Er wordt weer druk met God gezwaaid
in het huidige conflict tussen
Amerika en Israël aan de ene kant
en Iran aan de andere kant.
Alsof Hij een vlag is die je op een tank kunt hijsen.
Aan de ene kant van het front klinkt
“Allahu akbar”, heilige oorlog
aan de andere kant Bijbelteksten.
En ergens daar tussenin vliegen de raketten.

In Iran noemen ze Amerika
sinds tijden al de Grote Satan.
Israël is de Kleine Satan.
Handig taalgebruik.
Als je je vijand eerst tot satan verklaart,
hoef je daarna nergens meer over na te denken.
Tegen satan mag je alles.
Dan wordt oorlog
ineens een soort morele schoonmaakactie.

Maar laten we niet doen
alsof alleen Teheran religieuze taal misbruikt.
Ook in Washington en Jeruzalem
klinkt het behoorlijk religieus.

Benjamin Netanyahu
vergeleek de Iraanse leider Khamenei
met Haman uit het Poerimverhaal.
Een tiran die het Joodse volk wil vernietigen.
Vervolgens haalde hij de profeet Amos aan:
“De leeuw heeft gebruld.”
En jawel:
de militaire operatie heet prompt Brullende Leeuw.
Het klinkt indrukwekkend.
Bijbels zelfs.
Maar uiteindelijk
blijft het gewoon
een bombardement met een slogan.

Nog apocalyptischer maakt
Pete Hegseth het,
de Amerikaanse minister van Defensie.
Die ziet de oorlog
niet alleen als een geopolitieke strijd,
maar als een geestelijke.
Soldaten die bereid zijn hun leven te geven voor land,
voor hun eenheid en Schepper
zouden het eeuwige leven ontvangen.
We weten dat we een fysieke strijd voeren,
maar uiteindelijk staan we
(…)
op een geestelijk slagveld.
We zijn niet alleen strijders,
gewapend met het arsenaal van de vrijheid,
we zijn uiteindelijk ook gewapend
met het arsenaal van het geloof,
en dat zijn we al vanaf het begin.

Dat is nogal wat.
Normaal gesproken
moet je voor eeuwig leven
toch echt bij Jezus zijn,
niet bij het Pentagon.

Hegseth heeft ook een Jeruzalemkruis
op zijn borst getatoeëerd:
het symbool van de kruisvaarders.
Die gingen ooit ook
met heilige overtuiging
naar het Midden-Oosten.
Met het zwaard in de hand
en vergeving van zonden op zak.
Het resultaat kennen we:
bloedbaden, plunderingen
en een geschiedenis
waar zelfs vrome christenen
tegenwoordig liever niet te lang
bij stilstaan.

Religie en oorlog
vormen sowieso een gevaarlijk mengsel.
Zodra leiders beginnen te praten
over “Gods strijd”,
moeten er alarmbellen gaan rinkelen.
Want de geschiedenis leert één ding:
iedereen denkt dat God aan zijn kant staat.

Hitler sprak over voorzienigheid.
De Boeren én de Britten
baden allebei om overwinning
in Zuid-Afrika.
In het Oude Testament
sleepten de Israëlieten
zelfs de ark het slagveld op,
alsof God een mascotte was.
Ze verloren alsnog.

En nu gebeurt iets vergelijkbaars.
Amerikaanse militairen
klagen dat commandanten
de oorlog tegen Iran presenteren
als een door God gewilde strijd.
Sommige officieren hebben
het zelfs over Armageddon.
De eindstrijd.
Alsof een briefing in het leger
ineens een Bijbelstudie
over Openbaring is geworden.

Dat is niet alleen theologisch twijfelachtig,
het is ook gevaarlijk.
Want wie denkt
dat hij Gods plan uitvoert,
voelt zich zelden nog geremd.

Laat één ding duidelijk zijn:
staten voeren oorlog om macht,
om veiligheid, grondstoffen en invloed.
Niet om het Koninkrijk van God te vestigen.
Wie dat wel beweert, gebruikt religie als camouflage.

Dus misschien een bescheiden voorstel:
laat God even van buiten het slagveld.
Geen Bijbelteksten op raketten.
Geen kruisvaarderssymbolen op uniformen.
Geen Armageddon in militaire briefings.

Dit is geen heilige oorlog.

Dit is geopolitiek.
Met bommen.
En heel veel vrome retoriek eroverheen.

 

Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

 

Bijna iedereen herkent het wel.
Een kind vraagt iets, je zegt nee,
en je krijgt dat onverwoestbare argument terug:
‘Maar ik wil het gewoon hebben.’
Onderhandelen, compromissen sluiten,
snappen dat de wereld niet om jou draait;
dat leer je meestal pas later. Tenminste, dat is de bedoeling.

Maar sommige mensen groeien daar nooit overheen.
En laten we eerlijk zijn:
dat is vooral pijnlijk om te zien
als het volwassenen betreft.
Nog pijnlijker als ze rijk, machtig en invloedrijk zijn.
En ja, daar komen we onvermijdelijk uit bij Donald Trump.

Trump wilde een Nobelprijs voor de Vrede
voor de ‘8+ oorlogen’
die hij wel of niet heeft beëindigd.
Die kreeg hij niet.
Nu wil hij Groenland.
Niet omdat het nodig is, niet omdat het logisch is,
maar omdat hij het gewoon wil hebben.
En dat terwijl de Verenigde Staten als sinds 1951
het wettelijke recht hebben
om op Groenland defensie-infrastructuur te bouwen
en het te gebruiken
ter verdediging van zowel Groenland als zichzelf.
Er is dus geen probleem dat opgelost moet worden.
Behalve dan zijn frustratie.

Trump is eigenlijk een fascinerend studieobject
voor de ontwikkelingspsychologie.
Aan de ene kant denk je:
stuur hem naar zijn kamer.
Aan de andere kant
is dit geen kinderachtig incident,
maar een geopolitieke dreiging
die de NAVO en daarmee de wereldvrede raakt.
En dat maakt het ineens bloedserieus.

Misschien is dat wel het moment
om opnieuw na te denken
over wat vrede eigenlijk is.
In de simpelste vorm:
de afwezigheid van oorlog.
Maar vrede is meer dan dat.
Het is de zekerheid
dat je in waardigheid kunt leven,
met zelfbeschikking,
zonder permanente dreiging.

Dat is precies het soort ‘zachte macht’
waar Trump niets mee heeft.
Voor hem is vrede geen waarde,
maar een product, een commodity.
Noorwegen heeft hem geen Nobelprijs gegeven
— alsof ze dat ooit kunnen doen —
dus laat hij vrede vallen als een slechte deal.
In plaats daarvan dreigt hij met strafheffingen
tegen Nederland en andere Europese landen
als zij Denemarken niet dwingen Groenland af te staan.
Wat dat precies betekent?
In zijn hoofd waarschijnlijk: slim onderhandeld.

Maar vrede is geen handelswaar.
Voor christenen is het een genadegave.
En ook voor veel niet-gelovigen
is het nog steeds iets fundamenteel menselijks,
iets dat je koestert en beschermt.
Hoe dan ook:
vrede is een absolute waarde.
En dus een object
dat je verkoopt aan de hoogste bieder.

Vrede is geen transactie, maar een geschenk.
En alles wat kostbaar is, moet worden bewaakt.
Een ander woord voor bewaken is defensie.
Daarom hebben landen defensiebudgetten.
Niet om te roven,
maar om te beschermen wat kwetsbaar is.
Daarom bestaat de NAVO.
Omdat we samen sterker staan
in het bewaren van vrede.

Trump houdt wel van kracht,
maar alleen van de kracht van de pestkop.
Zijn favoriete mantra ‘vrede door kracht’
lijkt verdacht veel op de Pax Romana:
ik bepaal de vrede, want ik ben sterker dan jij.
In die logica kan hij Groenland opeisen
omdat Denemarken en zijn bondgenoten kleiner zijn.

Wat hij compleet negeert,
is het idee van zwakte.
In zijn wereld is zwakte iets om te verachten.

Wijzere mensen weten beter.
Paulus schreef al dat kracht juist in zwakte kan schuilen.
Ingenieurs snappen dat intuïtief:
een constructie is maar zo sterk
als haar zwakste punt.
Wie de zwakken beschermt,
erkent de collectieve kracht van het geheel.

Leiderschap in de vrije wereld
betekent niet dat je zwakkere landen opslokt,
maar dat je ze bijstaat,
zeker wanneer ze onder druk staan
van minder welwillende spelers.
Zwakte is geen uitnodiging tot overname,
maar tot solidariteit.
Dáár hangt vrede van af.

Het is een klassieke denkfout
om te geloven dat omdat je de grootste bent
dat iedereen dus maar naar jou moet luisteren.
Er komt altijd iemand die groter is.
Altijd.
Memento mori:
herinner dat je sterfelijk bent.

Maar dat besef vraagt nederigheid.
De erkenning dat je,
hoe machtig je jezelf ook waant,
altijd aan iemand verantwoording schuldig bent.
En precies daar, in die nederigheid, ontstaat vrede.

De uitspraak van Jezus ‘Mijn vrede geef ik u’ is een gewaagde belofte.
Maar we worden wel uitgenodigd haar serieus te nemen.
Niet alleen Trump, die het niet lijkt te snappen,
maar voor ons allemaal.
Want eerlijk is eerlijk:
het is een vrede die ons verstand te boven gaat.

 

Het lijkt erop dat Donald Trump
de bestaande wereldorde op z’n kop zet:
hij heeft – volgens hem – Venezuela overgenomen
en richt nu zijn blik nu op Groenland, Mexico
en tal van andere landen en organisaties.
Dit heeft geleid
tot veel discussie over een ‘nieuwe wereldorde’.
Oude zekerheden lijken af te brokkelen,
zowel op het gebied van
internationale betrekkingen als politieke systemen.

Met wat een ‘Donroe’-doctrine wordt genoemd,
proberen de VS controle uit te oefenen
over hun eigen continent.
Donald Trump is, vanuit het perspectief
van de internationale diplomatie,
een anarchistische figuur in de wereld,
die de oude regels aan flarden scheurt
en steeds brutaler wordt in zijn gebruik van
Amerikaanse militaire macht
om te krijgen wat hij denkt
dat goed is voor Amerika.
Tegelijkertijd wijst de toenemende
wereldwijde invloed van China,
met name de controle over onze technologie
en digitale connectiviteit
– die niet alleen onze mobiele telefoons,
maar ook defensiesystemen, infrastructuur
en industrie beïnvloedt
– op een dreigende wereldwijde machtsstrijd
tussen deze twee grootmachten,
waarbij Europa niet weet welke kant het op moet.

Tegelijkertijd stort de politiek
niet zo gemakkelijk in als nu.
Vroeger vertrouwden we op linkse partijen
die opkwamen voor de arbeiders
en rechtse partijen
die de belangen van het bedrijfsleven
en de traditionele
heersende klasse beschermden.
Tegenwoordig hebben we
onder andere Geert Wilders,
die een grote aantrekkingskracht heeft
op kiezers uit de arbeidersklasse,
en linkse partijen die zich laten leiden
door progressieve agenda’s.

Ik heb onlangs een boek gelezen
over de overgang van het heidense Romeinse rijk
naar de nieuwe, gekerstende wereld van de vroegmoderne tijd.
Toen het Romeinse rijk vanaf de vijfde eeuw
begon te desintegreren,
was de snelgroeiende christelijke kerk
uitstekend gepositioneerd
om een nieuwe beschaving op te bouwen uit de ruïnes (letterlijk)
van het heidense Rome.
Heidense tempels maakten plaats voor een nieuwe geografie
van kerken en parochies.
Er ontstond een nieuwe tijdsbeleving,
waarbij het jaar niet langer werd gevormd en gemarkeerd
door de heidense feesten uit het verleden,
maar door christelijke feesten: Kerst, Pasen, Pinksteren
en een steeds groeiend aantal heiligenfeesten.
In plaats van de chaotische mengelmoes
van religies in het heidense Rome,
bracht de vastberaden christelijke beweging
de middeleeuwse wereld voort,
waarbij geleidelijk
een nieuwe christelijke wereld uit de oude ontstond.

Dit alles voedt het idee
dat we het begin meemaken
van een soortgelijke, tijdperkbepalende periode
van culturele verandering,
een die zich eens in de paar honderd jaar voordoet.
We bewogen ons van de heidense wereld
naar het christendom.
We hadden de Reformatie, daarna de Verlichting.
Dat gaf op zijn beurt geboorte
aan de moderne seculiere,
liberale wereldorde in het Westen.
Er ontstaat iets nieuws in onze tijd,
maar we weten nog niet wat het is.

Als dit waar is,
dan is het nieuws over de ‘Stille Opwekking’
wellicht meer dan een vage opleving
in de spirituele belangstelling van Generatie Z,
maar onderdeel van iets veel, veel groters.
Je ziet ineens overal mensen die,
verre van hun geloof te verbergen,
er juist veel opener over zijn.

Zou deze culturele verschuiving voortkomen
uit de afbrokkeling van de zekerheden
van het post-verlichtingsdenken?
Want de opvatting dat wetenschap en technologie
de oplossing zijn voor al onze problemen zijn
blijken te kort te schieten;
zo ook rotsvaste geloof
in een rooskleurige toekomst.

Jongeren kunnen zich inmiddels
niet meer voorstellen
dat ze ooit een huis kunnen kopen.
Ze vragen zich af of de planeet
de impact van de enorme bevolkingsgroei
van 1 miljard in 1800 tot 8 miljard in 2025
wel zal overleven.
En hoewel ze verslaafd zijn
aan sociale media en technologie,
vinden ze die verslaving ook niet prettig
en maken ze zich zorgen
over de gevolgen voor henzelf
en hun kinderen in de toekomst.
De rooskleurige toekomst
die onze snel ontwikkelende technologie
en de val van de Berlijnse Muur beloofden,
is niet werkelijkheid geworden.
Het is dan ook niet verwonderlijk
dat mensen elders naar antwoorden zoeken.
Of zoals iemand laatst vertelde:
‘Het arrogante zelfvertrouwen
van mijn seculiere leeftijdsgenoten
is vrijwel verdwenen.’

De tijd zal het leren,
maar misschien
is de hernieuwde belangstelling
voor religie onder westerlingen
niet slechts een kortstondige opleving,
maar een teken
van een veel diepere culturele verschuiving
van het ene tijdperk naar het andere,
van het seculiere
naar het post-seculiere tijdperk.

Wat wel duidelijk lijkt,
is dat we waarschijnlijk
geen terugkeer
naar een of andere vorm van christendom
zullen zien,
niet in de laatste plaats
omdat de christelijke kerk
in het Westen niet sterk
of zelfverzekerd genoeg is
om het moment te grijpen
zoals in de vijfde eeuw.
We hebben geen equivalent
van de grote figuren
zoals Augustinus of Hiëronymus.

Wat waarschijnlijk zal ontstaan,
is geen nieuw christendom
– de christelijke kerk
en de politieke macht
gaan altijd niet goed samen,
en we hebben te veel fouten gemaakt
om er nu nog naar te verlangen –
maar een nieuw religieus
en spiritueel pluralisme;
een beetje zoals het heidendom.

Als de belangrijkste trend
niet de terugkeer
van het christendom is,
maar de achteruitgang
van het secularisme,
dan betekent dit dat
we niet terugkeren naar de Middeleeuwen,
toen het christendom
de samenleving domineerde.
In plaats daarvan lijkt het
opkomende spirituele landschap
meer op dat van de late oudheid:
een uitgestrekte marktplaats
van geloofsovertuigingen,
culten en eclectische spirituele praktijken,
die elk beloven een ooit onttoverd tijdperk
opnieuw te betoveren.

De vraag is of de kerk
de uitdaging van het verwarrende tijdperk
die we op het punt staan te betreden, aankan.
Als ze simpelweg de vermoeide tonen
van links-liberalen napraat,
of zelfs de schelle tonen
van rechts-boze mensen,
en zichzelf ziet
als een zoveelste
politieke actor of lobbygroep
die probeert macht te verwerven
in de nieuwe wereldorde,
dán zal ze deze kans missen.
Kan ze iets van het vertrouwen
in haar eigen boodschap,
haar eigen spirituele dynamiek herwinnen
die de stervende heidense wereld
1500 jaar geleden bekeerde?
Zo ja, dan belooft de toekomst
interessant te worden.

 

De afgelopen weken werden gekenmerkt
door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen
onder het bewind van de regering-Trump:
Op 26 december voerden de Verenigde Staten
luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria.
Kort daarna, op 3 januari,
bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas,
ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro
en leverden hem uit aan New York
om terecht te staan voor narco-terrorisme.
Na een snelle militaire interventie in Venezuela
richtte Trump, dronken van ‘succes’,
zijn pijlen vorige week
weer op Groenland,
het autonome onderdeel van Denemarken
dat hij al langer wil bezitten.
Deze gebeurtenissen
illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid,
aangeduid als de Donroe-doctrine:
een periode van agressieve militaire interventies
en grillige geopolitieke machtsuitoefening.

Nigeria en Venezuela delen niet alleen
een overvloed aan olie,
maar ook structurele problemen
zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede.
De Amerikaanse interventies in deze landen
versterken het idee dat de naoorlogse,
op gedeelde regels gebaseerde wereldorde;
deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet
om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort.
De orde was gebouwd op internationale afspraken
en morele verantwoordelijkheid.
Ze lijkt nu te zijn vervangen
door een doctrine
die wordt gedreven
door binnenlandse belangen
en politieke willekeur.

De morele focus van de huidige Amerikaanse regering
is sterk naar binnen gericht,
met nadruk op thema’s
als reproductieve rechten,
het homohuwelijk en grensbeveiliging.
Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap
op het internationale toneel.
Door het door de VS mede ontmantelen
van de Reproductive and Behaviour Order (RBO)
ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm.
In een wereld waarin grootmachten
als de VS, Rusland en China
geen gezamenlijk moreel kompas tonen,
rijst de vraag
hoe dit vacuüm kan worden opgevuld.
De RBO stelt dat religie
– en in het bijzonder het christendom –
hierin een cruciale rol kan spelen.

Een illustratief voorbeeld
is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi
aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december.
Dit gebaar werd internationaal geprezen
als een poging tot interreligieuze harmonie.
Toch werden binnen 24 uur
de kerstversieringen vernield
door hindoe-nationalisten
in verschillende Indiase steden.
Deze tegenreactie benadrukt
hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is,
vooral in landen
met een dominante meerderheidsreligie.
Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid
om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap
ondubbelzinnig te veroordelen.

De motivatie achter deze aanvallen
op christenen in India
verschilt in essentie
niet van het geweld tegen christenen
door islamitische extremisten in Noord-Nigeria:
beide komen voort uit angst
voor het verlies van een vertrouwde beschaving.
Geen enkele samenleving
kan echter duurzaam bloeien
wanneer zij geweld
tegen religieuze minderheden
negeert of rechtvaardigt.
Tegelijk roepen deze gewelddaden
op tot metacognitie:
reflectie op de diepere motieven
achter haat en vervolging.
Juist daarin liggen de kiemen
voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.

De oorspronkelijke RBO was gebaseerd
op principes als soevereiniteit, gelijkheid,
rechtsstaat, mensenrechten,
multilateralisme
en vreedzame conflictoplossing.
Een nieuwe gemeenschappelijke moraal
zou hierop moeten voortbouwen,
maar ook geworteld zijn
in religieuze waarden
die gedeeld worden door de grote wereldreligies,
zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten.
Internationale documenten
zoals het VN-Handvest (1945)
en de VN-Verklaring
inzake godsdienstvrijheid (1981)
bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.

De grootste uitdaging
ligt bij staten
met een dominante meerderheidsreligie,
zoals het christendom in de VS
of het hindoeïsme in India.
Hoe kunnen zij minderheden
dezelfde bescherming bieden als de meerderheid?
Is religieuze diversiteit
een nulsomspel,
of kan er een moreel evenwicht bestaan?

Het christendom, als grootste religie ter wereld,
biedt het meest omvattende
morele kader om deze balans te vinden.
Zowel christendom als islam
erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus.
De leer van Christus,
zoals beschreven in het evangelie van Johannes
en uitgewerkt door Paulus,
maakt een scherp onderscheid
tussen goed en kwaad
en leert dat de strijd
niet tegen mensen is gericht,
maar tegen de machten van het kwaad.

Daarom zou een vernieuwde,
religieus gefundeerde wereldorde
moeten voortbouwen op de leer van Christus.
Deze christocentrische moraal
herdefinieert mondiale conflicten
niet als botsingen tussen mensen of religies,
maar als een strijd tussen goed en kwaad.
Zo ontstaat een inclusieve morele visie
die alle mensen – gelovig of niet –
uitnodigt om het kwaad te veroordelen
en actief het goede te bevorderen
in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.

 

Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte.
Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie,
leek het continent op weg naar
een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld.
Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten
vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting.
Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg
van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen,
en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming
en geopolitieke afhankelijkheid.

Die zekerheid is verdwenen.
Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren:
klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid,
demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid
en het verval van democratische instituties.
De omstandigheden veranderen sneller dan ooit,
en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang.
Politieke leiders spelen daarop in:
sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden;
anderen bieden radicale terugkeer
naar een geïdealiseerd verleden
dat nooit werkelijk heeft bestaan.
Volgens politicoloog Ivan Krastev
is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.

De oorzaak hiervan ligt in Europa’s
‘pauze van de geschiedenis’ na 1945
en later na de val van de Berlijnse Muur
ook een ‘pauze als defensieve macht’.
En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen,
bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op.
Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele,
op regels gebaseerde wereldorde bestond.
Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek
— zichtbaar in het Amerika onder Trump
en in de assertiviteit van Rusland en China —
blijkt de EU slecht uitgerust.
Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem,
maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld
waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit.
Europa zit niet aan tafel,
maar ligt óp tafel.
Er wordt óver hen beslist
Europa heeft geen duidelijke plaats
onder de wereldmachten
en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen
over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.

Daarnaast heeft Europa moeite
om zijn eigen macht te erkennen,
belast door een geschiedenis
die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz.
Het resultaat is een houding van zelfverkleining:
Europa zou te verdeeld,
te bureaucratisch en te traag zijn
om daadkrachtig op te treden.
Deze ‘machteloosheid van de machtigen’
biedt moreel comfort,
maar ondermijnt Europa’s vermogen
om zijn belangen te verdedigen.
In een wereld die wordt gedomineerd
door autocratische grootmachten
is precies dat echter noodzakelijk
voor een democratische toekomst.

Toch is het continent rijker, beter opgeleid
en technologisch capabeler dan ooit.
Het beschikt over de middelen
om zijn positie te herdefiniëren
maar wat ontbreekt, is de politieke wil.
Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:

‘sommige uitdagingen moet je aangaan
omdat ze moeilijk zijn.’

Alleen door die houding opnieuw te omarmen
kan Europa zijn toekomst terugwinnen.

kerstverlichting in Zwolle

 

In zijn jaarlijkse persconferentie met het volk van dit jaar
schetst Vladimir Poetin zich als een zelfverzekerde wereldspeler,
terwijl ondertussen het feit is dat Rusland steeds dieper vastzit
in de oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan.

Eerder in 2025 stond Poetin op 
een belangrijk Russisch debatpodium.
Daar werd hij bijna neergezet
als de grote architect van een nieuwe wereldorde.
Poetin zelf deed alsof hij bescheiden was,
maar benadrukte wel dat de wereld
in een radicale overgangsfase zit
en dat de inzet extreem hoog is.
Voor de mensen in Oekraïne is dat geen theorie:
zij leven al bijna vier jaar met oorlog,
met doden, onzekerheid en wisselende steun uit het Westen.

Poetin voert de druk ondertussen op.
Aan het einde van het jaar kwam hij met steeds agressievere taal.
Hij beweerde dat Rusland
grote successen boekt in Oekraïne
en gaf Europa en Kyiv opnieuw de schuld van het conflict.
Europese leiders noemde hij zelfs ‘biggetjes’
en hij dreigde meer Oekraïens grondgebied
met geweld in te nemen
als er geen vredesgesprekken komen.

Wat opvallend is:
ondanks zware sancties en militaire blunders
is Rusland overeind gebleven.
Het land wist sancties te omzeilen,
de wapenindustrie weer op gang te krijgen
en tegenstanders het zwijgen op te leggen.
Daarbij kreeg Poetin onverwachte steun uit de VS.
De wispelturige houding van de Amerikaanse president Donald Trump
werkt in het voordeel van Moskou,
omdat het verdeeldheid zaait tussen bondgenoten.
Ondertussen beschuldigt Rusland Europa ervan
dat zij de Amerikaanse vredespogingen proberen te saboteren.

Oekraïners vragen zich ondertussen af
wat een mogelijk akkoord waard is.
Ze vrezen dat Poetin vanuit bezet gebied
gewoon verder zal werken
aan de vernietiging van hun land.
Andere Russische leiders
blijven bovendien waarschuwen
voor een zogenaamd agressief Europa
en NAVO-plannen voor een toekomstig conflict.

Een belangrijk strijdpunt is het Russische geld
dat in Europa is bevroren.
Europa besloot dat geld niet direct
aan Oekraïne te geven,
maar Kyiv via de EU-begroting te steunen.
Rusland ziet dat als winst en dreigt met rechtszaken,
onder andere tegen Euroclear in België.
Er zijn zelfs aanwijzingen
dat Russische en Amerikaanse inlichtingendiensten
Europese politici en medewerkers onder druk zetten met dreigementen.
Tegelijk klinken er in Moskou ook zachtere geluiden:
sommige bronnen zeggen
dat het Kremlin onder strenge voorwaarden
openstaat voor het inzetten van een deel
van dat geld voor wederopbouw.

Binnen Rusland houdt Poetin het beeld van succes stevig vast.
Tijdens de jaarlijkse live toespraak sprak hij
alleen over militaire winst
en noemde hij het gebruik van Russische tegoeden ‘roof’.
Slecht nieuws, zoals Oekraïense aanvallen, werd genegeerd.
Toch maken veel Russen zich vooral zorgen over de economie.

Die zorgen zijn niet onterecht.
De oorlogseconomie draait,
maar gewone sectoren zitten in de problemen.
Inflatie is hoog, rentes stijgen, banen worden schaarser
en de olieprijs – cruciaal voor Rusland –
staat op een dieptepunt.
Analisten zeggen dat Rusland leeft op een ‘geleende toekomst’.
Toch zal Poetin de oorlog niet stoppen om economische redenen.
De kosten worden simpelweg
doorgeschoven naar de bevolking:
hogere belastingen, lagere lonen en minder subsidies.

Ook politiek wordt de greep in Rusland steeds strakker.
Oppositie is vrijwel uitgeschakeld,
kritische partijen worden aangepakt
en populaire apps en platforms verdwijnen.
Richting de parlementsverkiezingen van 2026
wordt vooral ingezet op thema’s
als stabiliteit en nationalisme,
niet op de oorlog.

Om alles te verhullen, zijn Russische steden dit jaar extra feestelijk verlicht.
Dat staat in schril contrast met arme regio’s
zonder basisvoorzieningen.
Russische woordvoerders beweren ondertussen
dat Europa in ‘duisternis’ leeft,
maar Europese steden reageerden
met foto’s van uitbundig verlichte straten.
Het symboliseert het grotere verhaal:
Rusland probeert kracht uit te stralen,
terwijl de scheuren onder de oppervlakte steeds zichtbaarder worden.

 

Momenteel is de formatie in Nederland in volle gang.
Maar laten we eens doorscrollen naar een ‘mogelijke (zwarte) toekomst’; ‘wat als’:
Het is het jaar 2029
en Geert Wilders heeft als premier
zojuist zijn eerste kabinet gepresenteerd.

Als een van de vele ingrijpende hervormingen in zijn eerste maanden in functie
heeft de nieuwe premier duizenden asielzoekers gedeporteerd
naar landen zoals Eritrea, Afghanistan en Iran.

Bij terugkeer in deze landen zouden verschillende van deze asielzoekers
te maken hebben gehad met arrestatie, marteling en zelfs executie.

Natuurlijk is dit slechts een fictieve weergave van een mogelijke toekomst,
maar het is een toekomst die op zijn minst denkbaar lijkt,
gezien de recente peilingen en de belofte van de leider van de PVV
om iedereen die illegaal naar ons land reist te deporteren,
ongeacht of ze bij thuiskomst levensgevaar lopen.

Zulke uitspraken zouden nog niet zo lang geleden
bijna unaniem zijn bekritiseerd,
maar de huidige stand van zaken in ons immigratiesysteem en de politiek
heeft ze blijkbaar acceptabel gemaakt voor een groeiend aantal Nederlanders.

‘Ik denk niet dat het om haat gaat’, zei een inbeller op NPO Radio 1
toen de plannen van de PVV werden aangekondigd.
‘Ik denk dat het om de manier gaat waarop [immigratie]
tot nu toe door deze en de vorige regering is aangepakt,
[wat] veel onrust heeft veroorzaakt.’

Een andere beller gaf toe dat de meningen
over de kwestie verdeeld waren,
maar gaf een contrasterend perspectief:

‘Dit is Geert Wilders ten voeten uit’, zei ze.
‘Hij heeft verdeeldheid nodig.
En wat is het meest controversiële onderwerp dat we kunnen bedenken?
Immigratie.
En wat een voorrecht hebben we om in een veilig land te leven waar,
God verhoede,
niemand van ons ooit zijn kinderen hoeft op te halen
en te vluchten voor vervolging!’

Dit alles brengt ons mooi terug
bij de specifieke – en zeker complexe – kwestie die aan de orde is:
namelijk, hoe moeten we omgaan met asielzoekers
die daadwerkelijk zijn gevlucht voor vervolging
en die mogelijk nog meer te maken krijgen
als ze naar huis terugkeren?

De bescherming van dergelijke personen
staat centraal in het Vluchtelingenverdrag van 1951,
dat door alle westerse democratieën (inclusief de onze) is geratificeerd
en al lang wordt verdedigd.
Het verdrag omvat het principe van ‘non-refoulement’:
het verbiedt ‘de gedwongen terugkeer van vluchtelingen of asielzoekers
naar een land waar ze het risico lopen vervolgd te worden’.

‘Onze waarden zijn altijd geweest
dat wanneer mensen een reëel en substantieel risico lopen
op fysieke marteling of vervolging…
wij als land altijd bereid zijn geweest om hen op te vangen’,
werd onlangs zo uitgelegd
‘deze waarden die in het verdrag zijn verankerd moeten niet worden afgeschaft.
(…) omdat dat onlosmakelijk verbonden is
met onze geschiedenis, onze traditie en onze positie als liberale democratie.’ werd erbij gezegd.

En toch is dit precies wat de PVV belooft te doen, mochten ze aan de macht komen.

Steeds meer politici hier en elders beweren
dat het Vluchtelingenverdrag en andere soortgelijke verdragen,
zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens,
hervormd – of zelfs genegeerd – moeten worden
in het licht van een sterk veranderde wereld.

Wij zijn natuurlijk niet het enige land dat met een immigratiecrisis kampt;
noch zijn wij de eersten die drastische maatregelen overwegen
om de stroom asielzoekers die ons land bereikt, in te dammen.

In zijn eerste maanden na zijn aantreden
maakte de Amerikaanse president Donald Trump
zijn eigen belofte waar om de grenzen van Amerika strenger te bewaken,
onder andere door illegale immigranten te deporteren.

Onder hen bevonden zich verschillende Iraniërs
die beweerden een gegronde vrees
voor vervolging te hebben bij terugkeer naar huis,
gezien hun openlijke bekering tot het christendom.

In mei stelde een Amerikaans congreslid voor
om de wetgeving te wijzigen
om dergelijke religieuze vluchtelingen
te beschermen tegen deportatie.
Ze noemde haar wetsvoorstel, de Artemis Act,
naar een van de Iraniërs die naar Panama was gedeporteerd.

In juni kwam de kwestie weer in het nieuws
toen een andere Iraanse asielzoeker werd gefilmd
terwijl hij een paniekaanval kreeg
toen haar man, een medechristen,
werd meegenomen door de Amerikaanse immigratiedienst ICE.

In juli reisde de dominee van het echtpaar
– eveneens een Iraanse christen
die enkele jaren geleden als vluchteling
in de Verenigde Staten was aangekomen –
naar het Witte Huis om een driedaagse hongerstaking te houden
uit protest tegen de detentie van zijn kerkleden.
En in augustus riep de dominee in een interview
op tot ‘diepgaande hervormingen’ van het immigratiesysteem.
Hij zei dat ‘de meeste [Iraanse christelijke asielzoekers in de VS]
vele malen hebben geprobeerd om via een legale weg binnen te komen,
zoals een vluchtelingentraject,
maar dat er voor Iraniërs
geen legale manier is om vluchteling te worden in de Verenigde Staten.’

Een legale weg voor religieuze vluchtelingen
is ook iets waar andere landen voor gepleit is,
want alleen al in de afgelopen twee jaar
is er menigmaal gepubliceerd over de benarde situatie
van Iraanse christelijke vluchtelingen
in Turkije, Georgië en, dichter bij huis, Zweden.
Tegelijkertijd zijn er ook zorgen geuit over Iraanse christelijke vluchtelingen
in verschillende andere landen, waaronder Armenië, Irak en Indonesië.

In elk van deze landen lijkt de gemene deler
simpelweg te zijn dat deze vluchtelingen
– hoe terecht hun claims ook zijn –
ongewenst zijn en niet vertrouwd worden door hun gastheren.

Stel je het volgende eens voor:
Als je in Nederland was en je had niets
om je kinderen of kleinkinderen te voeden, wat zou je dan doen?
Je zou naar het volgende land gaan
en hen vragen om hen te voeden.
En dat is wat het betekent
om een economische migrant te zijn.
Het gaat er niet om:
‘O, ik heb een mooie auto, maar ik wil een mooiere auto.’
Dit zijn mensen die letterlijk verhongeren
en zich zo wanhopig voelen.
En natuurlijk probeer je dan te verhuizen.

Ik weet niet zeker of Geert Wilders het ermee eens zou zijn,
maar wat je standpunt
over de noodzaak van grenscontrole ook is,
we zouden het er toch allemaal over eens moeten zijn
dat degenen die oprecht beweren
aan vervolging te zijn ontkomen,
onze hulp moeten krijgen,
of op zijn minst beschermd moeten worden door het non-refoulementbeginsel.

 

De Goeroes leken
op het eerste gezicht
op de Profeten en de Agitators.
Maar in de generaties na die eerdere tijdperken
was het moeilijker geworden om
respect te tonen voor traditie
– wat prima was, aangezien de erosie van instellingen
de tradities toch al had verzwakt
en een pad had geopend voor Goeroes
om meer invloed te verwerven
dan hun destructieve voorgangers.
Religieuze en filosofische traditie
was in de handen van de Goeroes
niet langer een vaste gids,
maar een palet om illusies
van onafhankelijkheid te schetsen.
Soms gebruikten ze het om een nieuwe realiteit te schetsen
die ondoordringbaar was voor factcheckers.

“Goeroe”, wat in het Sanskriet “verwijderaar van duisternis” betekent,
was oorspronkelijk een religieuze term.
Maar in het derde decennium van de 21e eeuw
was de meest prominente Goeroe van het land
een zakenman genaamd Donald Trump.
Trump was persoonlijk geen toonbeeld
van conventionele religieuze toewijding.
Toch hing zijn politieke carrière af van een honger
onder zijn meest toegewijde aanhangers
die alleen spiritueel genoemd kan worden.
Zoals zoveel relaties tussen charismatische leiders
en hun volgelingen,
stuitte het op verzet en woede bij buitenstaanders.
Tegen de achtergrond
van de Amerikaanse charismatische traditie
is zijn succes echter volkomen logisch.

Hoe konden vroegmoderne mystici en puriteinse ketters,
die de stem van de Heilige Geest hoorden,
dan veranderen in toegewijden
op een moderne presidentsverkiezingsbijeenkomst,
die zich verdrongen om de kandidaat
met zijn iPhone als eerste te zien,
biddend voor een selfie?
Tegen het begin van de 21e eeuw
waren de meeste religieuze instellingen
in het Westen afgegleden
tot een overblijfsel van hun vroegere gezag;
althans volgens de gebruikelijke maatstaven.
Tegenwoordig wenden commentatoren
zich meer dan ooit tot
materialistische verklaringen voor politiek disfunctioneren,
polarisatie en de algehele vertrouwenscrisis van de cultuur.
Ze wijzen op groeiende sociale ongelijkheid,
onoverbrugbare meningsverschillen over beleid,
aanhoudend racisme en xenofobie,
en kwaadaardige, geautomatiseerde krachten
die op het internet loeren.
Allemaal waar; maar allemaal ontoereikend.
Als we de religieuze impuls definiëren
als een honger naar transcendente betekenis
en een reflex om te aanbidden, te adoreren,
dan is het een menselijk instinct
dat slechts iets minder fundamenteel is
dan de behoefte aan voedsel en onderdak,
en Amerikanen zijn
niet minder religieus dan ooit tevoren.
Ze zullen altijd een manier vinden
om deze verlangens te bevredigen,
zelfs als charismatici
hen langs vreemde en kostbare paden voeren.

De beginvraag die Worthen opwierp was:
‘Wat gebeurt er als Amerikanen het vertrouwen
in hun religieuze instellingen verliezen
en politici de leegte vullen?’
Mijn vraag na lezing van dit boek is:
‘In hoeverre zien we soortgelijke ontwikkelingen in Europa?’
Want laten we eerlijk zijn:
ook in Europa is het vertrouwen
in religieuze instellingen gedecimeerd
en ook bij ons zien we dat (charismatische) politici
proberen de leegte op te vullen.
Zou de uitspraak van Nietzsche bewaarheid worden
waar hij zegt:
‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!
Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […]
Dwalen we niet als door een oneindig niets?
Gaapt de holle ruimte ons niet aan?
Is het niet kouder geworden?
Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller?’

Proberen ook wij Europeanen niet die leegte op te vullen
door achter (charismatische) politici aan te lopen?

 

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Daar valt toch niet echt tegenin te gaan?
Het is een universeel erkende waarheid,
die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.

Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is,
en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.

Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’,
een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen
en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’.
Vrede is iets goeds.
We verlangen ernaar, we omarmen het
en we eren degenen die het mogelijk maken.

Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen
waar het allemaal om draait.
Of is het allemaal een beetje duister
als je onder de oppervlakte graaft.

De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten
vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders
tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten,
het buitensluiten van mensen
met wie we het oneens zijn
in identiteitspolitiek
en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen:
het is allemaal erg heftig en veel.
Veel mensen hebben dan ook besloten
het nieuws niet meer te volgen.
Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute
naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.

Ik verlang naar doorbraken
op het gebied van vredesbemiddeling.

Toen werd mijn aandacht getrokken
door een artikel op een nieuwsplatform.
De kop luidde:
‘Trumps diepe obsessie:
Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.

Ik had al een vage herinnering dat president Trump
tijdens zijn eerste ambtstermijn
een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama
de prijs had ontvangen,
terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen.
Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.

Verder wordt er geschreven
dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is
door het winnen van deze prijs
en dat zijn huidige regering
‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’.
Er wordt zelfs gesuggereerd
dat dit ook de onderliggende boodschap was
van de ruzie in het Witte Huis
met de Oekraïense president Zelensky.

President Trump is sinds 2016
al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs,
waarbij parlementsleden uit de VS,
maar ook uit Scandinavië en Australië
zijn naam daar inbrachten.

Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend.
Dr. Martin Luther King jr.,
Nelson Mandela
en Moeder Teresa
lijken misschien de belichaming van zo’n prijs,
maar er zijn ook vaak controverses geweest.

Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend
aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin,
Shimon Peres en Yasser Arafat;
die waren bijzonder controversieel.
Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973
werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte,
waardoor twee van de vijf leden
van de selectiecommissie uit protest aftraden
en de toekenning door de pers werd gehoond.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen?
Wat hoorde de menigte hem zeggen?

Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde
dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint
vooral bestemd zijn voor degenen
die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden:
‘de armen van geest … zij die treuren …
de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’.
Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters
die door iedereen geprezen zouden moeten worden?
Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen.
Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden,
waarom hebben zij een speciale zegen nodig?

Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde,
tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden:
‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’,
vrede is de kern van Jezus’ boodschap.
Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken,
‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’,
ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.

Natuurlijk is dit voor Jezus shalom,
of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama.
Hoewel het een alledaagse begroeting is,
is de gedachte die in het woord besloten ligt
veel dieper en rijker:
het gaat over heelheid, welzijn en harmonie.
In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict,
heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.

Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.

Want het is interessant dat Jezus niet zegt
‘gezegend de vredelievende mensen’
zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren.
Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’:
zij die de grenzen bewaken.
Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’,
als degenen die hun mouwen opstropen
en actief een omgeving van heelheid,
welzijn en harmonie creëren.

Geen probleem toch?
Wie is er nou niet een voorstander
van heelheid, welzijn en harmonie?
Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk,
totdat we stuiten op wat Jezus later
zegt:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is:
‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
Maar Ik zeg jullie:
heb je vijanden lief
en bid voor hen die jullie vervolgen,
opdat jullie kinderen mogen zijn
van jullie Vader in de hemel.

Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om
heelheid, welzijn en harmonie,
en de reikwijdte ervan reikt tot,
en omvat,
zelfs onze vijanden.
En waarom, omdat God het zo doet:

‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

Dit is de maatstaf
voor de vorm van vredeshandhaving
waar Jezus het over heeft.

Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling
een generatieproces is.
Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven;
als individu, in buurten of zelfs internationaal,
waar we dit soort principes belichamen en vormgeven.
Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.

We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op
waarin we in de loop der tijd floreren.
Ik ben omdat we zijn.
Het welzijn van ieder van ons
is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal.
Dit is een manier van leven,
geen kant-en-klare remedie.

Maar hoe zit het met vredesbemiddeling
te midden van een conflict?

Dit is waar het vredesproces troebel wordt,
vooral als je onder de oppervlakte graaft.
Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen
in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.

Om dus zelfs maar te kunnen denken
aan een authentiek vredesproces,
moeten beide partijen in een conflict het willen.
Als dit niet het geval is,
zal de vredestichter ofwel falen
ofwel het risico lopen
als marionet in de handen
van kwaadwillenden
te worden gemanipuleerd.

Om daadwerkelijk het punt te bereiken
waarop een vredesproces kan worden gestart,
moeten de betrokken partijen
tot het besef zijn gekomen
dat de kosten van het voortzetten van hun conflict
de realistische voordelen
die ze kunnen behalen, overstijgen.

Vredesvoering moet altijd beginnen
met de bestaande situatie.
Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was.
Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken
waar men van droomt.
Het gaat om een koude, harde confrontatie
met hoe de situatie werkelijk is.

Daarom is het impopulair,
vooral bij degenen
die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven,
hun doelen bereiken
en de overwinning nastreven in plaats van vrede.
De vredestichter is een actuele
en ongewenste herinnering aan hun falen.

Wanneer de vredesbemiddeling
vervolgens op gang komt,
kan degene die in het midden staat,
de vredestichter, geen partij kiezen.
Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk
als partijdig beschouwen,
omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen
worden afgewogen.
Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan
als verzoeners
of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.

Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten.
Het gaat erom de huidige situatie te accepteren
en zorgen opzij te zetten
om de best haalbare balans te bereiken.
Wolfgang Münchau schreef onlangs
over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:

‘Het doel van vredesbesprekingen
is om de gaten op te vullen.
Beide partijen kunnen het ene stuk land
tegen het andere ruilen.
Met geld koop je dingen.
Maar vredesakkoorden gaan nooit over
wie gelijk heeft en wie ongelijk.
Ze gaan niet over historische claims.’

Pragmatisch in plaats van principieel,
een compromis wordt al snel afgeschilderd
als een vies woord.
Vredestichters lijken karakterloos,
zwak en moreel gebrekkig
en lopen het risico
door alle partijen
verkeerd begrepen
en verkeerd voorgesteld te worden.

Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel,
die zich specialiseerde
in de studie van oorlog en collectief geweld
met het oog op de oplossing
daarvan, is het een vergissing te denken
dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat
aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject.
Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt,
is het misplaatst te geloven
dat vrede centraal gepland
en geconstrueerd kan worden.

Vrede ‘ontstaat’ eerder
wanneer er een evenwicht ontstaat
tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven,
daadwerkelijk willen
en werkelijk kunnen bereiken.
Deze wederzijdse zelfkennis
kan niet door een externe derde partij
in kaart worden gebracht
en kan slechts gedeeltelijk
door henzelf worden begrepen.

De kunst van de vredestichter
is het mogelijk maken
van een evoluerend proces
van wederzijdse aanpassingen.
Onderweg moeten ze ervoor zorgen
dat hernieuwde evenwichtige relaties
worden ondersteund
door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen,
capaciteiten en wilskracht’.
Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren;
het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen.
Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen
die moeten weten
wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen
en uit de weg moeten gaan.

Rummel concludeert:

‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract.
Het zal alleen worden nageleefd
als de partijen, om welke reden dan ook,
het in al hun overlappende belangen,
mogelijkheden
en wil vinden om dit te doen.’

Een moeizaam verworven vrede
kan buitengewoon fragiel blijven.

Ja, wie zou een vredestichter zijn?
Wie zou zich vrijwillig openstellen
voor manipulatie door kwaadwillenden?
Wie zou zich onderwerpen
aan de afwijzing van ongewenst, impopulair,
verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld
of afgeschilderd te worden
als verraders
van de rechtvaardigheid?

Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen
en begrijpen dat hun beste inspanningen
alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden,
als er al enig resultaat is.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd
voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025.
Onder hen is wijlen paus Franciscus,

‘… voor zijn onstuitbare bijdrage
aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede
en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’

Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar
naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.