Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Paulus doet iets wat wíj meestal vermijden:
hij kijkt eerlijk terug op zijn leven.
Niet sentimenteel,
maar boekhoudkundig.
Winst links. Verlies rechts.
En geloof me:
vóór zijn bekering stond die winstkolom ramvol.

Perfect Joods. Achtste dag besneden. Ras-Israëliet.
Stam Benjamin. Moedertaal Hebreeuws. Farizeeër.
Wet tot in de puntjes nageleefd.
Voor God en mensen: onberispelijk.
Religieuze LinkedIn op standje indrukwekkend.

En ja, oké, hij vervolgde christenen.
Fanatiek zelfs.
Maar ook dat deed hij “uit overtuiging”.
Met ijver. Met passie. Alles klopte.

Totdat hij Jezus ontmoet.

En dan keert de hele balans om.
Alles wat eerst winst was, schuift naar verlies.
Niet voorzichtig. Niet onder voorbehoud
Nee: afval. Vuilnis. Rioolspul.
Paulus gebruikt een woord dat je beter vertaalt met:
door de wc gespoeld. Weg ermee.
Want als je het bewaart, gaat het stinken.

Was dat allemaal slecht?
Nee.
Maar het stond in de weg.
Het gaf hem het gevoel dat hij zichzelf wel kon redden.
En precies dát moest weg om Christus te winnen.

Want bij Jezus is geen ruimte voor eigen verdienste.
Geen spirituele cv.
Geen “ik heb het toch netjes gedaan?”.
Wie zichzelf rechtvaardigt,
heeft Christus niet nodig.
En wie Christus wil kennen,
moet zijn eigen gelijk loslaten.

En dan zegt Paulus iets wat schuurt.
Hij zegt: ik wil Christus kennen
en de kracht van zijn opstanding ervaren.
Dat klinkt goed.
Leven. Hoop. Overwinning.
Maar hij gaat verder:
door te delen in zijn lijden.
Door aan hem gelijk te worden in zijn dood.

Pardon?

Dat stond niet in de reclamefolder.
We willen leven, niet lijden.
Groei, geen kruis.
Maar Paulus kiest hier bewust voor.
Waarom?
Omdat juist dáár die opstandingskracht zichtbaar wordt.

Het woord dat hij gebruikt voor “kracht” is dynamiet.
Explosieve kracht.
Niet om problemen te ontwijken,
maar om er dwars doorheen te breken.
Blokkades verdwijnen.
Angst. Weerstand. Zelfs de dood.

De kerk groeit niet ondanks verdrukking,
maar vaak erdoorheen.

Het bloed van martelaren werd zaad.
Dat is geen romantiek, dat is geschiedenis.
En het geeft hoop.
Ook nu, nu geloof krimpt
en de kerk naar de rand schuift.

Paulus twijfelt niet aan de toekomst.
Als hij zegt: “hoe dan ook zal ik opstaan”,
bedoelt hij geen onzekerheid,
maar vertrouwen.
Hij weet niet hóé het zal gaan.
Maar dát het zal gebeuren, staat vast.

Christus kennen is geen denkspel.
Het is je hele leven inzetten.
Met winst én verlies.
Met dood én leven.

Het graf is niet het eindpunt.
De kracht van de opstanding werkt al.
En zal afmaken wat God begonnen is.

Alles door de wc.
En toch rijker dan ooit.

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Moet je eigenlijk heel slim zijn om in God te geloven?
Of juist een beetje dom?

Vraag het op een universiteit en je weet het antwoord al.
Evolutie regelt het leven. Natuurkunde regelt het heelal.
Psychologie regelt ons hoofd.
God? Overbodig. Oud idee.
Geloof is iets voor wie het allemaal niet zo scherp ziet.

En toch hoor ik in de kerk juist het omgekeerde.
Niet: “Wat is geloven makkelijk.”
Maar: “Ik vind het zo ingewikkeld.”
Die dikke Bijbel.
Zonde, verlossing, kruis, opstanding, eeuwig leven.
Onzichtbaar. Ongrijpbaar.
Tweeduizend jaar oud. Dat geloof je toch niet zomaar?

Welkom in de veertigdagentijd!
De tijd waarin het christelijk geloof ook níét probeert makkelijk te zijn.
Geen paashaas, geen halleluja. Maar stilte. Schuren. Het kruis.

Paulus wist daar alles van.
In Korinthe liep hij niet te scoren met slimme praatjes.
Dat was nou juist dé stad van slimme praatjes.
Filosofen, denkers, debaters.
Maar Paulus deed niet mee.
Geen mooie woorden. Geen logische bewijzen.
Hij kwam met één boodschap:
Jezus Christus – en die gekruisigd.

Dat was ongeveer het domste wat je daar kon zeggen.

Een God die mens wordt?
Een God die sterft?
Aan een kruis nog wel?

Dat paste totaal niet in hun wereldbeeld.
Net zo min als het vandaag past in het onze.
Wij geloven in vooruitgang, zelfontplooiing en controle.
En dan komt die veertigdagentijd ineens
met een God die verliest, lijdt en zwijgt.
Dat botst.
Logisch dat je gaat twijfelen.

Twijfel is geen teken dat je niet gelooft.
Twijfel is vaak juist een teken dat je wakker bent.

Paulus zelf was bang en onzeker.
Hij zegt het gewoon: zwak, bevend, geen succesverhaal.
In anderhalf jaar tijd vijftig mensen overtuigd.
Dat is geen TED Talk. Geen bestseller.

Maar hij hield vol.
Niet omdat hij alles begreep.
Niet omdat hij slimmer was dan de rest.
Maar omdat hij Jezus ontmoet had.
Dat ene moment had
zijn hele wereldbeeld omgegooid.
Alsof hij ineens ontdekte
dat de aarde niet plat was, maar rond.

En dát is misschien wel de kern van de veertigdagentijd.
Niet: alles zeker weten.
Maar durven loslaten wat vanzelfsprekend voelt.
Durven luisteren naar een verhaal dat niet lekker ligt.
Dat schuurt met wat iedereen zegt.

De vraag is dus niet: ben je slim of dom?
De vraag is: waar luister je naar?

Naar het lawaai van meningen, nieuws en tijdlijnen?
Of naar die stille Man aan het kruis,
die zegt dat liefde sterker is dan macht?

De veertigdagentijd vraagt geen bewijsdrang.
Ze vraagt eerlijkheid.
En misschien ook moed.

Want voor die liefde aan het kruis
is niemand te slim.
En niemand te dom.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

Still uit de serie House of David

We hebben het christendom al zo vaak begraven
dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden.
In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten:
het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes
en dorpskerken die naar vocht ruiken.
Zeker in het Westen zou het geloof
z’n langste tijd gehad hebben.
De Verlichting had gewonnen,
Netflix had het met plat entertainment overgenomen.

En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.

Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden
dat God met pensioen was gestuurd,
begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage
– zonder de kramp van oude ruzies –
opnieuw vragen te stellen.
Geen cynische vragen, maar existentiële.
Wie ben ik? Wat doe ik hier?
Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder?
Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen,
maar ze kloppen wel aan.
Openminded. Nieuwsgierig.
Soms zelfs geestelijk hongerig.

En kijk naar onze schermen.
House of David, Mary, The Chosen;
met honderden miljoenen kijkers wereldwijd.
In een oververhitte streamingmarkt,
waar elke seconde aandacht geld is,
blijken Bijbelse verhalen ineens
geen stoffige relieken
maar winstgevende titels.
Het christelijke entertainment is,
zo kopte een artikel, ‘opgestaan’.
Ironischer wordt het niet.

Begrijp me goed:
het is niet allemaal goud wat er blinkt.
Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig.
Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid.
En ja, we herinneren ons nog
Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004
dat bij velen vooral misselijkheid opriep.

Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.

Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?

Misschien omdat de wereld donkerder voelt
dan we willen toegeven.
Niet objectief per se want statistieken zijn grillig,
maar existentieel.
Het nieuws is een eindeloze stoet van crises.
Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst.
Economische onzekerheid.
Zoveel mensen zijn afgehaakt,
niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming.
Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.

In zo’n klimaat klinkt de zin
van een studiobaas bijna profetisch:
mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’.
Dat is geen marketingtruc.
Dat is een noodkreet.

Christelijke verhalen
– wanneer ze goed verteld worden –
bieden geen suikerlaagje over de realiteit.
Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood.
Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn:
een verlossend einde denken.
Vergeving boven wraak.
Nederigheid boven trots.
Wonden die genezen.
Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis.
Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.

Misschien verlangen we daar niet naar
omdat we zo religieus zijn,
maar omdat we zo moe zijn.

Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem,
dat zij en haar man weer naar de kerk gingen.
Niet uit traditie.
Niet uit overtuiging.
Maar omdat ze net een baby hadden gekregen
en het leven hen overspoelde.
‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze.
‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’

Dat is het.

Hoop is geen luxeartikel voor optimisten.
Het is zuurstof voor mensen
op een slagveld van verantwoordelijkheden,
verwachtingen en angsten.
We proberen allemaal te overleven
in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is.
De oude vraag blijft:
hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?

Misschien is het momentum
van christelijk entertainment
geen cultureel ongelukje, maar een spiegel.
Een teken dat onder onze cynische buitenlaag
een koppig verlangen leeft.
Naar betekenis.
Naar vertrouwen.
Naar een God die niet is weggevaagd
door onze scepsis.

We hebben Netflix misschien
niet nodig om te overleven.

Maar verhalen van geloof en hoop?
Die wel.
Zonder die verhalen redden we het niet.
Met hen – hoe gebrekkig ook verteld –
durven we tenminste te geloven
dat het licht nog steeds
sterker is dan het donker.

Gebed door een aantal evangelicale voorgangers voor president Trump

‘Het verleden is een vreemd land’, schreef L.P. Hartley.
‘Ze doen het daar anders.’
Nou, zet dat maar gerust in hoofdletters
als je het over Amerika hebt.
De Verenigde Staten zijn een vreemd land.
Zeker voor ons, kijkend vanaf de zijlijn
met koffie in de hand en opgetrokken wenkbrauwen.

Ik heb lang geprobeerd te snappen
waarom zóveel evangelicals Donald Trump omarmen.
Want nee, dat zijn lang niet allemaal
die karikaturen die wij hier graag opvoeren:
witte mannen in pick-ups en countrymuziek keihard aan,
Confederatievlag achterop.
De evangelicale wereld in de VS is veel diverser.
Er zijn megakerken vol kleur, migrantenkerken,
jonge gemeenschappen die Trump verafschuwen.
Maar het woord ‘evangelical’? Dat is inmiddels gekaapt.

Het label is verworden tot een politiek sjibolet.
Ben je pro-Trump, anti-woke en Republikeins?
Dan ben je blijkbaar ‘evangelical’.
Theologie optioneel.
Zo absurd dat zelfs moslims
in enquêtes die term zijn gaan gebruiken.
Ik zei toch: vreemd land.

Laat één ding duidelijk zijn:
zelfs de meeste evangelicals
die Trump steunen,
zien hem niet als moreel lichtend voorbeeld.
Niemand noemt hem een heilige.
Ze kennen zijn geschiedenis
met vrouwen, geld en waarheid.
En toch stemmen ze op hem. Waarom?
Grofweg zijn er twee smaken.

De eerste is koud en zakelijk:
karakter slecht, beleid goed.
Een deal.
Stem voor beleid dat abortus beperkt,
traditionele gezinswaarden verdedigt,
transdebatten afremt, wapens beschermt,
China wantrouwt, illegale immigratie aanpakt
en de kosten van levensonderhoud niet verder opjaagt.
Trump als noodzakelijk kwaad. Niet mooi, wel nuttig.

De tweede smaak is rauwer en gevaarlijker:
Trump als instrument van God.
Net als David, Salomo of Cyrus.
Gebrekkig, ja. Maar uitverkoren.
Door God ingezet om Amerika weer ‘christelijk’ te maken.
Zijn tekortkomingen? Bijzaak. God gebruikt wie Hij wil.

In beide verhalen zit dezelfde aanname verstopt:
karakter is wenselijk, maar niet essentieel voor leiderschap.

En daar haak ik af.

De Bijbel is daar namelijk veel kritischer
over dan men nu doet voorkomen.
David kwam pas tot bloei ná diep berouw.
Salomo’s morele zwakte sloopte zijn koninkrijk.
En Cyrus?
Die was nooit leider van Israël, alleen een handige buurman.
Het idee dat een niet-berouwvolle leider
met structurele morele gebreken
een zegen is voor een natie,
is van het soort wishful thinking met Bijbelcitaten.

Want leiders zetten de toon.
Altijd.
Op scholen, in kerken, bedrijven en landen.
Wat ze doen, wordt normaal.
Hoe ze praten, wordt acceptabel.
Een leider die pest, kleineert, liegt
en alles meet in geld,
leert zijn volk
dat pesten werkt, liegen loont en geld god is.

Dat is geen politiek punt,
dat is menselijk gedrag.
Kinderen worden hun ouders.
Kerkenleden lijken op hun voorgangers.
Bedrijfsmedewerkers op hun CEO’s.

Beleid doet ertoe, absoluut.
We kunnen ruziën over importheffingen,
China, Oekraïne of migratie.
Maar hóé je dat beleid voert,
zegt vaak meer dan wát je voert.

Competentie en chemie zijn handig.
Maar op de lange termijn?
Is karakter alles.

 

Generatie Z, ook wel Gen Z of Zoomers genoemd,
zijn mensen geboren tussen ongeveer 1997 en 2012.
Ze staan bekend als ‘digital natives
omdat ze zijn opgegroeid met internet en smartphones,
wat hun snelle informatieverwerking
en aanpassingsvermogen aan technologie verklaart.
Belangrijke kenmerken van deze generatie zijn
hun aandacht voor sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit,
duurzaamheid en authenticiteit,
en de focus op persoonlijke ontwikkeling
en balans tussen werk en privé.
Generatie Z vertoont een opvallende trend
van hernieuwde interesse in geloof en de kerk,
wat de gebruikelijke trend van afnemend geloof doorbreekt.
Deze interesse wordt gedreven door een zoektocht naar zingeving
en een onbevangen openheid om tradities te verkennen,
vaak via sociale media.
‘Juist in deze tijd met veel onduidelijkheid
zijn we op zoek naar standvastigheid.’ wordt dan gezegd.
Hoewel er een algemene opleving is,
wijzen sommige onderzoeken uit
dat Gen Z-mannen vaker kerken bezoeken
en dat vrouwen vaker religieus onafhankelijk zijn.

Hoewel Generatie Z zeker een hernieuwde interesse in Jezus toont,
distantiëren ze zich tegelijkertijd van de kerk.
Dit lijkt misschien een tegenstrijdigheid.
Want hoe kan iemand, laat staan een hele generatie,
Jezus zoeken zonder zich met de kerk in te laten?
Dit fenomeen zou je kunnen beschouwen
als een contradictio in terminis,
of is dit misschien een opkomende trend?

Avonturier Bear Grylls verwoordde onlangs
een sentiment dat, naar mijn mening,
precies de essentie van de ‘nieuwsgierigheid naar Jezus’
van Generatie Z weergeeft
en hun zoektocht naar betekenis
buiten de traditionele kerkelijke context.
Zijn woorden wijzen op een diep menselijk verlangen:
een authentieke, oprechte en rauwe hoop
op iets of iemand
die een persoonlijk antwoord biedt
op de diepe mysteries van het leven.

Hij zei:
Ik wil dat mensen weten dat de Jezus
die ik uiteindelijk ontdekte
intiem, mooi, sterk, zachtaardig, relevant,
levensveranderend en levensverrijkend is.
Mensen stellen me de vraag:
“Wat trekt je aan in Jezus?”
Het is moeilijk, want het is alsof je probeert te zeggen:
wat vind je mooi aan het bloed
dat door en rond je lichaam stroomt,
of aan het water in de woestijn?
Het is alsof je probeert te leven zonder dat bloed?

Ik denk dat een groot deel van deze verschuiving;
deze hernieuwde interesse in de persoon van Jezus;
terug te voeren is op hoe de coronapandemie
ons leven heeft veranderd,
en met name dat van Generatie Z.
Het droeg bij aan een nieuw en diep gevoel
van wanhoop, een crisis van betekenis
in alles wat we dachten te weten.
Toen de pandemie toesloeg werden dagelijkse routines,
zowel religieuze als wereldlijke, doorbroken.
Het leven zoals we dat kenden,
werd stilgelegd
en we moesten buiten die routines kijken
en naar wat we dachten te weten
en in praktijk te brengen.
We zaten vast in onze huizen,
vaak alleen en geïsoleerd.
Het gaf ons tijd om na te denken.
Het creëerde ruimte om grotere,
meer existentiële vragen te stellen
en de essentie van zingeving
en betekenis te verkennen.
We werden allemaal gedwongen
om het leven en wat we wisten
door een nieuwe lens te bekijken.
En voor Generatie Z was dit een katalysator.

Opvallend is dat deze bredere trend
van hun afwijzing van religieuze instellingen
een gepersonaliseerde, authentieke
en maatschappelijk relevante spiritualiteit bevordert.
Deze trend wordt gekenmerkt
door hoe ze onderscheid maken
tussen de figuur van Jezus en de instelling,
terwijl ze op zoek gaan
naar een dieper begrip van Hem
via ongebruikelijke middelen.
In plaats van bijvoorbeeld in de kerkbanken te zitten,
verkennen ze de populaire tv-serie The Chosen
en overpeinzen ze de zeer menselijke
en eerlijke teksten van nieuwe artiesten
zoals Forrest Frank,
die beiden een toegankelijke weergave van Jezus bieden.

In een wereld waar digitale perfectie voorop staat,
zoekt Generatie Z dus naar iets buiten de traditionele kerk,
iets authentieks, een oprechte verbinding met iets reëels,
iets voorbij deze tastbare wereld.
Jezus vertegenwoordigt voor hen deze authenticiteit,
iemand bij wie ze terechtkunnen met vragen
en antwoorden kunnen vinden
die mogelijk hun diepste nieuwsgierigheid bevredigen:
Waarvoor zijn wij op aarde?
Wat doen we?
Is er meer?

Het interessante aan deze postchristelijke generatie
is dat ze het geloof niet opgeven
of spiritueel apathisch worden,
zoals velen zouden vermoeden;
Hun verkenning is eerder
een oprechte reis naar een oprecht geloof,
waardoor sommigen hen beschouwen
als de meest spirituele,
niet-religieuze generatie tot nu toe.

Deze toename van nieuwgierigheid
betekent niet dat het christendom zijn relevantie verliest.
Integendeel, het bewijst dat er iets nieuws, iets rauws, opkomt
en een verschuiving in het spirituele landschap veroorzaakt.
Het herdefinieert labels
en verandert oudere definities
die misschien niet meer passen.
Het onderliggende menselijke verlangen blijft een constante:
een zoektocht naar een diepere betekenis in het leven.

Als we kijken naar deze generatie
en haar oprechte onderzoek naar de diepere dingen,
zien we een spirituele vernieuwing,
een schijnbare wereldwijde opleving,
ongekend in de afgelopen decennia
binnen een postchristelijke samenleving.
Sommigen noemen het de Stille Opwekking.
Generatie Z wil niets veinzen.
Ze ‘willen het gewoon uitzoeken’.
Ze zijn op een ware zoektocht.
Centraal in hun reis staat Jezus,
niet religie en niet de kerk.

Het is een zoektocht naar iets ongrijpbaars, iets onmeetbaars.
om die te vinden, te zien en te kennen.
Op zoek naar wat Paulus in Romeinen 1 vers 20
Gods onzichtbare dingen noemde:
Zijn eeuwige kracht en goddelijke natuur,
die duidelijk zichtbaar zijn in de schepping.
Dit betekent dat hoewel je God niet direct kunt zien,
je zijn eigenschappen kunt leren kennen
door naar de zichtbare wereld te kijken.

 

Het lijkt erop dat Donald Trump
de bestaande wereldorde op z’n kop zet:
hij heeft – volgens hem – Venezuela overgenomen
en richt nu zijn blik nu op Groenland, Mexico
en tal van andere landen en organisaties.
Dit heeft geleid
tot veel discussie over een ‘nieuwe wereldorde’.
Oude zekerheden lijken af te brokkelen,
zowel op het gebied van
internationale betrekkingen als politieke systemen.

Met wat een ‘Donroe’-doctrine wordt genoemd,
proberen de VS controle uit te oefenen
over hun eigen continent.
Donald Trump is, vanuit het perspectief
van de internationale diplomatie,
een anarchistische figuur in de wereld,
die de oude regels aan flarden scheurt
en steeds brutaler wordt in zijn gebruik van
Amerikaanse militaire macht
om te krijgen wat hij denkt
dat goed is voor Amerika.
Tegelijkertijd wijst de toenemende
wereldwijde invloed van China,
met name de controle over onze technologie
en digitale connectiviteit
– die niet alleen onze mobiele telefoons,
maar ook defensiesystemen, infrastructuur
en industrie beïnvloedt
– op een dreigende wereldwijde machtsstrijd
tussen deze twee grootmachten,
waarbij Europa niet weet welke kant het op moet.

Tegelijkertijd stort de politiek
niet zo gemakkelijk in als nu.
Vroeger vertrouwden we op linkse partijen
die opkwamen voor de arbeiders
en rechtse partijen
die de belangen van het bedrijfsleven
en de traditionele
heersende klasse beschermden.
Tegenwoordig hebben we
onder andere Geert Wilders,
die een grote aantrekkingskracht heeft
op kiezers uit de arbeidersklasse,
en linkse partijen die zich laten leiden
door progressieve agenda’s.

Ik heb onlangs een boek gelezen
over de overgang van het heidense Romeinse rijk
naar de nieuwe, gekerstende wereld van de vroegmoderne tijd.
Toen het Romeinse rijk vanaf de vijfde eeuw
begon te desintegreren,
was de snelgroeiende christelijke kerk
uitstekend gepositioneerd
om een nieuwe beschaving op te bouwen uit de ruïnes (letterlijk)
van het heidense Rome.
Heidense tempels maakten plaats voor een nieuwe geografie
van kerken en parochies.
Er ontstond een nieuwe tijdsbeleving,
waarbij het jaar niet langer werd gevormd en gemarkeerd
door de heidense feesten uit het verleden,
maar door christelijke feesten: Kerst, Pasen, Pinksteren
en een steeds groeiend aantal heiligenfeesten.
In plaats van de chaotische mengelmoes
van religies in het heidense Rome,
bracht de vastberaden christelijke beweging
de middeleeuwse wereld voort,
waarbij geleidelijk
een nieuwe christelijke wereld uit de oude ontstond.

Dit alles voedt het idee
dat we het begin meemaken
van een soortgelijke, tijdperkbepalende periode
van culturele verandering,
een die zich eens in de paar honderd jaar voordoet.
We bewogen ons van de heidense wereld
naar het christendom.
We hadden de Reformatie, daarna de Verlichting.
Dat gaf op zijn beurt geboorte
aan de moderne seculiere,
liberale wereldorde in het Westen.
Er ontstaat iets nieuws in onze tijd,
maar we weten nog niet wat het is.

Als dit waar is,
dan is het nieuws over de ‘Stille Opwekking’
wellicht meer dan een vage opleving
in de spirituele belangstelling van Generatie Z,
maar onderdeel van iets veel, veel groters.
Je ziet ineens overal mensen die,
verre van hun geloof te verbergen,
er juist veel opener over zijn.

Zou deze culturele verschuiving voortkomen
uit de afbrokkeling van de zekerheden
van het post-verlichtingsdenken?
Want de opvatting dat wetenschap en technologie
de oplossing zijn voor al onze problemen zijn
blijken te kort te schieten;
zo ook rotsvaste geloof
in een rooskleurige toekomst.

Jongeren kunnen zich inmiddels
niet meer voorstellen
dat ze ooit een huis kunnen kopen.
Ze vragen zich af of de planeet
de impact van de enorme bevolkingsgroei
van 1 miljard in 1800 tot 8 miljard in 2025
wel zal overleven.
En hoewel ze verslaafd zijn
aan sociale media en technologie,
vinden ze die verslaving ook niet prettig
en maken ze zich zorgen
over de gevolgen voor henzelf
en hun kinderen in de toekomst.
De rooskleurige toekomst
die onze snel ontwikkelende technologie
en de val van de Berlijnse Muur beloofden,
is niet werkelijkheid geworden.
Het is dan ook niet verwonderlijk
dat mensen elders naar antwoorden zoeken.
Of zoals iemand laatst vertelde:
‘Het arrogante zelfvertrouwen
van mijn seculiere leeftijdsgenoten
is vrijwel verdwenen.’

De tijd zal het leren,
maar misschien
is de hernieuwde belangstelling
voor religie onder westerlingen
niet slechts een kortstondige opleving,
maar een teken
van een veel diepere culturele verschuiving
van het ene tijdperk naar het andere,
van het seculiere
naar het post-seculiere tijdperk.

Wat wel duidelijk lijkt,
is dat we waarschijnlijk
geen terugkeer
naar een of andere vorm van christendom
zullen zien,
niet in de laatste plaats
omdat de christelijke kerk
in het Westen niet sterk
of zelfverzekerd genoeg is
om het moment te grijpen
zoals in de vijfde eeuw.
We hebben geen equivalent
van de grote figuren
zoals Augustinus of Hiëronymus.

Wat waarschijnlijk zal ontstaan,
is geen nieuw christendom
– de christelijke kerk
en de politieke macht
gaan altijd niet goed samen,
en we hebben te veel fouten gemaakt
om er nu nog naar te verlangen –
maar een nieuw religieus
en spiritueel pluralisme;
een beetje zoals het heidendom.

Als de belangrijkste trend
niet de terugkeer
van het christendom is,
maar de achteruitgang
van het secularisme,
dan betekent dit dat
we niet terugkeren naar de Middeleeuwen,
toen het christendom
de samenleving domineerde.
In plaats daarvan lijkt het
opkomende spirituele landschap
meer op dat van de late oudheid:
een uitgestrekte marktplaats
van geloofsovertuigingen,
culten en eclectische spirituele praktijken,
die elk beloven een ooit onttoverd tijdperk
opnieuw te betoveren.

De vraag is of de kerk
de uitdaging van het verwarrende tijdperk
die we op het punt staan te betreden, aankan.
Als ze simpelweg de vermoeide tonen
van links-liberalen napraat,
of zelfs de schelle tonen
van rechts-boze mensen,
en zichzelf ziet
als een zoveelste
politieke actor of lobbygroep
die probeert macht te verwerven
in de nieuwe wereldorde,
dán zal ze deze kans missen.
Kan ze iets van het vertrouwen
in haar eigen boodschap,
haar eigen spirituele dynamiek herwinnen
die de stervende heidense wereld
1500 jaar geleden bekeerde?
Zo ja, dan belooft de toekomst
interessant te worden.