Jezus zegt:

‘Ik sta voor de deur en klop aan.

Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten,

Ik met hem en hij met Mij.’

Openbaring 3,20

Laten wij Jezus binnen? Is Hij welkom?

Of hebt u als Hij aanklopt of belt voor een afspraak niet het lef om ‘nee’ te zeggen?

Maar eigenlijk zit je niet op Hem te wachten.

Want je bent druk, je hebt geen zin in kritische vragen.

Het kan ook zijn dat je Jezus in je huis binnen laat omdat je wilt weten wie Hij is.

Wat heeft Hij jou te bieden?

Of jullie vrienden worden hangt er maar net van af

of Jezus een beetje in jouw straatje past.

Want we willen wel zelf blijven bepalen wat er in ons huis gebeurt.

Dat gebeurde ook in het leven van Zacheüs. Dat Bijbelverhaal staat in Lucas 19.

Jezus liep door de stad Jericho. Daar was een man die Zacheüs heette.

Zacheüs was een rijke belasting ambtenaar voor de Romeinen.

Zacheüs wilde Jezus zien en omdat er veel mensen waren en hij klein van stuk was,

klom hij in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien.

Toen Jezus daar langskwam, keek Hij naar boven en zei:

Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in jouw huis verblijven.’

Zacheüs kwam naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis.

Ook Zacheüs is dus zo’n iemand die te weten wil komen wat voor iemand Jezus was.

En hij klimt daar zelfs voor in een boom.

Als Jezus dan passeert en onder die boom staat kijkt Hij omhoog en zegt:

vandaag moet ik in jouw huis zijn.’

Wilde Zacheüs dat?

Nee, het zal vooraf wel niet de bedoeling van Zacheüs zijn geweest.

Maar Jezus nodigt zichzelf uit

en door dat binnen laten van Jezus wordt z’n hele leven op zijn kop gezet,

verandert het leven van Zacheüs totaal.

Wij leven in een wereld waarin we volop met ons zelf

en onze eigen belangen bezig kunnen zijn.

Waarin we veroordelen wie anders is of anders denkt dan wij.

Maar Jezus is naar de aarde gekomen om ons een andere wereld te brengen,

een nieuwe wereld.

De wereld waarin God centraal staat, waarin we oog hebben voor elkaar,

waarin recht gedaan wordt en alles eerlijk verloopt.

Een wereld waarin niemand wordt buitengesloten,

vernederd wordt of tekort gedaan of benadeeld.

Die wereld komt Jezus bij Zacheüs brengen

en Hij wil die wereld ook achter jouw voordeur brengen.

Laat Jezus binnen in alle aspecten van je leven: in je relaties (slaapkamer),

je prioriteiten (de weekplanner in de keuken), je omgang met je bezit (zolder).

Laat Jezus je vuile was doen (badkamer).

Ga met Jezus de kelder in om donkere herinneringen op te ruimen,

zodat jij de deur niet meer krampachtig dicht hoeft te houden.

Laat Jezus toe in je bijkeuken, waar je iedere keer struikelt

over de niet-opgeruimde rommel in je leven.

Laat Hem helpen om zonden en verleidingen op te ruimen.

Vaak laten we Jezus buiten de deur staan, op de stoep. De regie opgeven is voor ons moeilijk.

Je wilt je leven graag houden zoals het is.

En als we Jezus al in ons huis binnen laten,

dan is het vaak alleen in de gang of in de opgeruimde woonkamer, waar Hij nauwelijks kwaad kan.

Kapsel jij Jezus in of kapselt Hij jou in?

Probeer jij Jezus in jouw straatje te passen of ga jij de weg die Hij wijst?

Jezus wil bij ons binnenkomen, Hij wil ons leven binnenkomen.

Hij staat voor de deur en Hij klopt.

Jezus wil in ons leven komen als brenger van een nieuwe wereld,

Gods nieuwe wereld.

‘En toen Barnabas daar gekomen was en de genade van God zag,
werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan
om met een hartelijk voornemen bij de Heer te blijven.’
(Handelingen 11,23)

 

Hoe kijk je naar de dingen, de situaties, de mensen die je tegenkomt?

En welke woorden geef je eraan?

Barnabas heeft daarin een heel eigen stijl.

 

In Handelingen 11 lezen hoe het christendom zich verspreidt

vanuit Jeruzalem naar onder meer de stad Antiochië.

Daar ontstaat een gemeenschap van gelovigen

waaronder ook mensen met een niet-Joodse achtergrond.

Deze geruchten bereiken de moedergemeente in Jeruzalem.

Daar bevinden zich ook alle apostelen

die zelf met Jezus zijn opgetrokken en door Hem zijn aangesteld.

En vanuit het hoofdkwartier van de kerk

wordt iemand naar Antiochië gestuurd

om eens poolshoogte te namen en te zien wat daar gaande is.

 

En de man die gestuurd wordt is Barnabas.

Zelf is hij een Leviet, houdt zich strikt aan de wetten.

En dan ziet hij daar in Antiochië voor het eerst van zijn leven

niet-Joden, onbesnedenen, die zich laten dopen,

die Jezus willen volgen, een gemeente vormen.

Het ziet er allemaal zo anders uit, zo niet vertrouwd.

En je kunt je helemaal voorstellen dat bij Barnabas alle alarmbellen afgaan.

Dit is allemaal zo niet kosher, zo niet hoe hij het gewend is.

Hij had ze tot de orde kunnen roepen en

uit kunnen leggen hoe we dat in Jeruzalem doen.

Hij had kunnen wijzen op het hellend vlak.

Jullie weten toch:

van het een komt het ander en waar zal dit allemaal toch toe leiden.

 

Misschien kunnen we ons eens spiegelen aan iemand als Barnabas.

In hoeverre kijken wij op deze manier?

Zijn wij in de ander op zoek naar sporen van genade?

Kunnen wij ook oprecht blij zijn als we iets waarnemen van genade bij de ander?

En: durven we dat dan ook als zodanig te benoemen?

 

We leven in een tijd van secularisatie

waarin veel van wat te maken heeft met geloof

en God wordt verdrongen naar de marge van de samenleving.

Geloof wordt steeds meer gezien als iets wat thuishoort in de privésfeer.

Het gevolg er van kan zijn dat je je ontwent

om op een geestelijke manier naar de dingen te kijken

en op een geestelijke wijze erover te spreken.

 

Wat zeg je tegen elkaar in de gemeente: Succes? Zet hem op? Of: zegen van God.

Als je diep wordt aangesproken door woorden van God, zeg je:

fijne dienst, mooie preek, wat een spreker is dat.

Of: ik denk dat de Heer me vandaag iets wilde duidelijk maken.

 

Hoe vertel je over je genezing? Wat kunnen ze tegenwoordig toch veel hé?

Ja, ik ben echt een bijtertje, mij krijgen ze niet klein.

Of: het is de Heer die mij draagt, en heelt en geneest.

Slaan we elkaar bemoedigend op de schouder

of durven we ook eens de ander een hand op het hoofd om hem, haar

te zegenen in de naam van Jezus?

Zeg je tegen iemand die je de vrede van God brengt:

bedankt voor je bezoek, een beetje aandacht doet goed.

Of: ik heb in jou vandaag iets van Jezus gezien.

 

‘We leven niet in een tijdperk van verandering,

maar beleven de verandering van een tijdperk’, zegt paus Franciscus.

Daarbij veranderen ook de vormen van religie

en hun rol in de afzonderlijke samenlevingen en culturen.

De secularisatie heeft niet het einde van de religie gebracht,

maar een transformatie.

Terwijl sommige vormen van religie heftig door elkaar worden geschud,

zijn andere zo vitaal dat ze zich juist uitbreiden, over hun eerder grenzen heen.

Traditionele religieuze instellingen hebben hun monopolie op religie verloren.

In de geschiedenis openbaart God zich in het geloof,

de liefde en de hoop van mensen, ook van mensen in de marge van de kerken

en buiten de zichtbare grenzen daarvan.

De zoektocht naar God ‘in alle dingen’ en in alle historische situaties

bevrijdt ons leven van een ik-gerichtheid en leidt ons naar een openheid.

Hierin zie ik een teken van de tijd, een licht van hoop, zelfs in moeilijke tijden.

 

Deze wereld heeft en houdt Barnabassen nodig.

Mensen in wie de Geest van God woont en werkt.

Mensen die door de dingen heen kunnen kijken

en zien waar God zijn werk aan het doen is.

En die dat ook bij anderen opmerken, benoemen en versterken.

Je bent een gezegend mens als je iets hebt van Barnabas.

Dat als mensen jou ontmoeten en meemaken

ze zich gezien voelen en gekend, bemoedigd, versterkt.

En we zo bij elkaar verlangen oproepen

om samen nog veel meer te gaan zien en meemaken

van de genade en glorie van onze God.

 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

Het verhaal van Jezus’ lijden en uiteindelijke dood aan het kruis, is geen punt. Het is een komma. Want het verhaal gaat door.
Met dat zelfde beeld zou je het verhaal van Pasen kunnen samenvatten.
Het woord zelf, betekent zoveel als, doortocht, voorbij gaan.
Geen punt, maar een komma. Het leven gaat door. Zijn leven gaat door.
Het contact is niet verbroken,
ook al is het lijntje dat wij daarmee onderhouden misschien wel dun geworden,
of ben je het soms even kwijtgeraakt, dat kan.
Maar Pasen vieren, is toch steeds ook weer van ons uit bezien, de draad oppakken.
Weer gaan staan in het licht van dat verhaal, het verhaal van Jezus,
waarin jij zelf ook betrokken bent, hoe dan ook.

Pasen daagt ons uit, ten slotte, om na te gaan,
waar in ons eigen leven, punten in komma’s kunnen worden veranderd.
De liefde die van elke punt, een komma kan maken.
Het verhaal gaat door.
Het leven van Jezus is niet voorbij.
Hij leeft verder, in ons verhaal, in daden van bevrijding,
in elke nieuwe generatie, die opstaat en zich tot Hem bekent.
Hij zelf trekt ons in het licht en neemt ons mee op die weg.
De kracht van Pasen is toch ook, om onwrikbare situaties open te breken,
om ons uit onze stellingen te halen, waarin we onszelf hebben teruggetrokken,
in eigen gelijk of in verongelijktheid. Het kan altijd anders.
Maar dan moet je wel zelf ook op staan, in beweging komen,
meegaan in de beweging van bevrijding en van leven, die Jezus zelf heeft ingezet.

Wat moet bij jou in beweging komen, of blijven?
Brengt je werk, je geld, je twijfel, je gewone leven, het Paasevangelie in jou tot stilstand,
of is het andersom: brengt dit evangelie jouw geld, jouw werk,
jouw twijfel, jouw gewone leven, in beweging?

Pasen is juist: leven midden in de dood.
‘Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen’.

Petrus schrijft:
‘God heeft ‘ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop’.
Nee, de opstanding van Jezus tovert deze wereld niet om in een paradijs.
Maar die geeft wel hoop.
Niet alleen op een betere toekomst, maar zeker ook op een beter heden.
Omdat de opstanding ons in beweging zet.
Omdat de opstanding ons duidelijk maakt: God is een God van leven.
Omdat we ertoe aangezet worden om ons leven, om het leven, met anderen te delen.

Wat doet het evangelie van Jezus’ opstanding met mij?

O vlam van Pasen, steek ons aan,
de Heer is waarlijk opgestaan!

Als we voor Jezus kiezen, dan is dat niet zomaar iets.
Niet iets dat je doet in je vrije tijd of als je er zin in hebt.
Het is een ongewis avontuur. Het vraagt om een focus.
Je leven staat daar in dienst van.
Met scherpe woorden roept Jezus ons daartoe op:
‘Weet wat je doet als je voor mij kiest.’
Trouw zijn aan God gaat soms tegen de wereld in,
soms zelfs tegen je eigen familie of tegen je eigenbelang.
Het is geen gemakkelijke weg: je moet je kruis dragen.
Anderen verklaren je voor gek.
Want niet bouwen op mensen maar op God
is in onze tijd een vreemd fenomeen. We hebben de tijd niet mee.
De wetenschap komt met grootse inzichten,
terwijl religie als gevaarlijk wordt gezien.
De Kerk is regelmatig in opspraak.
Geloof wordt beschouwd als achterhaald.
We leren vooral in ons zelf geloven.

Iets van wat het betekent om te geloven
en dus achter Christus aan te gaan
laat Jezus nu zien in de woorden die Hij spreekt,
niet alleen tot Petrus maar tot alle discipelen en zo ook tot ons.
‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen,
zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.’

‘Zelfverloochening’ betekent dat je nee zegt
tegen je eigen wil en nee tegen je eigen verlangens
en nee tegen je eigen dromen.
Want die eigen wil en die eigen verlangens
en die eigen dromen zijn op jezelf gericht.
Je wilt eer en geld en een plaats vooraan in de rij,
niet om er een ander blij mee te maken,
niet om God ermee te dienen maar om er zelf beter van te worden.
En dat zit er bij ons allemaal diep in.
Het is zo moeilijk om jezelf opzij te zetten voor een ander.
Het is zo moeilijk om iets van je tijd of je aandacht af te staan.
Het is zo moeilijk om te geven als je ook ontvangen kunt.
Maar als je achter Christus aangaat,
dan wordt dat een weg van zelfverloochening.
En op die weg zal er steeds weer een gebed klinken,
een gebed om het leren van de zelfverloochening :

Heer, laat mij leren,
niet om getroost te worden,
maar om te troosten.
Niet om begrepen te worden,
maar om te begrijpen.
Niet om geliefd te worden,
maar om lief te hebben.

(Franciscus van Assisi)

Zelfverloochening betekent: er zijn voor God en voor de naaste
en daarom je eigen verlangens opzij zetten.
En zo volg je Christus na: Zijn leven was één grote Zelfverloochening.
Hij zette Zichzelf opzij om ons bij God terug te brengen.
Hij heeft van Zichzelf afgezien om Zich over ons te ontfermen.

En die navolging omvat ook het kruisdragen.
‘Neem je kruis op’ zegt Jezus.
Dat is misschien wel een wat al te bekende uitdrukking geworden
die daarom geen indruk meer maakt.
Maar voor de discipelen was dat nog anders.
Kruis dragen betekende toen nog iets dat je heel concreet voor je kon zien.                                                                    Een veroordeelde misdadiger is op weg naar zijn terechtstelling.
Zelf draagt hij op zijn schouders het kruis waaraan hij straks zal sterven.                                                                    Rondom hem is er een grote menigte van mensen.
En die mensen staan maar niet wat te kijken,
nee, die schreeuwen en brullen en schelden en vloeken.
Kruisdragen is een verschrikkelijk vernedering:
de kruisdrager wordt uit de samenleving gestoten, uitgespuugd, weggegooid als een stuk vuil in de container.

Maar dat kruisdragen van Christus maken we niet mee.
Waar waar zien wij in ons eigen leven
de realiteit van het kruisdragen terug?
Dat zien we daar waar we heel concreet ondervinden
dat geloven ook pijn doet
en dat Christus navolgen ook diep verdriet met zich meebrengt.
En dat is voor ieder weer anders.
Kruisdragen, ja je kunt het proberen te ontlopen
door bijvoorbeeld God vaarwel te zeggen:
als je niet langer gelooft kan geloven immers ook geen pijn meer doen.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld twijfel goed te praten: `daar doen wij niet moeilijk over’.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld zonde
niet langer zonde te noemen. Dan is de strijd uit je leven weg.
Dan is het kruis uit je leven weg. Dan is Christus uit je leven weg.
De Christus die je voorging in het kruisdragen en die je verloste,
niet van het kruis, wel van de eeuwige dood.
Of wat deed Petrus deed toen hij tegen Jezus zei:
‘Dat verhoede God, Here! Dat zal U geenszins overkomen’?
Hij schopte het kruis aan de kant.
Misschien is het begrip ‘kruisdragen’ wel per definitie bedoeld
om de kloof tussen geloven en leven te signaleren
en behoort zo’n woord onrustig te maken,
zodat wij gedwongen worden onze veilige levensinstelling te verlaten
en met ons onrustige hart rust te zoeken bij God zelf.
Want het zit in ons allemaal:
het kruis aan de kant schoppen om het niet te hoeven dragen.
Dan wordt het leven een stuk gemakkelijker,
maar het loopt uit op de dood.
En juist dat hoeft niet omdat Christus die dood is ingegaan in onze plaats. En door zijn opstanding ontvangen wij de kracht om ons kruis te dragen.

Want als je je kruis draagt, zul je merken dat het kruis jou draagt
(Thomas à Kempis).

Veel mensen zeggen: elk mens heeft een kiem van geloof, een klein begin. Dat kleine begin heeft de Heilige Geest buiten de Bijbel om
in het hart van elk mens gelegd.
Door de verkondiging wordt die kiem tot leven gewekt.
Ik zie dat echter anders: God breekt ons hart open.
Theologisch gezegd: God werkt het verstand in ons hart.
Het geloof is niet alleen een zaak van verstand,
maar raakt ons hart, ons diepste zelf.
Terwijl in heel de maatschappij wordt geleerd
dat je leven een
project is wat je zelf vorm moet zien te geven,
wat je naar je eigen voorkeuren en passies mag invullen…,
waar je iets van moet maken waar je trots op kunt zijn,
waar je van kunt genieten…,
leert Jezus ons om ons leven te zien als een offer, een geschenk voor God. Je leeft allereerst voor Hem.
Kijk zo naar je eigen leven.
Probeer niet het ene met het andere te combineren:
zoiets als: mijn leven als mijn eigen project,
waarin ik dan ook nog wat offer aan God?
Ik merk ook bij mijzelf dat ik het soms zo lastig vind
als al die mensen om me heen gewoon bezig zijn
met hun eigen leven en hun eigen idealen
– van een mooi huisje tot een glansrijke carrière,
een uitgegroeide hobby, of gewoon allerlei leuke dingen doen,
wat leuks van het leven te maken – om dan toch zelf te zeggen:
‘maar ik kies eerst voor God.
Ik wil Hem grootmaken met mijn leven, dat is het allerbelangrijkste.
Ik buig niet om, ja, ik buig alleen voor God.’

Thomas a Kempis zei het – met hele oude woorden – eens als volgt:
Vol vertrouwen op uw goedheid, Heer,
en uw grote barmhartigheid kom ik tot U,
een zieke bij zijn arts, een hongerige
en dorstige bij de bronnen van het leven,
een bezitloze bij de koning van de hemel, een dienaar bij zijn Heer,
een schepsel bij zijn schepper, een ontredderd mens bij zijn milde trooster. Maar hoe bestaat het dat U tot mij komt?
Wie ben ik, dat U uzelf aan mij geeft?
Hoe waagt een zondaar het voor U te verschijnen?
En U, hoe verwaardigt U zich tot een zondaar te komen?
U kent uw dienaar en weet dat er niets goeds in hem steekt
en dat er geen enkele reden is om hem dit te geven.
Ik belijd dus mijn nietswaardigheid, ik erken uw goedheid,
ik prijs uw mildheid en breng U dank om uw grote liefde.

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Bijna niemand heeft hem gemist:
de wilde theorie dat Bill Gates met hulp van het 5G-netwerk
het coronavirus verspreidt, zodat iedereen zijn vaccin nodig heeft.
Inmiddels vijf jaar geleden voorspelde miljardair Bill Gates
dat er weleens een virus kon ontstaan dat de hele wereld zou ontwrichten. Nu is er het coronavirus.
Dat kan geen toeval zijn, denken sommige mensen.
Gates heeft het zelf in de wereld geholpen,
zodat hij geld kan verdienen aan een vaccin,
waarbij hij en passant een chip laat implanteren
bij iedereen die dit vaccin ontvangt.
Het teken van het beest uit het Bijbelboek Openbaring,
vinden sommige christenen.
(een soortgelijke gedachte deed trouwens ook de ronde
bij de invoering van de streepjescode)
Of deze:
de anderhalvemetersamenleving is ingesteld
zodat camera’s gezichten beter kunnen herkennen.
Je hebt zulke complottheorieën waarschijnlijk wel gehoord.
Misschien haal jij je schouders erover op en vind je zoiets lachwekkend.
Hoe ga je om met zulke verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Je merkt misschien dat zulke theorieën een kloof scheppen
als je erover in gesprek bent met je buren of familieleden.
Discussiëren of factchecken verkleint de kloof zelden.
Integendeel, het lijkt of je alleen maar meer
tegenover elkaar komt te staan. Hoe ga je daar nu mee om?

Allereerst: geruchten en complottheorieën zijn er altijd al geweest
en waren voor de komst van journalistiek en internet
nog veel sterker.
Jesaja en Jeremia bijvoorbeeld leefden in zo’n tijd.
Zij maanden tot kalmte: ‘Noem niet alles een samenzwering
wat zij een samenzwering noemen.
Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt’ (Jesaja 8:12).
‘Wees niet bang voor geruchten her en der.
Dit jaar gaat er een bang gerucht, het volgend jaar gaat er een ander’ (Jeremia 51:46).
En Jezus zei tegen zijn leerlingen:
‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging.
Laat dat je dan niet verontrusten’ (Matteüs 24:6).

Een beetje nuchterheid kan dus geen kwaad.
Er zijn voortdurend nieuwe geruchten of theorieën
en die zijn echt niet allemaal waar.
Maar het kan onbevredigend zijn om alleen nuchter naar ‘de feiten’ kijken. Is het coronavirus er alleen,
omdat sommige mensen in China vleermuizen eten
en een virus van dier op mens is overgegaan?
Is het slechts stomme pech dat de globalisering
er vervolgens voor zorgde dat het zo’n wereldwijde ramp is geworden? Hoewel dat misschien heel verstandig klinkt,
is het ook nogal nihilistisch om te zeggen:
dingen gebeuren nu eenmaal omdat ze gebeuren.
Zo’n gedachtegang zit niet achter Jesaja’s, Jeremia’s en Jezus’ oproepen
tot nuchterheid.
Voor hen is de grootste reden om niet bang te zijn
de overtuiging dat God zelf aan het werk is.
‘Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig,
voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats’ (Jesaja 8:13).
Jeremia ziet in de rampen die plaatsvinden
God zelf zijn oordeel uitvoeren (Jeremia 51:47).
Jezus spoort de leerlingen aan vooral waakzaam te zijn
voor de komst van de Mensenzoon.
Alle rampen die plaatsvinden, zijn het begin van de weeën,
de aankondiging van Jezus’ komst. (Matteüs 24:6-44).
Ook elders in het Nieuwe Testament kun je lezen
dat in alles wat er gebeurt God aan het werk is.
Het meest uitgebreid wordt dat geschilderd in het Bijbelboek
dat ‘Onthulling’ of ‘Openbaring’ heet.
Daar wordt gesproken over dat de dingen zijn niet wat ze lijken:
het altaar van Zeus in Pergamum is niet alleen een religieus bouwwerk,
het is de troon van Satan zelf (Openbaring 2:12).
Het Romeinse rijk is niet het rijk van vrede,
maar het is een allesverslindend godslasterlijk beest
en het geld met de afbeelding van de keizer is het teken van dat beest (Openbaring 13).

Het gevoel dat er ‘meer aan de hand is’, klopt dus volgens de Bijbel.
God is aan het werk. Dat is zeker ook verontrustend.
Angst en ontzag voor Hem zijn op hun plaats.
God kijkt niet vanuit de hemel machteloos toe,
terwijl mensen oorlog voeren, elkaar onderdrukken, bedriegen,
aan de kant zetten of zwartmaken.
God haat al dat kwaad en wil het vernietigen.
Daarom gaan volgens Openbaring zijn oordelen nu al over de wereld.
Je kunt in rampen die de wereld treffen
iets proeven van Gods woede over het kwaad
en van zijn verlangen het kwaad te vernietigen.
Uiteraard mag je er niet simplistisch over spreken,
alsof je het allemaal snapt.
Bijvoorbeeld door te veronderstellen
dat zij die het hardst getroffen worden, ook het meest gezondigd hebben. Juist het besef dat God aan het werk is, moet jou ook nederig maken.
Wie zou kunnen overzien wat God allemaal doet en waarom?
Aansluitend bij Jezus’ woorden en de beelden van Openbaring
kun je in de rampen van deze wereld ook Gods oordeel zien
en de aankondiging van Jezus’ komst om alles en iedereen te oordelen.
Jezus is én de komende rechter
én degene die Gods oordeel heeft ondergaan.
Onbegrijpelijk genoeg kan Jezus tegelijkertijd
aan de kant van het slachtoffer en van de schuldige dader staan.
Als slachtoffer liet Hij zich doodmartelen aan het kruis
om daar een misdadiger welkom te heten in het paradijs.
Gods oordelen hoeven niet alleen maar beangstigend
en verpletterend te zijn
als je ziet dat God ons zelfs in het oordeel niet alleen laat.
Juist ook dan is Hij Immanuel (Jesaja 8:8,10).
God is ook aan het werk door hen die protesteren tegen onrecht,
die zieken en slachtoffers genezen en hen niet aan hun lot overlaten.

Je hoeft het coronavirus en de verspreiding ervan
dus niet alleen maar te zien als domme pech. Er zit meer achter.
God is daarin het werk.
Je kunt er zijn oordeel in zien: deze wereld kan zo niet blijven bestaan. Tegelijkertijd:
Hij is aanwezig in ieder die er alles aan doet om er voor de ander te zijn. Hij toont Zijn liefde voor de mens.

Hoe ga je dus om met verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Als je gelooft dat God aan het werk is,
is het goed om een beetje bescheiden te blijven
en niet te denken dat jij precies weet hoe het allemaal in elkaar zit. Neerkijken op mensen die bizarre theorieën aanhangen,
past al helemaal niet.
Hun intuïtie dat er (soms) meer aan de hand is,
wordt in de Bijbel bevestigd.
Maar daar krijgt dat ‘meer’ wel een heel andere invulling:
God is aan het werk!
Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor wat er gebeurt
of wat er verteld wordt.
Wel is het terecht om ontzag te hebben voor God
die met zijn oordelen en zijn goedheid toewerkt
naar een nieuwe wereld vol gerechtigheid.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

GenderneutraalOns liberale Nederland heeft weer een stap gezet op het pad van acceptatie van iedereen: om de 2 tot 3000 transgenders tegemoet te komen worden er genderneutrale wc’s ingevoerd.
Een loffelijk streven om zo ons land steeds meer een land te laten waar een ieder met welke van de meerderheid afwijkende ‘opvatting’ of ‘leefwijze’ zich geaccepteerd weet…

Toch???

Tot mijn verbazing trok minister Bussemaker – onder druk van een aantal politieke partijen –  de subsidie in van een stichting die een alternatieve visie heeft op het omgaan met homoseksualiteit. Eerder nog verdedigde ze het verstrekken van de subsidie aan de betreffende stichting op grond van het feit dat een methode misschien niet de jouwe is, maar dat een overheid zich neutraal moet opstellen naar haar onderdanen. Daarvoor kreeg ze mijn waardering; die ik nu meteen weer intrek.

Wat mijn argument is?

Ik verbaas me er over dat een overheid die claimt zich neutraal op te stellen naar iedereen zich laat leiden door een een meerderheid die vindt dat een bepaalde mening niet meer door de beugel kan. Ik meen dat ik hier een overheid zie die zichtbaar met twee maten meet. Deze minderheid wel, die minderheid niet et cetera.

Genderneutrale wc’s… het zal even wennen zijn maar dat komt goed

Niet neutrale overheid… dat komt nooit goed