Zeker, het kapitalisme waardeert vrijheid.
Toch was het altijd afhankelijk van gevestigde morele codes,
en met name die van het christendom,
om goed gedrag aan te moedigen
door middel van het voorbeeld.
Net zoals kapitalisme niet kan overleven
zonder vertrouwen en eerlijkheid,
zo kan individuele vrijheid niet voortbestaan
zonder een geïnternaliseerde morele orde.

De huidige westerse samenleving
is steeds meer geobsedeerd is geraakt door het individu,
omdat instellingen als het gezin, de kerk, de natie en vakbonden
zwakker zijn geworden.
Deze vermindering van sociaal kapitaal
heeft de armen onevenredig veel schade toegebracht.’

Nee, de kerk is geen triomfantelijke illustratie van hoe het eruitziet
als sociale en culturele uitdagingen worden opgelost.
In plaats daarvan is het een illustratie
van hoe het is als mensen zich wenden
tot de grote vragen waarmee we keer op keer
worden geconfronteerd in berouw en vertrouwen,
en proberen een leven te leiden
waarin we niet voortdurend met elkaar in oorlog zijn,
individueel en collectief,
en op zoek zijn naar wat we kunnen herkennen
als iets dat ons in staat stelt om zij aan zij te floreren
onder de God wiens bezorgde liefde voor ons allemaal is.

 

Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje.
‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar.
Laten we het goed beschermen!’
Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland.
Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie.
Want die staat mijns inziens ook onder druk, 
zowel nationaal als internationaal.

Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet
zou kunnen opschorten
om een derde termijn als president na te streven,
en nog duisterdere dreigingen
dat zijn regime zelfs autocratische ambities
zou kunnen koesteren,
hebben het Westen eraan herinnerd
dat we democratie
niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.

Parlementaire democratie,
zo hebben we algemeen aangenomen,
is een goede zaak.
Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen,
maar ook aan andere landen wilden opleggen.
De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld
werd, zo werd ons verteld,
uitgevochten voor vrijheid en democratie,
maar zo liep het niet helemaal.

Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording,
waarbij regeringspartijen macht uitoefenen
via de wil van de bevolking die ze dienen,
uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen
die ervoor zorgen
dat niemand zich ongestraft
aan de macht kan vastklampen.

Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen
op het vooruitzicht van een volkswil
die een regeringsvorm bepleit
die niet overeenkomt
met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten.
Er klinken stemmen,
waaronder die van schrijfster Margaret Atwood,
die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten
als gevolg van de waanzin van de huidige president.

De meesten van ons in Nederland
zullen waarschijnlijk zeggen
dat democratie meer moet zijn dan een systeem
waarin meerderheden hun zin krijgen.
Want we willen ook dat onze regering
zich aan de wet houdt.
En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet,
maar ook wiens wet.
Voor degenen met een religieuze overtuiging
zal die vraag deels en in belangrijke mate
beantwoord worden door Gods wet,
waarop de westerse beschaving
aantoonbaar is gebouwd.

Hier komt pluralisme om de hoek kijken,
zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren.
Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen,
waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.

Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht,
die sterk gecentraliseerd was
en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen,
wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd.
De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter,
waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.

Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde,
gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus.
En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen.
Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven,
omdat de demos, de gewone mensen,
er niet bij betrokken zijn
en ook niet vertegenwoordigd zijn.

De Kerk is geen democratie,
net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping.
Eerder andersom
– sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’,
degenen die Hij kiest voor verlossing.
In het christelijk denken is God een dienende koning,
maar desalniettemin een absolute en,
zoals sommigen die zich tegen God verzetten,
een tirannieke autoriteit.

Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid?
Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden
in dat pluralistische kenmerk van democratie.
We zijn er eerlijk gezegd niet goed in
om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen.
Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie
– je gelooft, of je gelooft niet.
Een pluralistisch model zou er een zijn
waarin we de goddelijke wil leren kennen
via de gehele schepping,
alle uitingen van geloof en ongeloof,
in plaats van alleen via onze eigen wil.

Pluralisme is gezond,
zowel in de seculiere politiek
als in religieuze gebruiken.
Het is de tegenpool van de groeiende autocratie
zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika
en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.

Dit is geen pleidooi voor theocratie,
maar de overtuiging dat de christelijke traditie
berust op het principe dat geen enkele politieke orde
de autoriteit van God kan claimen,
behalve het Lichaam van Christus.
En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras.
In tegenstelling tot politieke partijen
concurreren wij niet om de macht,
maar vormen wij een gemeenschap
die wijst naar een geredde en genezen wereld.

De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap,
een vorm van multiculturalisme
dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen
op basis van universeel verlichte principes.
Of we kunnen reageren op de energie
waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden,
door bereidwillige gemeenschappen te bouwen
die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede.
Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.

Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme.
En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen,
wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest.
We kunnen alleen maar hopen en bidden
dat het een missie wordt die ook centraal staat
in de beraadslagingen die de komende dagen
zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.

 

Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren,
niet alleen van de zonen van Israel,
maar ook van twee dappere vrouwen,
verzetsstrijders: Sifra en Pua.
Ze staan op tegen de kwade macht
die dood wil.

Deze kwade macht is naamloos.
Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet.
Wel zien we duistere trekken
die dit volk maar al te goed herkent:
van slavenarbeid, tot genocide.
Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger,
de woonplaatsen langzaam
zijn verandert tot werkkampen.
Het kwaad mag dan geen naam hebben,
we kijken hier de dood recht in de ogen.

Is het verhaal hier afgelopen?
Is dit de moraal van het verhaal?
Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?

Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken,
en het stoere beeld wat ik ervan heb,
is ongetwijfeld geromantiseerd.
Maar de werkelijkheid was rauwer;
het gaat op leven en dood.
En misschien wel meer van dat laatste:
de dood.

Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je.
Een Stolpersteen,
een steen waarover je struikelt.
Van hen herinneren we ons de namen.
Maar zo’n struikel-steen laat ook zien:
We vertillen ons snel aan het kwaad.
Het botst, het schuurt.
Blijkbaar lukt het ons als mensen niet,
om nee te zeggen tegen kwaad:
Het is zo groot, en zo universeel.

Wat zou jij doen?
Zou ik de moed hebben om op te staan?
Of is mijn gebrek aan lef nu precies
hoe diep het kwaad in de wereld zit?

Zelfs al heeft iemand de moed
om in verzet te komen,
vaak lijkt het zinloos.
Je kunt het zien het aan die laatste regel:
Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel
om alle Hebreeuwse jongens
die geboren werden in de Nijl te gooien;
de meisjes mochten in leven blijven.
Die twee kraamvrouwen, heldinnen,
hadden zich verzet.
maar het kwaad neemt alleen maar toe.
De kinderen die zij hebben gekregen,
je hoopt maar, dat het meisjes waren;
zouden ze het anders hebben overleefd?

Maar toch; verzet denkt niet na over zin.
Die vrouwen, Sifra en Pua,
gaan niet berekenen,
of hun lef levens zal kosten.
Net zomin als dat je afwoog
of het wel verantwoord was,
om een kind
illegale kranten te laten rondbrengen.
Verzet kost je soms alles,
en toch doe je het.

En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel,
dat intense verlangen naar bevrijding.
Opkomen voor dat Godgegeven leven,
waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt,
ja, ontzag voor de Heer zelf.

Het Wilhelmus zingt eerst:
‘den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.’
Verzet is nooit de basis;
de uitgangspositie.
En doorgaans,
is gehoorzaamheid iets goeds.
We proberen het aan te zien,
tot het echt niet langer gaat.
Of moeten tot onze schaamte erkennen
dat we gewoon het lef niet hebben.
Maar als je doorzingt,
komt toch echt de bede:
‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven,
die mij mijn hart doorwondt.’
Dat is verzet.
En dan raakt het me dat deze regel
wordt voorafgegaan door de wens:
‘dat ik toch vroom mag blijven.’
Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet:
het ontzag voor God.

Het boek Exodus
laat ons de namen herinneren
van deze Sifra en Pua.
Het boek gaat verder,
want bij verzet kan het niet blijven.
Exodus is een boek van bevrijding.
Vol ontzag uitkijkend
naar het werk dat de Bevrijder verzet.

‘Wie zal voor ons de steen weg rollen?’                                                                                                                                Dat is wel een reële vraag van de vrouwen die ’s morgens in alle vroegte naar het graf van Jezus gaan.
Maar deze drie vrouwen hebben niet alleen te maken
met die kolossale steen voor het graf van hun Heer.
Na alles wat zij hebben meegemaakt
ligt er ook een zware steen op hun hart.
Iets wat hen naar beneden drukt en klein maakt.
Een miserabel mengsel van verwarring en verdriet.
Van somberheid en hopeloosheid.
Dat is dus ook wat mee klinkt in die vraag:
wie zal voor ons de steen wegrollen?

Herkent u iets van deze vraag?
En van het gevoel dat in deze vraag mee klinkt?
Wat is zo’n steen in uw leven?
Angst voor de toekomst en de tijd waarin we leven?
Ze maken ons het leven moeilijk en liggen soms als een steen op je hart.                                                                        Zo hard, zo koud, zo zwaar, zo zonder beweging en zonder perspectief. Zulke stenen kunnen in de weg liggen.
En het wil dan niet zomaar Pasen worden in ons leven.
En wie zal dan voor ons die steen wegrollen?

‘maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold.’
…toen zagen ze…
Eerder waren ze te neergeslagen, keken ze naar beneden en naar zichzelf. Maar het verandert als zij beginnen op te kijken.
Zoals in psalm 121: ‘ik sla mijn ogen op naar de bergen.
Van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft.’
Het verschil zit hem dus in de blikrichting.
Wie opkijkt, ziet de dingen in ander licht.
En dan hoeft zo’n steen waar wij op stuk lopen
waar wij ons aan vertillen geen obstakel meer te zijn.
De steen is er dan misschien nog wel.
En hij is nog altijd best wel groot maar hij ligt dan niet meer in de weg.
Je kunt er langs, je kunt er door. Je ontdekt weer een weg om te gaan.

Voor de vrouwen in het Paasevangelie gaat deze weg eerst het graf in.
En ook daarin zit wellicht een leermoment. Pasen is geen toverwoord. Pasen is een weg die je gaat.
En die weg gaat langs het kruis en tot in het graf.
Wij zouden dat moment misschien liever overslaan.
En zonder kruis of graf maar meteen de Paasjubel aanheffen.
Maar het wordt meer en meer Pasen in je leven
als je ook de moed hebt om de stenen in je leven te zien.
En om de spelonken van je eigen bestaan binnen te gaan.
Je fouten in de ogen te zien, je zwakheden te aanvaarden.
Je angst te uiten, je tranen te huilen, je wonden te tonen.

In de allerlaatste verzen, van het Markusevangelie duikt een jonge man op. Misschien bedoelt Markus met die jongeman wel zichzelf.
Als één van de leerlingen die ernstig hebben gefaald.
Maar ondanks dat falen, toch opnieuw een boodschapper mag zijn
Van de blijde boodschap van de weggerolde steen,
het lege graf en de opgestane Heer.

Zo werkt dat bij God.
Wij mensen pinnen elkaar vaak vast
en dragen elkaar tot in eeuwigheid na wat de ander ooit verkeerd deed. Maar in Gods hart werken die dingen anders.
Hij pint ons niet vast op ons verleden,
maar laat zichzelf vastpinnen aan een kruis.
Hij hangt geen molensteen om onze nek.
Maar rolt de stenen genadig weg,
draagt zelf die last met zich mee de wereld uit.
En maakt zo de weg weer vrij voor een nieuwe start.

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.

Spreken over geld en over je eigen financiën is ook onder christenen vaak een heikel punt. Waar er in de Bijbel vaak wordt gesproken over het geven van een tiende van al je inkomsten redeneren veel (westerse) christenen dit gemakshalve weg als een zogenaamde ‘tijdgebonden’ Bijbeltekst. ‘Tuurlijk, het was ooit erg waar, maar voor ons christenen in de eenentwintigste eeuw…? Ziedaar het hete hangijzer!

Geld, financiën blijken voor steeds meer ook voor christenen en kerken een erg belangrijk onderwerp te zijn geworden. We moeten toch immers eten en en de gebouwen moeten onderhouden blijven! Oké, ‘ware rijkdom wordt niet bepaald door hoeveel je hebt maar door hoeveel je geeft’, maar dan je moet je het wel hebben. Of met een volkswijsheid gesproken: ‘Geld is niet alles, maar het is wel fijn als je het hebt.’ Een tekst uit de brief aan de Korinthiërs die mensen dan meer aanspreekt is ‘Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft.’ Ja, lekker, ik kan nog steeds over mijn eigen geld beslissen!! Maar dan wordt het volgende vers niet gelezen ‘ God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk.’  Hier zitten volgens mij twee punten in: het eerste is dat God ons de mogelijkheid geeft geld te vergaren, en een tweede punt is dat we zijn gaven rijkelijk mogen en ook moeten uitdelen. Immers 9,6: ‘Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten.’

Ooit was voor de calvinistische christen geld een noodzakelijk kwaad waar men zeker niet mee moest pronken. Allemaal onder het adagium ‘  leef sober, en verwacht in dit leven geen beloning.’ Maar de tijden zijn veranderd en daarmee het werkelijkheidsperspectief van de (westerse) christen. In navolging van de algemene opvatting is ‘het hier en nu’ voor christenen steeds belangrijker geworden. Begrippen als ‘het hiernamaals’ en ‘koninkrijk van God’ worden steeds meer een ver-van-mijn-bedshow. Immers, deze zaken zijn niet waar te nemen. welvaartsevangelieBesmet door het van het vigerende Verlichtingsdenken waar alles te checken dient te zijn (althans waar het handelt om religieuze begrippen) worden religieuze begrippen meer en meer ongeloofwaardig. Onvermijdelijk aan dit ‘aardse’ (ik-)denken is dat geld en welvaart in ‘het hier en nu’ voor christenen aan gezag wint. Een kwalijk gevolg is het ‘welvaartsevangelie’.  Beloning in het hiernamaals is niet meer voldoende, ook christenen willen het hier en nu. En laten we het niet onder stoelen of banken schuiven; het klinkt in ieder geval lekker en ‘verkoopt’ goed: rijk worden dankzij God, hier en nu. ‘Echte vrijheid is pas haalbaar als je financieel vrij bent’ zo wil het moderne denken ons doen geloven. En wij doen mee!

Maar maakt geld echt vrij? Of wordt het tot een nieuwe gevangenis, gevangen in een gouden kooi… Een aantal weken geleden preekte ik over een aantal verzen uit het evangelie naar Lucas, hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk zegt Jezus onder andere dat hij gekomen is ‘om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven.’

Ware vrijheid ligt niet in het feit dat je je opknoopt, overgeeft aan een eigen niet te stelpen genot, aan een nieuwe slavernij. Echte welvaart zit hem juist in de vrijheid door Christus gegeven. Niet de vrijheid die de maatschappij je voorhoudt: ‘autonomie’ door geld dat je zelf kunt uitgeven zoals je dat zelf wenst. Om maar mee te lopen in dezelfde tred van de overige gevangenen van het ‘grote marktdenken’!

Juist de vrijheid daarvan wordt je geheel gratis aangeboden. Echte vrijheid!

Laatst werd er in een consumentenprogramma op tv aandacht besteed aan de grote keuze die consumenten als ze een bepaald product willen aanschaffen: er zij talloze mogelijkheden voor een zelfde product. Wat bleek na onderzoek: de consument laat bij zoveel keuze volledig dicht en kiest vervolgens voor het product dat hij al kent. In wezen kun je dus zeggen dat een mens helemaal niet gebaat is bij zoveel keuzemogelijkheden. Het brengt alleen maar onrust en verwarring!

Aan deze opmerkelijke, maar toch verwachtte uitkomst van dit onderzoek moest ik denken toen ik het interview met vicepremier Rouvoet las in het Reformatorisch Dagblad. Hij stelt dat het gangbare westerse vrijheidsbegrip heroverweging verdient. Als de overheid grenzen stelt, leidt dat uiteindelijk tot meer vrijheid.

André Rouvoet haalt Martin Simek aan die onlangs in het NRC Handelsblad schreef dat hij, toen hij in 1968 uit Tsjechië gevlucht was en aankwam in Nederland, had verwacht veel blije mensen aan te treffen die hun vrijheid vierden. Maar de radio- en tv-presentator zag sombere gezichten om zich heen: alsof niemand echt van de vrijheid genoot. ‘Het was alsof ze meer wilden van iets dat ze al hadden.’

Zou er dan toch voor mensen een te veel aan vrijheid kunnen zijn? Willen mensen misschien wat leiding hebben?

Op het gevaar af dat ik de komende tijd als reactionair en voor nostalgische kwezel wordt versleten dan toch in dit blog aandacht voor een opmerkelijk item dat ik vanmorgen oppikte bij Radio 1: het is onderzocht of de Nederlander de laatste jaren hufteriger is geworden. En ja, wat schetst onze verbazing: het klopt!!

In de jaren 60 van de vorige eeuw is er met succes verhit gestreden voor meer vrijheden.  Mensen kunnen vanaf die tjd meer dingen zelf beslissen, Nederland is in elke zin van het woord sindsdien kleurrijker geworden. Maar tegenwoordig wordt meermalen geconstateerd dat die verworven vrijheden ook een donkere, zwarte kant kunnen hebben. Opkomen voor jezelf wordt soms het idee van het ‘dikke ik’: de wereld draait om mezelf. Mondigheid wordt grote monderigheid.ego Laatst hoorde ik de parlementariër Mei Li Vos  van iemand zeggen ‘dat hij zijn kop had moet houden’. De laatste tijd besteedt de stichting SIRE aandacht aan hufterigheid van mensen met hun campagne Onbewust asociaal. Het lijkt er wel op dat niet iedereen op een goede manier met die bevochten vrijheid kan omgaan. Meer over het fenomeen van misbruik van vrijheid kun je ook lezen in de boeken van Britse psychiater Theodore Dalrymple.

Ook besteedde ik in dit verband eerder aandacht aan het boek van Rüdiger Safranski Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Nu dacht men dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Immers, er is geen dominante waarheid meer en de ene waarheid is dus niet beter dan de andere waarheid. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen.Het kwaad tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Safranski  waarschuwt aan de hand van filosofen voor dat demonische, een onredelijke, door de massa gedragen kracht. We blijven toch maar hopen op redelijkheid, soms tegen beter weten in. Vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is. Maar de angst voor de vrijheid is ook geen reden om in verhalen en illusies weg te vluchten. Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.

En juist dat laatste laten we ons niet aanleunen, dat laten we ons niet gezeggen. We laten ons toch zeker de wet niet voorschrijven!!

Want, geachte lezer, u weet het net zo goed als ik: wat hierboven geschreven staat geldt alleen voor de ander…