Deze Bijbeltekst volgt op een gedeelte in Prediker 3,
dat ons leven al aardig goed weergeeft.
Daar staat namelijk:

Voor alles is er een vastgestelde tijd:
er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.
Een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven;
een tijd om te doden en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen;
een tijd om te huilen en een tijd om te lachen;
een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken;
een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten,
een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

Als je dat zo leest, dan komen er allerlei gevoelens bij je langs.
Wat is er toch veel: al dat gezwoeg van ons mensen;
bijvoorbeeld in de wereld om ons heen,
waar een economie draaiend wordt gehouden.
Maar ook in een gezin of je omzien naar familie of vrienden.
De vraag van de Prediker is:
Wat levert ons zwoegen uiteindelijk op?
En daarbij roept hij ons ook op om van het leven te genieten en rust te vinden.
En dat te midden van het onrecht in deze wereld en bij alle angst en onrust.
Te midden daarvan staat onze tekst.
Een hand vol rust is beter dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.

Zijn er dingen waar je slecht van slaapt?
Waardoor je de slaap niet kunt vatten?
Hoe harder je probeert, hoe verder de slaap weg lijkt.
Hoe krampachtig gaan wij met dingen om
met de gedachte dat wij het zelf moeten doen,
dat wíj de problemen moeten oplossen.

In de Bergrede zegt Jezus:
Maak je geen zorgen voor de dag van morgen.
Die heeft genoeg aan zijn eigen last.
Dus: Je voegt door al je zorgen niets toe.
Jouw wakker liggen is nergens goed voor.
Het lijkt voor ons alsof je bestaan er van af hangt,
maar er staat ook: God geeft het zijn beminden in de slaap.
Of, zoals je ook kunt vertalen: God geeft zijn beminden dé slaap.
Op dat niveau moet je wakker-liggen ook zien.
God is het die je rust gunt. Ontspanning.
Dat je gerust kunt slapen. En uitgerust wakker worden.
En om goed te kunnen slapen
moet je in ieder geval beseffen dat God zorgt.
Vandaag.
In de nacht.
En morgen weer.
Daarmee is je slapeloosheid misschien niet meteen opgelost.
Daar kunnen ook andere zaken oorzaak van zijn.
Maar het kan wel helpen om ook als je wakker ligt, ontspannen te blijven.
En het jezelf voor te houden:
Ook als ik moe opsta zal God zorgen.
Dat bevrijdt je van krampachtig op zoek zijn naar rust.

God gunt je rust. Dat is eigenlijk het thema van deze tekst.
Gunnen, dat is hetzelfde woord als genade.

Je ziet datzelfde in dat Bijbelverhaal over de worsteling van Jakob.
Als hij met God in gevecht is, een nacht lang
en het uiteindelijk voor Jakob duidelijk wordt
dat hij niet kan winnen,
want God is sterker, dan smeekt hij om genade:
ik laat U niet gaan, tenzij U me zegent.
Dat is hetzelfde. Genade. Zegen.
God die goede dingen over je zegt.
Die je leven en liefde belooft.
Als jij weerloos bent en je verloren voelt.
Juist dan krijgt God de ruimte.

De maatschappij leert ons om vechtend in het leven te staan.
Je best te doen om te overleven. Jezelf redden.
Dat is een heel gevecht.
En zeker, velen redden zich best.
Maar overgave is voor mensen een moeilijk begrip.
Soms helpen omstandigheden.
Als alles je uit handen geslagen wordt.
Dan moet je wel.
Dan leer je het door schade en schande.
Maar uit de Bijbel leer ik dat je bij God tot rust mag komen.
Je hoeft je niet groot te houden.
Je geloviger, stoerder, steviger voor te doen dan je bent.

Loslaten is lastig.
Daarom is het een prachtig beeld dat Prediker in deze tekst oproept.
Een hand vol rust is beter dan beide vuisten die gesloten zijn.
Gebald soms, niets willen loslaten.
Dus rust heeft blijkbaar te maken met loslaten.
Je opent je handen, geen vuist meer, niet meer gebald en het wordt je gegund.

In de kerk belijden we dat ons leven in handen van de Here ligt.
Dat Hij zorgt.
Dat bij Hem de toekomst zeker is.
Neem een voorbeeld aan dat kleine kind dat gedoopt wordt.
Het kind wordt gedragen. Kan nog helemaal niets.
Maar Jezus kan alles.
Hij zal Zijn ruimte nemen in het leven van dat kleine kind.
Daar mogen we op vertrouwen. Ook voor onszelf.
Wij hebben onze toekomst niet in handen.
Niet hard in je vuisten knijpen. Maar loslaten en schuilen bij God.
Bij Hem ben je veilig. Bij Hem alleen.

Loslaten betekent ook het niet te verwachten van anderen.
Wat die van mij vinden.
Dan worden we dikwijls teleurgesteld.
De Here Jezus stelt in de Bergrede dat we de dingen niet moeten doen
om bij mensen in een goed blaadje te komen.
Hij weet hoe verleidelijk dat is. Bij God is dat niet nodig.
Hij kent je sores en verdriet.
Hij weet van je zonden en je gevecht om overeind te blijven.
Maar dat is niet bepalend voor zijn beeld van jou.
Beeldbepalend is zijn Zoon.
Door Hem houdt God meer van je dan wie ook in deze wereld.
Dus niet jaloers zijn.
Op wat mensen kunnen of hebben. God ziet jou vol liefde.
Dan leer je Hem vertrouwen door naar Jezus te kijken.
En ben je vervolgens ook tevreden met wat Hij je geeft.

Het doet me denken aan het beeld van dat zomerse wielerspektakel
de Tour de France.
Daar is het principe: De Tour wacht nooit.
Hoe hard je ook valt. Hoeveel pech je ook hebt.
Dat is het beeld van het leven om ons heen.
Dus: moet je overeind blijven. Doorgaan. Volhouden.
Beide vuisten klem je om je stuur.
Beide vuisten vol gezwoeg en najagen van wind.
De Tour wacht op niemand. Het leven gaat door.
En voor je het weet, sta je buitenspel.

Maar bij God niet. Hij draait de boel om. Hij wil rust in je leven.
Hij houdt je overeind of, als je valt, dan helpt Hij je overeind.
God gunt je die rust. Vanuit die rust mag je je werk doen.
Jouw werk redt je niet. Je positie niet. Je geld niet. God redt.

We weten het wel.
Maar wat we belijden, beleven we dat ook? Laten we dat zien?
Een hand vol rust. Dat is wat God geeft.
Dicht bij Hem mag je elke dag die rust vinden.

En dan kun je ook gerust op vakantie. Niet omdat je het verdiend hebt.
Maar omdat God het gunt.
Hij wil zijn zegen verbinden aan wie zo rust vindt bij Hem.

Dan re-creëer je echt. En geeft God je nieuwe krachten.

 

Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Het is de tijd voor het avondgebed.
Dat avondgebed begint deze dag
– in verband met de viering van het Pascha –
om drie uur in plaats van om vier uur.
Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden,
hardop de woorden van het avondgebed:
‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden.
In uw hand beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)

Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op.
En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem:
‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46)
Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed.
Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht.
De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij.
Gods toorn is gestild.
De gemeenschap met God is hersteld.
De verlossing is aangebroken!
Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen.
Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan.
Het werk is volbracht!

Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader
geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God.
“Vader!” “Pater!”
In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten
die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt.
En met zijn liefde spreekt Hij
ook zijn vertrouwen uit.
Jezus sterft niet in wanhoop,
maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is.
Laten die handen nu doen wat goed is.
Als straks machteloze mensenhanden
zijn lichaam van het kruis zullen halen,
dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen.
‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46)
Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af.
Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen:
‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef
het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen
– dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)

Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus.
Hij heeft gezien Wie Jezus was:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47)
Hij looft God.
En dan wordt het stil op Golgotha.
De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken
en alles van dichtbij hebben meegemaakt,
keren terug naar hun huizen in de stad.
Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst.
Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord?
Er is haast geboden.
Om zes uur breekt de sabbat aan.
In elk gezin wordt vanavond opnieuw
het feest van de bevrijding gevierd: Pascha.
Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.

En wij?

Eigenlijk wordt in Jezus’ dood
het begin van zijn overwinning al zichtbaar.
Kijk maar: de aarde begint te scheuren,
graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53).
Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen.
De dood als laatste vijand is verslagen.
‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14,
heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.
Zo heeft Hij allen die slaaf waren
van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’
Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood
dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter.
Er zit al iets van de overwinning in.

Leg je geest, je ziel, je diepste zelf
maar in de handen van Gods vaderliefde.
Je zult zien wat een rust je dat geeft.
Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd
omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest.
De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan:
‘Ik heb je verlost!’

Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!

 

Tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen
in de tempel van Jeruzalem hangt een gordijn.
Het is een heel bijzonder gordijn.
Een handbreedte dik, negen meter lang en negen meter breed.
Twee afbeeldingen van engelen zijn op het gordijn geborduurd.
Dat gordijn sluit het Heilige der Heiligen voor mensen af.
Want achter dat gordijn woont God.
In het aardedonker.
De Heilige van Israël.
In de tempel van Jeruzalem,
de plaats die God heeft uitgekozen om onder zijn volk te wonen.
Eén keer in het jaar gaat de hogepriester door dit gordijn naar binnen.
Met een gouden schaal met het bloed van een offerdier.
Om zo verzoening te doen voor de schuld van heel het volk van Israël.

Het is dan Grote Verzoendag!
Om drie uur ’s middags wanneer vanaf het kruis de woorden klinken:
‘Het is volbracht!’
scheurt dat bijzondere gordijn in de tempel.
Van boven naar beneden!
De hemel zelf grijpt in.
De toegang tot God, die door dit gordijn werd afgesloten,
is voortaan voor iedereen open.
Jezus’ verzoenend sterven aan het kruis op Golgotha
baant de toegang tot Gods liefdevol hart.

‘Het is volbracht!’
Eigenlijk betekenen die woorden:
tot een einde brengen, tot een doel brengen.
Er zit iets definitiefs in.
Maar wát heeft Jezus dan volbracht?
Wat heeft Hij tot een definitief einde gebracht?
Het is de opdracht van de Vader
waarover Jezus spreekt in zijn gebed als Hogepriester (Johannes 17):
‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond
door het werk te volbrengen dat U Mij opgedragen hebt’ (vers 4).
‘Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb
aan hen doorgegeven,
zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben,
en ze geloven dat U Mij hebt gezonden” (vers 8).
Jezus is naar deze aarde gekomen
om de grootheid van God de Vader te tonen aan de mensen.
Dat is de opdracht die Hem vanuit de hemel is meegegeven.
Dat de mensen op aarde God zullen erkennen als Koning over alle dingen.

Daarom vertelt Jezus de mensen
over het Koninkrijk van God, het nieuwe paradijs.
Daarom laat Hij – door de wonderen die Hij doet –
zien hoe het leven er op de nieuwe aarde zal zijn.
Alle lijnen van het kruis lopen immers terug naar het begin.
Naar het begin van Gods goede schepping.
De mens, die God in de hof van Eden,
een plaats om te leven heeft gegeven,
is er om er voor God te zijn.
Om God als Schepper te erkennen van alle dingen.
Om Hem te dienen. Om Hem lief te hebben.

Maar toen ging het mis, in dat prachtige paradijs.
Want de mens wilde zélf als God zijn.
De mens wil zélf als koning heersen over alle dingen.
De mens wil zélf beslissen over wat goed en wat kwaad is.
Ongehoorzaamheid, opstand, zonde tegen God.
Jezus is naar de aarde gekomen
om de mensen te vertellen wat Gods bedoeling is met hun leven.
Hij heeft hun dat leven voorgeleefd. Zijn leven was een voorbeeldig leven.
Luisterend naar de stem van de Vader.
De woorden van de Vader doorgevend
opdat mensen weer in die woorden zullen gaan geloven.
Beloften van vergeving en van verzoening.
Van een herstelde verhouding en een vernieuwd leven met Hem.
Zo heeft Jezus de Schrift in vervulling laten gaan.
Zijn werk op aarde is volbracht! Het doel is bereikt.
De kloof tussen God en mensen is door Hem overbrugd.
God en mensen kunnen weer direct contact met elkaar hebben.
Er is geen offerbloed, geen hogepriester,
geen gordijn en geen tempel meer nodig.

‘Het is volbracht!’

En wij?

Jezus’ sterven aan het kruis betekent voor ons een nieuw begin.
Wat wij mensen niet konden bereiken heeft Hij bereikt.
Wat wij mensen niet konden volbrengen heeft Hij volbracht.
Vaak denken wij dat ook wij eerst offers moeten brengen
om met God weer in het reine te kunnen komen.
Plaatsvervangend heeft Jezus zijn leven voor ons opgeofferd.
Uniek. Eenmalig.
Wij mogen weer leven zoals God het heeft bedoeld
toen Hij de mens op aarde een plaats heeft gegeven.
Een leven in liefde, in afhankelijkheid en in dankbaarheid.
Een leven in liefde voor God, onze Schepper.
Een leven in liefde voor elkaar en de schepping.

Dat is het geheim van dit bewogen zesde kruiswoord!

 

Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!

 

Er is veel volk op de been in Jeruzalem.
De straten puilen uit. het Paasfeest staat immers voor de deur.
Het feest dat herinnert aan de uittocht van het volk van Israël
uit het slavenhuis van Egypte.
En dan is het opeens donker. Midden op de dag. Rond het middaguur.
Een duisternis, die als een donker kleed het hele land overvalt.
Hier zijn krachten aan het werk, die wij mensen niet kunnen verklaren.
Alle natuurwetten worden opzijgeschoven.
God grijpt in!
Wat eens de profeet Amos – in het Oude Testament – profeteerde
gaat vandaag in vervulling:
‘Op die dag – spreekt God, de HEER –
zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan,
en het land verduisteren op klaarlichte dag.’ (Amos 8: 9)
Veel mensen lopen weg.
Nee, om iemand te zien sterven aan een kruis … daar hebben ze geen moeite mee.
Maar voor het onheilspellende donker gaan ze op de loop.
Een angstwekkende duisternis die doet denken
aan de bevrijding uit Egypte.
Het symbool van verschrikking, van ongeluk, verderf en dood.
Het teken van het oordeel van God!
Uit die diepe, angstwekkende duisternis klinkt een langgerekte klacht omhoog:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent:
‘Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?’ (Matteüs 27: 46)
Het is het ‘waarom?’ uit de duisternis. Woorden uit Psalm 22.
Woorden waarin een mens een brug zoekt,
die uit de godverlatenheid tot God voert.
Woorden van een mens die bespot wordt en veracht.

‘Waarom?’

We horen zijn diepe smart, zijn diepe eenzaamheid en onbegrip.
Jezus voelt in de duisternis, dat God Zich van Hem afkeert.
Een krachtig antwoord van God blijft uit.
Uit de hemel komt geen antwoord.
Wat heeft Jezus in deze godverlatenheid moeten lijden!
En toch: Hij blijft gehoorzaam aan zijn roeping –
tot het bittere einde toe.
Hoezeer door God verlaten, Jezus blijft roepen in de duisternis:
‘Mijn God …’
In dat ene woordje ‘Mijn’
ligt heel zijn hoop en verwachten besloten.

Drie uren duisternis.
Daarin wordt het oordeel van God over een zondige wereld openbaar.
Drie uur … dan zegt God: ‘Nu is het genoeg!’
‘Het is volbracht!’
Op dat moment treedt God uit zijn verborgenheid.
Het voorhangsel van de tempel scheurt – van boven naar beneden.
De toegang tot God is weer mogelijk!
Die godverlatenheid, die diepe, donkere duisternis,
waarin alle machten op je aankomen
… dat is voor Jezus … de hel.
Daar aan het vervloekte hout van het kruis
geeft Jezus in deze helse godverlatenheid
zijn leven om de deuren van de hemel weer van slot te krijgen.
Wanneer dáár aan het recht van God is voldaan …
Wanneer dáár de schuld voor een zondige wereld is voldaan …
Wanneer dáár de toorn van God is verzoend …
wijkt de duisternis voor het licht!
Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Tijd voor het avondoffer in de tempel. Uur van het gebed.
Dan knielt – in de voorhof van de tempel – het volk van Gods verbond.
Terwijl in het heilige een priester het reukoffer op het altaar ontsteekt.
Zo vloeien gebeden en wierook samen
tot een stroom van smeken tot God.
In dát uur van gebed en offer brengt Jezus
als de grote Priester het offer van zijn leven.
Zijn kruis is tegelijk het altaar
waar eens voorgoed hét offer ter verzoening wordt gebracht.
Tegelijkertijd worden alle menselijke offers daarmee aan de kant geschoven.
Ze hebben geen waarde meer.
Het offer dat Jezus brengt is uniek, onherhaalbaar, onvervangbaar.
Daar kan geen mens iets meer aan toevoegen of afdoen.

En wij?

Vanaf het kruis van Golgotha klinkt het ‘waarom’
van de godverlatenheid.
De gekruisigde Jezus werd verlaten
opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In mijn angst, in mijn pijn, in de aanvechting en de verzoeking,
mag ik vasthouden aan die belofte van de Vader.

Dat is het geheim van dit vierde bewogen kruiswoord!


 

Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem.
De Damascuspoort uit.
Tot op de kruisheuvel Golgotha.
Het zijn Maria, de moeder van Jezus;
Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena.
Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus.
Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben
toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd.
Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen
toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht
door de geestelijke leiders van hun volk.
Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel
als ze aan de voet van het kruis staan
waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt.
Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder.
En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht.
‘Toen Jezus zijn moeder zag staan,
en bij haar de leerling van wie Hij veel hield,
zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27)
Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis
steeds met anderen bezig is geweest.
Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt.
Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen.
Bewogen met anderen.
Want hoe moet het nu verder met Maria?
Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth?
Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn?
Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien?
De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’
en niet als moeder.
Maria is niet alleen zijn moeder,
zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer.
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
(Lucas 1: 38)
Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer!
Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid
deze vrouw op aan de zorgen van Johannes.
Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door.
Hij neemt afscheid van haar,
door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen.
En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen.
Nu voorgoed.
Nu definitief.

En Johannes?

Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer,
een neef van Jezus moet zijn geweest.
Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome.
Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden.
Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun.
Trouw en het vertrouwen waard.
Johannes is dan ook de enige leerling
waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat.
Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken.
Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend.
Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’
De man en de vrouw waar Jezus op aarde
het meest van is gaan houden worden
door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden.
Hij wil dat ze één gezin gaan vormen.
Voortaan woont Maria in het huis van Johannes.
Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap:
de gemeente van Jezus Christus.
Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar.
Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar.
Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan.
Om onze vreugde en ons verdriet,
onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen.
Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden
die Hij eerder sprak:
‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet,
is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50)
Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden,
zelfs familiebanden, kwijtraken.
Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan
en geeft je een nieuwe familie om je heen:
de gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!

 

Pontius Pilatus voelt zich bedreigd. Nee, hij wil geen opstand in Jeruzalem.
Dat zou zijn positie als prefect in Judea in gevaar brengen.
Schoorvoetend geeft hij zich gewonnen.
Aan de geestelijke leiders van het Joodse volk.
Rabbi Jezus zal de plaats van Bar-Abbas innemen
op het al gereedliggende kruis van Golgotha!
Golgotha, Schedelplaats. Executieheuvel buiten de muren van de stad Jeruzalem.
De Romeinse soldaten doen hun werk. ‘Eén, twee, drie …’

‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’
Vanaf het kruis op Golgotha horen we het eerste kruiswoord.
Een bewogen woord. Want Jezus is bewogen met mensen.
Bewogen, tot in het diepst van zijn wezen is Hij met hen begaan.
‘Vader, vergeef hun …’ Wie zijn die ‘hun’?

Wie het zijn, zijn zij die niet weten wat zij doen.
Je zou allereerst kunnen denken aan de soldaten
die Jezus aan zijn kruis hebben vastgespijkerd.
Zij doen niets anders dan wat hen van hogerhand is opgedragen.
‘Bevel is bevel!’
Jezus is met hen begaan.
Ze weten immers niet dat zij een onschuldige ter dood hebben veroordeeld.
Later op de dag – pas ná het sterven van Jezus –
dringt het door tot hun legerofficier:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ (Lucas 23: 47).
Je zou ook kunnen denken aan de toegestroomde volksmassa.
Weten zíj wel wat ze doen?
Het was immers nog maar een paar dagen geleden
dat zij Jezus als hun langverwachte messiaanse koning hadden opgehaald.
Palmtakken. Hosanna.
‘Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer!’ (Lucas 19: 38).
Vanmorgen vroeg hadden ze
– opgejut door hun geestelijke leiders –
voor het paleis van Pilatus geschreeuwd: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem’ (Lucas 23: 21).

Ach, ze weten niet wat ze doen.
Ze hebben hun messiaanse koning afgewezen, uitgespuwd, naar het kruis verbannen.
Wie wél weten wat zij doen zijn de geestelijke leiders van het volk van Israël:
de Joodse raad, het Sanhedrin.
Zij staan er op de Schedelplaats met hun neus bovenop.
Ook zij drijven de spot met de gekruisigde Jezus:
‘Anderen heeft Hij gered;
laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, zijn uitverkorene!’ (Lucas 23: 35).
Ook hogepriester Kajafas is er ambtshalve bij.
Het was namelijk gebruikelijk
dat hij bij de terechtstelling van een valse profeet aanwezig was
om op een schuldbelijdenis of een herroeping te wachten.
Wanneer zo iemand – tijdens zijn terechtstelling
– zijn schuld bekende of zijn valse leer herriep,
dan kon de hogepriester hem vergeving schenken.
Dan zou hij niet als een goddeloze sterven.
Maar de gekruisigde Jezus draait echter de rollen om!
Hij vraagt niet om vergeving voor Zichzélf.
Hij vraagt God om vergeving te schenken
aan allen die Hem bespotten en verachten:
de soldaten, de geestelijke leiders,
de toegestroomde mensenmassa, wij dus!
‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’
De gekruisigde Jezus bidt, roept tot zijn Vader.
Immers alleen de Vader kan vergeven.
De Vader wíl vergeven.
Om het offer van zijn Zoon.
Vergeving.
In de Bijbel betekent het woord vergeving: wegzenden.
Op Grote Verzoendag werd er in Israël een bok de woestijn in gezonden.
Nadat de Hogepriester eerst zijn handen op zijn kop heeft gelegd
om daarmee – symbolisch – al de zonden van het volk
over te dragen op dit dier.
De gekruisigde Jezus is die zondebok.

En wij?

Het eerste bewogen kruiswoord van Jezus roept ons
in de eerste plaats op om berouw te tonen.
Want wie geen berouw toont om zijn zonden
kan ook geen vergeving ontvangen.
En wie geen vergeving heeft ontvangen kan ook de ander niet vergeven.
Dat is namelijk het tweede waartoe
dit bewogen kruiswoord van Jezus ons roept:
om elkaar te vergeven.
Zélfs als helemaal duidelijk is, dat de ander fout was.
Zélfs als er niet eens om vergeving wordt gevráágd.

Zou je dat kunnen? Elkaar vergeven?
Want die ander liefhebben kun je alleen
als je weet dat jouw zonden je vergeven zijn.

Dat is het geheim van dit eerste bewogen kruiswoord van Jezus.

‘Wie zal voor ons de steen weg rollen?’                                                                                                                                Dat is wel een reële vraag van de vrouwen die ’s morgens in alle vroegte naar het graf van Jezus gaan.
Maar deze drie vrouwen hebben niet alleen te maken
met die kolossale steen voor het graf van hun Heer.
Na alles wat zij hebben meegemaakt
ligt er ook een zware steen op hun hart.
Iets wat hen naar beneden drukt en klein maakt.
Een miserabel mengsel van verwarring en verdriet.
Van somberheid en hopeloosheid.
Dat is dus ook wat mee klinkt in die vraag:
wie zal voor ons de steen wegrollen?

Herkent u iets van deze vraag?
En van het gevoel dat in deze vraag mee klinkt?
Wat is zo’n steen in uw leven?
Angst voor de toekomst en de tijd waarin we leven?
Ze maken ons het leven moeilijk en liggen soms als een steen op je hart.                                                                        Zo hard, zo koud, zo zwaar, zo zonder beweging en zonder perspectief. Zulke stenen kunnen in de weg liggen.
En het wil dan niet zomaar Pasen worden in ons leven.
En wie zal dan voor ons die steen wegrollen?

‘maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold.’
…toen zagen ze…
Eerder waren ze te neergeslagen, keken ze naar beneden en naar zichzelf. Maar het verandert als zij beginnen op te kijken.
Zoals in psalm 121: ‘ik sla mijn ogen op naar de bergen.
Van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft.’
Het verschil zit hem dus in de blikrichting.
Wie opkijkt, ziet de dingen in ander licht.
En dan hoeft zo’n steen waar wij op stuk lopen
waar wij ons aan vertillen geen obstakel meer te zijn.
De steen is er dan misschien nog wel.
En hij is nog altijd best wel groot maar hij ligt dan niet meer in de weg.
Je kunt er langs, je kunt er door. Je ontdekt weer een weg om te gaan.

Voor de vrouwen in het Paasevangelie gaat deze weg eerst het graf in.
En ook daarin zit wellicht een leermoment. Pasen is geen toverwoord. Pasen is een weg die je gaat.
En die weg gaat langs het kruis en tot in het graf.
Wij zouden dat moment misschien liever overslaan.
En zonder kruis of graf maar meteen de Paasjubel aanheffen.
Maar het wordt meer en meer Pasen in je leven
als je ook de moed hebt om de stenen in je leven te zien.
En om de spelonken van je eigen bestaan binnen te gaan.
Je fouten in de ogen te zien, je zwakheden te aanvaarden.
Je angst te uiten, je tranen te huilen, je wonden te tonen.

In de allerlaatste verzen, van het Markusevangelie duikt een jonge man op. Misschien bedoelt Markus met die jongeman wel zichzelf.
Als één van de leerlingen die ernstig hebben gefaald.
Maar ondanks dat falen, toch opnieuw een boodschapper mag zijn
Van de blijde boodschap van de weggerolde steen,
het lege graf en de opgestane Heer.

Zo werkt dat bij God.
Wij mensen pinnen elkaar vaak vast
en dragen elkaar tot in eeuwigheid na wat de ander ooit verkeerd deed. Maar in Gods hart werken die dingen anders.
Hij pint ons niet vast op ons verleden,
maar laat zichzelf vastpinnen aan een kruis.
Hij hangt geen molensteen om onze nek.
Maar rolt de stenen genadig weg,
draagt zelf die last met zich mee de wereld uit.
En maakt zo de weg weer vrij voor een nieuwe start.

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

We zijn er misschien wel zo’n een beetje aan gewend geraakt,
aan dat kruis. We schrikken er niet meer zo van.
We praten er soms over alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Jezus is aan het kruis gestorven voor mijn zonden.’
Maar het is zo ongewoon. Zo afzichtelijk ook.
Het kruis is niet mooi.
En tegelijk heeft dat kruis, dat lelijke kruis alles met het leven te maken. We kunnen er niet omheen. En we moeten dat ook niet willen.

Er hangt een bloedende Man aan het kruis. Man van smarten.
En dat opschrift aan het kruis, vat het heel kort samen:
‘Dit is de Koning der Joden.’
En je proeft nog de spot die erin doorklinkt,
je hoort nog de lach van de man die de letters in het bordje graveerde,
en je ziet nog de lol die de omstanders hadden.
Wat een Koning is die Man van smarten! Wat een Koning. Belachelijk. Eén brok zwakheid. Hij kan niet eens van het kruis afkomen.
Om je dood te lachen.

Wilt u dat wel? Zo’n koning?
Het antwoord op die vraag hangt ook een beetje af
van twee andere koningen.
Twee koningen die in deze wereld
ongelooflijk veel heerschappij uitoefenen.
Twee koningen die op aarde heersen.
Het gaat dan over de koningen
die Paulus noemt in de brief aan de Romeinen:
De zonde en de dood.
Hij noemt de zonde en de dood ook koningen.
Koningen met macht en veel invloed.

Ja, daar kun je ook anders tegenaan kijken.
De zonde, daarvan kun je zeggen:
‘ach mensen, dat valt toch allemaal wel wat mee;
zeur toch niet zo over zonde;
natuurlijk, we maken allemaal onze fouten, en dat is niet goed;
maar het kan toch niet zo zijn dat God
daarom zijn eigen Zoon de dood injaagt.’
Zo kun je omgaan met de zonde. Nauwelijks een vijand. Bijna geen macht. Hoezo: koning?
En van de dood geldt hetzelfde:
‘dood is dood, zeggen veel mensen;
we sterven nu eenmaal allemaal een keer; dat hoort bij het leven.’
Zo kun je omgaan met de dood: nauwelijks een vijand, geen echte macht. Hoezo: koning?

Maar de Bijbel leert ons om de zonde en de dood te zien
als koningen die niet thuishoren op aarde.
Dood en zonde horen niet bij het leven.
Het is een vreemd element in Gods goede schepping.
Dat is niet wat God wil.
Daarom laat Hij ons aan de enorme macht zien
die de zonde en de dood als koningen in ons leven hebben.
En daarom hebben we die andere Koning nodig.
Die Koning aan het kruis die de zonde uit de wereld wegdraagt
en die de dood de doodsteek toebrengt. Jezus Christus.
Een koning in nederigheid en zwakheid.
Alleen zo kan Hij de koningen zonde en dood overwinnen.

En dat vinden we allemaal samengebald terug in dat korte opschrift.
‘Dit is de Koning der Joden.’
In drie talen stond het er.
Want iedereen moet het kunnen lezen,
deze beschuldiging op grond waarvan Jezus is veroordeeld.
Iedereen moet kunnen begrijpen hoe belachelijk dit is.
Want wat is dat nou voor een koning!?
Hij kan niet eens zelf van het kruis af komen?
Hoofdschuddend kijken de mensen ernaar. ‘Mij niet gezien, zo’n koning!’

En toch wilde Jezus op en top zó Koning zijn.
Nederig, zwak, geen politieke power,
maar liefdevolle dienstbaarheid en nederige zelfverloochening.
Dat moeten we erin zien.
Een zwakke Koning, maar wat gaat juist daar veel kracht vanuit!
Wat is er een kracht voor nodig om zwak te durven zijn.
Wat is er een moed voor nodig om trouw te zijn tot in de dood.
Wat is er een liefde nodig om de zonden van de wereld
op je te willen nemen en aan het kruis te nagelen.
Zo is Christus onze Koning.