Nog één keer
– tot nu toe althans –
weer een webpost naar aanleiding
van de vernietigingsoorlog
van Rusland op Oekraïne:

Er is altijd wel iemand die het vraagt,
op een verjaardag of in een draadje op X:
“Voel jij je nog wel thuis in dat losgeslagen Westen?”
Te veel regenboogvlaggen.
Te weinig gezag.
Genderneutrale wc’s in de bieb van Almere.
Kortom, het einde der tijden.

Maar geen paniek.
Er is een land waar ze nog weten wat traditie is.
Waar je een visum kunt krijgen
op basis van ‘gedeelde waarden’.
Alsof je je inschrijft bij een volkstuinvereniging;
maar dan een met tanks en een kernwapenarsenaal.

Welkom in het paradijs van de zuivere cultuur.

Daar is de natie heilig. De traditie heilig. De kerk heilig.
Alleen het woord “oorlog” is niet heilig.
Dat heet daar een “speciale operatie”.
Zoals een massaontslag “reorganisatie” heet.

Taal als deodorant over de lijkenlucht.

En ondertussen hoor je geestelijken
praten alsof God een geopolitiek adviseur is.
Alsof Hij ’s ochtends met een espresso
de landkaart erbij pakt:
“Welke grens verschuiven we vandaag?”
Het klinkt akelig vertrouwd.
In 1914 preekten dominees in heel Europa precies zo.
Met psalmen de loopgraven in.
God aan onze kant, uiteraard.
Hij had blijkbaar geen andere afspraken.

Oorlog als gehoorzaamheid.
Opoffering als verlossing.
De overwinning in de dood.
Het kruis niet als aanklacht tegen geweld,
maar als decorstuk.
Alsof Jezus is gestorven
zodat wij met een gerust geweten
kunnen schieten.

Alleen:
wie de moeite neemt om de Bergrede te lezen,
je weet wel, dat stuk waarin Jezus zegt:
zalig de vredestichters, heb je vijanden lief,
wie naar het zwaard grijpt,
die komt daar iets anders tegen.
Geen tanks. Geen vaderlandsliefde met wijwater.
Maar een rabbi die zegt
dat je de andere wang moet toekeren.
Probeer dat maar eens in een talkshow over geopolitiek.
Je wordt uitgelachen voor wereldvreemde softie.

En wie daar in zo’n land hardop aan herinnert,
merkt hoe snel de ruimte krimpt.
Protest? Cel.
Tas met “geen oorlog”? Boete.
Kritisch bericht online? Jaren brommen.
Onafhankelijke media dicht.
Platforms geblokkeerd.
In plaats daarvan keurige staatsapps
waar de waarheid al is voorgekookt.
Alsof je alleen nog het journaal mag kijken,
maar dan zonder kritische vragen.

Kinderen leren intussen
dat de held uit 1984 van Orwell
geen waarschuwing is,
maar een probleemgeval.
Winston Smith als extremist.
Dat is geen literatuurles.
Dat is herprogrammering met een kaft eromheen.

En de cijfers?
Miljoenen slachtoffers. Miljoenen ontheemden.
Steden kapot. Gebieden verwoest.
Maar de retoriek staat fier overeind,
als een vlag op een kapotgeschoten flat.

Ik moet denken aan die
kleine internationale kerkgemeente in Moskou
die uit haar gebouw werd gezet.
Min twintig.
Bidden op straat.
Geen slogans.
Geen geopolitieke theologie.
Alleen kou en kwetsbaarheid.

Misschien zit daar het verschil.
Oorlogstheologie belooft
betekenis via macht en offer.
Maar het christendom begint niet bij macht.
Het begint bij een gekruisigde Man
die geen legioen engelen opriep.
De Bergrede is geen bijlage
bij een militaire strategie.
Het is een sabotagehandleiding voor geweld.

Compassie, mededogen, is geen soft gedoe.
Het is dynamiet onder elke ideologie
die mensen tot brandstof maakt.
En precies daarom is het zo gevaarlijk.

 

Bij de herdenking van vier jaar oorlog
tussen Rusland en Oekraïne,
die eigenlijk al speelt
sinds de inval op de Krim in 2014
besloot ik deze filmrecensie te posten:

Want laatst zag ik de film Mr. Nobody Against Putin en dacht:
dit is hoe het begint. Niet met tanks.
Maar met een schoolbel.

Pasha Talankin is geen generaal. Geen dissident met megafoon.
Gewoon de videoman van een basisschool in Karabash,
een plaats die ooit door UNESCO bestempeld is
als een van de meest vervuilde plekken op aarde.
Hij filmde kerstoptredens, sportdagen, knutselmiddagen.
Tot 24 februari 2022.
Tot het begin van de “de speciale militaire operatie”.

Ineens moest hij geen kinderen meer filmen die zingen,
maar kinderen die marcheren.
Geen knutsels, maar propaganda.
Dagelijkse parades.
Lessen over vaderland en vijanden.
Kleine rugzakjes, grote woorden.
Het sloop geniepig het klaslokaal binnen
als rook onder een deur.

En Pasha bleef filmen.
Omdat het zijn werk was.
Omdat iemand het moest vastleggen.
Omdat hij zag wat wij niet wilden zien:
hoe oorlog niet alleen steden verwoest,
maar ook schoolpleinen.

Tot hij besefte: straks ben ik zelf aan de beurt.
Dienstplicht.
Kanonnenvoer.
Dus hij vluchtte.
Met harde schijven vol bewijs.
Dat is Mr. Nobody Against Putin:
één man tegen de machine.
Geen Hollywoodheld,
maar een jongen met een camera en een geweten.

En terwijl wij applaudisseren
voor een prijs op Sundance,
herdenken de Oekraïners vandaag
de vierde verjaardag
van wat zij simpelweg “de grootschalige oorlog” noemen.

Vier jaar van kersennachten.
Zo noemen ze het cynisch:
nachten waarin de lucht roze kleurt van brandende flats.
Ballistische raketten.
Drones zo groot als volwassen mensen
die boven daken zoemen, op zoek naar leven.

Volgens de WHO worden ziekenhuizen en klinieken
sinds 2022 zo vaak aangevallen
dat het neerkomt op meerdere per dag.
Meerdere.
Per.
Dag.
Noem dit geen “collateral damage”.
Noem het wat het is:
systematische vernietiging.

Het elektriciteitsnet werd doelwit.
De helft van de energiecapaciteit weg.
Energiecentrales – vroeger goed voor een kwart van de stroom –
gereduceerd tot kruimels.
En dan winter.
Min twintig.
Min vijfentwintig.
Mensen die foto’s sturen van tenten ín hun woonkamer.
Thermometer: min vijf.
Binnen.

Maar ja, zeggen sommigen,
geschiedenis is ingewikkeld:
De Krim was toch ooit Russisch.
Of Ottomaans.
Of dit, of dat.
Alsof grenzen eigendomsbewijzen zijn
die je na drie eeuwen weer uit de la mag trekken.

Zullen we dat spelletje doortrekken?
Zal Den Haag Djakarta “terugeisen”?
Zal Ankara de Krim claimen
omdat het ooit onder het Ottomaanse Rijk viel?
Geschiedenis als grabbelton voor sterke mannen.

Er zijn verdragen.
Het Boedapest Memorandum bijvoorbeeld:
Oekraïne gaf zijn kernwapens op
in ruil voor veiligheidsgaranties.
Ook van Rusland.
Papier is geduldig.
Raketinslagen niet.

De strijd van de Sovjet-Unie tegen nazi-Duitsland,
begonnen met Operation Barbarossa duurde 1418 dagen.
Poetin voedt zich met die mythe van heroïsche overwinning.
Maar dit keer is híj degene die de grens overstak.

Wat dacht hij? Drie dagen?
Een overwinningsparade in Kyiv?
Maar in plaats daarvan: loopgraven.
Meters winst per dag.
Honderdduizenden doden en gewonden.
Een generatie, meerdere generaties vermalen.

En Oekraïne vecht nog steeds.

Niet omdat oorlog romantisch is.
Niet omdat ze van wapens houden.
Maar omdat overgave betekent
dat de wet van de jungle wint.
Macht maakt recht.
Punt.

Vier jaar later is de vraag
niet alleen of Oekraïne standhoudt.
De vraag is wie wij willen zijn.
Toeschouwers?
Boekhouders van geopolitiek?
Of mensen die begrijpen
dat als een soeverein land wordt verpletterd
door een roofzuchtige buur,
dat dit precedent niet bij de grens stopt?

Want als Oekraïne verliest,
verliezen we meer dan territorium.
We verliezen het idee
dat verdragen iets waard zijn.
Dat grenzen niet met bloed worden hertekend.
Dat een school geen kazerne is.

Vier jaar.

En het is nog steeds niet voorbij.

 

Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte.
Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie,
leek het continent op weg naar
een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld.
Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten
vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting.
Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg
van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen,
en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming
en geopolitieke afhankelijkheid.

Die zekerheid is verdwenen.
Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren:
klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid,
demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid
en het verval van democratische instituties.
De omstandigheden veranderen sneller dan ooit,
en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang.
Politieke leiders spelen daarop in:
sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden;
anderen bieden radicale terugkeer
naar een geïdealiseerd verleden
dat nooit werkelijk heeft bestaan.
Volgens politicoloog Ivan Krastev
is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.

De oorzaak hiervan ligt in Europa’s
‘pauze van de geschiedenis’ na 1945
en later na de val van de Berlijnse Muur
ook een ‘pauze als defensieve macht’.
En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen,
bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op.
Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele,
op regels gebaseerde wereldorde bestond.
Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek
— zichtbaar in het Amerika onder Trump
en in de assertiviteit van Rusland en China —
blijkt de EU slecht uitgerust.
Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem,
maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld
waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit.
Europa zit niet aan tafel,
maar ligt óp tafel.
Er wordt óver hen beslist
Europa heeft geen duidelijke plaats
onder de wereldmachten
en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen
over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.

Daarnaast heeft Europa moeite
om zijn eigen macht te erkennen,
belast door een geschiedenis
die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz.
Het resultaat is een houding van zelfverkleining:
Europa zou te verdeeld,
te bureaucratisch en te traag zijn
om daadkrachtig op te treden.
Deze ‘machteloosheid van de machtigen’
biedt moreel comfort,
maar ondermijnt Europa’s vermogen
om zijn belangen te verdedigen.
In een wereld die wordt gedomineerd
door autocratische grootmachten
is precies dat echter noodzakelijk
voor een democratische toekomst.

Toch is het continent rijker, beter opgeleid
en technologisch capabeler dan ooit.
Het beschikt over de middelen
om zijn positie te herdefiniëren
maar wat ontbreekt, is de politieke wil.
Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:

‘sommige uitdagingen moet je aangaan
omdat ze moeilijk zijn.’

Alleen door die houding opnieuw te omarmen
kan Europa zijn toekomst terugwinnen.

kerstverlichting in Zwolle

 

In zijn jaarlijkse persconferentie met het volk van dit jaar
schetst Vladimir Poetin zich als een zelfverzekerde wereldspeler,
terwijl ondertussen het feit is dat Rusland steeds dieper vastzit
in de oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan.

Eerder in 2025 stond Poetin op 
een belangrijk Russisch debatpodium.
Daar werd hij bijna neergezet
als de grote architect van een nieuwe wereldorde.
Poetin zelf deed alsof hij bescheiden was,
maar benadrukte wel dat de wereld
in een radicale overgangsfase zit
en dat de inzet extreem hoog is.
Voor de mensen in Oekraïne is dat geen theorie:
zij leven al bijna vier jaar met oorlog,
met doden, onzekerheid en wisselende steun uit het Westen.

Poetin voert de druk ondertussen op.
Aan het einde van het jaar kwam hij met steeds agressievere taal.
Hij beweerde dat Rusland
grote successen boekt in Oekraïne
en gaf Europa en Kyiv opnieuw de schuld van het conflict.
Europese leiders noemde hij zelfs ‘biggetjes’
en hij dreigde meer Oekraïens grondgebied
met geweld in te nemen
als er geen vredesgesprekken komen.

Wat opvallend is:
ondanks zware sancties en militaire blunders
is Rusland overeind gebleven.
Het land wist sancties te omzeilen,
de wapenindustrie weer op gang te krijgen
en tegenstanders het zwijgen op te leggen.
Daarbij kreeg Poetin onverwachte steun uit de VS.
De wispelturige houding van de Amerikaanse president Donald Trump
werkt in het voordeel van Moskou,
omdat het verdeeldheid zaait tussen bondgenoten.
Ondertussen beschuldigt Rusland Europa ervan
dat zij de Amerikaanse vredespogingen proberen te saboteren.

Oekraïners vragen zich ondertussen af
wat een mogelijk akkoord waard is.
Ze vrezen dat Poetin vanuit bezet gebied
gewoon verder zal werken
aan de vernietiging van hun land.
Andere Russische leiders
blijven bovendien waarschuwen
voor een zogenaamd agressief Europa
en NAVO-plannen voor een toekomstig conflict.

Een belangrijk strijdpunt is het Russische geld
dat in Europa is bevroren.
Europa besloot dat geld niet direct
aan Oekraïne te geven,
maar Kyiv via de EU-begroting te steunen.
Rusland ziet dat als winst en dreigt met rechtszaken,
onder andere tegen Euroclear in België.
Er zijn zelfs aanwijzingen
dat Russische en Amerikaanse inlichtingendiensten
Europese politici en medewerkers onder druk zetten met dreigementen.
Tegelijk klinken er in Moskou ook zachtere geluiden:
sommige bronnen zeggen
dat het Kremlin onder strenge voorwaarden
openstaat voor het inzetten van een deel
van dat geld voor wederopbouw.

Binnen Rusland houdt Poetin het beeld van succes stevig vast.
Tijdens de jaarlijkse live toespraak sprak hij
alleen over militaire winst
en noemde hij het gebruik van Russische tegoeden ‘roof’.
Slecht nieuws, zoals Oekraïense aanvallen, werd genegeerd.
Toch maken veel Russen zich vooral zorgen over de economie.

Die zorgen zijn niet onterecht.
De oorlogseconomie draait,
maar gewone sectoren zitten in de problemen.
Inflatie is hoog, rentes stijgen, banen worden schaarser
en de olieprijs – cruciaal voor Rusland –
staat op een dieptepunt.
Analisten zeggen dat Rusland leeft op een ‘geleende toekomst’.
Toch zal Poetin de oorlog niet stoppen om economische redenen.
De kosten worden simpelweg
doorgeschoven naar de bevolking:
hogere belastingen, lagere lonen en minder subsidies.

Ook politiek wordt de greep in Rusland steeds strakker.
Oppositie is vrijwel uitgeschakeld,
kritische partijen worden aangepakt
en populaire apps en platforms verdwijnen.
Richting de parlementsverkiezingen van 2026
wordt vooral ingezet op thema’s
als stabiliteit en nationalisme,
niet op de oorlog.

Om alles te verhullen, zijn Russische steden dit jaar extra feestelijk verlicht.
Dat staat in schril contrast met arme regio’s
zonder basisvoorzieningen.
Russische woordvoerders beweren ondertussen
dat Europa in ‘duisternis’ leeft,
maar Europese steden reageerden
met foto’s van uitbundig verlichte straten.
Het symboliseert het grotere verhaal:
Rusland probeert kracht uit te stralen,
terwijl de scheuren onder de oppervlakte steeds zichtbaarder worden.

de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971 

 

Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa.
Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich,
terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait.
Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen.
En jongeren – maar zij niet alleen –
verliezen hun vertrouwen in de democratie.

Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis,
of zelfs een politieke of een identiteit of etnische.
Het is eerder een spirituele crisis.
En als je er met deze bril op naar kijkt,
zie je overal de tekenen ervan.

Zoals afgelopen zomer
toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken,
een nationale militaire opbouw aankondigde,
met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera.
Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd
door de algemene Noord-Europese angst
voor het expansionistische Rusland.
Kort daarna sprak ze een groep studenten
van de Universiteit van Aalborg toe
waar ze iedereen verraste door te zeggen:

‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben
die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’

Ze sprak over het onderscheidingsvermogen
dat nodig is om waarheid van onwaarheid
te onderscheiden in een wereld
waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn
en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist,
niet meer technologie.
Herinvoering van de dienstplicht is één ding,
maar mensen overtuigen om te vechten
en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders.
Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken.
Waarom zou Generatie Z vechten
voor een economisch systeem
dat niet in hun voordeel lijkt te werken,
hen geen uitzicht biedt
op een eigen huis of een vaste baan,
en weinig te bieden heeft
om tot heldendom te inspireren?
John Lennon stelde zich een wereld voor
met ‘niets om voor te doden of te sterven’.
Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven,
is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.

De oproep van Frederiksen
is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa.
Een ander is de opkomst
van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd.
Elites mogen dan neerkijken
op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen,
maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen
die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert
en die het verlies betreuren
van het culturele en breed christelijke kader
dat, in de herinnering van vorige generaties,
eeuwenlang het besturingssysteem
van het Nederlandse leven vormde.
Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig
en het gebrek aan iets om het te vervangen,
vormen een probleem.
Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme,
gericht op het vernietigen van het geloof,
maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.

Een andere is wat wel de Stille Opwekking wordt genoemd:
tekenen van hernieuwd kerkbezoek
onder (vooral) jonge mensen.
Oplevingen van religie vinden meestal plaats
wanneer een gemeenschap voelt
dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd.
In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels,
naar beschikbare bronnen
van wijsheid en geruststelling.
Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’,
maar het is veeleer een teken
van een verlangen
naar een spirituele betekenis,
naar iets heiligs,
iets dat niet voor geld te koop is
en een waarde heeft
die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.

Dus, terug naar verrassende oproep
tot spirituele vernieuwing
van Mette Frederiksen,
in haar eigen land.
Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa,
Nee, Frederiksen staat niet bekend
als een regelmatige kerkganger
en haar sociaaldemocratische partij
is de afgelopen decennia
stond over het algemeen
lauw tegenover religie.
Toch was ze eerlijk genoeg
om het probleem te erkennen.
Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden
dat de waarheid niet bestaat,
is het niet verwonderlijk
dat we het moeilijk vinden
om waarheid van onwaarheid te onderscheiden.
Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd
dat de belangrijkste stem
om naar te luisteren
onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ –
is het niet verwonderlijk
dat we geen idealen meer hebben
om ergens voor te leven of te sterven.
Jongeren gaan misschien de straat op
vanwege klimaatverandering of Palestina,
maar zijn ze bereid
hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs,
dat dat alles te boven gaat,
zelfs als het hun beschaving
al generaties lang in stand houdt?

Waarschijnlijk niet.
En er is geen reden om te denken
dat Denemarken anders is
dan welk ander Europees land dan ook.
Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland,
ook al zijn onze politici
niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen
in het signaleren van het probleem.

Dus waar is het antwoord te vinden?
Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:

Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken,
omdat die een natuurlijke gemeenschap
en een nationale basis biedt…
Als ik de Kerk was, zou ik nu denken:
hoe kunnen we zowel een spiritueel
als een fysiek raamwerk zijn
voor wat de Denen doormaken?

Maar daarin schuilt nu juist het probleem.
De Deense Kerk,
één van de lutherse kerken in Noord-Europa,
verkeert niet bepaald in een goede gezondheid:
70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk,
maar slechts 2,4 procent van hen
komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk
– wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers
in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.

Filosoof John Gray
is vernietigend over de gevangenschap
van de westerse kerken in de tijdgeest.
Hij beschouwt ze als
een weerspiegeling van de verwarring
van de tijdgeest
in plaats van een coherent alternatief te bieden…
dit soort christendom
is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’

Dat is misschien wel het probleem,
maar het is ook de kans.
Het christendom is de standaard spirituele traditie
van het Westen.
Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit.
Anderen komen en gaan,
maar dit geloof zit in onze aderen,
in ons landschap, onze kunst en ons geheugen.
Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen,
heeft het talloze mensen geïnspireerd
tot een leven van onbaatzuchtige toewijding.
Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk
verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk,
toen een nieuwe middeleeuwse,
gekerstende beschaving ontstond
uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen,
of tijdens de hervormingsbewegingen
van de zestiende en zeventiende eeuw,
of tijdens de missionaire bewegingen
van de negentiende eeuw.
Keer op keer is het een katalysator gebleken
voor wijsheid om de uitdagingen
van de crisis het hoofd te bieden,
voor individuele zelfopoffering,
culturele vernieuwing
en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling:
iets om voor te leven en te sterven.

En dat is nog steeds zo.
Je hoeft alleen maar terug te denken
aan de 21 Libische martelaren
– voornamelijk gewone Koptische christenen
uit een eenvoudig dorp
die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen
en die een gruwelijke dood verkozen
in plaats van hun geloof
in de liefde van Christus te verloochenen,
om te laten zien
hoe het christelijk geloof 
iets biedt niet om voor te doden,
maar wel om voor te sterven.

Ik twijfel er niet aan
dat het christendom dat opnieuw kan bieden.
Niet als een terugkeer
naar iets uit het verleden,
maar in een nieuwe vorm
die trouw blijft aan zijn wortels,
maar op een manier
die er nieuw uitziet;
misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.

Kunnen christenen,
zoals John Gray het verwoordde,
een coherent alternatief bieden
voor de verwarring van de tijdgeest
in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?

De toekomst,
niet alleen van het Europese christendom,
maar ook van Europa,
hangt er mogelijk van af.

 

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Daar valt toch niet echt tegenin te gaan?
Het is een universeel erkende waarheid,
die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.

Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is,
en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.

Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’,
een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen
en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’.
Vrede is iets goeds.
We verlangen ernaar, we omarmen het
en we eren degenen die het mogelijk maken.

Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen
waar het allemaal om draait.
Of is het allemaal een beetje duister
als je onder de oppervlakte graaft.

De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten
vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders
tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten,
het buitensluiten van mensen
met wie we het oneens zijn
in identiteitspolitiek
en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen:
het is allemaal erg heftig en veel.
Veel mensen hebben dan ook besloten
het nieuws niet meer te volgen.
Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute
naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.

Ik verlang naar doorbraken
op het gebied van vredesbemiddeling.

Toen werd mijn aandacht getrokken
door een artikel op een nieuwsplatform.
De kop luidde:
‘Trumps diepe obsessie:
Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.

Ik had al een vage herinnering dat president Trump
tijdens zijn eerste ambtstermijn
een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama
de prijs had ontvangen,
terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen.
Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.

Verder wordt er geschreven
dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is
door het winnen van deze prijs
en dat zijn huidige regering
‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’.
Er wordt zelfs gesuggereerd
dat dit ook de onderliggende boodschap was
van de ruzie in het Witte Huis
met de Oekraïense president Zelensky.

President Trump is sinds 2016
al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs,
waarbij parlementsleden uit de VS,
maar ook uit Scandinavië en Australië
zijn naam daar inbrachten.

Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend.
Dr. Martin Luther King jr.,
Nelson Mandela
en Moeder Teresa
lijken misschien de belichaming van zo’n prijs,
maar er zijn ook vaak controverses geweest.

Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend
aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin,
Shimon Peres en Yasser Arafat;
die waren bijzonder controversieel.
Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973
werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte,
waardoor twee van de vijf leden
van de selectiecommissie uit protest aftraden
en de toekenning door de pers werd gehoond.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen?
Wat hoorde de menigte hem zeggen?

Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde
dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint
vooral bestemd zijn voor degenen
die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden:
‘de armen van geest … zij die treuren …
de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’.
Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters
die door iedereen geprezen zouden moeten worden?
Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen.
Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden,
waarom hebben zij een speciale zegen nodig?

Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde,
tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden:
‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’,
vrede is de kern van Jezus’ boodschap.
Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken,
‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’,
ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.

Natuurlijk is dit voor Jezus shalom,
of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama.
Hoewel het een alledaagse begroeting is,
is de gedachte die in het woord besloten ligt
veel dieper en rijker:
het gaat over heelheid, welzijn en harmonie.
In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict,
heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.

Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.

Want het is interessant dat Jezus niet zegt
‘gezegend de vredelievende mensen’
zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren.
Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’:
zij die de grenzen bewaken.
Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’,
als degenen die hun mouwen opstropen
en actief een omgeving van heelheid,
welzijn en harmonie creëren.

Geen probleem toch?
Wie is er nou niet een voorstander
van heelheid, welzijn en harmonie?
Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk,
totdat we stuiten op wat Jezus later
zegt:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is:
‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
Maar Ik zeg jullie:
heb je vijanden lief
en bid voor hen die jullie vervolgen,
opdat jullie kinderen mogen zijn
van jullie Vader in de hemel.

Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om
heelheid, welzijn en harmonie,
en de reikwijdte ervan reikt tot,
en omvat,
zelfs onze vijanden.
En waarom, omdat God het zo doet:

‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

Dit is de maatstaf
voor de vorm van vredeshandhaving
waar Jezus het over heeft.

Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling
een generatieproces is.
Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven;
als individu, in buurten of zelfs internationaal,
waar we dit soort principes belichamen en vormgeven.
Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.

We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op
waarin we in de loop der tijd floreren.
Ik ben omdat we zijn.
Het welzijn van ieder van ons
is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal.
Dit is een manier van leven,
geen kant-en-klare remedie.

Maar hoe zit het met vredesbemiddeling
te midden van een conflict?

Dit is waar het vredesproces troebel wordt,
vooral als je onder de oppervlakte graaft.
Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen
in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.

Om dus zelfs maar te kunnen denken
aan een authentiek vredesproces,
moeten beide partijen in een conflict het willen.
Als dit niet het geval is,
zal de vredestichter ofwel falen
ofwel het risico lopen
als marionet in de handen
van kwaadwillenden
te worden gemanipuleerd.

Om daadwerkelijk het punt te bereiken
waarop een vredesproces kan worden gestart,
moeten de betrokken partijen
tot het besef zijn gekomen
dat de kosten van het voortzetten van hun conflict
de realistische voordelen
die ze kunnen behalen, overstijgen.

Vredesvoering moet altijd beginnen
met de bestaande situatie.
Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was.
Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken
waar men van droomt.
Het gaat om een koude, harde confrontatie
met hoe de situatie werkelijk is.

Daarom is het impopulair,
vooral bij degenen
die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven,
hun doelen bereiken
en de overwinning nastreven in plaats van vrede.
De vredestichter is een actuele
en ongewenste herinnering aan hun falen.

Wanneer de vredesbemiddeling
vervolgens op gang komt,
kan degene die in het midden staat,
de vredestichter, geen partij kiezen.
Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk
als partijdig beschouwen,
omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen
worden afgewogen.
Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan
als verzoeners
of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.

Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten.
Het gaat erom de huidige situatie te accepteren
en zorgen opzij te zetten
om de best haalbare balans te bereiken.
Wolfgang Münchau schreef onlangs
over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:

‘Het doel van vredesbesprekingen
is om de gaten op te vullen.
Beide partijen kunnen het ene stuk land
tegen het andere ruilen.
Met geld koop je dingen.
Maar vredesakkoorden gaan nooit over
wie gelijk heeft en wie ongelijk.
Ze gaan niet over historische claims.’

Pragmatisch in plaats van principieel,
een compromis wordt al snel afgeschilderd
als een vies woord.
Vredestichters lijken karakterloos,
zwak en moreel gebrekkig
en lopen het risico
door alle partijen
verkeerd begrepen
en verkeerd voorgesteld te worden.

Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel,
die zich specialiseerde
in de studie van oorlog en collectief geweld
met het oog op de oplossing
daarvan, is het een vergissing te denken
dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat
aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject.
Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt,
is het misplaatst te geloven
dat vrede centraal gepland
en geconstrueerd kan worden.

Vrede ‘ontstaat’ eerder
wanneer er een evenwicht ontstaat
tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven,
daadwerkelijk willen
en werkelijk kunnen bereiken.
Deze wederzijdse zelfkennis
kan niet door een externe derde partij
in kaart worden gebracht
en kan slechts gedeeltelijk
door henzelf worden begrepen.

De kunst van de vredestichter
is het mogelijk maken
van een evoluerend proces
van wederzijdse aanpassingen.
Onderweg moeten ze ervoor zorgen
dat hernieuwde evenwichtige relaties
worden ondersteund
door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen,
capaciteiten en wilskracht’.
Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren;
het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen.
Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen
die moeten weten
wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen
en uit de weg moeten gaan.

Rummel concludeert:

‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract.
Het zal alleen worden nageleefd
als de partijen, om welke reden dan ook,
het in al hun overlappende belangen,
mogelijkheden
en wil vinden om dit te doen.’

Een moeizaam verworven vrede
kan buitengewoon fragiel blijven.

Ja, wie zou een vredestichter zijn?
Wie zou zich vrijwillig openstellen
voor manipulatie door kwaadwillenden?
Wie zou zich onderwerpen
aan de afwijzing van ongewenst, impopulair,
verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld
of afgeschilderd te worden
als verraders
van de rechtvaardigheid?

Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen
en begrijpen dat hun beste inspanningen
alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden,
als er al enig resultaat is.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd
voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025.
Onder hen is wijlen paus Franciscus,

‘… voor zijn onstuitbare bijdrage
aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede
en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’

Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar
naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

 

Laatst zat ik op een mooie zomeravond in de tuin,
genoot van een goed boek
en de rust om mij heen.
Maar plotseling werd ik opgeschrikt
door een zoemend geluid
– ik dacht dat we al weer last kregen van wespen;
ik had namelijk wat zoetigheden op tafel staan.
Ik keek om me heen om de wespen te ontdekken,
maar ik kon niets waarnemen.
Uiteindelijk keek ik omhoog:
Het geluid was niet afkomstig van wespen,
maar van een drone die boven mijn hoofd zweefde.
Ik zal die sensatie nooit vergeten;
het griezelige gevoel dat iets je in de gaten hield.

In een recent verslag over de oorlog in Oekraïne
documenteert een journalist
het inmiddels wijdverbreide gebruik van drones.
De journalist schuilt met Oekraïense soldaten
onder de dekking van het bos
terwijl een Russische drone het gebied scant.
Ten langen leste kunnen ze naar hun auto vluchten,
waarin een AI-stem zegt:
Detection: multiple drones, multiple pilots, high signal strength‘,
terwijl ze rondom je heen zoemen.
Dit is het nieuwe tijdperk van geheime oorlogsvoering,
waarbij de vijand toeslaat zonder gemakkelijk te identificeren te zijn.
Je hoort het gezoem, maar de bron is ongrijpbaar.

In de komende jaren zal dit soort
psychologische oorlogsvoering
zijn intrede doen in Westerse steden.
Terroristische aanslagen zullen verschuiven
van persoonlijke confrontaties
naar anonieme aanvallen op afstand:
drones die vanuit het buitenland
naar steden vliegen
om burgers aan te vallen,
of zwermen drones die massale aanvallen uitvoeren
in dichtbevolkte stadscentra.
Het doel zal zijn om psychologisch trauma
op grote schaal te veroorzaken.
Burgers zullen aarzelen om hun huis te verlaten,
overgevoelig voor het gezoem
van anonieme drones in hun eigen wijk.
Volgens Michiel Driebergen gebeurd dit al Oekraïense steden.
En onlangs heeft Iran verklaard
dat geen enkele Amerikaanse, Britse of Franse basis
veilig is voor represailles in de Israëlisch-Iraanse oorlog.
Het is dan ook niet moeilijk voor te stellen
dat ook Westerse steden binnenkort
als legitieme doelwitten zullen worden beschouwd.

We gaan een tijd van geïntensiveerd conflict tegemoet,
waarbij nationale veiligheid
het dominante kader voor beleidsvorming wordt.
‘Veiligheid’ zal beleidspunt nummer één worden
van de overheid
en ook de komende verkiezingen zullen ook draaien
om de vraag welke partij en leider de Nederlanders
het beste kan beschermen tegen externe bedreigingen.
In deze context worden zelfs domeinen
die ooit door samenwerking werden beheerst,
getransformeerd worden tot wedlopen
geïnstigeerd vanuit het eigen (lands)belang,
omdat het kader voor nationale veiligheid
van nature de focus verschuift
van wederkerigheid naar beperking van de ander.

Vrijhandel bijvoorbeeld
– in wezen de wederzijds profijtelijke uitwisseling
van goederen en diensten
als onderdeel van de waardecreatie –
wordt in een op veiligheid gerichte wereld een kwestie van inperking.
Handel, in een op veiligheid gerichte wereld,
wordt op zijn kop gezet,
waardoor vrijhandel verandert in handelsoorlogen.
Eerlijkheid (waarin de taart wordt verdeeld over meerdere mensen)
wordt vervangen door belangen,
of het nu gaat om belangen van landen
of gemeenschappen en individuen daarbinnen
die zichzelf willen beschermen.
Naarmate de concurrentie tussen de VS en China escaleert,
kunnen we verwachten dat menselijke relaties
– tussen zowel staten als burgers –
nog meer een alles-of-nietsspel zullen worden.

Doen morele waarden er in zo’n omgeving nog toe?
Wanneer de vijand in een tijdperk van nationale veiligheid
steeds meedogenlozer en innovatiever wordt,
moeten we dan net zo hard optreden als hij?
Of is het nog steeds mogelijk
om principes hoog te houden
en onszelf tegelijkertijd te verdedigen?

Tegenwoordig zou je kunnen denken
dat gebaren van non-agressie
– zoals de vernietiging van zijn voorraad
van één miljoen landmijnen door Finland in 2015(!) –
nu gevaarlijk naïef lijken.
Oekraïne
– en ook enkele Baltische staten –
heeft onlangs
van zijn kant heeft terecht
het verdrag van de Ottawa-conventie
(dat clustermunitie verbiedt) opgezegd.
Want hun voortbestaan hangt af van vindingrijkheid,
van snelle technologische ontwikkeling
en samenwerking met bondgenoten
om geavanceerde systemen
te prototypen en te implementeren.

De Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr
stelde in zijn artikel ‘Moral Man and Immoral Society
dat men om moreel te zijn,
het vermogen tot geweld moet bezitten;
‘macht moet worden uitgedaagd door macht.’
Die macht moet echter worden uitgeoefend
met verantwoordelijkheid, nederigheid en een moreel doel.
Je kunt vervolgens stellen dat oorlog gerechtvaardigd
kan worden wanneer deze voldoet
aan de criteria van jus ad bellum:
een rechtvaardige reden, legitiem gezag,
juiste intentie, proportionaliteit
en een redelijke kans op succes.

Oorlog kan in deze interpretatie
een ‘vriendelijke hardheid’ uitdrukken:
een vorm van oordeel die wordt toegepast
ter verdediging van slachtoffers.
Niebuhr baseert zijn argument op het Augustijnse realisme:
de wereld is fundamenteel goed, maar toch gebroken.
Omdat het kwaad blijft bestaan,
wordt het morele gebruik van geweld
noodzakelijk om te handhaven wat juist is.
Ik geloof dat dit waar is
en direct toepasbaar
op de op nationale veiligheid gerichte wereld
waarin we ons bevinden.

Wat betekent dit dan voor westerse landen,
nu nationale veiligheid zich opnieuw manifesteert
als het centrale organiserende principe van bestuur?

Dit vereist aanzienlijke en dringende investeringen
in defensie en deep tech,
waaronder bijvoorbeeld opkomende mogelijkheden
zoals cognitieve oorlogsvoering
en wearables die de prestaties van soldaten in gevechten verbeteren,
anti-dronesystemen voor stedelijke,
landelijke en maritieme omgevingen,
en elektronische oorlogsvoering
en geospatiale intelligentie
van de volgende generatie.

Als droneaanvallen op zee toenemen
– zoals die welke door de Houthi’s worden uitgevoerd
om wereldwijde scheepvaartroutes te verstoren –
zullen anti-dronesystemen essentieel zijn
om een veilige doorgang te garanderen.
In een wereld van gemanipuleerde verhalen
en desinformatie
zal geospatiale intelligentie dienen
als een bron van waarheid en helpen vaststellen
wat er daadwerkelijk op de grond gebeurt.
En naarmate AI steeds beter in staat is
om gebruikers te manipuleren
– door middel van vleierij, overreding en andere technieken –
zullen toezichttechnologieën
essentieel zijn om objectiviteit en integriteit te behouden.

Verantwoord geweldsgebruik sluit tegenwoordig pacifisme uit
en voorkomt geweld volledig.
Het betekent het behoud – en de ontwikkeling –
van de mogelijkheid tot overweldigende macht,
zodat deze klaar is voor gebruik indien nodig.
Moraliteit in een tijdperk van nationale veiligheid
vereist snelle investeringen
in defensietechnologieën om tegenstanders
meerdere stappen voor te blijven.
Een ‘gehele samenleving’-aanpak
betekent burgers voorbereiden met een dergelijke mentaliteit.
Terughoudendheid en nederigheid
zijn nog steeds cruciale deugden,
maar mogen niet worden verward met zwakte.
Westerse landen moeten bereid zijn
om snel, daadkrachtig
en met de afschrikkende kracht
te handelen die vrede vereist.

Dit is de wereld die we betreden:
een wereld waarin
zowel regeringen als burgers voorbereid moeten zijn
op onverwachte dreigingen.
Het gezoem van een drone boven ons hoofd
is meer dan een geluid;
het is een waarschuwing,
die niet alleen Oekraïners,
maar ook degenen
die zich momenteel
in een vreedzame situatie bevinden,
eraan herinnert zich voor te bereiden
op mogelijke conflicten die eraan komen.
De gepaste reactie is niet terugtrekken,
maar het verantwoord en moreel uitoefenen van macht:
een noodzakelijke plicht als we vrede,
vrijheid en rechtvaardigheid willen behouden
in een wereld
die er steeds meer op gebrand is deze te bestrijden.

 

De dubbelheid van deze wereld zit me dwars.
Bijvoorbeeld de gruwelijke beelden vanuit de Oekraïne of uit het Midden-Oosten,
de complete verwoesting van steden, miljoenen vrouwen en kinderen op de vlucht;
is dit nu ‘beschaafd’ 2025?
Aan de andere kant lacht het voorjaar ons tegemoet, de zon krijgt de overhand,
de natuur kondigt de nieuwe lente aan
en ondanks alle ellende in de grote wereld om ons heen werd het gewoon Pasen.
Het zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Denk aan een pauw.
Als je de pauw van de voorkant ziet, heeft hij prachtig mooie veren.
Als de pauw zijn staart opzet, is het een lust voor het oog.
Wat heeft God zo’n pauw mooi gemaakt!
Maar hebt u een pauw wel eens in de kont gekeken?
Diezelfde pauw wel eens van de achterkant gezien?
Hoe lelijk ‘t-ie-dan is? Bruine veren, vieze achterkant.
Toch is het één en dezelfde pauw.
Zijn mooie voorkant en zijn lelijke achterkant.
Die pauw heeft maar één Schepper.
God heeft die pauw geschapen, zijn voorkant én zijn achterkant

God schiep niet alleen de pauw, God schiep deze hele wereld.
Met zijn voorkant en zijn achterkant. Ook in uw en mijn leven.
De mooie en de moeilijke kanten.
Goed bestaat niet zonder slecht.
Mooi bestaat niet zonder lelijk.
Zo zit deze wereld in elkaar.
We zijn hier nog niet in het paradijs.
Het kwaad is hier in alle soorten en maten.
Palmpasen is feestelijke intocht en tegelijkertijd het begin van het einde.
Heden Hosanna, morgen kruisigt Hem.
Pasen is kruis, graf en dood, maar ook opstanding en nieuw leven.
Ook hier geldt, het één bestaat niet zonder ander.
Dat is geloven:
aan de ene kant je hart en je ogen open houden voor de pijn en de lijdensweg,
die mensen in deze wereld moeten gaan.
Maar er niet in blijven hangen, er niet aan ten ondergaan.
Want die andere kant mag je ook zien:
een nieuwe toekomst, die heeft God ons heeft beloofd met de Opstanding van Jezus zelf.

En mocht je dat soms even kwijt raken, denk dan aan de pauw.

 

De Veertigdagentijd of Lijdenstijd in aanloop naar Pasen
is voor christenen de periode die in het teken staat van
soberheid, inkeer en bezinning op je eigen christenzijn.
Christenen geloven dat ieder mens geschapen is
naar Gods beeld en leven in alle volheid verdient.
Tragisch genoeg leven we in een wereld van
gebroken relaties waar onrecht, ongelijkheid, corruptie
en rampen miljoenen mensen van hun toekomst beroven.
Een christen wordt opgeroepen
om de onvoorwaardelijke liefde van Christus weerspiegelen
door hun leven, hun daden en woorden.
Het geven van hoop, herstel en vernieuwing voor de wereld
zijn daar een onderdeel van.
Ontwikkelingshulp in allerlei vorm is daar ook uiting van.
Hieraan moest ik denken toen hoorde over het onderstaande.

Want in veel landen worden de gelden voor ontwikkelingshulp drastisch verlaagd.
Niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk
en wie weet niet van de aankondiging in de Verenigde Staten
om het budget van USAID
– dat internationaal veel hulp overeind houdt –
zeer drastisch te verlagen.
In het Verenigd Koninkrijk heeft de afkondiging
tot verlaging van het budget op ontwikkelingshulp
zelfs geleid tot het aftreden van de minister
voor Internationale Ontwikkeling Anneliese Dodds.
Ze schreef in haar ontslagbrief:

Uiteindelijk zullen deze bezuinigingen voedsel en gezondheidszorg wegnemen
van kwetsbare mensen.

De forse vermindering van ons internationale hulpbudget
brengt inderdaad levens in gevaar over de hele wereld.
De stap ondermijnt echter ook de eigen nationale veiligheid.
Een sterke aanwezigheid op het wereldtoneel
komt niet primair tot stand door militaire kracht,
maar juist door diplomatie en gerichte ontwikkelingsfinanciering.

Dodds:

In de rest van de wereld is het teleurstellend dat we waarschijnlijk
het internationale ontwikkelingsbudget gaan plunderen,
omdat de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld
vaak voortkomt uit een combinatie van onze harde macht en onze zachte macht,
onze diplomatie en onze ontwikkelingsfondsen.

Zo zien we ook in Nederland dat minister Klever
van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
projecten stopt op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid,
beroepsonderwijs en hoger onderwijs, sport en cultuur.
En ook op hulp op het gebied van klimaat, maatschappelijk middenveld
en multilaterale samenwerking wordt flink bezuinigd.
Onder dat laatste valt bijvoorbeeld Unicef;
de VN-kinderrechtenorganisatie wordt door Klever met 50 procent gekort.

Internationale hulp is bewezen
een van de meest effectieve manieren
om welvaart en vrede te creëren.
Het is een strategische investering
in nationale en internationale veiligheid,
en is ook aantoonbaar
nuttiger en kosteneffectiever
dan militaire defensie-uitgaven.

Het verlagen van hulpbudgetten kan op korte termijn geld vrijmaken,
maar in werkelijkheid verzwakt het de invloed van de donorlanden,
ondermijnt het de wereldwijde stabiliteit
en vergroot het de veiligheidsrisico’s.
Het is niet alleen een valse zuinigheid,
maar ook een potentieel gevaarlijke
en contraproductieve beleidswijziging.

Hier zijn tien redenen waarom internationale hulp
zo’n cruciale investering in veiligheid is:

1. Het aanpakken van de grondoorzaken vermindert terrorisme.

Buitenlandse hulp helpt vrede te bevorderen,
armoede te verminderen en ontwikkeling te ondersteunen
in de meest kwetsbare regio’s.
Wanneer landen stabiel zijn,
is de kans kleiner dat ze in chaos vervallen
of broedplaatsen worden voor terrorisme en extremisme.
Door Nederland gefinancierde onderwijsinitiatieven
hebben meer dan 1,5 miljoen gemarginaliseerde meisjes onderwijs geboden,
waardoor de kwetsbaarheid van jongeren
voor extremistische rekrutering is verminderd.
Door de aantrekkingskracht van radicalisering te verminderen,
heeft deze investering bijgedragen
aan het verlagen van de langetermijndreiging van terrorisme
tegen Nederlandse burgers in binnen- en buitenland.

2. Investeren in wereldwijde gezondheid vermindert pandemierisico’s.

Virussen houden zich niet aan grenzen.
Financiering voor de ebola-respons
heeft geholpen wereldwijde uitbraken te voorkomen,
waardoor het risico op dodelijke ziekten
die zich naar Nederland verspreiden, is verminderd.
Op dezelfde manier is door te investeren in vaccinaties
tegen nieuwe stammen van Covid over de hele wereld,
is de eigen pandemieparaatheid versterkt
en de volksgezondheid in eigen land beschermd.

3. Sterkere relaties tussen landen verminderen conflicten.

Steun aan en hulp bij het trainen van politie en overheidsfunctionarissen,
versterkte de diplomatieke banden op de lange termijn
en voorkwam een terugkeer naar instabiliteit
die zich mogelijk over het hele continent had verspreid.
Dit heeft ook geholpen Nederland te positioneren
als een vertrouwde diplomatieke partner,
wat heeft geleid tot handelsovereenkomsten
en politieke allianties die de wereldwijde belangen
van Nederland ten goede komen.

4. Ondersteuning van stabiliteit vermindert gedwongen migratie.

Het wordt nu erkend dat het bouwen van ankers, en niet muren,
de beste strategie is om migratie in te dammen.
Het ontwikkelingshulpprogramma
heeft economische en sociale steun geboden
in landen als Syrië, Libanon en Afghanistan,
waardoor gedwongen ontheemding werd verminderd
en de druk op de Nederlandse grensbeveiliging werd verlaagd.
Door regio’s te stabiliseren die door conflicten zijn getroffen,
is ook Nederland in staat geweest
illegale migratie en de bijbehorende kosten
van grenshandhaving, asielverwerking en noodhuisvesting
te verminderen.

5. Het bevorderen van duurzaamheid
vermindert de schaarste aan hulpbronnen
als gevolg van klimaatverandering.

Ondersteuning van duurzame landbouw- en schone energieprojecten
in Afrika en Azië, waardoor de concurrentie
om afnemende hulpbronnen wordt verminderd
en klimaatgerelateerde conflicten worden voorkomen
die hebben bijgedragen aan het turbulenter maken van de wereld.
Dit heeft niet alleen de wereldwijde stabiliteit verbeterd,
maar ook kansen gecreëerd voor Nederlandse bedrijven
in de sectoren groene energie en duurzame ontwikkeling.

6. Veerkracht opbouwen vermindert internationale criminaliteit en instabiliteit.

Financiering is bijvoorbeeld instrumenteel geweest
bij het stabiliseren van landen,
door hun bestuur te verbeteren,
wetshandhaving op te leiden en criminaliteit en piraterij te verminderen
die niet alleen de internationale scheepvaart
maar ook het toerisme bedreigen.
Als gevolg hiervan hebben Nederlandse rederijen en toeristen
die in de regio reizen minder veiligheidsrisico’s ondervonden,
wat het vertrouwen in door het Nederland
geleide handel en reizen heeft vergroot.

7. Hongersnood en ondervoeding voorkomen vermindert politieke instabiliteit.

Financiering van projecten heeft geholpen
voedselcrises in Oost-Afrika te voorkomen,
waardoor de kans op massale migratie
en conflicten over hulpbronnen is verminderd.
Zonder die investering zou ook Nederland
waarschijnlijk veel meer hebben uitgegeven
aan humanitaire noodhulp en crisismanagement,
wat de kosteneffectiviteit van preventieve hulp aantoont.

8. Sterkere economieën in het buitenland opbouwen creëert kansen.

Handelsgerichte hulp heeft Afrikaanse landen geholpen
stabiele economieën te ontwikkelen,
waardoor handelsmogelijkheden voor Nederland zijn gecreëerd
en de afhankelijkheid van fragiele staten is verminderd.
Sterkere economieën in partnerlanden
betekenen een grotere vraag naar Nederlandse export,
wat ook ten goede komt aan Nederlandse bedrijven en werkgelegenheid.

9. Humanitaire hulp versterkt de wereldwijde invloed van een land.

Het ondersteunen van humanitaire hulp
is belangrijk om de positie van Nederland
als wereldwijde humanitaire leider te versterken
en heeft geleid tot een soft power-voordeel op het wereldtoneel.
Deze goodwill heeft geleid tot sterkere diplomatieke relaties
met belangrijke bondgenoten,
wat de Nederlandse belangen op het gebied
van handel, veiligheid en regionale stabiliteit ondersteunt.

10. Rampenbestrijding bouwt goodwill en strategische partnerschappen op.

Na de aardbeving in Haïti in 2010 heeft Nederland noodhulp verstrekt,
wat de banden met Caribische landen heeft versterkt
en het wereldwijde leiderschap van Nederland
op het gebied van crisisbestrijding heeft laten zien.
Deze inspanningen hebben de rol van Nederland
als betrouwbare partner in tijden van crisis versterkt,
wat heeft geleid tot nauwere
economische en diplomatieke relaties
met landen in het Caribisch gebied.

Kortom:
Als het Westen de hulpfinanciering opzegt,
ontstaat er een zeer significant vacuüm
waarin andere landen zullen stappen.
Rusland heeft bijvoorbeeld al Wagner-huurlingen gestuurd
om te patrouilleren
in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali.
Dit is niet alleen slecht voor de burgers van die gebieden,
maar ook vanuit het perspectief
van de nationale veiligheid van Nederland.
Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn
als Rusland in staat zou zijn
om een brede basis van invloed
en soft power op te bouwen in het mondiale Zuiden.

Met een steeds kwetsbaardere wereld
is dit het instrument dat op dit moment het meest nuttig is
voor de nationale veiligheid internationale hulp.
De toename van conflicten, migratie,
terrorisme en andere vooroorlogse omstandigheden
is direct te wijten aan de impact van armoede
– die nu 44 procent van de wereldbevolking treft, concentratie van rijkdom –
die de kans op financiële crises vergroot, verzwakte handelsroutes
– bijvoorbeeld vanwege de oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten,
en nieuwe handelspolitiek in de VS, en klimaatverandering –
die al die spanningen verergert.
Als Nederland in deze turbulente tijden
een effectieve verdedigingsstrategie wil,
moeten we heroverwegen om onze internationale hulpverplichtingen te verdubbelen,
en ze niet op te geven.

De Veertigdagentijd.
Als christen staat deze periode in het teken
van bezinning op je eigen christenzijn.
Ze staat in het teken van mededogen,
liefde en barmhartigheid delen
en bereid zijn om samen te werken
om het leven van mensen te veranderen.
Hulp aan een medemens is,
die ook geschapen is naar Gods beeld.
Wederkerigheid in ontwikkelingshulp
vindt zijn basis in de ontvankelijkheid
die wij leren van de liefde.
Concreet betekent dit dat wij, gevers,
allereerst zelf leren,
namelijk leren te ontvangen in het geven.
Alleen dan is er werkelijk sprake van wederkerigheid.
Een les in deze Veertigdagentijd.