Als christenen leven we momenteel in veertigdagentijd.
De veertigdagentijd (ook wel vastentijd of lijdenstijd)
is voor christenen een periode van vasten
en bezinnen op de feitelijke christelijke levenspraktijk
als voorbereiding op Pasen.
Momenteel vind ik het interessant om me eens te bezinnen op het kerkzijn, en dan vooral het kerkzijn na coronatijd.
De kerk vond zichzelf misschien zelfs tot voor kort nog redelijk belangrijk. Maar toen volgende de wereldwijde pandemie.
We moeten onszelf – denk ik – misschien als kerk
opnieuw gaan uitvinden.
Want het lijkt er op dat dat we na een jaar – en misschien langer –
niet meer op reguliere basis bij elkaar komen
en moeten we wellicht omgaan met een heel ander kerkelijk landschap
als het ‘nieuwe normaal’ zich weer aandient.
In de voorgaande blogberichten ben ik ingegaan
op de 5 fasen van rouw van Kübler-Ross
en ik heb dat proberen te verknopen aan de christelijke levensstijl.
Eerlijk gezegd denk ik dat de meesten van ons nog niet
in de laatste fase zijn aanbeland, namelijk het aanvaarden.
Naar aanleiding van een door mij gehouden preek werd ik stilgezet
bij het zesentwintigste vers uit 1 Korinthe 1:
Broeders en zusters, God heeft jullie uitgekozen.
Denk eens terug aan het moment dat jullie gingen geloven.
Jullie waren toen geen belangrijke mensen.
Jullie vielen niet op door jullie wijsheid,
en jullie waren ook niet machtig of rijk.
Van het weekend las ik een artikel
waarin de Franse wetenschapper Olivier Roy
het had over Europa waar volgens hem de kerken
‘zichzelf hebben geseculariseerd.’
Volgens Roy is de de vrijheid van meningsuiting
in de maatschappij onbegrensd, behalve die van godsdienst.
Je kunt als gelovig christen en kerk niet meer
tegen abortus en homohuwelijk zijn.
In de liberale staat geeft dat geen pas.
In deze liberale opvatting gingen de kerken en christenen ook zelf mee. Roy noemt dit dan ‘ethische’ zelf-secularisatie.
Politiek – in zijn mening – zijn kerken en officiële geloofsopvattingen allang onderhorig aan de overheid,
die strijd is in de zestiende eeuw beslecht.
Maar omdat staat, kerk en burgermaatschappij
tot en met de jaren vijftig
ongeveer dezelfde ethische opvattingen aanhingen,
merkte je daar niet zoveel van.
Maar de jaren zestig waren dé grote spelbreker.
Toen koos de maatschappij massaal en zeer snel
voor totale vrijheid en een libertair gedachtegoed.
De overheid paste zich aan
en nam met die maatschappij het liberalisme als norm.
Die werd ook de maatstaf voor anderen, inclusief de kerk.
En dus pasten de kerken zich massaal aan het heersende klimaat aan.
En nu verheft de kerk haar stem nog wel inzake bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij maar de slagkracht van de kerk is
na zoveel aanpassing tragisch miniem geworden,
het maakte geen enkele indruk meer.
Na zoveel negativisme kwam ik dus met die tekst
uit de eerste Korinthebrief.
Ik leg het zo uit: beste mensen, weet wie je bent.
Je bent niet uitgekozen vanwege je belang of je wijsheid.
Ja, misschien zijn we als christenen
te veel bezig geweest met zelf-secularisatie
en hebben we ons te veel neergelegd bij de normen en waarden
van ‘de maatschappij’.
Weet dan wie je bent en waar voor je staat en volg Jezus Christus, misschien wel door de tekst uit Micha 6 echt in praktijk te brengen:
De Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt.
Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit:
Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw.
En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.
25 februari 2021
Veertig dagen om…
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: aanvaarding, Eerste Korinthebrief, Kübler-Ross, kübler-ross model, kerkzijn, Lijdenstijd, meditatie, Meditaties in de Veertigdagentijd, Micha, Veertigdagen, Veertigdagentijd, zelf-secularisatie |Geef een reactie
13 augustus 2020
Meditaties in tijden van corona 20
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: actie, actief, afwachten, betrokken, Bijbel, corona, God, Jezus, Jezus Christus, meditatie, Oude Testament, psalm 145, psalmen, verrassing, verwondering, wachten |Geef een reactie

naar aanleiding van psalm 145
(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)
Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn.
Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen.
Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.
En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept.
Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog.
En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a)
Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden.
Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld.
De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer.
Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen
God opent zijn handen door mensen die hun handen openen.
In een Joods midrasj – uitleg – wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil….
En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan:
aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen.
Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij.
In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen.
Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper.
Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven.
Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God,
zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn,
dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet
en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan.
En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven
steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader.
Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet.
Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is.
Wachten is in de Bijbel nooit afwachten.
Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God.
En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven.
Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk.
Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn.
We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen.
We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen.
Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer.
In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt.
In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen.
Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.
6 augustus 2020
Meditaties in tijden van corona 19
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: angst, corona, God, Jezus, Jezus Christus, kruiswoorden, Matteüs, meditatie |Geef een reactie

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten’ Matteüs 27,46
Ja, we moeten het horen. We moeten het tot ons door laten dringen.
We moeten het laten weerklinken in ons leven.
Jezus wil dat. Hij roept het uit.
Voor God was dat niet nodig. God hoort ook de stille schreeuw van ons hart.
Hij leest de pijn in onze ogen.
Niemand hoeft voor God te roepen: mijn God, waarom?
Ook Jezus hoefde dat voor God niet. Hij deed het voor ons.
Wij moeten horen. Wij moeten iets leren beseffen.
Jezus schreeuwt een vraag uit: Waarom mij? En het is zo’n ‘waarom’ vol verbijstering.
Zo’n ‘waarom’ dat het heeft opgegeven nog te willen begrijpen,
maar dat eindeloos diepe pijn stem geeft.
Jezus hangt daar niet voor zichzelf. Hij hangt daar voor ons allen. Hij is het hoofd van alle dingen. Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten. En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.
Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Deze schreeuw van Jezus aan het kruis. Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping. Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt. Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde. Die is hier begrepen in deze schreeuw. Alles schreeuwt hier mee.
Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht, al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan, of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie, of in de relatie met je kinderen,
met je ouders, met vrienden. Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken, werkeloosheid en lichamelijk ongemak.
Soms praten wij mensen dan niet meer met God.
Begrijpen we er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!
Jezus sterft te midden van zijn vragen. Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord. Er is een nare, wrede, niets ontziende dood. Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden, van lijden zonder zin.
Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis. Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt. Maar nee, Als Jezus sterft, wordt het juist weer licht. Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg. Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteüs schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze. De geest geven.
Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft begint het weer licht te worden.
Voor mensen zoals wij is Jezus hier deze duisternis door gegaan.
Voor ongevoelige en dubbelzinnige types als wij
is deze eindeloos gevoelige en eenvoudige mens verscheurd door pijn en verdriet.
De God die met ons een leven lang geduld heeft,
die ons de tijd geeft om tot bezinning te komen en naar Hem terug te keren,
is bij zijn eigen Zoon huiveringwekkend consequent, voor ons, in onze plaats:
Jezus wordt genegeerd en in de steek gelaten.
En in Jezus’ naam komt nu ons leven lang Gods roep tot ons:
keer om, kom terug, hier ben ik, hier ben ik!
Waar wij ook in verzeild raken, in Jezus naam blijft voor ons nu die stem van God,
die van het Evangelie: hier ben ik, ik hoor je, ik ben bij je, we gaan er uitkomen.
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ En er komt geen antwoord.
God lost het raadsel van het kwaad niet op, maar draagt het voor ons weg. Onbegrijpelijk.
Het wonder van liefde die zin schept en nieuwe betekenis in het leven roept.
Nooit heeft iemand ons zó liefgehad als de God
die zijn eniggeboren Zoon gegéven heeft om te ondergaan wat wij moesten ondergaan
en om zo iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven te geven. Nooit zullen we deze liefde begrijpen. Er gaat er bij God een deur open. Voor jou, voor mij en voor alle mensen.
30 juli 2020
Meditaties in tijden van corona 18
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: bergen, corona, God, heuvels, Jesaja, meditatie, onwankelbaar, toekomst, trouw, Verbond, vertrouwen |Geef een reactie

naar aanleiding van Jesaja 54
Bergen en heuvels zijn ook in de Bijbel toonbeeld van vastheid.
Bomen kunnen door de wind ontworteld worden, huizen kunnen door vuur verbranden, steden door een oorlog worden verwoest, maar bergen, die staan vast en wankelen niet. Bergen zijn indrukwekkend. Ze zijn er altijd.
Dat bergen wijken, kun je je gewoon niet voorstellen. Misschien alleen wanneer er een aardbeving komt.
Hier in de profetie zijn bergen ook zekerheden die zullen wankelen.
En dat niet alleen. Bergen werden in de oudheid, vanwege hun hoogte en majesteit, ook met de goden verbonden. De berg is de plek waar de goden hun verblijf houden.
Dat was in Griekenland zo. Maar ook in Egypte en Mesopotamië. Op de bergen hielden de goden hun vergadering. Daar werd het lot van mens en wereld beslist. Daarom heeft men altijd op de toppen en hoogten offers gebracht aan de goden. Dat was in Israël ook zo. Op de heuvels knielde men neer voor Baäl en de andere afgoden.
Dus wanneer deze bergen wankelen, dan gaat dat over de vastheid en zekerheid waarmee men leefde, die op de helling komt te staan. Dat heeft ook met het godsdienstige leven te maken.
Bergen zullen wijken en heuvels wankelen. Waar zouden wij aan moeten denken vandaag?
Er zijn veel dingen om ons heen die wankelen. Als het gaat om de zorg, de economie, het milieu, de politiek, je gezondheid.
Misschien zijn er ook andere zaken in ons eigen leven die aan het wankelen zijn.
Het kan ook zijn dat er aan onze levensboom geschut wordt, omdat God bezig is ons te snoeien. Dat Hij takken weghaalt, die verhinderen dat we voor Hem vrucht dragen. Dingen die misschien voor ons heel belangrijk zijn, maar niet voor Hem. Dat is niet leuk. Snoeien is een pijnlijk proces. Wat zeker was in ons leven, kan komen te wankelen.
Dan is er maar één ding wat maakt dat je toch niet de moed verliest:
dat is maar en dat is de belofte van God!
‘Bergen zullen wijken, heuvels wankelen, maar…’ en dat is de bemoediging.
Tegenover alles dat wankelen kan, staat iets dat onwankelbaar is; iets dat vast en zeker is, en dat is de trouw, de goedertierenheid van God ‘Mijn goedertierenheid zal van U niet wijken.’
En wat die belofte zo bijzonder maakt is dat het woordje ‘wijken’.
‘Bergen zullen wijken’, ‘Mijn goedertierenheid zal niet wijken.’
Hetzelfde werkwoord, maar met één verschil.
Het Hebreeuwse werkwoord betekent ‘bewogen worden’ als het om voorwerpen gaat, maar als het om mensen gaat dat betekent het ‘vertrekken’.
Zo zegt God tegen Israël en vandaag ook tegen ons: er kunnen heel veel dingen in je leven wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken. Niet vertrekken.
God zegt: Ik ga er niet vandoor! Ik zal er zijn!
Dat is een woord, een belofte, die we met beide handen moeten aanpakken. Dat is denk ik, de enige reden, waarom we met vertrouwen naar de toekomst kunnen kijken. Ook al is er veel onzeker, maar wat blijft, is dat de Heere blijft. Hij gaat er niet vandoor! Hij zal er zijn.
Met zijn goedertierenheid. Het Hebreeuwse woord ‘chesed’ is lastig te vertalen.
We hebben er twee woorden voor nodig in het Nederlands:
‘standvastige trouw’ of ‘onwankelbare liefde’. En die standvastige trouw is geworteld in het verbond. Het verbond van Mijn vrede, zegt God. Het is geen bevlieging. Dat kan ook niet bij God. Maar het rust in een verbond. De afspraak van God met zijn volk.
Dat verbond zal niet wankelen omdat er een handtekening onder staat namelijk
‘zegt de Here, uw Ontfermer.’
Dat is de handtekening, die de inhoud bekrachtigt. Uw Ontfermer.
Ontfermen, ‘rachamim’ heeft met de ingewanden te maken. Zo diep gaat Gods barmhartigheid.
Hij buigt zich voorover. Hij komt naar ons toe: ‘kom eens dichterbij’, en fluistert het in ons oor.
Ik ga er niet vandoor. Ik ben jouw Ontfermer.
Kijk niet angstig naar wat komt, kijk naar Mij. Ik zal er zijn!
23 juli 2020
Meditaties in tijden van corona 17
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: corona, God, hoogmoed, Jezus, Jezus Christus, meditatie, psalm 30, psalmen, verlossing, ziekte |Geef een reactie

naar aanleiding van psalm 30
In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.
HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!
16 juli 2020
Meditaties in tijden van corona 16
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: angst, bang, bescherming, Bijbel, corona, genade, God, meditatie, onbevangen, psalm 84, psalmen, schild, vertrouwen, weg, zon |Geef een reactie
naar aanleiding van psalm 84
Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.
9 juli 2020
Meditaties in tijden van corona 15
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: Bijbel, corona, David, God, heilige Geest, Jezus, Jezus Christus, meditatie, psalm 27, psalmen, Saul, tempel, vertrouwen |Geef een reactie

naar aanleiding van psalm 27
David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.
Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.
Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang
En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.
En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.
En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:
Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.
2 juli 2020
Meditaties in tijden van corona 14
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: bidden, Bijbel, corona, dankbaar, dankbaarheid, gebed, Jezus, Jezus Christus, Kolossenzen, meditatie, volharden, volhouden |Geef een reactie

naar aanleiding van Kolossenzen 4:2-6
Paulus roept de gemeente te Kolosse op om volharden in het gebed.
Hij vraagt ook voorbede voor zichzelf,
of dat God deuren wil openen voor het Woord.
Blijf volhouden met bidden is belangrijk;
al te snel schiet het gebed erbij in.
Leven met de Heer kan echter niet zonder gebed.
En in dat gebed moet er ook ruimte zijn voor dankzegging,
schrijft Paulus,
anders lopen we het gevaar met verlanglijstjes bezig te zijn.
Ook worden we geroepen wijs om te gaan met de mensen om ons heen,
voorzichtig en op het juiste moment met de goede woorden.
Gebed en dankzegging.
Als de dank ontbreekt, mist er iets wezenlijks.
Dank richt zich op God. Op wat Hij schenkt.
Zijn grootste geschenk: Jezus Christus.
Die mensen in Kolosse waren niet zo lang christen.
Net de Alpha cursus afgerond en net gedoopt.
Paulus schrijft een brief. Hij is de gevorderde christen.
Dé apostel.
En toch deze grote Paulus vraagt hulp. We zijn hulpeloze mensen.
Aangewezen op God en op medegelovigen. We zijn aan elkaar gegeven.
Dat vind ik bijzonder aan de christelijke gemeente.
Er is geen hoger of lager.
Als we wel zo naar elkaar kijken, is het helemaal scheef.
Misschien beweeg je je op de voorgrond,
of je schuift achteraan aan. Maar principieel zijn we één.
Eén in de Heer. Allemaal aangewezen op Hem.
Welke plek je in het leven je hebt:
hoe veel geld je ook verdiend, hoe vitaal ook.
Allemaal aangewezen op Christus.
Paulus had dat geleerd.
Ik ben niet meer dan de christenen in Kolosse.
In hoofdstuk 1 dankt hij voor hen. Nu vraagt hij gebed.
Waarvoor? In vers 3 staat: dat God de deur van het Woord opent.
Je kunt ook vertalen:
dat God voor ons de deur voor het Woord opent.
Paulus opent de deur,
maar de deur van hun leven moet ook open gaan.
Dat gebeurt niet automatisch. Dat wist Paulus als geen ander.
Hij vraagt gebed.
Als ik de woorden breng, luisteren ze niet vanzelf.
Ze geven zich niet vanzelf over.
Ik denk dat wij dat dit herkenbaar is.
Als de woorden van God klinken,
als je ze leest, komen die woorden niet automatisch in je hart?
Zelfs als je je best doet, kan er van alles mis gaan.
Misschien realiseer je dat je 5 minuten
aan iets anders hebt zitten denken.
Afgeleid worden, weerstand, luisterhouding?
Je kunt naar de kerk gaan en met andere dingen bezig zijn.
Daarom is er gebed nodig, zegt Paulus.
Ook zegt hij nog iets over hoe je kan omgaan
met die mensen die je tegenkomt,
mensen buiten de gemeente.
Vers 5 en 6. Misschien niet zo spectaculair.
Daar staat dat je in wijsheid met elkaar moet omgaan.
Goede moment kiezen.
Woorden spreken die verbinden.
Niet heel spannend, maar daarom niet minder waar!
Buit de geschikte tijd uit.
Paulus gebruikt het beeld van een marktkoopman.
Die weet het moment om naar voren te treden.
Inspelen op de behoeften van de klant.
Het gaat om het goede moment. Soms in wijsheid je mond houden.
Want woorden doen ertoe!
Ze kunnen gemeenschap maar ook verwijdering geven.
Hoe je benaderd wordt, maakt heel veel uit.
Het doet er toe hoe je mailt, appt, praat.
Luisteren, je verdiepen in de ander, nadenken.
Zorgvuldig met onze woorden zijn.
En nee, Paulus leert geen maniertje. Geen stappenplan voor succes.
In Kolossenzen wordt hoog opgegeven van Jezus Christus.
Zijn macht en wijsheid.
Het gaat om het geheim van Christus.
Wij kunnen alleen van betekenis zijn
als we dicht bij Christus leven.
‘Blijf in Mij!’ zegt Hij ‘Zonder Mij kan je niets doen.’
27 juni 2020
Meditaties in tijden van corona 13
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: Bijbel, corona, meditatie, Psalm 103, psalmen, zegeningen |Geef een reactie

naar aanleiding van psalm 103
Nu het er op lijkt dat de Covid-19 pandemie
een beetje over zijn (eerste?) hoogtepunt heen lijkt
wil ik toch eens het volgende bespreken.
Want wij mensen hebben de neiging om het waardevolle,
het positieve te vergeten.
Namelijk dat velen van ons gespaard zijn.
Want niet alleen bij mensen individueel
maar ook bij een hele gemeenschap, een heel volk.
Er is zoiets als collectieve vergeetachtigheid.
Al vanouds.
In Bijbelse tijden riep profeet na profeet zijn tijdgenoten op
om vooral niet te vergeten welke wonderen
die Heer in vroeger tijden heeft gedaan.
Welke beloften en geboden Hij meegaf aan eerdere generaties.
En ook in de psalmen kom je steeds de aansporing tegen
om niet te vergeten maar te blijven gedenken.
Zo ook psalm 103 die inzet met een krachtige oproep:
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
De Naardense Bijbel vertaalt deze zin nog wat preciezer:
Zegen mijn ziel, de Ene, en vergeet nooit al wat Hij volbrengt.
Vergeten, dat heeft iets van verwaarlozing, vervlakking.
Van een gebrek aan verwondering en dankbaarheid.
En tegenover dat vergeten staat in verderop in vers 18
de aansporing om:
zijn verbond in acht nemen zijn bevelen gedenken om ze te doen.
Dat gedenken gaat dus om meer dan alleen je geheugen.
Het gaat er om je leven te laten bepalen
door de genade en geboden van God.
Daarvan leven, daar verwonderd over zijn.
Daar Hem voor zegenen, loven en prijzen.
Prijs de Heer, mijn ziel, en vergeet niet één van zijn weldaden.
Prijs de Heer, dat zijn meestal niet de eerste woorden
waarmee wij ’s morgens onze dag beginnen.
Misschien voel je je wel wat overvraagd met deze inzet.
Zo lekker zit je misschien niet in je vel;
maak je je zorgen, heb je vragen, voel je je eenzaam, je pijn.
Ben je gestrest,ben je onrust, boos of geïrriteerd.
Of gewoon je vlakheid, lauwheid, je sleur.
Dat kan je dan behoorlijk in de weg zitten.
En wat moet je dan met dit: ‘prijs de Heer’.
Wat kun je dan met deze psalm? Is dat niet wat te uitbundig,
te hoog gegrepen.
Nou, dat kon nog wel eens iets meevallen.
Want dit ‘prijs de Heer’ is niet de jubel van iemand
voor wie zomaar vanzelf spreekt.
Hier is niet iemand aan het woord
die het geloof altijd op zak heeft.
Je proeft in dit lied het besef dat het leven fragiel is.
Zo vergankelijk, zo tijdelijk, zo vluchtig, zo eindig.
In vers 15-16 lezen we:
de mens, zijn dagen zijn als het gras,
hij is als een bloem die bloeit op het veld en verdwijnt
zodra de wind hem verzengt.
De plek waar hij stond, kent hem niet meer.
En de mens is niet alleen zwak, maar ook schuldig.
Hij schiet tekort, hij laat steken vallen,
hij valt zichzelf en anderen vaak tegen.
Hij komt niet tot zijn bestemming, mist zijn doel.
Dat is niet echt de taal van ‘te hoog gegrepen’ toch?
Dat is niet taal van iemand
die het goed met zichzelf heeft getroffen.
In deze psalm ontmoeten we iemand die zich realiseert:
Mijn bestaan is gebroken, begrensd, zwak en zondig.
Prijs de Heer, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam.
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
Want wij mensen zijn nogal vergeetachtige wezens.
En we onthouden gemakkelijker ellende en narigheid
dan dat we onze zegeningen tellen.
Het zijn woorden waarmee ik mezelf aanspreek.
Mijn ziel en al wat in mij is.
Dat is mijn hele bestaan met heel mijn wezen.
Mijn verstand, mijn gevoel, mijn wil.
Mijn bestaan vol idealen, verlangens en dromen.
Maar ook een met breuklijnen, littekens en wonden
Maar wat deze psalmist heeft ontdekt is dit.
Ik ben in dat alles niet alleen.
Er is iemand die mij kent zoals ik ben.
Vers 14: Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd.
Ik wordt niet overvraagd, ik wordt gekend.
Juist in mijn begrensde, fragiele en gebroken bestaan.
Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd.
Dat wij slechts leven op de adem van zijn stem.
18 juni 2020
Meditaties in tijden van corona 12
Posted by F.A. Slothouber under Uncategorized | Tags: Bijbel, corona, Jezus, Jezus Christus, meditatie, psalm 34, psalmen, schuilen |Geef een reactie

naar aanleiding van psalm 34
Schuilen, dat doen we allemaal wel eens: tegen de regen, of het onweer.
Als het echt gevaarlijk wordt, ga je rennen: naar waar je veilig denkt te zijn.
Zoveel mensen, met uiteenlopende ellende of angst of andere omstandigheden hebben behoefte aan plekken en aan mensen bij wie ze kunnen schuilen; het was de aanleiding voor het populair geworden en vaak gezongen liedje ‘Mag ik dan bij jou’, het werd ook gezongen tijdens The Passion 2015 in Enschede.
Nee, het ging niet over God, maar misschien juist meer dan op wat ook past
bij geloof en vertrouwen op God (ik maak van ‘jij’ en ‘jou’ U):
Mag ik bij U schuilen, als het nergens anders kan?
en als ik moet huilen, droogt U m’n tranen dan?
Het zijn moderne woorden voor waar de Bijbel
en vooral de psalmen vol van zijn.
Zeker uit de mond van David horen we in allerlei toonaarden
en vanuit allerlei situaties de roep om hulp:
Heer, mag ik bij U schuilen, verberg me in uw tent,
onder uw vleugels, of hoog op een rots,
waar mijn vijanden niet bij mij kunnen.
Het was precies waar David op had gehoopt en op uit was: wegwezen hier, snel!
Om terug in eigen land zich te verstoppen
in de grotten bij Adullam.
Naast het feit dat de vlucht natuurlijk
een afgang en reputatieschade was voor David
was het tegelijkertijd een gevoelige les die David hier kreeg van God zelf:
dat hij geen hulp moest zoeken buiten God om,
bij de tegenstanders van zijn volk.
Het is ook de les van een andere psalm, psalm 118:
‘Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij de Heere
dan te vertrouwen op mannen met macht’
Ooit is uitgerekend dat dit het middelste vers
van heel de Bijbel zou zijn.
In elk geval is het een kerntekst voor wat geloven is:
schuilen bij de Heere.
Deze psalm getuigt er ook van dat David
zijn redding niet toeschrijft aan eigen slimheid,
want wat was hij bang en in paniek,
maar aan de macht en de genade van de Heer:
‘ik zocht de Heer en Hij gaf antwoord,
Hij heeft mij van alle angst bevrijd…
in mijn verdrukking riep ik tot de Heer,
Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.’
Ja, en dat is precies zoals David
de Heere had leren kennen
en wat hem steeds toch weer moed en vertrouwen gaf:
‘de Engel van de Heere waakt over wie Hem vrezen,
en bevrijdt hen’
En daarom: ‘gelukkig de mens die bij Hem schuilt’.
Kijk, en dan komt het ineens veel dichter naar ons toe,
ons leven binnen.
God komt zo ook zelf veel dichter naar ons toe,
letterlijk ons eigen leven binnen.
In het Oude Testament wordt de naam ‘Engel’
vaak gebruikt en meestal in één adem met ‘van de Heer’,
dus meer dan zomaar een engel.
Dat wijst op God die naar mensen toe komt,
reddend, helpend, waakzaam, zoals hier:
‘De Engel van de Heer waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’.
Vanuit het Nieuwe Testament kennen we de Heer
ook in de persoon van Jezus Christus,
door wie God met ons en bij ons wil zijn, reddend, helpend.
Jezus die heel vaak tegen zijn leerlingen zei
en ook tegen ons zegt:
wees niet bang, want Ik ben bij je en Ik ga met je mee,
en kom maar bij Mij, dan geef Ik je rust.
‘Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig als je bij Hem schuilt’.
