Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem.
De Damascuspoort uit.
Tot op de kruisheuvel Golgotha.
Het zijn Maria, de moeder van Jezus;
Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena.
Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus.
Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben
toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd.
Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen
toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht
door de geestelijke leiders van hun volk.
Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel
als ze aan de voet van het kruis staan
waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt.
Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder.
En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht.
‘Toen Jezus zijn moeder zag staan,
en bij haar de leerling van wie Hij veel hield,
zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27)
Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis
steeds met anderen bezig is geweest.
Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt.
Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen.
Bewogen met anderen.
Want hoe moet het nu verder met Maria?
Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth?
Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn?
Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien?
De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’
en niet als moeder.
Maria is niet alleen zijn moeder,
zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer.
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
(Lucas 1: 38)
Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer!
Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid
deze vrouw op aan de zorgen van Johannes.
Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door.
Hij neemt afscheid van haar,
door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen.
En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen.
Nu voorgoed.
Nu definitief.

En Johannes?

Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer,
een neef van Jezus moet zijn geweest.
Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome.
Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden.
Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun.
Trouw en het vertrouwen waard.
Johannes is dan ook de enige leerling
waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat.
Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken.
Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend.
Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’
De man en de vrouw waar Jezus op aarde
het meest van is gaan houden worden
door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden.
Hij wil dat ze één gezin gaan vormen.
Voortaan woont Maria in het huis van Johannes.
Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap:
de gemeente van Jezus Christus.
Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar.
Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar.
Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan.
Om onze vreugde en ons verdriet,
onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen.
Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden
die Hij eerder sprak:
‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet,
is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50)
Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden,
zelfs familiebanden, kwijtraken.
Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan
en geeft je een nieuwe familie om je heen:
de gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!

 

Pontius Pilatus voelt zich bedreigd. Nee, hij wil geen opstand in Jeruzalem.
Dat zou zijn positie als prefect in Judea in gevaar brengen.
Schoorvoetend geeft hij zich gewonnen.
Aan de geestelijke leiders van het Joodse volk.
Rabbi Jezus zal de plaats van Bar-Abbas innemen
op het al gereedliggende kruis van Golgotha!
Golgotha, Schedelplaats. Executieheuvel buiten de muren van de stad Jeruzalem.
De Romeinse soldaten doen hun werk. ‘Eén, twee, drie …’

‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’
Vanaf het kruis op Golgotha horen we het eerste kruiswoord.
Een bewogen woord. Want Jezus is bewogen met mensen.
Bewogen, tot in het diepst van zijn wezen is Hij met hen begaan.
‘Vader, vergeef hun …’ Wie zijn die ‘hun’?

Wie het zijn, zijn zij die niet weten wat zij doen.
Je zou allereerst kunnen denken aan de soldaten
die Jezus aan zijn kruis hebben vastgespijkerd.
Zij doen niets anders dan wat hen van hogerhand is opgedragen.
‘Bevel is bevel!’
Jezus is met hen begaan.
Ze weten immers niet dat zij een onschuldige ter dood hebben veroordeeld.
Later op de dag – pas ná het sterven van Jezus –
dringt het door tot hun legerofficier:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ (Lucas 23: 47).
Je zou ook kunnen denken aan de toegestroomde volksmassa.
Weten zíj wel wat ze doen?
Het was immers nog maar een paar dagen geleden
dat zij Jezus als hun langverwachte messiaanse koning hadden opgehaald.
Palmtakken. Hosanna.
‘Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer!’ (Lucas 19: 38).
Vanmorgen vroeg hadden ze
– opgejut door hun geestelijke leiders –
voor het paleis van Pilatus geschreeuwd: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem’ (Lucas 23: 21).

Ach, ze weten niet wat ze doen.
Ze hebben hun messiaanse koning afgewezen, uitgespuwd, naar het kruis verbannen.
Wie wél weten wat zij doen zijn de geestelijke leiders van het volk van Israël:
de Joodse raad, het Sanhedrin.
Zij staan er op de Schedelplaats met hun neus bovenop.
Ook zij drijven de spot met de gekruisigde Jezus:
‘Anderen heeft Hij gered;
laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, zijn uitverkorene!’ (Lucas 23: 35).
Ook hogepriester Kajafas is er ambtshalve bij.
Het was namelijk gebruikelijk
dat hij bij de terechtstelling van een valse profeet aanwezig was
om op een schuldbelijdenis of een herroeping te wachten.
Wanneer zo iemand – tijdens zijn terechtstelling
– zijn schuld bekende of zijn valse leer herriep,
dan kon de hogepriester hem vergeving schenken.
Dan zou hij niet als een goddeloze sterven.
Maar de gekruisigde Jezus draait echter de rollen om!
Hij vraagt niet om vergeving voor Zichzélf.
Hij vraagt God om vergeving te schenken
aan allen die Hem bespotten en verachten:
de soldaten, de geestelijke leiders,
de toegestroomde mensenmassa, wij dus!
‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’
De gekruisigde Jezus bidt, roept tot zijn Vader.
Immers alleen de Vader kan vergeven.
De Vader wíl vergeven.
Om het offer van zijn Zoon.
Vergeving.
In de Bijbel betekent het woord vergeving: wegzenden.
Op Grote Verzoendag werd er in Israël een bok de woestijn in gezonden.
Nadat de Hogepriester eerst zijn handen op zijn kop heeft gelegd
om daarmee – symbolisch – al de zonden van het volk
over te dragen op dit dier.
De gekruisigde Jezus is die zondebok.

En wij?

Het eerste bewogen kruiswoord van Jezus roept ons
in de eerste plaats op om berouw te tonen.
Want wie geen berouw toont om zijn zonden
kan ook geen vergeving ontvangen.
En wie geen vergeving heeft ontvangen kan ook de ander niet vergeven.
Dat is namelijk het tweede waartoe
dit bewogen kruiswoord van Jezus ons roept:
om elkaar te vergeven.
Zélfs als helemaal duidelijk is, dat de ander fout was.
Zélfs als er niet eens om vergeving wordt gevráágd.

Zou je dat kunnen? Elkaar vergeven?
Want die ander liefhebben kun je alleen
als je weet dat jouw zonden je vergeven zijn.

Dat is het geheim van dit eerste bewogen kruiswoord van Jezus.

‘Wie zal voor ons de steen weg rollen?’                                                                                                                                Dat is wel een reële vraag van de vrouwen die ’s morgens in alle vroegte naar het graf van Jezus gaan.
Maar deze drie vrouwen hebben niet alleen te maken
met die kolossale steen voor het graf van hun Heer.
Na alles wat zij hebben meegemaakt
ligt er ook een zware steen op hun hart.
Iets wat hen naar beneden drukt en klein maakt.
Een miserabel mengsel van verwarring en verdriet.
Van somberheid en hopeloosheid.
Dat is dus ook wat mee klinkt in die vraag:
wie zal voor ons de steen wegrollen?

Herkent u iets van deze vraag?
En van het gevoel dat in deze vraag mee klinkt?
Wat is zo’n steen in uw leven?
Angst voor de toekomst en de tijd waarin we leven?
Ze maken ons het leven moeilijk en liggen soms als een steen op je hart.                                                                        Zo hard, zo koud, zo zwaar, zo zonder beweging en zonder perspectief. Zulke stenen kunnen in de weg liggen.
En het wil dan niet zomaar Pasen worden in ons leven.
En wie zal dan voor ons die steen wegrollen?

‘maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold.’
…toen zagen ze…
Eerder waren ze te neergeslagen, keken ze naar beneden en naar zichzelf. Maar het verandert als zij beginnen op te kijken.
Zoals in psalm 121: ‘ik sla mijn ogen op naar de bergen.
Van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft.’
Het verschil zit hem dus in de blikrichting.
Wie opkijkt, ziet de dingen in ander licht.
En dan hoeft zo’n steen waar wij op stuk lopen
waar wij ons aan vertillen geen obstakel meer te zijn.
De steen is er dan misschien nog wel.
En hij is nog altijd best wel groot maar hij ligt dan niet meer in de weg.
Je kunt er langs, je kunt er door. Je ontdekt weer een weg om te gaan.

Voor de vrouwen in het Paasevangelie gaat deze weg eerst het graf in.
En ook daarin zit wellicht een leermoment. Pasen is geen toverwoord. Pasen is een weg die je gaat.
En die weg gaat langs het kruis en tot in het graf.
Wij zouden dat moment misschien liever overslaan.
En zonder kruis of graf maar meteen de Paasjubel aanheffen.
Maar het wordt meer en meer Pasen in je leven
als je ook de moed hebt om de stenen in je leven te zien.
En om de spelonken van je eigen bestaan binnen te gaan.
Je fouten in de ogen te zien, je zwakheden te aanvaarden.
Je angst te uiten, je tranen te huilen, je wonden te tonen.

In de allerlaatste verzen, van het Markusevangelie duikt een jonge man op. Misschien bedoelt Markus met die jongeman wel zichzelf.
Als één van de leerlingen die ernstig hebben gefaald.
Maar ondanks dat falen, toch opnieuw een boodschapper mag zijn
Van de blijde boodschap van de weggerolde steen,
het lege graf en de opgestane Heer.

Zo werkt dat bij God.
Wij mensen pinnen elkaar vaak vast
en dragen elkaar tot in eeuwigheid na wat de ander ooit verkeerd deed. Maar in Gods hart werken die dingen anders.
Hij pint ons niet vast op ons verleden,
maar laat zichzelf vastpinnen aan een kruis.
Hij hangt geen molensteen om onze nek.
Maar rolt de stenen genadig weg,
draagt zelf die last met zich mee de wereld uit.
En maakt zo de weg weer vrij voor een nieuwe start.

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

We zijn er misschien wel zo’n een beetje aan gewend geraakt,
aan dat kruis. We schrikken er niet meer zo van.
We praten er soms over alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Jezus is aan het kruis gestorven voor mijn zonden.’
Maar het is zo ongewoon. Zo afzichtelijk ook.
Het kruis is niet mooi.
En tegelijk heeft dat kruis, dat lelijke kruis alles met het leven te maken. We kunnen er niet omheen. En we moeten dat ook niet willen.

Er hangt een bloedende Man aan het kruis. Man van smarten.
En dat opschrift aan het kruis, vat het heel kort samen:
‘Dit is de Koning der Joden.’
En je proeft nog de spot die erin doorklinkt,
je hoort nog de lach van de man die de letters in het bordje graveerde,
en je ziet nog de lol die de omstanders hadden.
Wat een Koning is die Man van smarten! Wat een Koning. Belachelijk. Eén brok zwakheid. Hij kan niet eens van het kruis afkomen.
Om je dood te lachen.

Wilt u dat wel? Zo’n koning?
Het antwoord op die vraag hangt ook een beetje af
van twee andere koningen.
Twee koningen die in deze wereld
ongelooflijk veel heerschappij uitoefenen.
Twee koningen die op aarde heersen.
Het gaat dan over de koningen
die Paulus noemt in de brief aan de Romeinen:
De zonde en de dood.
Hij noemt de zonde en de dood ook koningen.
Koningen met macht en veel invloed.

Ja, daar kun je ook anders tegenaan kijken.
De zonde, daarvan kun je zeggen:
‘ach mensen, dat valt toch allemaal wel wat mee;
zeur toch niet zo over zonde;
natuurlijk, we maken allemaal onze fouten, en dat is niet goed;
maar het kan toch niet zo zijn dat God
daarom zijn eigen Zoon de dood injaagt.’
Zo kun je omgaan met de zonde. Nauwelijks een vijand. Bijna geen macht. Hoezo: koning?
En van de dood geldt hetzelfde:
‘dood is dood, zeggen veel mensen;
we sterven nu eenmaal allemaal een keer; dat hoort bij het leven.’
Zo kun je omgaan met de dood: nauwelijks een vijand, geen echte macht. Hoezo: koning?

Maar de Bijbel leert ons om de zonde en de dood te zien
als koningen die niet thuishoren op aarde.
Dood en zonde horen niet bij het leven.
Het is een vreemd element in Gods goede schepping.
Dat is niet wat God wil.
Daarom laat Hij ons aan de enorme macht zien
die de zonde en de dood als koningen in ons leven hebben.
En daarom hebben we die andere Koning nodig.
Die Koning aan het kruis die de zonde uit de wereld wegdraagt
en die de dood de doodsteek toebrengt. Jezus Christus.
Een koning in nederigheid en zwakheid.
Alleen zo kan Hij de koningen zonde en dood overwinnen.

En dat vinden we allemaal samengebald terug in dat korte opschrift.
‘Dit is de Koning der Joden.’
In drie talen stond het er.
Want iedereen moet het kunnen lezen,
deze beschuldiging op grond waarvan Jezus is veroordeeld.
Iedereen moet kunnen begrijpen hoe belachelijk dit is.
Want wat is dat nou voor een koning!?
Hij kan niet eens zelf van het kruis af komen?
Hoofdschuddend kijken de mensen ernaar. ‘Mij niet gezien, zo’n koning!’

En toch wilde Jezus op en top zó Koning zijn.
Nederig, zwak, geen politieke power,
maar liefdevolle dienstbaarheid en nederige zelfverloochening.
Dat moeten we erin zien.
Een zwakke Koning, maar wat gaat juist daar veel kracht vanuit!
Wat is er een kracht voor nodig om zwak te durven zijn.
Wat is er een moed voor nodig om trouw te zijn tot in de dood.
Wat is er een liefde nodig om de zonden van de wereld
op je te willen nemen en aan het kruis te nagelen.
Zo is Christus onze Koning.

Op Witte Donderdag gedenken we hoe Jezus
voor de laatste keer met zijn leerlingen bijeen was.
Hoe hij met hen die maaltijd vierde die zo’n bijzondere betekenis kreeg. Want het was de laatste maaltijd en tegelijk niet de laatste.
De Heer maakte tijdens de maaltijd duidelijk
dat ze deze maaltijd moesten blijven houden:
‘doet dit tot mijn gedachtenis’.
Juist deze maaltijd moest voor hen en alle gelovigen
het teken zijn dat hij zelf in hun midden was.
Zij zouden hem steeds weer mogen herkennen
‘in het breken van het brood’.
In deze maaltijd schenkt Jezus zichzelf aan ons
voor ons leven als gelovige mensen:
‘Dit is mijn lichaam’ zegt hij bij het breken van het brood
en het uitdelen ervan. Het is heel belangrijk dat we dit voor ogen houden. Niet wíj zeggen bij het breken van het brood ‘we denken aan Jezus’
alsof wíj betekenis geven aan het brood.
Het is de Heer zelf die zegt: ‘dit is mijn lichaam’. Hij ís het zelf.
Wat hij zegt dat is hij. En wat hij is dat zegt hij.
Het is deze liefde voor de blijvende tegenwoordigheid van Christus
in brood en wijn die ons telkens van zijn nabijheid in ons leven
mag vervullen.
En hij voegt eraan toe dat wat hij gedaan heeft
in de voetwassing een voorbeeld is voor allemaal.
Respect en liefde voor de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer
in ons midden kan niet zonder liefde en respect voor elkaar.
We moeten waardevol en kostbaar zijn in elkaar ogen.
Elkaars zwakheden verdragen, fouten vergeven,
en elkaars talenten herkennen en stimuleren,
en in elkaars noden zo mogelijk voorzien.
Dat is elkaar de voeten wassen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan
en opgedragen, nog voor de maaltijd.
Met het offer van zijn leven door zijn lijden
en sterven aan het kruis dat we in deze dagen gedenken,
heeft Jezus ons de voeten gewassen,
onze zonden vergeven en tot nieuwe mensen gemaakt, mensen van God.

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.

Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle,
maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid.
Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen
en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt.
Is controle over de manier waarop het leven gaat,
niet vrijwel altijd een illusie?
Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden?
Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt,
dat je je verbindt met anderen.
Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is
van jouw bestaan.
Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft
binnen het schema van een individualistisch mensbeeld,
treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe
als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…

Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon.
Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop,
de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken.
En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting,
omdat Isaak de enige was
die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan,
maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting.
Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat.
Hij was zijn houvast, zijn onderpand,
dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had.
Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham,
nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent,
weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft.
Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem?
Waar blijft onze verwachting op de Heer?
Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag
of wij alles voor God over hebben,
maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen.
En dat werkelijk in de praktijk van ons leven.
Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden.
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij,
zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben,
in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden
om die in plaats van zijn zoon te offeren’
maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’
omdat hij daar net die ram gevonden had.
Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is,
waar het in heel het verhaal om ging:
de Heer stelde Abraham op de proef
of hij inderdaad leefde uit die verwachting,
dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde.
En daaruit had hij inderdaad geleefd.
God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon.
Dat is werkelijk godvrezend zijn,
niet maar de plichten van je geloof afwerken,
God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan,
niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt,
maar er verder geen handen en voeten aan geven,
maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten.
Alles? Ja. Alles.

Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.