We zijn doelgerichte wezens. Altijd ergens op uit.
Geluk. Succes. Betekenis.
En als dat doel wordt geblokkeerd? Dan knapt er iets. Dan worden we moe, cynisch, verbitterd.
Dat geldt voor gewone mensen. Maar misschien nog wel sterker voor mensen met een missie. Activisten. Bewegingen. Revolutionairen.
Op papier vechten ze vóór iets groots: vrijheid, recht, een beter klimaat, een zuivere samenleving.
Maar ergens onderweg kan het zomaar kantelen.
Dan wordt de strijd vóór iets een strijd tégen iemand.
Tegen de staat. Tegen “het systeem”. Tegen Israël. Tegen het Westen. Tegen wie er maar tegenover hen staat.
En daar begint de ontsporing.
Want zodra je kompas niet meer “het goede” is maar “de vijand”, verschuift alles. Dan wordt vernederen belangrijker dan verbeteren, veranderen. Dan wordt winnen belangrijker dan recht doen.
De geschiedenis kent genoeg voorbeelden. Zoals de Rote Armee Fraktion, die begon met het ideaal van een rechtvaardiger Duitsland. Maar onder leiding van Andreas Baader werd het: vernietig wat jou vernietigt. Bevrijding maakte plaats voor vergelding.
Of Hamas en PLO waar je ziet hoe een gezamenlijk doel ontaardt in rivaliteit: wie slaat harder toe?
Bij Hezbollah verschoof ook de focus van bevrijding naar machtsbehoud.
Leuk al deze voorbeelden; Maar laten we eerlijk zijn: dit gaat niet alleen over hen. Dit gaat ook over ons.
Paulus schrijft in Romeinen 12:2: “Word niet gelijkvormig aan deze wereld, maar word vernieuwd in uw denken.”
Dat is pijnlijk concreet. Want de wereld denkt in kampen. In wij en zij. In terugpakken wat je is aangedaan. En als we niet oppassen, denken wij precies zo.
Maar de Veertigdagentijd is geen periode van religieuze cosmetica. Het is een mentale verbouwing. Een vernieuwd denken. Een ander kompas.
En dat andere kompas hoor je in Romeinen 12:20-21: “Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten. Als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.”
Dat is geen zachte optie. Dat is frontale botsing met onze instincten.
Wij willen het kwade overwinnen door sterker te zijn. Sneller. Harder. Maar Paulus zegt: pas op. Het kwaad wil maar één ding: dat jij gaat lijken op wat je bestrijdt.
Wraak voelt krachtig. Maar het (ver)vormt je. Het maakt je voorspelbaar. Het maakt je hard.
Vernieuwd denken is iets anders. Dat vraagt dat je je trots inslikt. Dat je niet automatisch terugslaat. Dat je weigert om je identiteit te bouwen op je vijand.
Dat is geestelijke discipline.
Kijk naar leiders die de cirkel van wraak durfden doorbreken, zoals Anwar Sadat, Menachem Begin en Jimmy Carter. Ze maakten geen makkelijke keuzes. Maar ze kozen voor doorbreken in plaats van doorslaan.
Misschien is dat de echte toetssteen, ook in jouw leven. Niet: heb je grote idealen? Maar: hoe reageer je als je wordt tegengewerkt?
Word je gelijkvormig aan de wereld? Of wordt je denken vernieuwd?
God vraagt geen spectaculaire revolutie. Hij vraagt een vernieuwd hart.
Niet: vernietig je vijand. Maar: voed hem als hij honger heeft.
Niet: win de strijd. Maar: overwin het kwade door het goede.
Dat is minder luid. Minder zichtbaar. Maar het maakt de wereld lichter.
En het begint — ongemakkelijk genoeg — bij jezelf.
Generatie Z, ook wel Gen Z of Zoomers genoemd, zijn mensen geboren tussen ongeveer 1997 en 2012. Ze staan bekend als ‘digital natives’ omdat ze zijn opgegroeid met internet en smartphones, wat hun snelle informatieverwerking en aanpassingsvermogen aan technologie verklaart. Belangrijke kenmerken van deze generatie zijn hun aandacht voor sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit, duurzaamheid en authenticiteit, en de focus op persoonlijke ontwikkeling en balans tussen werk en privé. Generatie Z vertoont een opvallende trend van hernieuwde interesse in geloof en de kerk, wat de gebruikelijke trend van afnemend geloof doorbreekt. Deze interesse wordt gedreven door een zoektocht naar zingeving en een onbevangen openheid om tradities te verkennen, vaak via sociale media. ‘Juist in deze tijd met veel onduidelijkheid zijn we op zoek naar standvastigheid.’ wordt dan gezegd. Hoewel er een algemene opleving is, wijzen sommige onderzoeken uit dat Gen Z-mannen vaker kerken bezoeken en dat vrouwen vaker religieus onafhankelijk zijn.
Hoewel Generatie Z zeker een hernieuwde interesse in Jezus toont, distantiëren ze zich tegelijkertijd van de kerk. Dit lijkt misschien een tegenstrijdigheid. Want hoe kan iemand, laat staan een hele generatie, Jezus zoeken zonder zich met de kerk in te laten? Dit fenomeen zou je kunnen beschouwen als een contradictio in terminis, of is dit misschien een opkomende trend?
Avonturier Bear Grylls verwoordde onlangs een sentiment dat, naar mijn mening, precies de essentie van de ‘nieuwsgierigheid naar Jezus’ van Generatie Z weergeeft en hun zoektocht naar betekenis buiten de traditionele kerkelijke context. Zijn woorden wijzen op een diep menselijk verlangen: een authentieke, oprechte en rauwe hoop op iets of iemand die een persoonlijk antwoord biedt op de diepe mysteries van het leven.
Hij zei: ‘Ik wil dat mensen weten dat de Jezus die ik uiteindelijk ontdekte intiem, mooi, sterk, zachtaardig, relevant, levensveranderend en levensverrijkend is. Mensen stellen me de vraag: “Wat trekt je aan in Jezus?” Het is moeilijk, want het is alsof je probeert te zeggen: wat vind je mooi aan het bloed dat door en rond je lichaam stroomt, of aan het water in de woestijn? Het is alsof je probeert te leven zonder dat bloed?’
Ik denk dat een groot deel van deze verschuiving; deze hernieuwde interesse in de persoon van Jezus; terug te voeren is op hoe de coronapandemie ons leven heeft veranderd, en met name dat van Generatie Z. Het droeg bij aan een nieuw en diep gevoel van wanhoop, een crisis van betekenis in alles wat we dachten te weten. Toen de pandemie toesloeg werden dagelijkse routines, zowel religieuze als wereldlijke, doorbroken. Het leven zoals we dat kenden, werd stilgelegd en we moesten buiten die routines kijken en naar wat we dachten te weten en in praktijk te brengen. We zaten vast in onze huizen, vaak alleen en geïsoleerd. Het gaf ons tijd om na te denken. Het creëerde ruimte om grotere, meer existentiële vragen te stellen en de essentie van zingeving en betekenis te verkennen. We werden allemaal gedwongen om het leven en wat we wisten door een nieuwe lens te bekijken. En voor Generatie Z was dit een katalysator.
Opvallend is dat deze bredere trend van hun afwijzing van religieuze instellingen een gepersonaliseerde, authentieke en maatschappelijk relevante spiritualiteit bevordert. Deze trend wordt gekenmerkt door hoe ze onderscheid maken tussen de figuur van Jezus en de instelling, terwijl ze op zoek gaan naar een dieper begrip van Hem via ongebruikelijke middelen. In plaats van bijvoorbeeld in de kerkbanken te zitten, verkennen ze de populaire tv-serie The Chosen en overpeinzen ze de zeer menselijke en eerlijke teksten van nieuwe artiesten zoals Forrest Frank, die beiden een toegankelijke weergave van Jezus bieden.
In een wereld waar digitale perfectie voorop staat, zoekt Generatie Z dus naar iets buiten de traditionele kerk, iets authentieks, een oprechte verbinding met iets reëels, iets voorbij deze tastbare wereld. Jezus vertegenwoordigt voor hen deze authenticiteit, iemand bij wie ze terechtkunnen met vragen en antwoorden kunnen vinden die mogelijk hun diepste nieuwsgierigheid bevredigen: Waarvoor zijn wij op aarde? Wat doen we? Is er meer?
Het interessante aan deze postchristelijke generatie is dat ze het geloof niet opgeven of spiritueel apathisch worden, zoals velen zouden vermoeden; Hun verkenning is eerder een oprechte reis naar een oprecht geloof, waardoor sommigen hen beschouwen als de meest spirituele, niet-religieuze generatie tot nu toe.
Deze toename van nieuwgierigheid betekent niet dat het christendom zijn relevantie verliest. Integendeel, het bewijst dat er iets nieuws, iets rauws, opkomt en een verschuiving in het spirituele landschap veroorzaakt. Het herdefinieert labels en verandert oudere definities die misschien niet meer passen. Het onderliggende menselijke verlangen blijft een constante: een zoektocht naar een diepere betekenis in het leven.
Als we kijken naar deze generatie en haar oprechte onderzoek naar de diepere dingen, zien we een spirituele vernieuwing, een schijnbare wereldwijde opleving, ongekend in de afgelopen decennia binnen een postchristelijke samenleving. Sommigen noemen het de Stille Opwekking. Generatie Z wil niets veinzen. Ze ‘willen het gewoon uitzoeken’. Ze zijn op een ware zoektocht. Centraal in hun reis staat Jezus, niet religie en niet de kerk.
Het is een zoektocht naar iets ongrijpbaars, iets onmeetbaars. om die te vinden, te zien en te kennen. Op zoek naar wat Paulus in Romeinen 1 vers 20 Gods onzichtbare dingen noemde: Zijn eeuwige kracht en goddelijke natuur, die duidelijk zichtbaar zijn in de schepping. Dit betekent dat hoewel je God niet direct kunt zien, je zijn eigenschappen kunt leren kennen door naar de zichtbare wereld te kijken.
In 1959 zong Pete Seeger het legendarische lied Turn! Turn! Turn! met de iconische zin uit de Bijbel ‘To every thing there is a season, and a time to every purpose under the heaven.’ (Prediker 3)
Omdat komend weekend Nederland de wisseling maakt van zomer- naar wintertijd leek het mij toepasselijk om een webpost te wijden aan de wisseling van zomer naar herfst.
Want het begin van de herfst kan twee verschillende emoties aanboren. Je kunt je somber worden gaan voelen naarmate de nachten lengen en het ’s ochtends killer begint te worden, of je wordt juist vrolijk en wijst naar de kleurende bladeren en de schoonheid van een vroege avondlucht bewonder.
Voor mij is er iets betoverends aan de herfst, het voelt zelfs meer als een ‘nieuw jaar’ dan januari, maar voor anderen is het slechts een teken dat de winter nabij is en de zomervakantie een verre droom.
We hebben allemaal onze voorkeuren, maar voor sommigen kan het begin van een nieuw seizoen ziekte veroorzaken, zoals in het geval van een seizoensgebonden stemmingsstoornis, die, hoewel meestal in de wintermaanden, mensen juist ook in de zomermaanden kan treffen.
Uiteindelijk brengt elk seizoen zijn eigen unieke vreugde en verdriet met zich mee, waarvan sommigen genieten en anderen het maar doorstaan, het belangrijkste is dat we deze verschillen accepteren en een manier vinden om door de veranderingen heen verbinding te maken.
Het is iets wat we ook zien in de manier waarop de kerk door het jaar reist. Soms ook wel het liturgische jaar genoemd, waarbij de seizoenen veranderen en de focus ligt op een ander deel van het verhaal uit de Schrift.
De herfst is de tijd waarin de oogst wordt gevierd, waarin we onze dankbaarheid uiten voor de natuur en hoe deze voorziet in alles wat leeft.
Of het nu meteorologisch of theologisch is, het volgen van het ritme van de seizoenen geeft ons de mogelijkheid om niet alleen samen te vieren, maar ook om te leren hoe we goed kunnen lijden en samen kunnen rouwen.
In het kerkelijk jaar worden de periodes van viering, zoals Kerst en Pasen, voorafgegaan door periodes van bezinning en rouw. Advent wordt gekenmerkt door het wachten van Gods volk op het licht van de wereld d at door de duisternis heen breekt, terwijl de vastentijd de gelegenheid biedt om vergeving te zoeken en te rouwen om alles wat er mis is in de wereld en in onszelf. Deze seizoenen volgen het verhaal van Jezus’ leven, dood en opstanding ; soms resonerend met onze eigen levensfasen en soms pijnlijk contrasterend.
In de Bijbel staat een boek genaamd Prediker, geschreven door een onbekende persoon die Kohelet of ‘leraar’ wordt genoemd. Hij spreekt over ‘een tijd voor alles onder de zon; er een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven… een tijd om te huilen en een tijd om te lachen.’
Het herinnert ons eraan, terwijl we de seizoenen volgen, dat er in het menselijk leven en geloof ruimte is voor al onze emoties. We zien het in de verscheidenheid aan emoties die niet alleen in bijvoorbeeld de Psalmen tot uiting komen, maar ook in Jezus’ eigen leven.
En het vermogen om samen te komen en deze seizoenen voor God te markeren, zelfs als ze verschillen van wat we persoonlijk ervaren, is iets wat ons samenbrengt. Het herinnert ons eraan dat, ondanks alle maalstroom van emoties en veranderingen die het leven met zich meebrengt, er een soort cadans door elk seizoen klinkt: we zijn geliefd door God en vanuit diezelfde liefde hebben we elkaar lief.
De wisseling van de seizoenen kan een veelheid aan herinneringen en emoties oproepen, maar als we het toelaten, kan het ook dienen als een oproep om samen te komen en ons door liefde te laten leiden. We kunnen leren doen wat de apostel Paulus de vroege kerk in Rome opdroeg: ‘Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft.’ (Romeinen 12)
Welke kant je ook kiest in het Israël-Gazaconflict; de verhalen die je hoort en leest kunnen niet anders dan een gevoel van wanhoop oproepen. Beelden van uitgehongerde kinderen, het lot van Joodse gijzelaars die nog steeds in het duister gehuld zijn; hoe dan ook, dit blijft een plek van onvoorstelbaar lijden. En ondertussen blijven de bommen vallen, sterven er mensen en behoudt Hamas zijn macht.
Onder Israëls vrienden gonzen stemmen van een radicale oplossing voor het probleem van Gaza. Het plan van Donald Trump was om het gebied met de grond gelijk te maken, 50 miljoen ton puin te verplaatsen en de bevolking te verplaatsen naar buurlanden om de ‘Riviera van het Midden-Oosten’ te bouwen in wat tot nu toe Gaza was. Het plan werd misschien met enige hilariteit ontvangen toen de video werd uitgezonden, maar het gaf velen in Israël de kans om soortgelijke gedachten te koesteren.
Laten we als voorbeeld de Israëlische minister Bezalel Smotrich van Financiën nemen: Hij beweerde onlangs dat na de Israëlische operatie ‘Gaza volledig verwoest zal worden’ en dat de Palestijnse bevolking ‘in groten getale naar derde landen zal vertrekken’.
Velen in Israël lijken te denken dat de koppige, door Hamas geteisterde vijand die naast hen woont, uitgeroeid moet worden. Vanuit het perspectief van een bevolking die decennialang conflict beu is, die vreest dat er nooit vrede zal komen zolang Hamas in Gaza blijft, en die zich realiseert hoe moeilijk het is om de islamitische terreurgroep uit te schakelen terwijl de Palestijnse bevolking daar blijft, kun je de aantrekkingskracht van deze radicale oplossing begrijpen.
De Israëliërs hebben echter misschien goede redenen om voorzichtig te zijn. En dat is geen advies van hun tegenstanders, maar van hun eigen geschiedenis.
Begin jaren 130 na Christus werd de andere kant op geschoven. Het was het machtige, ‘heidense’ Romeinse Rijk dat heerste over hetzelfde stuk land, dat ze al snel Palestina zouden noemen. Joden vormden een minderheid, maar ze grepen terug naar hun lange wortels in het land, de tijd van Jozua en koning David, en zelfs recenter naar het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën zo’n 200 jaar eerder. Dat was de laatste keer vóór de moderne staat Israël dat Joden de controle over het land hadden.
De toenmalige keizer Hadrianus samen met zijn gevolg door Jeruzalem trok in 130 na Christus. Hij begon de stad te ‘ontjoodsen’ en richtte standbeelden op van goden en keizers, die allemaal aanstootgevend waren voor de Joodse gevoeligheden. De smeulende wrok barstte al snel los met een opstand onder leiding van een felle en vastberaden Joodse strijder, Bar Kochba. Dit was de tweede Joodse opstand na de eerdere in de jaren 60, die had geleid tot de verwoesting van de grote Joodse Tempel in Jeruzalem door Titus, onder het bewind van keizer Vespasianus in 70 na Christus. Voor de Romeinen was één opstand misschien nog net te tolereren, maar twee was te veel.
Hadrianus kwam vervolgens tot dezelfde conclusie als Bezalel Smotrich: een opstandig gebied moest van de kaart worden geveegd, hoewel dit keer Jeruzalem moest worden geëlimineerd, niet Gaza. De Joodse bevolking zou verspreid worden, de naam zou worden uitgewist en herinneringen aan vervlogen glorie zouden voorgoed worden begraven.
En zo kwamen in 135 na Christus de ‘bulldozers’. Jeruzalem werd feitelijk met de grond gelijk gemaakt en op de ruïnes ervan werd een Romeinse stad gebouwd: Aelia Capitolina was de nieuwe naam, een kleinere stad dan het oorspronkelijke Jeruzalem, maar decadent gebouwd rond de verering van Griekse en Romeinse goden, met prachtige poorten, heidense tempels, een klassiek ‘Romeins’ Forum Romanum en uitgestrekte straten met zuilen. Niet bepaald de Rivièra van het Midden-Oosten, maar misschien wel Las Vegas. ‘Jeruzalem’ werd van de kaart geveegd.
In het midden van de heilige Joodse Tempelberg richtte Hadrianus een standbeeld van zichzelf op. Hij plaatste opzettelijk een standbeeld van Aphrodite op de plek waar de vroege christenen beweerden dat de dood en opstanding van Jezus hadden plaatsgevonden: de plaats waar nu de Heilig Grafkerk staat. Besnijdenis werd verboden, veel Joden werden vermoord en de overgeblevenen werden uit de stad verbannen en verspreid over alle plekken waar ze maar onderdak konden vinden. Sterker nog, de kaart van de Oude Stad van Jeruzalem wordt vandaag de dag nog steeds gekenmerkt door dit ontwerp, met de twee belangrijkste straten van Hadrianus die ten zuiden van de Damascuspoort afbuigen, met archeologische overblijfselen van de Romeinse stad die nog steeds zichtbaar zijn voor bezoekers.
Maar natuurlijk werkte dit verdonkeremanen niet: Niemand noemt het tegenwoordig nog Aelia. De gehechtheid van mensen aan land gaat diep. De Joden konden hun wortels in dit stukje aarde niet vergeten. Zoals de schrijver Simon Sebag Montefiore het verwoordde in zijn boek ‘Jeruzalem‘: ‘Het Joodse verlangen naar Jeruzalem wankelde nooit’. De Joden baden drie keer per dag gedurende de volgende eeuwen: ‘Moge het Uw wil zijn dat de tempel spoedig in onze dagen herbouwd wordt.’
De Palestijnse gehechtheid aan land is net zo sterk. Bijna 80 jaar na de oprichting van de staat Israël in 1948 klampen families zich nog steeds vast aan de sleutels van hun huis die hen in die traumatische periode zijn afgenomen. Net als het Joodse verlangen naar Jeruzalem, hebben ook zij, net als mensen over de hele wereld, een diepe verbondenheid met hun voorouderlijke land, dat teruggaat tot de ‘Arabieren’ die genoemd worden in het boek Handelingen, tot wie Petrus predikte (Handelingen 2,11-12) in de begindagen van de christelijke kerk.
Besluiten van verre heersers zoals keizer Hadrianus of president Trump lijken misschien nette oplossingen voor hardnekkige problemen. Maar ze werken zelden op de lange termijn.
De beroemde Bijbelse aansporing ‘oog om oog, tand om tand’ was niet bedoeld als aanmoediging tot geweld, maar juist het tegenovergestelde. Het was bedoeld om een grens te stellen aan de ontwikkeling van bloedwraak, die, uit woede en trauma, zo gemakkelijk tot onevenredige reacties en eindeloze vetes kon leiden. Paulus schreef in Romeinen 12: ‘Beste vrienden, neem geen wraak op anderen. Laat het straffen over aan God. Want in de heilige boeken zegt God: “Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.”’. Zo herinnerde hij zich een oude Joodse wijsheid die grenzen stelde aan het menselijk vermogen om hardnekkige problemen met geweld op te lossen. Hij kende een betere manier: ‘Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’
Eigenlijk zijn er maar vier manieren om om te gaan met buren die lastig blijken te zijn: je kunt proberen ze te controleren, ze te laten vluchten, je kunt ze doden, of je kunt politiek bedrijven.
De drie eerste manieren zijn echter geen begaanbare weg De enige manier is het conflict via de politieke manier op te lossen. Met andere woorden, probeer een vorm van gemeenschappelijk leven te bewerkstelligen, zoals dat uiteindelijk gebeurde in Noord-Ierland, Zuid-Afrika en zoveel andere plaatsen waar langdurige conflicten heersen.
Politiek, het leren samenleven over verschillen heen, is rommelig, ingewikkeld en is hard werken. Vooral wanneer er diepe pijn uit het verleden is. Maar zoals het mislukken van Hadrianus’ radicale oplossing aantoont, is er op de lange termijn geen echt ander alternatief.
Door de nauwe straten van Jeruzalem wringt zich een groep Romeinse soldaten. Ze begeleiden drie veroordeelden die vandaag nog gekruisigd zullen worden. Twee naamloze misdadigers en een zekere Jezus, die zichzelf heeft laten ‘kronen’ tot koning van de Joden. Aangekomen op de plek die Schedelplaats – die Golgotha heet … doen zij hun werk. Met touwen en grote draadnagels maken ze de drie veroordeelden vast aan hun kruis. Wat kan het hen ook schelen. ‘Bevel is bevel’. En als dank voor de door hen verleende diensten verdelen zij de kleren van de kruiselingen. Eén is er zo gelukkig om het naadloos geweven kleed van Jezus te winnen. Wat zou hij er mee gedaan hebben?
Golgotha, Schedelplaats. Die naam had deze heuvel vermoedelijk te danken aan zijn vorm. Volgens een oude Joodse legende was hier – na de zondvloed – de schedel van Adam begraven. Adam, de eerste mens, die in opstand was gekomen tegen God. God had hem daarom verbannen uit het paradijs. Op deze plaats – even buiten de muren van de stad Jeruzalem – waar men aannam dat de schedel van de eerste mens begraven was, opent Jezus, de tweede Adam, weer de toegang tot het paradijs. Aan weerszijden van de gekruisigde Jezus hangen twee misdadigers. Het zijn Zeloten. In Jezus’ tijd Sikariërs genoemd. Dolk-mannen. Zij hoorden tot een groep van ondergrondse verzetsstrijders die met hun messen en dolken alles wat Romeins of Romeins-gezind was … van het leven probeerden te beroven. Zij vochten voor een koninkrijk zonder de gehate Romeinen: een paradijs op aarde. Daarom werden zij door hun Joodse volksgenoten op handen gedragen. Bar-Abbas was hun populaire leider. Wanneer het gebeurd is vertelt de evangelist Lucas ons niet, maar de ogen en het hart van één van deze beide misdadigers zijn opengegaan voor Wie Jezus is. Hij heeft begrepen dat Jezus hier onschuldig aan zijn kruis hangt. Hij heeft gezien hoe Jezus aan het kruis de plaats ingenomen heeft van Barabbas, hun aanvoerder. Hij heeft geluisterd naar de woorden van Jezus: de messias, de koning van de Joden. Daarom verdedigt hij Jezus tegenover zijn collega: ‘Wij worden terecht gestraft: het is ons verdiende loon. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’(Lucas 23: 41) En hij voegt eraan toe: ‘Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.’ (Lucas 23: 42) Hij gelooft het! Hij gelooft in de koninklijke macht van Jezus! Hij gelooft dat Jezus de werkelijke Verlosser, de langverwachte Bevrijder is. Hij gelooft dat met Jezus het koninkrijk op aarde komt! En dat is zonder meer een wonder. Want menselijkerwijs gezien is het een dwaasheid om nog iets van Jezus te verwachten. Ten dode opgeschreven is Hij. Nu kende men in de tijd van Jezus drie betekenissen van het woord ‘paradijs’: • het verloren paradijs van Adam – de eerste mens – uit Genesis. • Dan was er het paradijs van de eindtijd (denk maar aan het Bijbelboek Openbaring). • En tenslotte kende men het paradijs als de plaats waar de gestorven gelovigen verblijven.
In die laatste betekenis gebruikt Jezus nu aan het kruis het woord ‘paradijs’. Het is de plaats van het eeuwige leven tegenover de plaats van de eeuwige dood in de Gehenna, de hel. Bewogen als Hij is met deze tot geloof gekomen misdadiger belooft de gekruisigde Jezus hem zelfs meer dan hij vraagt. Jezus zal niet alleen dénken aan hem, Jezus zal bíj hem zijn, en hij bij Jezus.
Heden, vandaag nog! Zelfs de dood kan hen niet meer van elkaar scheiden. Zo ontvangt deze vrijheidsstrijder in zijn stervensuur … het Léven!
En wij?
Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan. Het zijn bewogen woorden. Woorden die ons in beweging zetten. Want dat koninkrijk, dat paradijs dat door Adam was verloren geraakt, wordt hier aan het kruis ook voor ons door Jezus weer ontsloten. Wie berouw toont, zijn schuld erkent en onvoorwaardelijk in Jezus als zijn Redder gelooft … mag met Hem mee naar binnen. Die mag voor eeuwig leven in het ‘paradijs’. Het kruis van Jezus is voor ons de ‘boom van het Leven’ geworden.
Dat is het geheim van dit tweede bewogen kruiswoord!
Hoewel gemiddeld gezien de betrokkenheid van jongeren bij de traditionele politiek laag is, zijn hun politieke voorkeuren verschoven. In de afgelopen twee decennia is deze lichtjes naar het centrum-links opgeschoven, terwijl oudere generaties meer naar het centrum-rechts neigen. Tegenwoordig is leeftijd een sterkere voorspeller van stemgedrag dan sociale klasse, wat een dramatische verschuiving is ten opzichte van voorgaande decennia. Hoewel jongeren over het algemeen liberaler zijn zijn ze ook radicaler in hun ontevredenheid, en daar schuilt het echte gevaar.
Wanneer jongeren zich niet gehoord voelen, trekken ze zich niet alleen terug, ze gaan ook op zoek naar alternatieven. Hun frustratie heeft hen vatbaar gemaakt voor radicale ideeën en ‘sterke verhalen’ (lees ook: [online] desinformatie). We worden dan geconfronteerd met specifieke bedreigingen die ons democratisch systeem kunnen ondermijnen en verzwakken en die ook in directe tegenspraak zijn met fundamentele christelijke principes. Omdat we toegewijd zijn aan kernwaarden, staan we samen tegenover deze bedreigingen. Jezus noemde vredestichters ‘gezegend’ en verklaarde hen ‘kinderen van God’ (Mattheüs 5,9). In plaats van conflicten te zaaien en wantrouwen te zaaien, worden christenen opgeroepen ‘in vrede met iedereen te leven’ (Romeinen 12,18). In deze geest wordt christenen gevraagd om samen te werken met individuen en instellingen – religieus of seculier – om te werken aan het algemeen belang en aan de realisatie van een rechtvaardigere wereld in vrede. Omdat elk mens van gelijke waarde en waarde is voor God, moeten we elke poging om gelijke deelname aan onze democratie te beperken, te onderdrukken, te intimideren of te ondermijnen verwerpen. Transparante en eerlijke verkiezingen zijn hiervoor noodzakelijk.
Terwijl eerdere generaties mensen zich richtten op activisme van onderop, protesten en maatschappelijke betrokkenheid, is de kans groter dat de huidige jongere wordt beïnvloed door leiders die ze online kunnen volgen die duidelijke, zelfverzekerde en vaak extreme kritiek op het systeem leveren.
Het resultaat? Ondanks sterke voorbeelden van positief activisme die democratische middelen hebben gebruikt om een positief verschil te maken, is er een groeiend aantal jongeren dat democratie als zwak en ineffectief ziet, en dictatuur als sterk en beslissend.
Maar er is hoop. Door jongeren direct te betrekken, is er een kans om de lijn te veranderen. Dat kun je doen door een stem te geven aan leeftijdsgenoten die laten zien wat het betekent als je democratie opgeeft. Eén van de krachtigste stemmen is Sophia, een onlangs 18-jarige Oekraïense vluchtelinge, die sprak over haar ervaringen tijdens de oorlog. Ze vertelde haar verhaal over hoe ze gescheiden werd van haar vader die in Oekraïne vocht voor democratie. Ze vertelde hoe Oekraïners vechten – niet alleen met wapens, maar met hun leven – voor de democratie die jongeren zo graag willen opgeven. Haar boodschap was simpel: ‘Je weet niet hoe gelukkig je bent.’ Ze daagde hen uit om democratie niet te zien als een kapot systeem, maar als een systeem dat hun deelname vereist om te werken. Wanneer jongeren echte verhalen horen, van echte mensen, beginnen ze de gevolgen te zien van de keuzes waarmee ze flirten.
Dus wat kan er gedaan worden? Hier zijn drie cruciale stappen.
• Maak politiek relevant Jongeren geven wel degelijk om kwesties als klimaatverandering, geestelijke gezondheid en sociale rechtvaardigheid. Maar ze worden afgeschrikt door bureaucratie, moddergooien en slepende tijdschema’s. Door tijd te nemen om ze de processen uit te leggen, ze te betrekken bij de campagnes en de toegankelijkheid tot politiek te verbeteren en het verschil te benadrukken dat ze kunnen maken, kunnen we ontdekken dat deze groep de grootste troef van de democratie kan worden.
• Herstel het vertrouwen in leiderschap Schandalen en oneerlijkheid hebben jongeren cynisch gemaakt. We hebben leiders nodig die transparant, verantwoordelijk en bereid zijn om te luisteren. We hebben partijen nodig die doen wat ze in hun partijprogramma beloven. We hebben parlementariërs nodig die toegewijd zijn om tijd door te brengen met de jongeren die ze geacht worden te vertegenwoordigen, zodat vertrouwensrelaties weer mogelijk worden geacht.
• Geef jongeren macht Er zijn initiatieven, zoals interactieve live-bijeenkomsten die één simpele waarheid bewijzen: als jongeren zich gehoord voelen, doen ze mee. Als ze geïnspireerd worden, doen ze mee. Als ze de macht krijgen om deel te nemen aan het politieke proces, doen ze mee. Misschien als we meer ruimte creëren waar ze kunnen spreken, leiden en handelen, zullen ze naar voren stappen om de toekomst vorm te geven.
Nee, de geschiedenis laat zien dat democratie nooit gegarandeerd is: elke generatie moet ervoor vechten en het moet beschermd worden. Het vereist ook voortdurende inspanning om ervoor te zorgen dat het alle gemeenschappen dient zonder zondebokken, vervolging of marginalisering. En de geschiedenis waarschuwt ons dat de meeste dictators zonder democratie snel tirannen worden. Het democratische leven vereist pluralisme. Elke regel en elk beleid dat welke groep mensen, inclusief christenen, boven anderen verheft door hen speciale rechten en privileges te verlenen moet worden verworpen Omdat vrede en stabiliteit kenmerken zijn van een gezonde democratie, moet de toenemende vloedgolf van gewelddadige taal en gedragingen, waaronder gewelddadige bedreigingen en acties tegen overheidsdienaren en medeburgers worden tegengegaan.
De uitdaging waar we voor staan is urgent, maar we moeten mensen helpen de macht te herkennen die ze hebben om hun wereld vorm te geven, voordat ze die overgeven aan leiders die die macht van ons allemaal zouden afpakken.
Dit is om maar Bijbelse taal te gebruiken, een kairos-tijd – een beslissend moment in de tijd, waardoor gebeurtenissen voor komende decennia, ja, zelfs voor generaties die nog komen, kunnen veranderen. We moeten opkomen voor de toekomst van de democratie. We moeten cynisme, apathie en angst weerstaan; ons terugtrekken brengt alleen het risico met zich mee dat de macht in handen komt van degenen die er misbruik van zouden maken. We kunnen de democratie niet transformeren tenzij we haar redden. Als christenen zijn we mensen van hoop. De opstanding van Jezus Christus getuigt krachtig dat het leven de dood overwint en dat wat komen gaat veel beter is dan wat er is;
‘Ook al val je ’s avonds huilend in slaap, ’s ochtends sta je juichend weer op.’(Psalm 30,6) Met vertrouwen op Gods blijvende zorg moeten we alle christenen en mensen van goede wil oproepen om samen te werken de democratische geest te doen herleven en de democratie te verbeteren.
Vandaag is het Valentijnsdag: hét grote westerse feest van de ‘romantiek’, de ‘liefde’ de ‘geliefden’.
Maar wiens dag is dit nu?
Valentijn, of Valentinus, was een martelaar uit de derde eeuw. Sommige legendes beweren dat zijn geloof op de proef werd gesteld door een plaatselijke rechter, die zijn blinde dochter voor Valentijn bracht en eiste dat hij haar zou genezen. Dat deed hij. De rechter en zijn hele huishouden namen afstand van hun heidense afgoden en werden gedoopt. Dit – in sommige ogen – schandalige incident, en verdere hinderlijke evangelisatie, leidde ertoe dat keizer Claudius beval dat Valentijn werd geëxecuteerd. Een andere legende beweert dat hij een Romeinse priester was die keizerlijke bevelen trotseerde en in het geheim met Romeinse soldaten trouwde volgens een christelijke ritueel, waardoor de soldaten aan verdere dienstplicht konden ontkomen.
Ik neem aan dat deze laatste legende ertoe heeft geleid dat Valentijn werd aangenomen als beschermheilige van hartvormige chocolaatjes – dat en het middeleeuwse idee dat de vogels midden februari zouden paren.
Hoe dan ook, ik ben niet geïnteresseerd in de legendes over Valentijn, hoe vermakelijk ze ook zijn. Het maakt me niet uit of hij in het geheim koppels trouwde, of blinden genas, of een vroege dating-app voor vogels pitchte.
Hij was een martelaar.
Martelaarschap is een concept waar we tegenwoordig niet meer zo bekend mee zijn. Oké , het is nog steeds een woord in de volksmond: We noemen mensen een ‘echte martelaar’ als ze zichzelf straffen door werk te doen dat niemand van hen verwacht of wil. We noemen iemand een ‘martelaar voor de zaak’ als ze zichzelf vastlijmen op een snelweg, of worden gearresteerd voor het vernielen van een schilderij met soep. Dit is géén martelaarschap.
Het ware martelaarschap is een daad van romantisch verlangen. Het ware martelaarschap is een daad van liefde!
Een van de vroegste verslagen van christelijk martelaarschap komt van Ignatius, de bisschop van Antiochië. Ergens halverwege de tweede eeuw werd hij ter dood veroordeeld en onder bewaking naar Rome vervoerd. Tijdens zijn reis schreef hij brieven aan verschillende christelijke gemeenschappen, waaronder een aan de kerk in Rome. Het verslag van het martelaarschap in deze brief is zowel verbazingwekkend mooi als de sleutel tot het begrijpen van het martelaarschap. Hij schrijft deels om de christenen van Rome te smeken hem niet te redden van zijn lot, noch door geweld noch door omkoping.
Hij wenst zijn martelaarschap en legt uit waarom. Hij schrijft dat hij in dit lijden ‘…een discipel begint te worden.’ Hij vergelijkt zijn ongelukkige situatie met de ‘weeën’ die hem nu overkomen en doet dan een opmerkelijke bewering: hij staat niet op het punt te sterven, maar staat op het punt echt te leven!
‘Geef mij dit, broeders: weerhoud mij niet van het leven; wens niet dat ik sterf… Laat mij het zuivere licht ontvangen; als ik daar ben aangekomen, zal ik een mens zijn.’
Sommigen die alleen de vreselijke, pijnlijke, grijpende aard van het martelaarschap kunnen zien – en het is een zegen dat we leven in een tijdperk en een land waar we elkaar niet doden vanwege ons geloof – hebben gesuggereerd dat Ignatius óf een showman óf een gek was. Ik ben het daar niet mee eens. Ignatius wil niet gemarteld worden omdat hij een naam voor zichzelf wil maken, maar omdat hij begrijpt dat hij in het martelaarschap één wordt met de enige ware martelaar: Jezus Christus.
Misschien was hij gek… hij was smoorverliefd op Christus! Hij verlangde ernaar verenigd te worden met Christus, hij verlangde ernaar zo dicht mogelijk bij Jezus Christus te zijn: ‘Ik verlang naar het brood van God, dat is het vlees van Jezus Christus… en als drank verlang ik naar zijn bloed, dat is onvergankelijke liefde.’ Hij verlangde naar Jezus boven alles, zelfs boven zijn eigen leven.
Martelaarschap, op deze manier gezien, is een waarlijk ‘romantische’ daad – een daad van iemand die zo verlangend is naar, zo waarlijk, krankzinnig, diep verliefd op Jezus, dat ze alles zullen geven voor Jezus’ wil. Martelaren laten ons het echte patroon van liefde zien: het offer van onszelf voor het welzijn van een ander. Dit is de les die Jezus zijn discipelen leerde: ‘Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.’ In het leven en de dood van de martelaar zien we deze echte liefde gemanifesteerd, en het is niet onbeantwoord maar volledig beantwoord. Jezus verlangt naar ons en sterft voor ons, en de martelaar verlangt naar Jezus en sterft voor hem. Zoals Ignatius aan de Romeinen schrijft: ‘Verlang ernaar, opdat ook u begeerd mag worden.’
Dit is de les die elk stel, naarmate ze groeien in hun leven en hun liefde samen, langzaam leert. Als we romantiek en liefde zoeken, proberen we niet te veranderen, of te controleren, of plezier te halen uit de ander als object; we proberen onszelf vrij en volledig aan hen te geven, in de vreugde van dienstbaarheid en opoffering. Op onze kleine manier, wanneer we ons wagen aan het grote mysterie van de ‘romantiek’, proberen we zelf martelaren te zijn – martelaren voor degene van wie we houden.
Valentijn was een man van oprechte liefde, want hij was een martelaar. Er is geen grotere reden om een beschermheer te zijn van de passie, van zaken van het hart, van romantische liefde.
De enorme overvloed van beloftes en getekende decreten in de eerste paar dagen van de nieuwe regering van president Donald J. Trump gingen als een ongekende storm over de wereld.
Wanneer een nieuwe regering de macht overneemt, is het gebruikelijk om een noot van hoop voor de toekomst te laten horen, de natie te verenigen, voorzichtig te anticiperen op een nieuwe dageraad, te beloven het beste voor het volk te doen, enzovoorts. Toch was Trumps toespraak optimisme ‘on steroids’. Hij kondigde het begin aan van een ‘Gouden Eeuw’ voor Amerika. ‘Vanaf deze dag’, stelde hij, ‘zal ons land bloeien en weer overal ter wereld gerespecteerd worden. We zullen de afgunst van elke natie zijn en we zullen niet langer toestaan dat we worden uitgebuit.’
Elon Musk, zijn partner in crime, ging nog verder. Musk zei dat de tweede periode van de regering Trump ‘splitsing in de weg van de menselijke beschaving wordt.’ Als gevolg van de Republikeinse kiezers, ‘werd de toekomst van de beschaving veiliggesteld’, terwijl hij uitkeek naar een dag waarop de sterren en strepen (de Amerikaanse vlag) zelfs op de planeet Mars zouden worden geplant.
Er is een dun lijntje tussen hoop en arrogantie. Veel commentatoren hebben deze sombere vooruitzichten vergeleken met het optimistische optimisme van de Republikeinen.
Hoop verheft de geesten van mensen. Het geeft een gevoel van mogelijkheden en wijst op een onbekende maar stralende toekomst. Paulus vraagt: ‘Wie hoopt op wat hij kan zien?’ (Romeinen 8,24) Hoop erkent dat de toekomst niet volledig in onze handen ligt, dat gebeurtenissen – en onze eigen koppigheid – de best voorbereide plannen kunnen dwarsbomen. Het weet dat de toekomst onzeker is en gelooft toch, vanwege het simpele vertrouwen dat de wereld uit goedheid is ontstaan en met goedheid zal eindigen, dat de toekomst soms ondanks, in plaats van dankzij, onze inspanningen stralend is.
Hubris (Grieks: hoogmoed) is echter wanneer het menselijk vertrouwen in overdrive gaat. In de klassieke wereld zagen schrijvers als Hesiodos en Aeschylus hubris als het gevaarlijke moment waarop een sterveling beweerde gelijk te zijn aan, of beter dan, een god.
Phaëthon was een tienerjongen die dagelijks met zijn zonnewagen racete, een zoon van de zonnegod Helios. Hij nam op een zekere dag de strijdwagen van zijn vader en dacht dat hij beter kon sturen dan zijn bejaarde pa, hij reed te snel, te dicht bij de aarde, verbrandde deze en verdiende zo een kenmerkende bliksemschicht van Zeus voor zijn moeite. Arachne kon buitengewoon goed weven en zij maakte een doek mooier dan dat van Athena, de godin van alle wevers.
En natuurlijk, de beroemdste van allemaal, Icarus, hij maakte voor zichzelf een paar vleugels, zweefde net iets te hoog naar de zon, en zo smolt de was die de vleugels bij elkaar hield, en stortte in de zee als een uitgebrande satelliet, en zonk vervolgens in de donkerblauwe diepten van de uitgestrekte oceaan.
De kerstboom is allang weer afgetuigd, het weer is grijs en nat, (en voor sommigen: de nieuwe regering Trump treedt vandaag aan) het leven is wéér duurder geworden, en we hebben onze nieuwjaarsvoornemens waarschijnlijk al gebroken; ja, januari lijkt veel uit te moeten leggen!
Zozeer zelfs dat deze maandag, de derde maandag in januari zelfs Blue Monday is genoemd – de meest deprimerende dag van het jaar.
Het idee is een marketingtool en ontwikkeld met behulp van een wiskundige vergelijking die rekening houdt met alle elementen van de ellende in januari… En de remedie? Een zonnige vakantie boeken.
Het klinkt logisch, nietwaar? Voelen we ons niet allemaal een dip in de donkere koude dagen midden in januari?
Maar het probleem is dat Blue Monday is gebaseerd op een nogal wankele pseudowetenschap die puur is bedacht voor een reisorganisatie om hun zomervakanties te verkopen. In de vergelijking zijn de eenheden niet gedefinieerd en kan de formule niet worden geverifieerd, waardoor deze effectief nutteloos is.
Desondanks heeft het idee van Blue Monday onze verbeelding en onze aandacht gevangen; wat betekent dat het idee is blijven hangen, ook al is het niets meer dan een marketingcampagne die al in 2005 is geschreven. Het idee is blijven hangen omdat het logisch is.
En we willen graag onze gevoelens begrijpen, toch? Als we een specifieke reden kunnen aanwijzen waarom we ons somber of ongemotiveerd voelen, voelen we ons minder alleen. Misschien is dat de reden dat het idee van Blue Monday al twintig jaar bestaat.
Voor sommigen kunnen de seizoenen een tastbaar effect hebben op de geestelijke gezondheid, en tot wel drie procent van de mensen leeft met ‘ernstige winterdepressie’ en gimmicks als Blue Monday riskeren de verzwakking van een seizoensgebonden affectieve stoornis te bagatelliseren.
Zelfs voor degenen onder ons die niet met seizoensgebonden psychische aandoeningen leven, hebben we verschillende behoeften afhankelijk van de seizoenen. Onze energiebalans kent het hele jaar door een soort eb en vloed: het is natuurlijk om in een rustiger tempo te willen leven tijdens de donkere wintermaanden; veel mensen slapen en eten meer als we kortere dagen en langere nachten hebben.
Emotioneel zullen we ook seizoenen hebben waarin we het leven net zo levendig ervaren als de lente en andere seizoenen waarin we ons willen terugtrekken en de behoefte voelen om te rouwen om onze verliezen terwijl de zaden zich onder de grond verstoppen, weg van de kou, wachtend om te bloeien.
Iemand schreef eens: ‘Planten en dieren vechten niet tegen de winter; ze doen niet alsof het niet gebeurt en proberen niet hetzelfde leven te leiden als in de zomer. Ze bereiden zich er op voor. Ze passen zich aan. Ze voeren buitengewone metamorfoses uit om ze erdoorheen te helpen.’
Het is iets dat zowel de Bijbel als het kerkelijk jaar erkennen, dat we ons moeten aanpassen aan de seizoenen van het leven waarin we leven. De schrijver van Prediker, sommigen denken dat het koning Salomo was, schrijft dat in hoofdstuk 3 ‘er een tijd is voor alles, en een seizoen voor elke activiteit onder de hemel’ en hij gaat verder met het opnemen van leven en sterven, planten en ontwortelen, doden en genezen.
We kunnen worden aangemoedigd door het feit dat er geen specifieke dag is die meer of minder deprimerend is dan een van de andere, maar ook de veranderende seizoenen herkennen die onze emoties doormaken op dezelfde manier als de natuurlijke wereld dat doet.
Wat ertoe doet, is dat we ons richten op het seizoen van het leven waarin we ons bevinden en het niet ontkennen. Het kerkelijk jaar stelt ons in staat dit te doen door middel van liturgie, terwijl we door Advent, Kerst, Vastentijd, Pasen en gewone tijden fietsen. Er zijn mogelijkheden om te rouwen om ons verlies, onze vreugde te vieren, lessen te leren en te oefenen wat het betekent om in gemeenschap te zijn door elke emotie heen. Om ons door deze seizoenen te bewegen geven we onszelf de kans om onze emotionele spieren te strekken in rouw, vreugde en gewoon uit te vinden hoe we door het dagelijks leven kunnen navigeren!
Paulus, die in de begintijd van de kerk pastor was en aan veel gemeentes schreef, vertelde om ‘met je blije vrienden te lachen als ze blij zijn; deel tranen als ze down zijn’, (Romeinen 12) en ik denk dat dit eenvoudig advies is voor ons terwijl we door de seizoenen van ons leven en het jaar reizen. Alle emoties – hoe ongemakkelijk ze ook mogen zijn – hebben aandacht nodig.
Ja, Blue Monday mag misschien een marketingmythe zijn, maar erkennen dat we ruimte moeten maken voor al onze gevoelens – de blije en de verdrietige – kan precies de aanmoediging zijn die we nodig hebben.
Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie. Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor dat een christen X rigoureus moet afwijzen omdat er veel misselijks gebeurt zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij. Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven. Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium. En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven. Ik blijf op X, zolang deze zich houdt aan de Europese regelgeving voor social media.
Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht, en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee. Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd over de moderne technologie. Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt, en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit die we al sinds de steentijd doen. Moderne technologie heeft een technologische samenleving en de leden van die samenleving gevormd, zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren) positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen. Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd, of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen, om op een bepaalde manier te leven. Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie, is om alles in de wereld primair te zien als een verzameling gereedschappen en bronnen.
Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is, wat kunnen we er dan aan doen? Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde? Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?
Voordat we echter bij die vraag komen, moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen. Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie, dan zitten we misschien vast in een manier van denken die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.
Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.
Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem dat ons denken heeft gevormd: hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat? Als het technologische systeem zo totaliserend is en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd als Heidegger suggereert, lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem heen te denken en er dus uit te breken.
Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken om het probleem van technologisch denken op te lossen. Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste: binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen om een reeks technieken of methoden te bedenken die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden van het technologische tijdperk, maar omdat het technieken zijn, zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken. Of om het anders te zeggen, we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig die niet leidt tot zomaar een andere methode. Een methode of techniek is simpelweg een technologie van zelftransformatie, jezelf veranderen, en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie. Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld. Want het probleem van technologie ligt in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.
Een voorgestelde oplossing van Heideggers is om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen zich aan hun behoeften aan te passen. Ten tweede, en op dezelfde manier, om de wereld om zich heen uit te nodigen zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon. Heideggers oplossing voor het probleem is om leden van een technologische samenleving uit te nodigen om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen. De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit. De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose, die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden voor dit probleem is het ‘omkaderen’, je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft. Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.
Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend. Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie als ‘zijn’. Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister naar de verhalen van de mensen om mij heen, zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden voor onze behoeften en genoegens.
Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in waarom we er tot nu toe niet in slagen om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen, ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen. Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden. Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik. De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen: olie is er niet om voor zichzelf te zijn, maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.
Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven, zie ik Heideggers analyse aan het werk in de houding van mensen ten opzichte van elkaar. Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden, afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet. De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content. We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn. Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken in de content die het verkoopt, wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is. En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden, beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.
Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:
Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap. In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan, onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind. In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo: ‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’ Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’, ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt. Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan, de stem van buiten het systeem. In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft, niets buiten het systeem.
Maar Paulus wijst ons daarentegen op God. Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan, maar die desondanks, door een daad van genade, ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld. Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd, die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.
Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn. Voor veel christenen is de ervaring van gebed dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.
Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid om onze weg te vinden uit de technologische mindset. Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren, zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken? Ik hoop het niet. Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten in een techniek om God te laten geven wat je wilt, is dat niet wat ik hier suggereer. Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef toen haar ooit in een interview werd gevraagd: ‘Wat zeg je als je bidt?’ Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’ De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’ Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’