enkele samenleving
kan echter duurzaam bloeien
wanneer zij geweld
tegen religieuze minderheden
negeert of rechtvaardigt.
Tegelijk roepen deze gewelddaden
op tot metacognitie:
reflectie op de diepere motieven
achter haat en vervolging.
Juist daarin liggen de kiemen
voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.

De oorspronkelijke RBO was gebaseerd
op principes als soevereiniteit, gelijkheid,
rechtsstaat, mensenrechten,
multilateralisme
en vreedzame conflictoplossing.
Een nieuwe gemeenschappelijke moraal
zou hierop moeten voortbouwen,
maar ook geworteld zijn
in religieuze waarden
die gedeeld worden door de grote wereldreligies,
zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten.
Internationale documenten
zoals het VN-Handvest (1945)
en de VN-Verklaring
inzake godsdienstvrijheid (1981)
bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.

De grootste uitdaging
ligt bij staten
met een dominante meerderheidsreligie,
zoals het christendom in de VS
of het hindoeïsme in India.
Hoe kunnen zij minderheden
dezelfde bescherming bieden als de meerderheid?
Is religieuze diversiteit
een nulsomspel,
of kan er een moreel evenwicht bestaan?

Het christendom, als grootste religie ter wereld,
biedt het meest omvattende
morele kader om deze balans te vinden.
Zowel christendom als islam
erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus.
De leer van Christus,
zoals beschreven in het evangelie van Johannes
en uitgewerkt door Paulus,
maakt een scherp onderscheid
tussen goed en kwaad
en leert dat de strijd
niet tegen mensen is gericht,
maar tegen de machten van het kwaad.

Daarom zou een vernieuwde,
religieus gefundeerde wereldorde
moeten voortbouwen op de leer van Christus.
Deze christocentrische moraal
herdefinieert mondiale conflicten
niet als botsingen tussen mensen of religies,
maar als een strijd tussen goed en kwaad.
Zo ontstaat een inclusieve morele visie
die alle mensen – gelovig of niet –
uitnodigt om het kwaad te veroordelen
en actief het goede te bevorderen
in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.

 

Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte.
Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie,
leek het continent op weg naar
een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld.
Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten
vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting.
Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg
van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen,
en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming
en geopolitieke afhankelijkheid.

Die zekerheid is verdwenen.
Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren:
klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid,
demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid
en het verval van democratische instituties.
De omstandigheden veranderen sneller dan ooit,
en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang.
Politieke leiders spelen daarop in:
sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden;
anderen bieden radicale terugkeer
naar een geïdealiseerd verleden
dat nooit werkelijk heeft bestaan.
Volgens politicoloog Ivan Krastev
is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.

De oorzaak hiervan ligt in Europa’s
‘pauze van de geschiedenis’ na 1945
en later na de val van de Berlijnse Muur
ook een ‘pauze als defensieve macht’.
En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen,
bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op.
Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele,
op regels gebaseerde wereldorde bestond.
Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek
— zichtbaar in het Amerika onder Trump
en in de assertiviteit van Rusland en China —
blijkt de EU slecht uitgerust.
Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem,
maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld
waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit.
Europa zit niet aan tafel,
maar ligt óp tafel.
Er wordt óver hen beslist
Europa heeft geen duidelijke plaats
onder de wereldmachten
en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen
over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.

Daarnaast heeft Europa moeite
om zijn eigen macht te erkennen,
belast door een geschiedenis
die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz.
Het resultaat is een houding van zelfverkleining:
Europa zou te verdeeld,
te bureaucratisch en te traag zijn
om daadkrachtig op te treden.
Deze ‘machteloosheid van de machtigen’
biedt moreel comfort,
maar ondermijnt Europa’s vermogen
om zijn belangen te verdedigen.
In een wereld die wordt gedomineerd
door autocratische grootmachten
is precies dat echter noodzakelijk
voor een democratische toekomst.

Toch is het continent rijker, beter opgeleid
en technologisch capabeler dan ooit.
Het beschikt over de middelen
om zijn positie te herdefiniëren
maar wat ontbreekt, is de politieke wil.
Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:

‘sommige uitdagingen moet je aangaan
omdat ze moeilijk zijn.’

Alleen door die houding opnieuw te omarmen
kan Europa zijn toekomst terugwinnen.

Mount Doom uit Tolkiens Lord of the Rings

 

Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start.
Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop.
Maar wees eens eerlijk?
Zo voelt het nu niet echt.
Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker
dan ze in lange tijd is geweest,
zeker vanuit westers perspectief.

Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’:
mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen,
gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten
en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk.
Hun gevoel voor realiteit is verstoord.
Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld
door berichten over oorlog, corruptie en rampen,
is het toch knap lastig om níét somber te worden.
Denk aan drones en moderne oorlogsvoering,
schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid,
cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks,
en AI die we steeds minder lijken te begrijpen.
En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering,
torenhoge kosten van levensonderhoud
en toenemende polarisatie.

Optimistisch? Niet bepaald.

Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart,
is hoe waarheid en verantwoordelijkheid
lijken te verdwijnen uit het publieke debat.
Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid.
In plaats van gesprek is er geschreeuw.
Macht wint het van argumenten.
Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief,
maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt
hoe het kan dat mensen wegkomen
met overduidelijke leugens,
of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’.
Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?

In die stemming raakte ik diep getroffen
door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer,
geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942.
Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’:
mensen met goede bedoelingen
die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld
wel weer recht kunt trekken.
Ze willen recht doen aan alle kanten,
maar worden vermalen tussen botsende krachten.
Teleurgesteld trekken ze zich terug,
of worden slachtoffer van hardere spelers.

En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag:
wie houdt het dan wél vol?
Volgens hem alleen degene die bereid is
zijn eigen rede, principes en zekerheden
los te laten wanneer hij geroepen wordt
tot verantwoord handelen
— niet vanuit eigen gelijk,
maar vanuit gehoorzaamheid
aan iets dat groter is dan hijzelf.
Ja, waar zijn die mensen?

Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv
weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings.
Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad,
en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’.
Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer.
Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen:
een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan;
een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog.
Maar beiden waren gevormd
door de verschrikkingen van oorlog.
Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt
en had geen romantische ideeën meer over de mensheid.
En toch gaf hij de hoop niet op.

Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor
in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment.
Galadriel, de elfenkoningin, zegt
dat zij en haar volk al eeuwenlang
die lange nederlaag strijden.
Dat roept een vreemde vraag op:
waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?

Het verhaal laat zien waarom.
Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier.
Zelfs Frodo, die de Ring draagt,
bezwijkt op het allerlaatste moment.
Hij kán de Ring niet vernietigen.
Toch wordt het kwaad verslagen
— niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval:
Gollem valt in de afgrond.
Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke
maar eerlijke boodschap duidelijk:
zelfs de besten onder ons falen.
En tóch kan het goede winnen,
op een manier die niemand gepland had.

Dat betekent overigens niet
dat Frodo faalt als persoon.
Immers, zonder zijn inzet
was de Ring nooit op die plek gekomen.
Tolkien schreef zelfs dat niemand,
uitgeput en gekweld zoals Frodo,
weerstand had kunnen bieden.

De vraag blijft dus: waarom blijven vechten?
Omdat niet vechten erger is.
In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad.
De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is,
maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten.
En tóch zijn ze noodzakelijk.

Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei:
De boog van het morele universum is lang,
maar hij buigt naar rechtvaardigheid.
Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt
door onze plannen.
Integendeel: mensen falen voortdurend,
zelfs met de beste bedoelingen.
Maar het wijst op een hoger doel
dat niet afhankelijk is van onze perfectie.

Hoop komt dan niet uit systemen,
vooruitgang of natuurwetten
— die lopen uiteindelijk allemaal vast.
Hoop komt voort uit vertrouwen:
dat er Iemand is die door chaos, toeval
en zelfs menselijk falen heen werkt.
Tolkien geloofde dat ook.
Hij noemde het ‘eucatastrofe’:
precies wanneer alles verloren lijkt,
gebeurt er iets onverwachts
dat het hele verhaal laat kantelen.

Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken.
De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag.
Het betekent dat onze pogingen om
vrede, recht en genezing te brengen
in een gebroken wereld
– wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt –
nooit compleet zullen zijn,
misschien zelfs gedoemd
zijn onvolledig of zelfs te mislukken —
maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.

Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen.
Niet omdat we denken dat we de wereld redden,
maar omdat het goed is om het goede te doen.
Dat is misschien geen grote overwinning,
maar wel een voorzichtige hoop.
En soms zijn onze daden korte momenten
waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.

 

Zo rond de jaarwisseling van Oud- naar Nieuwjaar
wordt er vaak door mensen achteruit én vooruit gekeken.
Het is een tijd voor afrekening en goede voornemens.
Misschien zoude niet alleen mensen
maar ook landen baat kunnen hebben
bij zo’n jaarlijkse afrekening met zichzelf.

Stel dat we in het leven altijd willen streven
naar een soort Aristotelische ‘gulden middenweg’,
dus tussen roekeloosheid en lafheid,
dan geldt dat ook voor staten en naties.
Veel landen, immers, zijn ten onder gegaan
door de overdaad aan misplaatste verlangens
en verkeerd geordende verlangens:
demagogen die het volk ophitsen;
oligarchen die de res publica – de ‘publieke zaak’ –
tot hun eigen persoonlijke leengoed willen maken.
Revoluties, corruptie en publieke lusteloosheid
zijn het loon van dergelijke zonden.
Uiteindelijk eindigt het in de dood van de staat zelf:
de ineenstorting van alle legitieme autoriteit in strijdende bendes,
terwijl vluchtelingen, als ze kunnen, naar de grenzen vluchten.

Veel landen daarentegen leven hun leven
in angstvallige lafheid,
totdat ze eindigen in een oude dag vol spijt,
omdat ze nooit hun volledige potentieel hebben bereikt.
Deze naties storten niet per se in,
maar gaan langzaam achteruit –
blijken niet in staat zichzelf te hervormen,
gevangen in een visie op hun verleden
die beter was dan hun heden
of welke denkbare toekomst dan ook.

Ook Nederland loopt het risico op beide gevaren.
Enerzijds een roekeloos reactionair populisme,
ter rechter en linkerzijde van het politiek spectrum,
dat lang sluimerend heeft geleefd,
maar inmiddels in volle hevigheid is losgebarsten.
Het dreigt alle voorzichtigheid te laten varen
en alle terughoudendheid omver te werpen,
de ambtenarij en de rechtbanken aan te vallen,
de mensenrechten te verwerpen,
het maatschappelijk debat te ondermijnen
en alle procedurele correctheid opzij te zetten,
totdat we uiteindelijk doorweekt raken
in de goot van despotisme.
Enerzijds staat een hardnekkig
constitutioneel conservatisme
de noodzakelijke, langverwachte hervormingen
in de weg die een oud, vermoeid land
nieuw leven en vitaliteit zouden geven
en onze instellingen de kracht zouden geven
om dergelijke destructieve krachten te weerstaan.

Naties kunnen dan , net als mensen,
beslissende momenten ervaren
van wat we berouw zouden kunnen noemen.
Wanneer ze wakker worden in de goot
– de hoofdstad gebombardeerd, het leger ontbonden,
de bevolking uitgehongerd –
kunnen ze zich afkeren van de paden
die hen daarheen hebben geleid
en een nieuw leven vinden,
een nieuwe hoop,
belichaamd in een nieuwe constitutionele orde.
Dit is wat bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Japan na 1945 deden.
Ze kunnen ook een soort bekering ervaren,
weg van valse principes naar waarachtigere houding,
zoals een groot deel van Centraal-Europa deed
na de val van de Berlijnse Muur.

Disclaimer: in deze webpost gebruik ik theologische taal
om louter burgerlijke en politieke opvattingen te beschrijven,
wat natuurlijk altijd gevaarlijk is.
Het zou een verkeerde interpretatie van mijn bedoeling zijn
als men zou concluderen
dat ik een welgeordende staatsvorm verwar met de Hemelse Stad (Augustinus).

Niettemin is een goed geconstitueerde staatsvorm,
waarin vrijheid en rechtvaardigheid,
vrede en het algemeen belang niet alleen worden gekoesterd,
maar ook – in zekere zin – daadwerkelijk worden bereikt,
een onschatbare zegen.
We moeten ernaar streven dit te bereiken.

Een goed geconstitueerde staatsvorm is gebaseerd
op het principe van ‘openbaar bestuur’.
De staat is een publieke entiteit,
die toebehoort aan het publiek,
waarin het openbaar ambt
een publiek mandaat is dat voor publieke doeleinden wordt gebruikt,
en waarin burgers in het openbare leven
trouwe rentmeesters moeten zijn van het algemeen belang,
waarvoor zij verantwoording verschuldigd zijn aan het publiek.

Democratie is ons contract voor deze regeling,
hoewel het een nogal onhandige term is.
Democratie is, goed begrepen,
geen onbeperkte heerschappij van de meerderheid,
noch de onbeperkte heerschappij
van de door de meerderheid gekozen persoon.
Het is veeleer een complex politiek systeem
dat representatief en verantwoordelijk bestuur
combineert met burgerlijke vrijheden en de rechtsstaat.

Populisme daarentegen is een karikatuur van democratie.
Populisten proberen de barrières te ondermijnen
die machtsmisbruik tegengaan.
Hun pogingen om de rechterlijke macht
en het ambtenarenapparaat te verzwakken,
degenen die het niet met hen eens zijn
buitenspel te zetten,
fundamentele rechten te schenden,
macht te centraliseren
en publieke dissidentie te beperken,
moeten daarom worden gezien
als aanvallen op de democratie.
Ze leggen willekeurige macht
in de handen van bepaalde personen.

Nederland is in de steek gelaten door een mislukte ideologie,
die van het neoliberale kapitalisme,
dat, zo wordt gesteld, net zo rigide en doctrinair is
als de officiële marxistische ideologie
van de voormalige communistische staten.
Nederland is eveneens in de steek gelaten
door decennia van incompetent,
kortzichtig en onzorgvuldig bestuur.
De symptomen van wanbestuur zijn terug te vinden
in Nederlandse economische prestaties, de sociale problemen,
de afbrokkelende infrastructuur
en de overbelaste publieke diensten.
Het land benut zijn potentieel niet.

Dit zou ons moeten aanzetten
tot het overwegen van de zwakte van de Nederlandse democratie.
Zoals die nu is, faalt de staat er vaak in het algemeen belang te dienen.
Wij Nederlanders leven niet
in een stevig geconstitueerd staatsbestel
met ‘publiek bestuur’ als fundament,
maar in een leenstaat die is ingekrompen, geprivatiseerd
en gedereguleerd tot bijna in de vergetelheid.

Als het slechts een kwestie was
van specifieke individuen, of van één partij,
zou het probleem gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Maar het land is niet alleen in de steek gelaten
door deze of gene regering,
door deze of gene partij of premier.
Het is het regeringssysteem,
de constitutionele orde als geheel,
die ons in de steek heeft gelaten.

Het herstellen van Neerlands hoop voor de toekomst,
zijn welvaart en zijn levenskwaliteit
moet dus beginnen
met de verbetering van de Nederlandse democratie,
en dat met een herfundering van zijn grondwet.

Want de ironie is dat degenen
die zich het meest op hun gemak voelen
met onze democratie,
ook degenen zijn die het meest bijdragen
aan de vernietiging van het openbaar bestuur in eigen land.
Want terwijl ze ‘Het (fictieve) Nederlands Verleden’ verheerlijken,
verwerpt het populistische rechts
de principes en waarden waarop dat verleden berustte.
Net zoals ze een pastiche
van het Nederlandse karakter van de jaren vijftig nastreven
(zonder sterke arbeidsrechten, sterke vakbonden,
zonder verzorgingshuizen, publieke nutsbedrijven en diensten),
zo proberen ze ook een pastiche van de Nederlandse Grondwet
van de jaren vijftig te creëren,
zonder de zelfbeheersing, gematigdheid,
het ethos van openbare dienstverlening
en de hoge mate van sociaal vertrouwen
en cohesie die dat systeem
van complexe ongeschreven regels lieten werken.

Zoals we kunnen zien,
van elke wachtlijst voor de jeugdzorg
tot elke krakkemikkige brug of tunnel,
functioneert de Nederlandse staat niet meer zo goed.
Het heeft alle ondeugden uit het verleden,
maar weinig van zijn deugden.
Een terugkeer naar de status quo
van een gefantaseerd ooit is onmogelijk.
Parlementair absolutisme,
getemperd door de ‘goede mensen’-theorie,
is geen haalbare optie meer.
Of we moeten een onaangetast absolutisme accepteren
– wat de agenda is van het reactionaire populistische rechts –
of we moeten de constitutionele hervorming verdiepen
en tot een nieuwe constitutionele regeling komen
voor een Nederlandse natiestaat,
die écht gericht is op het algemeen belang
van de gewone Nederlandse bevolking,
nu nodig is.

Dan is de vraag:
hoe zou een Nederlandse grondwet eruit kunnen zien,
en welke waarden en principes
zouden daaraan ten grondslag kunnen liggen?

Bij het beantwoorden van deze vraag
heeft de christelijke traditie
veel toe te voegen aan het gesprek.
Want christelijke theologen en politieke filosofen
hebben de afgelopen twee millennia
veel inkt gebruikt aan kwesties van goed bestuur,
de relatie tussen kerk en staat,
en wat het betekent
om christen én burger van een aardse staat te zijn.

Er lijkt een veronderstelling te bestaan
– zowel onder voor- als tegenstanders van geschreven grondwetten –
dat een geschreven grondwet
gebaseerd moet zijn op seculiere waarden.
De grondwetten van de Verenigde Staten en Frankrijk
zijn misschien strikt seculier,
maar andere versies van een grondwet
kunnen gebaseerd zijn
op principes die de suprematie van God erkennen,
of expliciet respect hebben voor christelijke principes.

Dit is geen poging tot theocratie.
Een grondwet voor Nederland zou moeten erkennen
dat zij een samenleving is met vele en geen enkele religie.
Het is echter een erkenning dat het christendom
niet alleen onze instellingen heeft gevormd en gesmeed,
maar ook onze opvattingen over goed en kwaad.
Het opgeven van dat alles
zou een ethisch vacuüm in de samenleving creëren,
dat alleen zal worden opgevuld
met steeds grotere vormen van uitbuiting.

Het belangrijkste ethische principe
van de constitutionele democratie
is de erkenning van de menselijke waardigheid.
Aan de oorsprong en grondslag van alle instellingen,
wetten en normen
moeten we ons vastklampen
aan het fundamentele gebod dat christenen de Gulden Regel noemen:
‘Behandel anderen zoals je wilt dat anderen jou behandelen.’
Als we dat principe van menselijke waardigheid loslaten,
is er geen solide basis meer
om een fatsoenlijke, goed geordende, democratische staatsvorm op te bouwen.
Misschien kunnen we dan een nieuw en beter Nederland bouwen.

kerstverlichting in Zwolle

 

In zijn jaarlijkse persconferentie met het volk van dit jaar
schetst Vladimir Poetin zich als een zelfverzekerde wereldspeler,
terwijl ondertussen het feit is dat Rusland steeds dieper vastzit
in de oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan.

Eerder in 2025 stond Poetin op 
een belangrijk Russisch debatpodium.
Daar werd hij bijna neergezet
als de grote architect van een nieuwe wereldorde.
Poetin zelf deed alsof hij bescheiden was,
maar benadrukte wel dat de wereld
in een radicale overgangsfase zit
en dat de inzet extreem hoog is.
Voor de mensen in Oekraïne is dat geen theorie:
zij leven al bijna vier jaar met oorlog,
met doden, onzekerheid en wisselende steun uit het Westen.

Poetin voert de druk ondertussen op.
Aan het einde van het jaar kwam hij met steeds agressievere taal.
Hij beweerde dat Rusland
grote successen boekt in Oekraïne
en gaf Europa en Kyiv opnieuw de schuld van het conflict.
Europese leiders noemde hij zelfs ‘biggetjes’
en hij dreigde meer Oekraïens grondgebied
met geweld in te nemen
als er geen vredesgesprekken komen.

Wat opvallend is:
ondanks zware sancties en militaire blunders
is Rusland overeind gebleven.
Het land wist sancties te omzeilen,
de wapenindustrie weer op gang te krijgen
en tegenstanders het zwijgen op te leggen.
Daarbij kreeg Poetin onverwachte steun uit de VS.
De wispelturige houding van de Amerikaanse president Donald Trump
werkt in het voordeel van Moskou,
omdat het verdeeldheid zaait tussen bondgenoten.
Ondertussen beschuldigt Rusland Europa ervan
dat zij de Amerikaanse vredespogingen proberen te saboteren.

Oekraïners vragen zich ondertussen af
wat een mogelijk akkoord waard is.
Ze vrezen dat Poetin vanuit bezet gebied
gewoon verder zal werken
aan de vernietiging van hun land.
Andere Russische leiders
blijven bovendien waarschuwen
voor een zogenaamd agressief Europa
en NAVO-plannen voor een toekomstig conflict.

Een belangrijk strijdpunt is het Russische geld
dat in Europa is bevroren.
Europa besloot dat geld niet direct
aan Oekraïne te geven,
maar Kyiv via de EU-begroting te steunen.
Rusland ziet dat als winst en dreigt met rechtszaken,
onder andere tegen Euroclear in België.
Er zijn zelfs aanwijzingen
dat Russische en Amerikaanse inlichtingendiensten
Europese politici en medewerkers onder druk zetten met dreigementen.
Tegelijk klinken er in Moskou ook zachtere geluiden:
sommige bronnen zeggen
dat het Kremlin onder strenge voorwaarden
openstaat voor het inzetten van een deel
van dat geld voor wederopbouw.

Binnen Rusland houdt Poetin het beeld van succes stevig vast.
Tijdens de jaarlijkse live toespraak sprak hij
alleen over militaire winst
en noemde hij het gebruik van Russische tegoeden ‘roof’.
Slecht nieuws, zoals Oekraïense aanvallen, werd genegeerd.
Toch maken veel Russen zich vooral zorgen over de economie.

Die zorgen zijn niet onterecht.
De oorlogseconomie draait,
maar gewone sectoren zitten in de problemen.
Inflatie is hoog, rentes stijgen, banen worden schaarser
en de olieprijs – cruciaal voor Rusland –
staat op een dieptepunt.
Analisten zeggen dat Rusland leeft op een ‘geleende toekomst’.
Toch zal Poetin de oorlog niet stoppen om economische redenen.
De kosten worden simpelweg
doorgeschoven naar de bevolking:
hogere belastingen, lagere lonen en minder subsidies.

Ook politiek wordt de greep in Rusland steeds strakker.
Oppositie is vrijwel uitgeschakeld,
kritische partijen worden aangepakt
en populaire apps en platforms verdwijnen.
Richting de parlementsverkiezingen van 2026
wordt vooral ingezet op thema’s
als stabiliteit en nationalisme,
niet op de oorlog.

Om alles te verhullen, zijn Russische steden dit jaar extra feestelijk verlicht.
Dat staat in schril contrast met arme regio’s
zonder basisvoorzieningen.
Russische woordvoerders beweren ondertussen
dat Europa in ‘duisternis’ leeft,
maar Europese steden reageerden
met foto’s van uitbundig verlichte straten.
Het symboliseert het grotere verhaal:
Rusland probeert kracht uit te stralen,
terwijl de scheuren onder de oppervlakte steeds zichtbaarder worden.

 

Ja, vandaag is het dan eindelijk officieel Black Friday,
Deze koopjesgekte is ontstaan in de Verenigde Staten
en valt op de dag na Thanksgiving Day,
dat wordt gevierd op de vierde donderdag in november.
Op deze vrijdag hebben de meeste werknemers
in de Verenigde Staten vrijaf.
Black Friday wordt beschouwd
als het begin van het seizoen voor kerstaankopen.
Maar Black Friday is overal al lang verworden
tot een Black Week of Month, met allerlei (nep)kortingen
om je in aanloop naar december zo veel mogelijk
van je overvloed en (spaar)centen af te helpen.
Want ondanks ons eeuwige geklaag;
de meesten van ons leven momenteel
in een voor veel anderen
onvoorstelbare overvloed.

Want gedurende de geschiedenis
bezaten en produceerden de meeste mensen
ongeveer net genoeg om in leven te blijven.
Lange tijd maakten boeren
(d.w.z. mensen met beperkte of geen landeigendomsrechten
die afhankelijk waren van een lokale heer)
een groot deel van de bevolking uit.
En hoewel boeren in sommige gevallen
welvaart bereikten,
was dit eerder de uitzondering
op de regel van zelfvoorzienende arbeid,
Voor bijna iedereen was de kans
op hongersnood allesbehalve theoretisch.

In dat opzicht verschilde de situatie
in de vroegmiddeleeuwse Lage Landen
nauwelijks van die in het eerste-eeuwse Palestina.
Ook daar verdienden negen van de tien mensen
net genoeg om te overleven
– en soms zelfs niet zoveel.
Zowel Josephus als het Nieuwe Testament
maken melding van de hongersnood
die Judea van 44-48 na Christus teisterde.
Er was in die tijd en plaats geen sociaal vangnet.
Mensen stierven van de honger.

Het was dus tegen dit soort mensen
die zich permanent bewust waren
van schaarste
dat een zekere rabbijn – tot voor kort zelf een dagloner – zei:

‘maak je geen zorgen over je leven,
over wat je zult eten of drinken,
noch over je lichaam, over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel
en het lichaam niet meer dan kleding?
(…) Zoek liever eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid,
dan zullen al die andere dingen
je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.’
(Matteüs 6)

Jezus’ publiek zou het er nog mee eens zijn geweest
dat alles uiteindelijk van God komt.
Maar: ‘wees niet bezorgd over morgen’?
In een wereld waar hongersnood
altijd slechts één mislukte oogst verwijderd is?
Jezus, instrueert dus in die context,
zijn publiek met een stalen gezicht,
om te leven alsof overvloed,
en niet schaarste,
de ultieme realiteit in het leven is.
Niet voor het eerst
lijkt Hij meer dan een beetje losgezongen te zijn
van hoe het werkelijk is om op deze planeet te leven.

Voor zover sommigen van ons moderne mensen
in geïndustrialiseerde samenlevingen
zich iets minder zorgen maken
over verhongeren of sterven
door blootstelling aan de elementen,
is dit te danken
aan de menselijke vindingrijkheid (hartelijk dank)
die manieren heeft bedacht
om onze productiviteit radicaal te verhogen.
Een onmiskenbaar magnifieke prestatie
maar ook een die andere vormen
van schaarste heeft verergerd.

Denk bijvoorbeeld aan de ‘aandachtseconomie’:
de strijd om steeds korter wordende aandachtsspanne te behouden.
Dezelfde computertools
die onze huidige levensstandaard
mogelijk hebben gemaakt,
hebben ons ook aangesloten
op een constante stroom
van veel meer informatie
dan we ooit zouden kunnen verwerken.
Zozeer zelfs dat aandacht schenken,
ogenschijnlijk een fundamenteel kenmerk
van het mens-zijn,
steeds meer gewaardeerd wordt.

Of neem tijd.
De econoom John Maynard Keynes, speculeerde
halverwege de twintigste eeuw,
dat automatisering
en een hogere productiviteit
vanzelfsprekend zouden leiden
tot minder stress en meer vrije tijd.
Maar wat hij niet voorzag,
is dat een toenemende productiviteit
de verwachtingen over hoe productief
we zouden moeten zijn, verhoogt.
Tijd, altijd en overal,
is het ultieme ‘verdwijnende bezit’,
maar de wildgroei aan timemanagementstrategieën
en gadgets vertelt ons,
denk ik, dat tijd nog schaarser lijkt
wanneer van ons verwacht wordt
(of van onszelf verwacht wordt)
dat we leven ‘to the max’.

Ik denk niet dat het overdreven is
om te stellen dat schaarste
de meest urgente realiteit is
in de menselijke ervaring.
In de een of andere vorm geldt dit
voor elke menselijke cultuur.
We bestrijden schaarste
met de drang om te vereenvoudigen, te stroomlijnen,
meer te doen met minder,
lifehacks te vinden
of nieuwe technologieën uit te vinden.

Jezus zegt echter dat we het moeten negeren.
Of in ieder geval dóen
alsof schaarste
niet zo interessant of belangrijk is.
God voedt de vogels en bekleedt de lelies;
jij bent belangrijker dan een vogel of lelie voor God;
dus zal God voor je zorgen.

Stop met stressen.

Dit voelt niet ambitieus of inspirerend.
Het voelt krankzinnig:
Ik heb een hypotheek.
Ik heb geld, energie, focus en tijd nodig;
niet de bizarre aansporingen
van een of andere mysticus.
Weet Jezus überhaupt wel iets van inflatie?

Maar het vreemde is dat hij dat wel weet.
Jezus staat absoluut niet los
van de realiteit van het dagelijks leven
in zijn tijd en omgeving.
Hij is op de hoogte van actuele gebeurtenissen
zoals instortende torens
en de machinaties van Herodes Antipas
(‘die vos’, noemt Jezus hem. Geen compliment).
Hij lijkt zich een beetje te vervelen om het politieke spel,
maar hij is zeker niet naïef over de machtsstructuren
en de grote spelers in Galilea en Judea.
Hij maakt van een sluwe,
oneerlijke kleine manager
de held van een van zijn verhalen.
Politiek, belastingen, sektarisch geweld,
instortende infrastructuur;
de evangeliën beschrijven Jezus
in zijn interactie met een wereld
die heel anders is dan de onze,
maar die toch direct herkenbaar is.

Het verschil is dat ik inflatiecijfers,
begrotingsgevechten, geopolitieke manoeuvres
om schaarse hulpbronnen
en toeleveringsketens beschouw
als ‘de echte wereld’,
terwijl het Koninkrijk der hemelen uit de Bijbel
iets moois is, maar ook een beetje zweverig,
en een beetje abstract.

Maar Jezus zag de dingen precies andersom.
Het koninkrijk is de Realiteit,
terwijl de heren der heidenen,
het betalen van belastingen,
zelfs de dringende dagelijkse zorgen
over voedsel en kleding,
allemaal vluchtig of hooguit secundair zijn.
En het koninkrijk is overvloedig,
want de Koning geeft geen stenen
wanneer zijn kinderen brood nodig hebben.

Wat betekent het om te leven
alsof overvloed
en niet schaarste
het laatste woord heeft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat het vaak echt te krankzinnig voelt,
om te denken dat ik genoeg tijd,
geld, energie, focus
of wat dan ook kan besparen
om een leven op te bouwen
waarin ik vervulling of vrede vind.
Er zitten barsten in mijn nuchtere,
economisch rationele wereld
die me doen afvragen:
wat als ik geen geld, tijd, energie heb
– niets anders dan mijn dagelijks brood –
en ik er vervolgens achter kom
dat ik alles al heb wat ik nodig heb?

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

projectie in Londen, 2025

 

Welke kant je ook kiest
in het Israël-Gazaconflict;
de verhalen die je hoort en leest
kunnen niet anders
dan een gevoel van wanhoop oproepen.
Beelden van uitgehongerde kinderen,
het lot van Joodse gijzelaars die nog steeds in het duister gehuld zijn;
hoe dan ook, dit blijft een plek van onvoorstelbaar lijden.
En ondertussen blijven de bommen vallen,
sterven er mensen en behoudt Hamas zijn macht.

Onder Israëls vrienden gonzen stemmen
van een radicale oplossing voor het probleem van Gaza.
Het plan van Donald Trump
was om het gebied met de grond gelijk te maken,
50 miljoen ton puin te verplaatsen
en de bevolking te verplaatsen naar buurlanden
om de ‘Riviera van het Midden-Oosten’
te bouwen in wat tot nu toe Gaza was.
Het plan werd misschien met enige hilariteit ontvangen
toen de video werd uitgezonden,
maar het gaf velen in Israël
de kans om soortgelijke gedachten te koesteren.

Laten we als voorbeeld
de Israëlische minister
Bezalel Smotrich van Financiën nemen:
Hij beweerde onlangs dat na de Israëlische operatie
Gaza volledig verwoest zal worden’
en dat de Palestijnse bevolking
‘in groten getale naar derde landen zal vertrekken’.

Velen in Israël lijken te denken dat de koppige,
door Hamas geteisterde vijand
die naast hen woont, uitgeroeid moet worden.
Vanuit het perspectief van een bevolking
die decennialang conflict beu is,
die vreest dat er nooit vrede zal komen
zolang Hamas in Gaza blijft,
en die zich realiseert hoe moeilijk het is
om de islamitische terreurgroep uit te schakelen
terwijl de Palestijnse bevolking daar blijft,
kun je de aantrekkingskracht
van deze radicale oplossing begrijpen.

De Israëliërs hebben echter misschien
goede redenen om voorzichtig te zijn.
En dat is geen advies van hun tegenstanders,
maar van hun eigen geschiedenis.

Begin jaren 130 na Christus
werd de andere kant op geschoven.
Het was het machtige, ‘heidense’ Romeinse Rijk
dat heerste over hetzelfde stuk land,
dat ze al snel Palestina zouden noemen.
Joden vormden een minderheid,
maar ze grepen terug
naar hun lange wortels in het land,
de tijd van Jozua en koning David,
en zelfs recenter
naar het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën zo’n 200 jaar eerder.
Dat was de laatste keer vóór de moderne staat Israël
dat Joden de controle over het land hadden.

De toenmalige keizer Hadrianus samen met zijn gevolg
door Jeruzalem trok in 130 na Christus.
Hij begon de stad te ‘ontjoodsen’
en richtte standbeelden op van goden en keizers,
die allemaal aanstootgevend waren voor de Joodse gevoeligheden.
De smeulende wrok barstte al snel los
met een opstand onder leiding
van een felle en vastberaden Joodse strijder, Bar Kochba.
Dit was de tweede Joodse opstand
na de eerdere in de jaren 60,
die had geleid tot de verwoesting
van de grote Joodse Tempel in Jeruzalem
door Titus, onder het bewind
van keizer Vespasianus in 70 na Christus.
Voor de Romeinen was één opstand
misschien nog net te tolereren,
maar twee was te veel.

Hadrianus kwam vervolgens tot dezelfde conclusie
als Bezalel Smotrich:
een opstandig gebied moest van de kaart worden geveegd,
hoewel dit keer Jeruzalem moest worden geëlimineerd, niet Gaza.
De Joodse bevolking zou verspreid worden,
de naam zou worden uitgewist
en herinneringen aan vervlogen glorie
zouden voorgoed worden begraven.

En zo kwamen in 135 na Christus de ‘bulldozers’.
Jeruzalem werd feitelijk met de grond gelijk gemaakt
en op de ruïnes ervan werd
een Romeinse stad gebouwd:
Aelia Capitolina was de nieuwe naam,
een kleinere stad dan het oorspronkelijke Jeruzalem,
maar decadent gebouwd rond de verering
van Griekse en Romeinse goden,
met prachtige poorten, heidense tempels,
een klassiek ‘Romeins’ Forum Romanum
en uitgestrekte straten met zuilen.
Niet bepaald de Rivièra van het Midden-Oosten,
maar misschien wel Las Vegas.
‘Jeruzalem’ werd van de kaart geveegd.

In het midden van de heilige Joodse Tempelberg
richtte Hadrianus een standbeeld van zichzelf op.
Hij plaatste opzettelijk een standbeeld
van Aphrodite op de plek waar de vroege christenen
beweerden dat de dood en opstanding
van Jezus hadden plaatsgevonden:
de plaats waar nu de Heilig Grafkerk staat.
Besnijdenis werd verboden,
veel Joden werden vermoord
en de overgeblevenen werden
uit de stad verbannen
en verspreid over alle plekken
waar ze maar onderdak konden vinden.
Sterker nog, de kaart van de Oude Stad van Jeruzalem
wordt vandaag de dag nog steeds gekenmerkt
door dit ontwerp,
met de twee belangrijkste straten van Hadrianus
die ten zuiden van de Damascuspoort afbuigen,
met archeologische overblijfselen
van de Romeinse stad
die nog steeds zichtbaar zijn voor bezoekers.

Maar natuurlijk werkte dit verdonkeremanen niet:
Niemand noemt het tegenwoordig nog Aelia.
De gehechtheid van mensen aan land gaat diep.
De Joden konden hun wortels
in dit stukje aarde niet vergeten.
Zoals de schrijver Simon Sebag Montefiore
het verwoordde in zijn boek ‘Jeruzalem‘:
‘Het Joodse verlangen naar Jeruzalem wankelde nooit’.
De Joden baden drie keer per dag
gedurende de volgende eeuwen:
‘Moge het Uw wil zijn
dat de tempel spoedig
in onze dagen herbouwd wordt.’

De Palestijnse gehechtheid aan land is net zo sterk.
Bijna 80 jaar na de oprichting
van de staat Israël in 1948
klampen families zich nog steeds vast
aan de sleutels van hun huis
die hen in die traumatische periode
zijn afgenomen.
Net als het Joodse verlangen naar Jeruzalem,
hebben ook zij, net als mensen over de hele wereld,
een diepe verbondenheid met hun voorouderlijke land,
dat teruggaat tot de ‘Arabieren’
die genoemd worden in het boek Handelingen,
tot wie Petrus predikte (Handelingen 2,11-12)
in de begindagen van de christelijke kerk.

Besluiten van verre heersers zoals keizer Hadrianus
of president Trump
lijken misschien nette oplossingen
voor hardnekkige problemen.
Maar ze werken zelden op de lange termijn.

De beroemde Bijbelse aansporing
‘oog om oog, tand om tand’
was niet bedoeld als aanmoediging tot geweld,
maar juist het tegenovergestelde.
Het was bedoeld om een grens te stellen
aan de ontwikkeling van bloedwraak,
die, uit woede en trauma,
zo gemakkelijk tot onevenredige reacties
en eindeloze vetes kon leiden.
Paulus schreef in Romeinen 12:
Beste vrienden, neem geen wraak op anderen.
Laat het straffen over aan God.
Want in de heilige boeken zegt God:
“Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.”’.
Zo herinnerde hij zich een oude Joodse wijsheid
die grenzen stelde aan het menselijk vermogen
om hardnekkige problemen met geweld op te lossen.
Hij kende een betere manier:
‘Laat u niet overwinnen door het kwade,
maar overwin het kwade door het goede.’

Eigenlijk zijn er maar vier manieren
om om te gaan met buren
die lastig blijken te zijn:
je kunt proberen ze te controleren, ze te laten vluchten,
je kunt ze doden, of je kunt politiek bedrijven.

De drie eerste manieren
zijn echter geen begaanbare weg
De enige manier is het conflict
via de politieke manier
op te lossen.
Met andere woorden,
probeer een vorm van gemeenschappelijk leven
te bewerkstelligen,
zoals dat uiteindelijk gebeurde in Noord-Ierland, Zuid-Afrika
en zoveel andere plaatsen waar langdurige conflicten heersen.

Politiek, het leren samenleven over verschillen heen,
is rommelig, ingewikkeld en is hard werken.
Vooral wanneer er diepe pijn uit het verleden is.
Maar zoals het mislukken
van Hadrianus’ radicale oplossing aantoont,
is er op de lange termijn geen echt ander alternatief.

 

Oké, als rechtgeaarde protestant van het confessionele snit
besteed ik misschien wel heel veel aandacht aan de nieuwe paus,
maar dat heeft zeker zo een reden:
er is momenteel namelijk heel veel onrust
op het geopolitieke toneel.
Er zijn veel tegenovergestelde belangen
opgeblazen ego’s die hun plaats opeisen
ten koste van de ander en van andere landen.
En dan denk ik: misschien kan de nieuwe paus
in deze situatie van spanningen een bemiddelende rol spelen?
Hij heeft daar immers al een voorbeeld van gegeven,
met het faciliteren
van een tête-à-tête tussen Trump en Zelensky.

Zo gingen mijn gedachten weer terug
naar het eerste optreden van de pas geïnstalleerde paus:
Je zag de imposante gevel van de Sint-Pieter,
dat grote monument van Rooms-Katholieke autoriteit.
Op het plein ervoor was een menigte van 200.000 mensen verzameld
die zich uitstrekte zover het oog reikte.
De wereldmedia keken vanaf de balkons op die menigte neer.
En daartegenover stonden de rijkelijk versierde
rode fluwelen stoelen klaar
voor president als Zelensky, J.D. Vance, Trump,
en de staatshoofden van andere talloze landen
in Europa en ver daarbuiten.

En ik dacht aan de nieuw aan te treden paus, Robert Prevost;
hij stond op het punt door deze deuren te stappen.
Een man die in 2015 tot bisschop werd benoemd,
pas twee jaar geleden kardinaal werd
en nu in de aandacht stond van deze enorme menigte
en miljoenen anderen op tv,
als dé spirituele leider van 1,4 miljard katholieken,
die binnen een paar weken van relatieve onbekendheid
naar de beroemdste man ter wereld was gekatapulteerd.
Volgens mij moet je dan wel iemand zijn
met een opmerkelijke nederigheid;
om dit allemaal niet naar je hoofd te laten stijgen.

De Sint-Pieter is ontworpen om indruk te maken.
Het plein voor de kerk is omringd
door imposante beelden van apostelen,
heiligen, martelaren en kerkvaders,
die allemaal neerkijken
op de gebeurtenissen beneden.
Het was precies déze kerk
die onbedoeld de Reformatie in gang zette,
toen een fondsenwervingsactie
voor de bouw gepaard ging
met de verkoop van aflaten in onder andere Duitsland,
waar het Maarten Luthers woede opwekte.
De voorgevel, met zijn hoge pilaren, grote ramen,
weelderige balkons en rijke wandtapijten,
kan niet anders maken dan je klein te voelen.
Binnen is de ruimte énorm, met overal prachtige kunstwerken.
Dit was een uiting van het pausdom uit de Renaissance,
dat leidde naar de Contrareformatie,
de zelfverzekerde barokke geest
die de triomf van de Kerk over al haar vijanden aankondigde.

Een paus met een vleugje ijdelheid zou gevaarlijk zijn.
Alles wijst op de macht van deze positie,
de opvolger van Petrus,
de leider van de grootste christelijke gemeenschap ter wereld,
iemand die wereldwijd direct herkenbaar is,
naar wie wereldleiders
met de pet in de hand moeten komen.
Geen wonder dat sommige pausen
in het verleden politieke manipulators zijn geworden
en met keizers en koningen wedijveren
over wie de meeste macht heeft.

Maar tegenwoordig klinkt de Katholieke Kerk nederiger.
Paus Franciscus zette de kerk
op weg naar een lijn van ‘synodaliteit‘,
waarbij hij andere stemmen uitnodigde
in de discussies binnen de kerk
dan alleen mannelijke priesters.
Paus Leo lijkt die lijn te willen doortrekken.

Verwijzend naar zijn verkiezing zei hij:

‘Ik ben uitgekozen zonder enige verdienste van mijzelf,
en nu kom ik, met vrees en beven,
naar u toe als een broeder,
die de dienaar van uw geloof en uw vreugde wil zijn,
en met u wil wandelen op het pad van Gods liefde.’

De toon was er niet één van zelfverheerlijking,
van het benadrukken van de macht van de positie.
Er was geen strategie om de kerk en de wereld
fundamenteel te veranderen.
Er was geen groots plan
om de machtsmiddelen te gebruiken
om de maatschappij naar zijn visie vorm te geven.
In plaats daarvan ging het erom
een ongrijpbare en oncontroleerbare kracht te ontketenen:
de kracht van zelfopofferend mededogen.

Of zoals paus Leo het zelf verwoordde:

‘Het ambt van Petrus wordt juist gekenmerkt
door zelfopofferende liefde,
van de Kerk van Rome
die haar ware gezag vindt
in de naastenliefde van Christus.
Het gaat er nooit om anderen
te veroveren met geweld,
religieuze propaganda of macht.
In plaats daarvan
gaat het altijd
en alleen om liefhebben zoals Jezus deed.’

Dat is anders dan de manier
waarop pausen in het verleden soms spraken.
De Kerk heeft geen andere macht dan de macht van de liefde
– het soort zelfopoffering
die we zien in het leven van Christus.
De huidige paus vindt haar ware gezag in naastenliefde.
Een beetje anders
dan sommige andere presidenten
die ik me kan herinneren.

Toegegeven, we weten nog niet veel over hem,
maar Robert Prevost
komt op me over als een nederig man.
Iemand die een plek aan Harvard Law School
aan zich voorbij liet gaan
om in plaats daarvan
twintig jaar lang de armste gemeenschappen
in Peru te dienen,
slapend op de vloer van hutten,
reizend op ezels naar afgelegen dorpen,
onopgemerkt en onbekend.
Dat getuigt van een duidelijk gebrek
aan eigenbelang.
Je solliciteert niet naar het pausschap,
je kandidatuur aankondigend,
je opwerkend in de gelederen,
je verdiensten bepleitend tegenover de kiezers.
In plaats daarvan ga je gewoon door met wat je doet,
en als de roep komt, geef je er gehoor aan.

Als paus Leo zal hij die nederigheid nodig hebben
wanneer hij deze rol
de rest van zijn leven op zich neemt.
Hij zal die nodig hebben
om de subtiele verleiding
van de eerbied die anderen
hem betonen te weerstaan,
de bewondering die hij zal ontvangen
waar hij ook gaat,
de gebouwen waarin hij woont,
de pracht van de pausen die hem voorgingen,
de manier waarop mensen
aan zijn lippen zullen hangen.
De verleiding om te denken dat Robert Prevost
toch een enorme vis is,
iemand wiens talenten
hem tot dit punt hebben gebracht,
zal groot zijn.

Maar als hij onverhoeds toch aan die verleiding toegeeft,
zal hij terugvallen
in de alledaagse gang van zaken in de wereld,
en heersen over degenen die hij onder zijn hoede heeft.
Maar hij lijkt zich terdege bewust
van de gevaarlijke aard van zo’n positie.
‘Wie er ook geroepen is
om de opvolger van Petrus te zijn’,
zei hij,
‘moest toezicht uitoefenen
zonder ooit toe te geven
aan de verleiding om een autocraat te zijn,
heersend over degenen
die aan hem zijn toevertrouwd.
Integendeel, hij is geroepen
om het geloof van zijn broeders en zusters
te dienen en naast hen te staan.’

Het was toch Jezus die zei:

‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn’ (Lucas 10,42-43)

Andere presidenten, premiers en patriarchen
zouden daar een voorbeeld aan kunnen nemen.