Uncategorized


 

Maar al te vaak eist de wereld van ons
dat we het een zijn, of het ander.
In onze reacties, onze ideologieën, onze overtuigingen,
wordt van ons verwacht
dat we dit zijn, of dat zijn.
Erin of eruit. Ja of nee. Rood of blauw. Zwart of wit.
De wereld vindt het leuk als we onszelf labelen
met een zekerheid die het makkelijker maakt om ons te marketen,
vast te leggen in een strategisch plan of te bereiken in een algoritme.

Op sociaal niveau kunnen deze zelfcategoriserende definities
– wat ik geloof, op wie ik stem, wat ik consumeer –
een filtersysteem worden voor
wie toegang tot ons krijgt en wie niet.
In een combinatie van associatie en veronderstelling
bepalen we wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet.
En het lijkt eenvoudig.

Dat is het totdat je je twee dingen realiseert:
het grootste deel van het leven speelt zich niet af
binnen de grenzen van zwarte of witte zekerheid,
maar in het grijze, tussengebied.
En niemand van ons is een-voudig.

We geloven misschien graag dat we duidelijke individuen zijn
die gemakkelijk te definiëren,
mooi georganiseerde ideeën en overtuigingen hebben,
maar de werkelijkheid is veel rommeliger.
Onze houdingen, opvattingen en gevoelens
zijn lichtjes gebonden aan een spectrum
en we bevinden ons bijna altijd ergens in het midden.

Denk er eens over na.
Kunt u zich de laatste keer herinneren
dat u zich onafgebroken, onvervalst gelukkig voelde,
zonder dat er ergens in uw achterhoofd
iets of iemand om u heen bleef hangen?
Het omgekeerde is ook waar.
Ik ken mensen die in de loopgraven van verdriet
hardop lachen om hun favoriete Instagram-reels.
Meestal is er niet veel voor nodig
om ons weg te slepen van de hoogtepunten
en dieptepunten van het leven.
We zijn erop ingesteld om in de tussenruimtes te leven.

Deze aantrekkingskracht naar het midden die we voelen
is niet verrassend.
Eén van de leiders van de vroege kerk, Paulus,
zei dat
als iemand in Christus is, de nieuwe schepping is gekomen.’ (2 Korintiërs 5)
Wij zijn dus nieuwe scheppingswezens,
omringd door nieuwe scheppingsideeën,
in een oude scheppingswereld.
Onze sociale constructies, systemen en levens
zijn gebouwd op de vooronderstelling
van ergens tussen het oude en het nieuwe,
een grijs gebied van deels heden en deels toekomst.

Paula Gooder, een Britse nieuwtestamenticus,
zegt over Paulus’ geschriften:
Met Jezus’ dood en opstanding
ligt de nieuwe schepping bij de oude schepping.
Van tijd tot tijd zul je momenten van perfectie zien,
momenten van opstanding,
en dat zijn de momenten
die ons gaande houden in de moeilijke tijd (…)
Hoewel je nieuwe schepping bovenop hebt liggen,
heb je nog steeds oude schepping eronder liggen.
Als je de vraag wilt stellen
waarom de wereld zo verschrikkelijk is zoals hij is,
komt dat doordat we in een oude schepping leven.

Door het Koninkrijk van God te omarmen,
zowel het alreeds als het nog niet,
zetten we ons in voor een daad van verzet
tegen ideeën over zwart-wit bestaan
door te leven in een grijs gebied
dat geschikt is om uit te barsten
in heldere, hemelse kleuren.

Oppervlakkig gezien suggereert het verhaal
dat onze oorsprong van bestaan vormgeeft,
het scheppingsverhaal in Genesis,
een God die werkt in binaire verhoudingen
– nacht en dag, land en zee.
Maar we weten dat er ook
dat de minder gemakkelijk te definiëren schemering,
schemering en dageraad, moeras en mist is.
De schepping zelf geeft aan dat leven
in dualiteit een onmogelijke opgave is.
We zijn tenslotte niet gemaakt voor scheiding,
maar voor eenheid en verzoening.
Overal om ons heen getuigt de natuurlijke wereld
van een God die de dingen
daartussen heeft geschapen en,
net als de ondergaande en opkomende zon,
ze spectaculair en boeiend heeft gemaakt.

Richard Dawkins en de nieuwe atheïstische beweging
proberen alles netjes in het midden te verdelen
tussen dingen die je zonder enige twijfel kunt bewijzen,
en blind geloof.
Maar zij zien niet dat de meest interessante dingen
zich op geen van beide plekken afspelen.

Hoewel zekerheid zijn moment en zijn verdiensten heeft,
denk ik niet dat het slecht is om in een grijs gebied te leven.
Ik denk zelfs dat we er allemaal beter aan toe zouden zijn
als we eraan zouden kunnen wennen.
We zijn evoluerende wezens
en als zodanig zal de materie
die we vandaag in ons hoofd en hart hebben,
morgen veranderen en groeien
en mogelijk veranderen.

Ons leven is meer dan een optelsom
van winst en verlies, komedie en tragedie,
oud en nieuw, zwart en wit.
Dus, nu we aan het begin van dit jaar staan,
vraag ik u om ruimte te maken
voor alles wat gebeurt binnen de grenzen
van wat de wereld verwacht en accepteert.
Om de puinhoop van het tussenliggende te omarmen.
Om door te gaan in de grijze gebieden van het leven;
alleen om het vol, levendig en glorieus
te ontdekken in een nieuwe scheppingskleur.

 

(voorgaande blogs over dit onderwerp: zie 21 november en 28 november)

Voor velen leidt juist die onbegrijpelijkheid van God, aldus Rahner ,
tot het afscheid nemen van God en het christelijke geloof.
Want de wortel van twijfel aan God
en de daaruit voortkomende diskwalificatie van het christendom
is bijna altijd de moeite met God,
eerder dan rationele en wetenschappelijke argumenten.

Het eigenlijke argument tegen het christendom
is de ervaring van het leven,
deze ervaring van de duisternis.
en ik heb steeds gemerkt dat achter de vakargumenten
tegen het christendom van de wetenschappers
als laatste kracht en als a priori
beslissing vooraf …
steeds deze laatste ervaringen van het bestaan stonden,
die de geest en het hart duister maken en moe en twijfelend.’

Soms gaat dat afscheid heel heftig,
vaker ‘gewoon’ heel geleidelijk en stilletjes.
Waarom geloven in iets dat ongrijpbaar blijft?
Waarom geloven in iets dat,
voorzover het wel te begrijpen
en te benaderen is, kwelling betekent?
Waarom niet, simpelweg,
zich beperken tot het bestaan hier en nu?
Waarom niet mijn levensvervulling vinden
in de vele goede zaken op aarde?

‘en toch’: er is een andere weg mogelijk.
‘en toch’ is de weg van de geloofstraditie,
waarin steeds weer geloofd is
dat de verborgen God wel degelijk bestaat,
en dat die verborgen God wel degelijk zich laat ontmoeten.
Het is mogelijk, zo is de ervaring
en de belijdenis van velen voor ons,
om in God te blijven geloven
en om Gods nabijheid te blijven ervaren.
Niet het onbegrip en de kwelling
hebben het laatste woord, maar Gods nabijheid.
Dat deze traditie tot de mogelijkheden behoort,
dat het zinvol is om je aan die traditie
over te geven en toe te vertrouwen,
en dat je te midden van de moeite simpelweg
– voorzover dat simpel is –
vol moet houden, dat kan je niet bewijzen.
Het kan alleen toegelicht en aannemelijk gemaakt worden,
en dan slechts in zoverre iemand
welwillend en betrokken wil zijn.
Want alleen met welwillendheid en betrokkenheid
kunnen woorden verwijzen
naar dat wat ermee bedoeld is,
kan zo het verband met de eigen ervaring gezocht worden,
en kan dus overtuiging groeien.

 

De wijzen uit het oosten of drie koningen zijn,
binnen de christelijke traditie,
de wijzen die Jezus van Nazareth
na zijn geboorte kwamen vereren
en geschenken van goud, wierook en mirre brachten.

De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament
alleen voor in Matteüs 2:1-12.
Over hun herkomst wordt alleen gezegd dat ze uit het oosten kwamen.
Ook hun aantal en hun namen worden niet vermeld.

De wijzen kwamen volgens de overlevering
uit de drie verschillende werelddelen.
Ze vertegenwoordigen de drie takken van het menselijk geslacht
– een twintiger, een veertiger en een zestiger –
volgens de Bijbel het nageslacht van de drie zonen van Noach:
Sem, Cham en Jafet.
De mannen vertegenwoordigen drie leeftijden van de mens.

Het verhaal in Matteüs werd in de loop van de eeuwen uitgebreid
met allerlei elementen die niet worden genoemd in het Bijbelse verhaal.
Mattheüs noemt het aantal niet,
maar volgens de traditie in het westers christendom zijn er drie wijzen.
Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld
aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten.
In tradities in het oosters christendom zijn er niet drie maar twaalf wijzen.

Het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus
wordt in het westers christendom oorspronkelijk gevierd op 6 januari,
in de volksmond Driekoningen.
De wijzen een lange geschiedenis van betrokkenheid bij de monarchie,
waarbij ze paden volgens de overlevering
kruisten met illustere koningen,
waaronder Cyrus de Grote van Perzië,
Alexander de Grote en de Romeinse keizer Nero.

De wijzen of erfelijke priesters waren oorspronkelijk
lid van een stam van de Meden
die 600 jaar voor de geboorte van Jezus in Noord-Iran leefden.
De Griekse historicus Herodotus schreef rond 425 v.Chr.
hoe deze wijzen in het hele oude Midden-Oosten bekend werden
vanwege hun vermogen om dromen te interpreteren
en hun kennis van de sterren.
Ze waren aanhangers van de zoroastrische religie
en waren verantwoordelijk voor de heilige vuren
die centraal stonden in de zoroastrische eredienst.

Voor de Grieken waren de zoroastriërs en de magiërs
– want zo worden de wijzen ook wel genoemd –
exotische objecten van fascinatie.
Veel latere Griekse filosofische werken beweerden
dat ze ontsproten waren uit de verbeelding van Zoroaster (of Zarathustra) .
Maar honderd jaar voor Herodotus
vinden we de eerste vermelding van magiërs in de Bijbel,
in het boek Daniël.
Dit was de periode van de Joodse ballingschap
en gevangenschap in Babylon.
Jojakim, koning van Judea
en afstammeling van de koningen David en Salomo,
werd verslagen in de strijd
en gedood door Nebukadnezar II van Babylon.
Jeruzalem en de tempel werden verwoest
en veel Judese edelen werden gevangengenomen.
Daniël was een van deze gijzelaars
en wordt meegenomen naar het Babylonische hof,
waar God hem de mogelijkheid geeft
om de dromen van de koning te interpreteren.
Onder de indruk van zijn capaciteiten,
geeft Nebukadnezar Daniël
de leiding over al zijn wijze mannen.
Het is onduidelijk welke relatie deze Babylonische ‘magiërs’
hadden met de Meden, maar de sterke Medische invloed
op het Babylonische hof
suggereert dat de Babylonische wijze mannen
heel goed Zoroastrische magiërs kunnen zijn geweest.

Daniël bleef aan het Babylonische hof,
totdat de Babyloniërs werden binnengevallen
door Cyrus de Grote,
die de Joden toestond terug te keren uit ballingschap
en te beginnen met het herstellen van Jeruzalem.

Het Perzische rijk van Cyrus duurde tweehonderd jaar,
totdat het in 331 v.Chr. werd binnengevallen
door Alexander de Grote en zijn leger.
Alexander zocht het advies van magiërs,
maar liet velen van hen op gewelddadige wijze doden
en hun heilige vuren doven
toen hij de Perzische hoofdstad Persepolis met de grond gelijk maakte
als wraak voor de Perzische vernietiging
van de Akropolis door Xerxes 150 jaar eerder.
De Griekse opvolgers van Alexander werden gekenmerkt
door bloedige rivaliteit en onderlinge strijd
en werden later onderworpen door het Parthische rijk,
dat de meest geduchte rivaal van Rome in het oosten zou worden.
De magi consolideerden hun reputatie
als koningsmakers tijdens de Parthische periode,
met een raad van magi (de Megistanen)
die verantwoordelijk was
voor het kiezen van Parthische koningen.

In de tijd van Jezus waren er overal in het Midden-Oosten ‘magiërs’
en in deze context beschrijft de Romeinse historicus Plinius de Oudere
de reis van Armeense magiërs om keizer Nero te bezoeken in 66 na Christus.
Tegen die tijd waren Parthië en Rome al een eeuw in hun langdurige strijd
en hadden ze net een vijf jaar durende oorlog gevoerd
over de Armeense opvolging.
Ondanks een vernederende nederlaag,
redde Rome wat gezicht door een zeer eenzijdig verdrag
waarbij Parthië de volgende Armeense koning koos,
maar waarbij de Romeinse keizer
de kroon op zijn hoofd mocht zetten!
Nero draaide dit in zijn voordeel
door de nieuwe koning Tridates I
naar Rome te laten komen
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
Tridates, die zowel een zoroastrische priester als een koning was,
kwam met een enorm gevolg,
waaronder andere magiërs en duizenden ruiters,
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
De enorme processie kwam tot een hoogtepunt toen
de magi-koning boog voor de keizer
en hem erkende als zijn heer.

Het bezoek van de Armeense magiërs
heeft duidelijke overeenkomsten
met het bekende verhaal van magiërs
die het kindje Jezus bezoeken in het evangelie van Matteüs.
Gezien de vele verfraaiingen die door de eeuwen heen
aan het magiërsverhaal zijn toegevoegd,
is het nauwelijks verrassend dat sommigen hebben gesuggereerd
dat het magiërsverhaal een verzinsel was
en een geremixte versie
van het bezoek van koning Tridates aan keizer Nero.
Maar als magiërs standaardpersonages waren in het oude Nabije Oosten
en ook echt geïnteresseerd waren in monarchen
(die vaak ook als ‘goden’ werden behandeld),
dan zou het niet zo verrassend zijn
dat er meer dan één bezoek van koninklijke magiërs zou zijn
met emotioneel geladen religieuze ondertonen.
Wat een verzonnen magiërsverhaal minder waarschijnlijk maakt,
is wat het Joodse publiek van de evangelieschrijver Matteüs
van de magiërs zou hebben gedacht.
Hoewel de Grieken en Romeinen enthousiast waren
over buitenlandse ‘goden’ en exotische wijsheid,
waren de Joden uit de eerste eeuw dat absoluut niet.
Voor hen en voor de vroege christenen
zouden de magiërs charlatans en volgelingen
van een valse buitenlandse ‘god’ zijn geweest.
Een bezoek van een paar buitenlandse astrologen
zou eerder gênant zijn geweest
dan het soort verhaal dat je zou verzinnen.

Dus, wie waren de magiërs in het evangelie van Matteüs?
De twee dominante theorieën waren
dat ze ofwel Perzisch waren of dat ze later fictie waren.
Meer fantasierijke theorieën omvatten oorsprongen
in India, China en zelfs Mongolië.
Een andere, misschien realistischer mogelijkheid,
is dat de magiërs afkomstig waren uit het Arabische koninkrijk Nabatea.
De Nabateeërs stonden bekend om het gebruik van irrigatie
om de woestijn te bewerken en om de handelsroutes
door de Arabische woestijn te controleren.
Twee handelsgewassen waarin Nabatea de handel domineerde,
waren wierook en mirre.
De rijkdom die werd gegenereerd door deze lucratieve handel
werd gebruikt om Petra te bouwen,
de wereldberoemde valleistad van rotsmonumenten.
De Nabateeërs hadden nauwe banden met Israël
en waren mogelijk bekend met de profetieën van Daniël en Jesaja.
Ze zouden ook geïnteresseerd zijn geweest
in de Judese monarchie
en zouden natuurlijke bezoekers zijn geweest
van de paranoïde koning Herodes.
Herodes’ moeder was een Nabateese prinses
en de Nabateese koning Aretas IV
moest de gunst van Herodes versterken,
zodat de Nabateeërs
geïnteresseerd zouden zijn
in een nieuwe koning der Joden.

Waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten
wie de wijzen uit het oosten waren.
Maar voor mij is er iets diep fascinerends
aan deze mysterieuze bezoekers van het kindje Jezus.
Deels lijken ze hogere dingen te vertegenwoordigen
– met hun wijsheid en rijkdom in goddelijke dienst.
Het kan lijken alsof hun uitstekende kennis
en astronomische vaardigheden
een soort van kosmische puzzel hebben opgelost,
waarbij de magiërs de ster volgen en een despoot ontwijken
om de baby aan het einde van de schattenjacht te vinden.
Dit klopt niet,
de kennis van de magiërs
is niet het object van verwondering.
De kennis die ze hebben is kapot,
het is een rommelige mix van gekke occultisme,
astronomie, wiskunde
aangevuld met een ongezonde obsessie met royalty.

De kennis die wij hebben is ook kapot.
Maar God gebruikt de dwaze dingen
om de wijzen te verwarren,
en in de gekke puinhoop van horoscopen en waarzeggerij
laat God de magiërs een uitnodiging achter.
De uitnodiging accepteren is een risico nemen:
de lange reis riskeren,
de toorn van Herodes
en zelfs het risico lopen het mis te hebben.
Maar als ze deze uitnodiging accepteren,
realiseren ze zich
dat het een uitnodiging is om God Zelf te ontmoeten.

Wij geloven in één God, de almachtige Vader,
Maker van hemel en aarde,
van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Heer Jezus Christus,
de eniggeboren Zoon van God,
uit de Vader geboren voor alle eeuwen,
licht uit licht,
waarachtig God uit waarachtig God,
geboren, niet gemaakt,
één van wezen met de Vader: door wie alle dingen geworden zijn;
die om ons mensen en om ons behoud is neergedaald uit de hemelen,
en is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de maagd Maria,
en is mens geworden;
die voor ons ook is gekruisigd onder Pontius Pilatus,
geleden heeft en begraven is
en op de derde dag is opgestaan naar de Schriften;
is opgevaren naar de hemelen
en zit aan de rechterhand van de Vader,
en die zal wederkomen in heerlijkheid, om te oordelen levenden en doden;
en zijn rijk zal geen einde hebben.
En in de Heilige Geest,
die Heer is en levend maakt,
die voortkomt uit de Vader [en de Zoon],
die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt,
die gesproken heeft door de profeten;
in één, heilige, katholieke en apostolische kerk;
wij belijden één doop tot vergeving van zonden;
wij verwachten de opstanding der doden
en het leven in de wereld die komt.

Als christenen hebben we dit jaar iets extra’s te vieren,
namelijk de verjaardag van de de Geloofsbelijdenis van Nicea.
In 2025 is het 1700 jaar geleden dat het Concilie van Nicea werd bijeengeroepen
door keizer Constantijn, en dat de eerste versie van de geloofsbelijdenis opstelde.
Er zijn immers niet veel 1700 jaar oude documenten
die elke week hardop worden voorgelezen
en uit het hoofd worden geleerd door miljoenen mensen over de hele wereld.
Toch zullen er veel mensen zullen verbijsterd zijn,
zelfs hier onverschillig of afwijzend tegenover staan.
Want veel mensen kennen deze geloofsbelijdenis helemaal niet,
of als ze dat wel doen, zien ze het als dogmatisch,
uitsluitend en verwoord in de obscure taal
van de klassieke filosofie uit de vierde eeuw,
die weinig relevant lijkt te zijn voor de wereld waarin we vandaag leven.

maar is het echt de moeite waard om te vieren?
Laat me een paar redenen noemen waarom ik denk dat het dat is.

Allereerst markeerde 325 een periode
van enorme verandering voor het christelijk geloof.
De voorgaande 300 jaar sinds de tijd van Jezus
had het christendom zich verrassend snel verspreid,
maar over het algemeen zonder steun van de rijken of machtigen,
en regelmatig vervolgd.
Maar aan het begin van de vierde eeuw
verklaarde keizer Constantijn zichzelf tot ‘christen’.
Er is veel discussie over wat hij daarmee bedoelde;
het weerhield hem er bijvoorbeeld niet van
om het grootste deel van zijn familie te vermoorden.
Maar Constantijn schreef zijn zegevierende keizerlijke campagne
toe aan de bescherming van de christelijke God,
en begon veiligheid en privileges te bieden aan christenen en hun leiders.
Het was Constantijn die het Concilie van Nicea bijeenriep,
omdat hij zijn eigen autoriteit wilde laten gelden,
maar ook wilde dat deze ontluikende ‘institutionele’ kerk grip kreeg
en zich achter hem zou verenigen.
Plotseling kregen christenen de kans om de wereld vorm te geven,
om de cultuur vorm te geven, van bovenaf en van onderaf.
Of dit nu goed of slecht is, en wat het deed en doet
met het karakter van het christelijk geloof
in de 1700 jaar sinds Nicea is ongetwijfeld
iets dat 2025 zal moeten onderzoeken.

Ten tweede bood het Concilie van Nicea
een model van besluitvorming
dat sindsdien van groot belang is geweest in het christelijk leven.
Nicea werd bewust gekozen als de plaats om dit concilie te houden
omdat het ongeveer op de scheidslijn lag
tussen het oostelijke deel van het Romeinse Rijk,
waar Grieks de gemeenschappelijke taal was,
en het westelijke deel, waar Latijn de taal van het publieke debat was.
Constantijn probeerde zichzelf als enige keizer over beide delen te vestigen
en hij riep christelijke leiders uit het hele rijk bijeen in Nicea.
We hebben een goed idee van wie er aanwezig waren
vanwege de ondertekenaars van de resoluties van het Concilie.

Leiders kwamen uit enkele van de meest rijke
en ontwikkelde delen van het Romeinse Rijk,
zoals Alexandrië, met zijn beroemde school en bibliotheek.
Maar ze kwamen ook uit de eenvoudigste streken,
waar het boerenleven de norm was
voor zowel de bisschop als de congregaties.
Spiridion, nu de patroonheilige van Corfu, was een van de ondertekenaars;
hij hield zijn harde leven als herder vol terwijl hij zijn menselijke kudde leidde;
Sint Nicolaas van Myra, ja, die we nu kennen als Sinterklaas, was er ook;
in totaal waren er waarschijnlijk 200 tot 300 bisschoppen aanwezig,
wat de buitengewone verspreiding
van het christelijk geloof in het Romeinse Rijk benadrukt.
Daarom wordt het Concilie van Nicea
het Eerste Oecumenische of wereldwijde Concilie genoemd.
Dit was de eerste gelegenheid voor de Kerk
om de balans op te maken
en haar diversiteit op te merken en ervan te leren.

Dit model van ‘conciliaire’ discussie en bijeenkomsten is de sleutel gebleven
tot de manier waarop christenen proberen conflicten
op te lossen en beslissingen te nemen,
door elkaar te ontmoeten, te discussiëren, te bidden
en te luisteren naar stemmen en ervaringen, dit heet consultatie,
die de hele diversiteit van de mensheid vertegenwoordigen.
Maar niemand kan beweren dat het Concilie van Nicea
precies zo’n proces was
– er waren bijvoorbeeld geen vrouwen bij het concilie –
maar de intentie was significant.
In onze eigen tijd van diepe onenigheid tussen christenen
zou een toewijding aan de Niceaanse methode
van consultatieve besluitvorming
een goed uitgangspunt zijn voor het onderzoeken
van 1700 jaar van proberen naar elkaar te luisteren,
zelfs als we vaak falen.

Ten derde, en het allerbelangrijkste,
heeft het Concilie van Nicea
natuurlijk de geloofsbelijdenis van Nicea voortgebracht,
een beknopte verklaring van wat christenen
geloven over God en de wereld
en hoe dit het leven veranderd door duidelijk te spreken
over de betekenis van dood, opstanding en hemelvaart van Jezus.
Maar dee korte, duidelijke uitspraken in de geloofsbelijdenis
werden hard bevochten en niet door iedereen geaccepteerd, toen of nu.
Ze werden noodzakelijk toen mensen
verschillende beschrijvingen probeerden op te stellen
van wie Jezus is in relatie tot God,
wat steeds duidelijker naar voren bracht
hoe fundamenteel deze vraag is voor ons begrip van God,
en dus ons begrip van ons eigen doel en bestemming.
Sommigen suggereerden dat Jezus
gewoon een uitzonderlijk begaafd mens was,
begunstigd door God.
Maar zo stelden anderen, de wereld is vol met grote profeten,
van wie de meesten op zijn best lippendienst ontvangen,
maar geen werkelijk verschil maken.
Dus stelden andere mensen dat Jezus God was,
gekleed in een vermomming maar niet echt, werkelijk, menselijk was
Dat suggereert dat God zich niet echt kan verbinden aan de geschapen orde.
De meest populaire suggestie in de vierde eeuw,
naar voren gebracht door een geleerde leraar genaamd Arius,
was dat Jezus iets ertussenin is,
niet de eeuwige God, maar ook niet zomaar een mens.
Maar dat is het ergste van alle werelden:
we kunnen niet vertrouwen op wat Jezus ons laat zien
over God of over mensen.

Zo probeerden al deze ‘oplossingen’
Gods transcendentie en anders-zijn te beschermen:
God staat boven en buiten het geschapen bestaan
en goddelijkheid kan of wil zichzelf niet bezoedelen
met de aardse, historische levens die mensen leiden.

De radicale suggestie van de Geloofsbelijdenis van Nicea verwoordt het anders:
zij probeert trouw te blijven aan het getuigenis van de Bijbel,
dat Jezus werkelijk God is, die onder ons leeft,
maar ook werkelijk een mens is, geboren
in een bepaalde tijd en plaats in de geschiedenis
en een echte, historische dood sterft.
Jezus Christus als Zoon van God is absoluut gelijkwaardig aan
en moet als even goddelijk geacht worden als de Vader.
Aanduidingen als ‘het geloof van Nicea
of ‘de belijdenis van de 318 vaderen
werden in de praktijk gebruikt
voor iedere formulering
die erkende dat Jezus Christus ‘één van wezen met de Vader’ was.

Maar het leven blijft echter altijd sterker dan de leer.
In het Westen heeft men de tekst nog op twee punten aangevuld.
In de eerste plaats hebben de woorden
God uit God’ vanuit de oorspronkelijke formulering van Nicea 325
ook in de nieuwe tekst
(die dus eigenlijk van Constantinopel 381 is)
weer een plaats gekregen.
Zo horen we dus in het Latijnse Credo:
deum de deo, lumen de lumine, deo uerum de deo uero
(God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God),

Deze aanvulling is eigenlijk puur stilistisch van aard,
en herstelt de oorspronkelijke drieslag.
In de de meest gebruikte Nederlandse tekst is deze aanvulling weer ongedaan gemaakt.

Een tweede aanvulling is ingrijpender:
het ‘uitgaan’ van de Geest is op zeker moment
in de vroege middeleeuwen niet alleen als
van de Vader’ maar ook als ‘van de Zoon’ opgevat.
Het gaat hier om een uitbreiding
van slechts één woord in het Latijn (filioque),
maar deze aanvulling is officieel
door de oosters-orthodoxe kerken afgekeurd
en door de Rooms-Katholieke Kerk bekrachtigd.
Niet alleen verschil van onderliggende theologische inzichten
maar meer nog het eigenmachtig wijzigen
van een bindende tekst houden
sinds die tijd op dit punt
de kerken van het Oosten en het Westen gescheiden.

En dat moet betekenen dat de Almachtige God niet denkt
dat het Gods macht en majesteit in gevaar brengt
om te komen en ons leven te delen.
Maar het betekent ook dat de volledige leven gevende kracht van God
niet alleen ‘buiten’ maar ‘binnen’ de wereld is.

Dus waarom is deze belijdenis nog steeds belangrijk?
Vier simpele redenen:

1) Omdat het in principe om identiteit ging,
en de vraag naar Christus’ identiteit is nog steeds belangrijk.

2) Omdat we nog steeds mensen zien die Jezus Christus als bovenmenselijk beschouwen
– niet echt een van ons, of halfgoddelijk – niet God in dezelfde zin als God de Vader.
Want als we werkelijk interkerkelijk willen zijn, over verschillende denominaties heen,
maar ook door de tijd heen,
moeten we bevestigen dat Gods Zoon en Geest echt van de ene God zijn.
Al in de tweede eeuw karakteriseerde de eerste grote christelijke theoloog, Irenaeus,
het Woord en de Geest als Gods twee handen;
we kunnen ons voorstellen dat de Drie-eenheid zich eerst uitstrekt om ons te scheppen
en ons vervolgens te omarmen met Gods verlossende liefde.

3) Omdat het betekent dat we naar Jezus kunnen kijken
en daar een glimp kunnen opvangen van Gods eigen liefdevolle gezicht;
niet alleen een vaag beeld, maar de realiteit zelf.

4) En omdat alleen God ons naar Gods eigen beeld kon herscheppen
en ons tot nieuw leven kon verwekken.

 

En?

Hoe kijken we terug op 2024 wat betreft het christendom, de christelijke kerk?
Werden we verder in een hoek gedreven
of was zoals sommigen zeggen
‘de verrassende wedergeboorte van het geloof in God?’

Want in de afgelopen jaren en in 2024
hebben we een stroom publieke figuren gezien
die verschillende gradaties van interesse
in het christendom aangaven, of zelfs voluit geloofden.
Sommigen… zijn belijdende gelovigen (Francis Spufford, Nick Cave),
sommigen hebben een beetje
in de kerkportiek rondgehangen (Tom Holland, Philip Goff),
anderen zitten nog steeds op een bankje
in het voorportaal (Alain de Botton).
En dan is er Ayaan Hirsi Ali (die meezingt vanaf de kerkbanken),
Jordan Peterson (soms op de preekstoel, soms in het koor)
en zelfs Richard Dawkins
(die glimlacht bij de uitvoering van Stille Nacht door het koor
terwijl hij voorbijloopt).

In de Verenigde Staten gebeurd iets vergelijkbaars.
Maar dan ingewikkelder. De alliantie van het evangelicalen
met Donald Trump is op zijn zachtst gezegd problematisch.
(zie hiervoor het boek van Kristin Kobes Du Mez Jesus and John Wayne.
How White Evangelicals Corrupted a Faith and Fractured a Nation).

J.D. Vance, aankomend vice-president,
is een serieuze christen,
die de reis heeft gemaakt van een evangelische kerkelijke opvoeding,
via studentenatheïsme naar een conservatief rooms-katholicisme.
Eerst noemde J.D. Vance zich een ‘never-Trumper’
en vond Trump ‘idioot’ en ‘schadelijk’.
Vance ging zelfs zover dat hij zich afvroeg
of Trump niet ‘de Hitler van Amerika’ zou zijn.
Geleidelijk aan veranderden zijn opvattingen over Trump.
J.D. Vance koesterde politieke ambities en moest een kamp kiezen.
Uiteindelijk veranderde hij van een uitgesproken tegenstander
in één van Trumps felste verdedigers in de Senaat.

J.D. Vance belichaamt waar een groot deel
van de huidige generatie Republikeinen in gelooft.
Hij komt uit de ‘vergeten’ blanke onderklasse,
maar werkte zich omhoog op een manier
die past in het klassieke verhaal van de American Dream.

Op lokaal niveau zijn er eveneens veel verhalen
over mensen die kerken binnenstappen,
op zoek naar een soort betekenis in het leven
en zich opnieuw of voor het eerst bezighouden met het geloof.
Soms is het de krachtige emotie
van charismatische of pinksteraanbidding,
soms de majesteit van de gebouwen,
het mysterie van katholieke liturgie
(Stephan Sanders, Willem Jan Otten, Kristien Hemmerechts)
of de oosters orthodoxe liturgie die jongeren trekt.

Mijn mening hierover, voor zover het iets waard is,
is dat de westerse cultuur tijdelijk of definitief
geen kracht meer heeft.
In de twintigste eeuw kwamen zowel het fascisme als het communisme op
en gingen ten onder.
Francis Fukuyama verklaarde het ‘einde van de geschiedenis’
in de triomf van het seculiere, liberale, consumentenkapitalisme.
Maar ook die lijkt opgedroogd,
en wordt steeds meer als spiritueel hol
en politiek verdacht ervaren.
De ‘wokecultuur’
was een poging om een reeks morele waarden te herstellen
om de onaangename en onrechtvaardige effecten
van de ongebreidelde markt in te dammen,
maar de strijdbaarheid en agressiviteit ervan,
de poging om aspecten van de natuurlijke orde te weerstaan,
om nog maar te zwijgen van de aanname
van een destructieve fixatie op een reductionistische identiteitspolitiek,
heeft een eigen terugslag gegenereerd.

Nick Cave verwoordde het goed
in een recent interview:
mensen hebben behoefte aan betekenis,
en de seculiere wereld heeft die niet bedacht.
De eeuwige menselijke zoektocht
naar doel en betekenis is niet verdwenen,
en er is niet veel te bieden in de seculiere cultuur.
Dus staan mensen plotseling open voor
het verkennen van meer oude voorraden wijsheid.

Misschien is de grootste ironie van alles
dat juist op het moment
dat we misschien de opkomst
van een openheid voor het spirituele,
het ‘numineuze’ (het goddelijke) en het religieuze zien,
de kerk niet in staat lijkt te zijn
om daarvan te profiteren.

Dus, wat zijn de vooruitzichten voor 2025?
Aan het einde van zijn monumentale
en steeds invloedrijker wordende werk
The Master and his Emissary,
maakt neurowetenschapper Iain McGilchrist (zelf geen christen)
een veelzeggend punt:
De westerse kerk is naar mijn mening
actief bezig geweest zichzelf te ondermijnen.
Ze heeft niet langer het vertrouwen om vast te houden
aan haar waarden,
maar sluit zich in plaats daarvan aan bij het koor van stemmen
dat materiële antwoorden toeschrijft
aan spirituele problemen.
God is het interessante aan religie,
en mensen hongeren naar God.
We kijken naar de kerk om ons een ervaring van God,
mysterie, heiligheid en gebed te geven
die, hoewel het misschien niet de tegenstellingen
van de natuurlijke wereld oplost,
ons in contact zal brengen
met de bovennatuurlijke wereld
die een eeuwig leven zal brengen.
Alleen de terugkeer van sterke religie,
een religie die eisen stelt, dwingende verklaringen biedt
voor de problemen van dood en lijden,
en gelovigen een gevoel van verbondenheid
met de levende God geeft,
heeft enige hoop om te concurreren
op de postchristelijke markt.

Nee, in 2024 is religie in het algemeen
en het christendom in het bijzonder
nooit ver van de voorpagina’s geweest,
ten goede noch ten kwade.

God is niet weggegaan.
En de Kerk zal, als ze het beste wil halen
uit een periode waarin mensen in de problemen
weer naar haar kijken,
daar misschien aandacht aan moeten besteden.

 

De komst van Jezus maakt alle verschil!
Want de drie-enige God is bezig
onze verlangens naar verlossing te vervullen.
Niet alleen straks, maar ook nu al.
De God die zijn Zoon zalft met zijn Geest (Jesaja 61:1a)
doet verrassende, grote en mooie dingen in het leven van gewone mensen.
Dat is goed nieuws! Dat is evangelie!
Het evangelie is niet maar een informatieve mededeling,
maar een levensveranderende boodschap.
Sommige berichten zetten ons leven totaal op de kop.
Vaak zijn dat slechte berichten: over een ziekte, een sterfgeval, een tegenslag.
Als God ons leven binnenkomt voert Hij geen slechtnieuwsgesprek met ons,
maar een goednieuwsgesprek.
Hij komt met prachtig nieuws dat transformerende kracht heeft in ons leven.
Het is wel nieuws waar je op moet zitten te wachten.
Als je denkt dat je je leven helemaal op orde hebt,
alles in de hand hebt en de problemen die er nog zijn ook zelf wel aan kunt,
dan zal dit goede nieuws niet landen.
Het is goed nieuws voor ootmoedigen, verbrokenen van hart,
gevangenen, gebondenen en treurenden (Matteüs. 5:3-6).
Het is dus voor mensen die weten en ervaren
dat we door de zonde Gods doel met ons leven missen
en dat we daarom vergeving, genezing en bevrijding nodig hebben.
Want: ‘Want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God’ (Romeinen 3:24).
Alleen als je werkelijk weet dat je het met jezelf ‘niet goed getroffen hebt’,
zul je het
goede nieuws kunnen ontvangen.

We ontvangen in Gods Christus zelfs een nieuwe identiteit:
‘Terebinten van gerechtigheid’ (Jes. 61:3b)!
We zijn niet langer ‘Treurwilgen van ongerechtigheid’
maar mogen tot eer van God en zijn heerlijke naam er helemaal zijn.
Jezus kwam en Jezus is er om ons mooi te maken voor zijn Vader (Psalm 1:3 en 92 :13-14).
We mogen bomen zijn, geplant door God,
tot eer van God!

 

Maria speelt een heel bijzondere rol in de heilsgeschiedenis.
In de Apostolische Geloofsbelijdenis
wordt haar naam dan ook met ere genoemd:
‘geboren uit de maagd Maria’.
Op cruciale momenten in het leven van Jezus
zijn het steeds vrouwen die Hem erkennen:
Maria de zus van Lazarus; de vrouwen op de opstandingsmorgen.
Deze Maria is de ‘moeder Gods’.
In de Bijbel vinden we meer roepingsverhalen:
Abram, Mozes, Jeremia.
God roept nu door Gabriël een jong meisje in een achteraf-stadje.
Er klinkt een bijzondere groet: de hemel feliciteert Maria
met haar aanstaande zwangerschap.
God gaat grote dingen doen in een klein plaatsje,
bijzondere dingen in een gewoon meisjesleven.
De engel eert Maria als Gods begenadigde en wenst haar vreugde toe.
Zij mag zich omringd weten door Gods Tegenwoordigheid.
Maria schrikt ervan en ze vraagt zich verward af wat deze begroeting betekent.
Ze overweegt de woorden, want Maria heeft wat met woorden (Lucas 1:29; 2:19; 2:51).
Zo wordt Maria geroepen:
God vraagt iets van haar waardoor haar leven totaal op z’n kop komt te staan.
Hoe zou jij reageren?
‘Maria vraagt hoe dat wel kan, want Jozef is nog niet haar man.’
Ze heeft dus wel haar vragen, maar als ze het antwoord heeft gehoord
(‘Het Koningskind dat jij verwacht, het is een wonder van Gods kracht’)
geeft ze zich helemaal over.
Heel anders dan eeuwen geleden Sara.
Zij lacht als ze hoort dat ze moeder zal worden,
want ze vindt het een bespottelijke gedachte.
‘Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?’ ‘Ja’, zegt Sara.
Maria lacht niet. Zij lijkt op haar Heer die nog geboren moet worden:
zo Zoon, zo moeder.
‘De Heer wil ik dienen!’
Zo leefde ook Jezus:
‘De Mensenzoon is gekomen om te dienen’ (Marcus 10:45).
Dienen is je overgeven aan de wil van God.
‘Wie Mij dient zal door de Vader geëerd worden.’ (Johannes 12:26).
Nee, dienen zit ons vaak niet in het bloed.
Graag houden we ons leven zelf in de hand.
Maar wie zich overgeeft aan God, laat zich leiden door de vraag:
‘Here, wat wilt U met mijn leven doen?’

 

Deze tijd van het jaar wordt niet alleen gekenmerkt door
de verwachting en de herdenking
van de geboorte van Christus in deze wereld met Kerst.
Advent is immers een tijd van verwachten en afwachten
wat God doet in deze wereld.
Kome wat komt.
Maar deze tijd staat ook in het teken van allerlei lijstjes,
van omzien op het bijna afgelopen jaar.
In onze hyperindividualistische samenleving
wordt een poging ondernomen
tot samenzijn en samen beleven:
donderdag 12 december werd er er door de Evangelische Omroep
tot zo’n samenzijn met het ontsteken
van de Nationale Kerstboom in Apeldoorn.
Andere pogingen tot samenzijn
zijn bijvoorbeeld ook de Top 2000 (sinds 1999)
waar je jouw keuze kunt delen
met een ieder door die te posten op de sociale media.
Ook internationaal doet muziekstreamingsdienst Spotify
sinds 2016 iets soortgelijks:
Spotify biedt zijn gebruikers een jaarlijkse functie die de details
van het eigen gebruik verzamelt en presenteert,
zodat we terug kunnen kijken op het jaar
door de specifieke lens van onze luistergewoonten: Spotify Wrapped.
Hoewel dit in eerste instantie misschien een beetje saai klinkt,
is het eigenlijk een behoorlijk staaltje marketinggenie.
Het is het verhaal van ons 2024, zoals verteld door Spotify.
De staat van onze ziel, zoals onthuld door onze toewijding aan Taylor Swift.
En je kunt jouw Wrapped delen met jouw omgeving!
Elk jaar wordt ‘Spotify Wrapped‘ evenals de Top 2000
meer en meer een sociaal ritueel.

Dit jaar wachtten mensen er zelfs actief op,
controleerden ze dagelijks hun app
en verlangden ze ernaar dat Spotify zijn komst in 2024 zou aankondigen.
Nieuwsmedia schreven stukken over hoe ze er het beste mee om konden gaan,
er werden daadwerkelijk weddenschappen afgesloten
over wanneer de functie zou verschijnen.
Hoe gek is dat?
Spotify Wrapped is net zo synoniem geworden met deze tijd van het jaar
als adventskalenders en het van de zolder halen van kerstversieringen.

Ik ben me er terdege van bewust dat dit misschien een storm in een glas water is,
maar het is hoe dan ook een storm.
En ik denk dat onze steeds groter wordende obsessie
ermee ons veel kan leren over… nou ja… ons.

Want wat nog interessanter is, is dat deze diep persoonlijke inzichten
die Spotify ons biedt, in eerste instantie alleen voor onze ogen gemaakt,
op sociale media worden geplakt.
Spotify Wrapped is een soort zachte lancering van ons eigen merk geworden,
een manier om onszelf, hyperindividualistisch als we zijn, te ‘outen’.
Want ook deze gegevens kun je op sociale media delen!
De afgelopen dagen hebben duizenden en nog eens duizenden mensen
de gegevens van Spotify gebruikt en gedeeld met de wereld,
als een manier waarop ze zichzelf met de wereld delen.
Hun topartiesten, de nummers die ze op repeat hebben gehad,
het aantal minuten dat ze hebben doorgebracht in het gezelschap
van hun favoriete albums, hun luistergewoonten
worden hoogstpersoonlijk op een bordje geserveerd.

Maar de simpele vraag blijft hangen: waarom?

Ja, waarom doen we dit?
Mijn instinct zegt me dat het antwoord ongelooflijk simpel is:
we willen gewoon gekend worden.

We hebben een overrompelende behoefte
om mensen te laten zien wie we zijn,
in de hoop dat we daarvoor worden beloond met acceptatie.
Misschien goedkeuring, zelfs.
Bewondering, als we echt geluk hebben.

Het is een symptoom van wat sommigen,
misschien wel het meest opvallend, Charles Taylor,
‘expressief individualisme’ hebben genoemd.
We leven in een cultureel moment dat ons vertelt
dat we de taak hebben om te ontdekken
en te definiëren wie we zijn, het is aan ons.
Het is de verantwoordelijkheid van elk individu
om zichzelf op te bouwen, van binnenuit.
En dan mogen we de wereld laten zien wat we hebben gecreëerd:
onszelf, gemaakt naar ons eigen evenbeeld.

We mogen het meesterwerk en de meester zijn,
de schepper en het gecreëerde, de dichter en het gedicht.

Dat klinkt heerlijk bevrijdend, nietwaar?
Er is maar één probleem:
niemand kan het gewicht van zo’n verantwoordelijkheid
daadwerkelijk dragen.
Het is verlammend.

En dus, als we deze enorme taak eens per jaar
kunnen uitbesteden aan een Zweeds streamingplatform;
ja, waarom zouden we dat dan niet doen?
Voor een kort moment kunnen we onze existentiële crisis
in de wacht zetten, met de beentjes op tafel,
opgelucht zuchten en simpelweg verklaren:
ik luister, dus ik besta.
Slechts één dag kunnen we onze muzieksmaak
ons laten definiëren,
kunnen we het aan onze streaminggewoontes
overlaten om ons leven betekenis te geven.

We kunnen rusten.

Ik wil dit absoluut niet bagatelliseren.
Integendeel, ik waardeer het.
Ik denk dat Spotify Wrapped ons veel meer over elkaar (en onszelf) laat zien
dan hoeveel we deze zomer naar muziek van bijvoorbeeld Froukje hebben geluisterd.
Ik ben echt dankbaar dat het ons toestaat om onze maskers even af zetten,
en ons eraan herinnert hoe graag we willen weten
en gekend willen worden, zien en gezien willen worden,
liefhebben en geliefd willen worden.
Ik denk dat het een supergoed idee is,
verpakt in een vermomming van trivialiteit.
Het duwt ons op een slinkse manier
om te erkennen dat we erbij willen horen.
En dus ben ik er niet van overtuigd
dat het überhaupt alleen maar ‘individualistisch’ gedrag is,
wat dacht je ervan om het een symptoom van
‘expressief erbij willen horen’ te noemen?

Het succes van Spotify Wrapped is ongekend en geniaal:
het is een cultureel moment
en de onderliggende hartenkreet is bijzonder luid.
Zelfs luider dan de drieduizend minuten aan Rammstein
die ik dit jaar door de speakers heb laten schallen:

Zie mij er zijn!

 

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)
‘Hij moet groter worden en ik kleiner.’ (Johannes 3:30)
‘Hij zal vervuld worden van de Heilige Geest
terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,’ (Lucas 1: 15b)
Van bijna alle ‘mensen rondom Jezus’ in Lucas 1 en 2 wordt gezegd
dat ze vervuld worden met de Geest, en ze aanbidden God met enthousiasme.
‘Bedrink u niet, maar laat de Geest u vervullen’ (Efeziërs. 5:18).
Johannes is een met de Geest gezalfde profeet.
Al in de baarmoeder belijdt hij de naam van zijn Heer! Over Hem is hij Geestdriftig.
en hij zal velen uit het volk van Israël zal hij bekeren tot de Here, hun God. (Lucas 1 :16)
Bekering heeft te maken met:
genadig aan je zonden ontdekt worden om je vervolgens om te keren naar Christus.
De taal die Johannes gebruikt is daarbij scherp: ‘Adderengebroed’ (Lucas 3:7)
Gedoopt zijn is niet genoeg.
Johannes verkondigt een heel praktische bekering:
deel je kleren en je eten, vorder niet te veel, plunder niet en pers niets af (Lucas 3:10-14).
Hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia. Johannes is Elia de Tweede.

Net als die profeet is hij aangewezen,
niet op zichzelf, maar op de Geest en de Kracht van God.
Johannes’ prediking was vol van Geest en Kracht, want vol van Christus.
‘Zo zal hij voor de Heer een volk gereedmaken.’ (Lucas 1: 17b)
Wanneer ben je er ‘klaar’ voor om Jezus te ontvangen?
Want dat is het doel van Johannes’ prediking.
Je bent er ‘klaar’ voor als je alles loslaat en als je met lege handen staat.
Toewijding is: niets meer vast willen houden dan Jezus alleen.

« Vorige paginaVolgende pagina »